|
De werken van Vondel
|
| BLZ. | |
| I | |
| DE BEWERKERS EN DE UITGEEFSTER AAN DEN LEZER. | VII |
| KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD. | 1 |
| HET LEVEN VAN VONDEL (1587-1620), LITERATUUR-OPGAVE EN BIBLIOGRAPHIE DOOR DR. J.F.M. STERCK | 3 |
| VONDELS PROZA DOOR PROF. DR. J. PRINSEN JLZN. | 25 |
| II | |
| VONDELS WERKEN (VAN 1605 TOT 1620). | 127-792 |
| SCHRIFTUERLIJCK BRUYLOFTS REFFEREYN OP T'HOUWELIJCK VAN JACOB HAESBAERT MET CLARA VAN TONGERLO 1605. | 129 |
| NIEUW-JAARS LIEDT 1607. | 133 |
| LOF-ZANGH, TOE-GE-EYGENT MR. WILLEM BARTJENS 1606 OF 1607 | 136 |
| OORLOF LIEDT 1607 | 140 |
| DE IAGHT VAN CUPIDO 1608 | 145 |
| DEDICATIE AENDE IONCK-VROUWEN VAN VRIESLANDT ENDE OVERYSSEL 1608 | 149 |
| OP HET TWAALFJARIGE BESTANDT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN 1609 | 150 |
| WTVAERT EN TREUR-DICHT VAN HENRICVS DE GROOTE, KONINGH VAN VRANCKRYCK EN NAVARRE 1610 | 151 |
| HET PASCHA OFTE DE VERLOSSINGE ISRAELS WT EGIJPTEN 1612 | 159 |
| VERGHELIJCKINGHE VANDE VERLOSSINGE DER KINDEREN ISRAELS MET DE VRIJWORDINGHE DER VEREENICHDE NEDERLANDTSCHE PROVINCIEN 1612 | 261 |
| DEN GULDEN WINCKEL DER KONSTLIEVENDE NEDERLANDERS 1613 | 265 |
[pagina 831]
| VONDELS WERKEN (VERVOLG): | |
| HYMNVS, OFTE LOF-GESANGH, OVER DE WIJD-BEROEMDE SCHEEPS-VAERT DER VEREENIGHDE NEDERLANDEN (MET PRENT) 1613 | 427 |
| HYMNUS OF LOFZANGH VANDE CHRISTELYCKE RIDDER (MET PRENT) 1614 | 446 |
| ZEDIGH GEDICHT, VANDE YDELHEYD DER MENSCHEN EN WANCKELBAERHEYD DER KONINGH-RIJCKEN 1614/15 | 459 |
| UYTBREYDING OVER DEN 19 PSALM DAVIDS, VERVATENDE D'UYTNEMENDHEYT VAN DE WET DES HEEREN 1614/15 | 464 |
| SONNET (OP DE KONINGH'S IEPHTHAH) 1615 | 472 |
| DE VADEREN, OFTE HET TWEEDE DEEL VANDE DERDE DAGH DER TWEEDER WEKE, VERVATENDE ABRAHAMS OFFERHANDE 1616 | 473 |
| VORSTELIICKE WARANDE DER DIEREN 1617 | 498 |
| JAERZANG 1618 | 768 |
| HEMELVAERTZANG 1618 | 770 |
| PINXTERZANG (Na Christi Hemelvaert) 1618 | 772 |
| PINXTERZANG (Komt, komt, o drij-mael heyl'ghe Gheest!) 1618 | 774 |
| OP HANS DE RIES (MET PORTRET) 1618 | 776 |
| OP LUBBERT GERRITSZ. (MET PORTRET) 1618 | 777 |
| ANAGRAMMA OFTE NAEM-SPREUCK (OP SCHOUTEN) 1618 | 778 |
| KLINCKERT OP DE VVONDERLICKE REYSE VANDEN HOORNSCHEN MEYR-MAN WILLEM CORNELISZ. SCHOUTEN 1618 | 778 |
| SUR L'ADMIRABLE NAVIGATION DE GVILLAVME SCHOVTEN (2 EPIGRAMMEN) 1618 | 780 |
| DE BRVILOFT VAN DEN HEERE IAKOB IAKOBSZ HINLOPEN 1618 | 781 |
| HUWELIJCKS LOF 1618 | 785 |
| OP EEN TROUWPENNINGK (TWEE DICHTJES) 1618 | 788 |
| OP DE IONGHSTE HOLLANTSCHE TRANSFORMATIE 1618 | 789 |
| OP BRERO 1619 | 792 |
| GEBEDT (Uw zegen, Heer, dael op ons allen.) 1620 | 792 |
[pagina 832]
| III | |
| AANTEEKENINGEN VAN DR. H.W.E. MOLLER: | |
| I. TEKSTKRITIEK. | 793 |
| II. AFWIJKENDE LEZINGEN | 800 |
| III. JAARTALLEN VAN DE GEDICHTEN. | 814 |
| IV. NADERE VERKLARINGEN | 817 |
| VERBETERINGEN | 827 |
| AANVULLINGEN EN OPMERKINGEN VAN DR. J.F.M. STERCK | 828 |
| INHOUD VAN HET EERSTE DEEL | 830 |
Het tweede deel van De werken van Vondel bevat op p. 921-922 verbeteringen en aanvullingen van het eerste deel. Deze pagina's zijn hier opgenomen:
[Tweede deel, pagina 921]
V. Aanvullingen en verbeteringen
Deel I
LOF-ZANGH, TOE-GE-EYGENT MR. WILLEM BARTJENS:
Blz. 137 vs. 33 Cithon, dit is blijkbaar in de latere drukken van Bartiens door 'n zetfout ontstaan uit Chiton, en dit is, mogelik door Vondel zelf, bij vergissing gezet voor Chiron, d.i. de bekende Centaur Cheiroon (vgl. Dl. 2 De Heerl. van Salomon, blz. 272 vs. 777). Bartjens jwordt dan 'n Chiron genoemd = leraar, want Cheiroon was de bekende leermeester van Achilles (zie Hecvba, vs. 1148, en Palamedes vs. 81). Ook in de oudste uitgave van Palamedes vs. 81, staat dezelfde fout Chiton voor Chiron (zie Dl. 2 blz. 834 bovenaan).
DE IAGHT VAN CUPIDO:
Blz. 147 vs. 65 Pluto, rijck, zal hier wel betekenen: de machtige Pluto, de god van de onderwereld, die uit liefde Perséphone (Prosérpina) van de aarde wegroofde; rijk in de oudere betekenis van machtig. Ook is niet Pluto, maar Plutus de eigenlike naam van de god van de rijkdom, hoewel beide namen dikwels verward werden.
WTVAERT EN TREUR-DICHT VAN HENRICVS DE GROOTE:
Blz. 158 vs. 212 't dobbel Euangelij betekent: 't Oude en 't Nieuwe Testament, vergelijk Dl. 2 De Heerlyckheyd van Salomon, vs. 1150 (blz, 292) dobbel testament.
GEDICHTEN OP HET PASCHA:
Blz. 174 Bemint de waerheydt is de spreuk van Jan Sieuwertsen Kolm.
DEN GVLDEN WINCKEL:
Blz. 302 Iud. I is de brief van de Apostel Judas, hfst. I ('t enige hoofdstuk) vs. 10: ‘Maer dese lasteren dat sy niet en weten’; lasteren heeft hier, en dus ook bij Vondel, 'n veel sterker betekenis dan ‘afkeuren,’ nml. godslasteringen spreken (in 't Latijn staat blasphemant).
Blz. 361 Bovenschrift: aant. Ogmion lees Ogmios.
Blz. 381 vs. 9-vlgg. 't hier verhaalde in De Cons. Phil. IV, pros. 3.
Blz. 391 vs. 1 Over Archilla's weldaad, zie Seneca De Beneficiis II: 10.
Blz. 407 vs. 1 Rémora. Roemer Visscher in zijn Sinnepoppen, Het eerste Schock, XLVIII, zegt: ‘Plinius schrijft datter een kleyn visken in de Roode Zee is, dat een schip kan houden liggen met volle zeylen: ja beter dan eenige anckers en touwen: welck visken genaemt is Remora.’ - Remora is 'n Latijns woord, dat oponthoud betekent: deze naam heeft dat visje om bovenvermelde reden gekregen.
Blz. 417 aant. 1 bij LXX: Lucius heet bij Apuleius, de jongeling die in 'n ezel veranderd werd; en (vs. 17) Philébus is een van de eigenaren die deze ezel in bezit kreeg. (Apuleius: Metamorphoseon libri XI seu de aureo asino L. 8:25).
Blz. 419 LXXII deze oorsprong van de schilderkunst aldus bij Plinius: Nat. Hist. 35:5.
HYMNVS, OFTE LOF-GESANGH, OVER DE SCHEEPS-VAERT:
Blz. 436 aant. op vs. 193 Den Visch-vangh voor-geroert, dit zal wel betekenen: de visvangst hierboven genoemd (in vs. 165-166); vgl. aangeroerd, dus: te voren aangeroerd.
DE VADEREN:
Blz. 484 achter vers 178 in plaats van de komma v.d. oude uitg. te lezen 'n punt (niet en wil.). - In vs. 179 achter lieft hy 'n punt of dubbelpunt (de oude uitg. heeft geen leesteken), en vs. 180 de komma van de oude uitg. achter velden weglaten. 't Frans heeft: Il n'ayme point le mal. Aussitot que les ondes... que Noé... quitta la flotante prison, Dieu defendit le meurtre... Aan 't eind van vs. 182 achter ghebouw moet in plaats van de punt v.d. oude
[Tweede deel, pagina 922]
uitg. 'n komma staan, en de komma van de oude uitg. achter ontsloegh in vs. 182 moet weg. De zin is: zodra de zondvloed weer in de zee was teruggelopen, (weer naar de diepte ging)... en Noah de ark verlaten had, werd de doodslag verboden.
In d'aant. op vs. 180 is dus 't laatste gedeelte onjuist.
Blz. 490 vs. 302. De komma van de oude uitg. achter throon moet veranderd worden in 'n vraagteken. - vs. 312 te wesen (oude uitg.) lees te vresen; 't Frans heeft: Le meurtrier de son fils, a peur de faire offence, Celui qui vers son sang exerce cruauté, Craint hélas! de tomber en quelque impieté. - vs. 315 lees: Myn Vader leent my t'oor, niet niet dat myn begeeren.... d.i. Vader luister naar mij, niet dat ik verlang.... (Of wel lees met 't Frans 'n punt achter oor).
De herdruk van Vondel's De Vaderen door Zacharias Heijns in zijn Bartas wercken (1621) heeft dezelfde fouten als de eerste uitg. (met veel nieuwe slordigheden), behalve de komma achter velden (vs. 180).
WARANDE DER DIEREN:
Blz. 528 aant. regel 8. Sabellicus' volle naam is: Marcus Antonius Coccius Sabellicus, en 't hier verhaalde is bij hem te vinden in Rhapsodiae historiarum Enneades VI:1.
Blz. 530 Fvlgosus, nml. Ioannes Baptista Campofulgosus, die 't hier verhaalde meedeelt in zijn Exempla, IX : 10 (zie ook blz. 572).
Blz. 534. Wat hier in 't onderschrift staat, is ook verhaald in Den Gvlden Winckel, LXVII (Dl. 1, blz. 409).
Blz. 558 In symbolis imperatorvm: hier worden wel bedoeld de edikten van de keizers, hoewel ik 't werk zelf niet kan achterhalen.
Blz. 564. Cicero deelt deze trouweloosheid van zijn vriend M. Papius Piso mee in brieven aan zijn boezemvriend Atticus (Ad Atticum I; 13, 14, 16).
Blz. 578. Dionysius van Halikarnassos (zie Dl. 1, blz. 507 aant. op r. 16) kan natuurlik niets hebben meegedeeld over Keizer Caracalla. Dion is Dion Cassius of Cassius Dio, 'n Grieks geschiedschrijver (± 150-± 235), die 't hier verhaalde beschreven heeft in zijn Romeinse geschiedenis Boek LXXII:II.
Blz. 584. Deze Dionysius is niet die van Halikarnassos, maar Dionysius van Alexandrië, (2e eeuw na Kr.) die deze geschiedenis vertelt in zijn gedicht Periegesis (d.i. rondleiding in merkwaardigheden).
Blz. 606. Over de hiergenoemde Keizers kan Suetonius niet geschreven hebben (zie Dl. 1, blz. 518 aant. opr. 6). Er zijn dus latere levensbeschrijvers van de Romeinse keizers bedoeld.
Blz. 614 Iosuae 1.10: zoals de oude uitg. leest, is fout. Er moet staan Iosuae 10. Dit wordt verhaald in 't 10e hfst. van 't boek Jozuee (vs. 16, 17 en 24-26).
Blz. 624. Wat in 't onderschrift verhaald wordt, is bij Marcus Welser (16e eeuw) te vinden in zijn Res Boicae, L. II.
Blz. 638 tulpel in r. 4 zou mischien 'tzelfde woord kunnen zijn als 't middeleeuwse tolpe: gemeen soldaat; oorspr. misschien = boerekinkel (zoals 't mhgd. törpel, nhgd. tölpel).
Blz. 678. De hier aangehaalde Historia Ecclesiastica kan ook de bekende geschiedenis zijn van Eusebius van Caesaréa. (265-340).
Blz. 700 r. 9. Deze aanhaling zal wel zijn van Servius (4e eeuw na Kr.) een van de Commentatores in Virgilium; als verklaring bij AEneïs I, vs. 273-277, waar Vergilius in 't kort Romulus' geschiedenis bespreekt.
Blz. 746 In vita Fabii. Hier wordt wschl. de levensbeschrijving door Plutarchos bedoeld.
Blz. 754 Matthaevs Radaevs. Dat inderdaad Radérus bedoeld is, blijkt, want deze mededeling staat in zijn Commentarius ad Martialem, 4e boek, 1e epigram, waar hij uit Suetonius aanhaalt Vita Domitiani, 4.
Verschillende van bovenstaande opmerkingen (of gedeeltes ervan) dank ik aan de vriendelike belangstellingen van Drs. L.C. Michels te Tilburg, Dr. G.A. Nauta te Groningen en Prof. Albert Verwey te Noordwijk aan Zee.