De werken van Vondel. Deel 1. 1605-1620


auteur: Joost van den Vondel


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 25]

Vondels proza door Prof. Dr. J. Prinsen Jlzn.

Inleiding

HET oudste mij bekende geschrift over Vondels proza dateert van voor een kleine honderd jaar. Het is een ‘Redevoering over J. van den Vondel als schrijver in ondicht’ van Maurits Cornelis van Hall.1)

Deze misschien citeerde ook het eerst de sedert meermalen aangehaalde regels van Joachim Oudaen, die ons het oordeel van een tijdgenoot doen kennen:

 
Zoo yemand ook een stijl in onrijm zich verkoze,
 
Ik ken geen majesteit, die boven Vondels proze
 
Zich heffe in rijkdom, kracht of helderheit van taal.

Dit opstel van Van Hall is in 1905 op nieuw door een ander uitgegeven, eenigszins verkort en hier en daar gemoderniseerd als eigen werk, een voorbeeld van brutaal plagiaat.2)

Wat Van Hall schreef is voor zijn tijd bijzonder verdienstelijk. Hij weet het typische in Vondels proza te waardeeren, aan te wijzen en in goede voorbeelden onder de aandacht te brengen en, hoewel soms nog ietwat schroomvallig en onzeker, weet hij toch de rechten en de geschiktheid van het proza om in vollen omvang uit te drukken wat het dichterlijk gemoed bezielt, te verdedigen. Ik zal in het volgende meermalen de gelegenheid hebben de verdiensten van Van Hall aan te toonen.

[p. 26]

Inderdaad in de dagen toen Van Hall schreef, werd het proza nog niet voor vol aangezien. Het werd geaccepteerd als de normale vorm voor de mededeeling van de gedachten, voor het betoog, de redevoering, de preek; maar dat men de volle schoonheid, die in litteraire kunst leeft, alle ontroering, die in alle richtingen van kunst uitgaan kan, zoowel in gebonden als ongebonden taal kan uitdrukken, werd nog slechts door weinigen aanvaard. Dat getuigen Geel's mooie essay over het Proza en de aanval dien prof. Simons er op deed.

Eerst sedert 1760 komt het proza sporadisch in het drama voor en dan nog natuurlijk enkel in het blijspel. Cénie van Mme de Grafigny, vertaald door Anna van Hattum, schijnt het eerste stuk te zijn geweest, dat in Hollandsch proza op het Amsterdamsch tooneel werd gespeeld en Corver verdedigde dit toen in een voorrede door o.a. te beweren, ‘dat een Tooneeldichter zig meer moet bevlijtigen om het gemoed van den Aanschouwer te raken, dan om door een hoogdravende of zoetvloeiende zangtoon enkel zijn gehoor te streelen, en dat dieshalven hoe waarschijnlijker en natuurlijker een Blijspel kan vertoont worden, hoe het kragtiger op het gemoed werkt.’ In 1764 volgde een proza-vertaling naar Holberg, De Hovaardije en Armoede, en Cornelis van Engelen kwam toen met de gewichtige uitspraak, dat het proza ‘buigzamer en gemakkelijker is voor schrijver en lezer, en even vatbaar, misschien zelfs vatbaarer voor alle cieraden, voor alle kracht en roering der Dichtkunst.’1)

In de middeleeuwen heeft men stellig wel geen kunstenaars erkend in hen, die proza schreven. Wat meer zegt, heel dien rijkdom van zoo belangwekkend proza van de mystiek, het schitterend lyrische van Hadewych, de rustige, logische kracht in het proza der moderne devotie bij Ruusbroec, bij Mande, bij Brugman, de pittige, kritische geest in Jan van Leeuwen, het didactisch proza van heiligen-levens, kronieken, sermoenen, vaak van groote schoonheid, wie keek er naar om in de eerste helft der 19de eeuw, toen toch de belangstelling voor de middeleeuwsche litteratuur

[p. 27]

reeds in volle fleur stond, toen Jonckbloet, De Vries, Leendertz, om van de Vlamingen niet te spreken, reeds al wat zij aan handschriften van middeleeuwsche berijmingen bemachtigen konden, zorgvuldig uitgaven en bestudeerden.

Moll in zijn mooie studie over Brugman (1854) voelt bijzonder weinig voor de pakkende aanschouwelijkheid van Brugman's proza. En toch had toen reeds Van Vloten zijn bloemlezing uit het middelnederlandsche proza van 1229 tot 1476 doen verschijnen (1851). Hij is weer de eerste geweest, die opzettelijk en uitvoerig op het belang ook van het middeleeuwsche proza wees. Na hem bepleitte Acquoy in een rede: De stichtelijke proza-literatuur onzer vaderen vóór de hervorming1), de erkenning en waardeering der schoonheid van het oude ondicht en sedert is een grondige studie er van gevolgd.

Met de Renaissance is de waardeering voor het proza in den tijd zelf, waarin het geschreven werd, zeer gerezen. Men had Cicero vooral leeren op prijs stellen en genieten. Marnix en Jan van Hout schreven voortreffelijk proza, rijk aan pakkende beelden; Van Mander kon machtig aardig aanschouwelijk vertellen; Coornhert vertaalde Cicero en werkte bewust of onbewust in diens geest.

En wanneer het tweede kwart der 17de eeuw is ingetreden, schrijft Daniel Mostaert, sedert 1622 secretaris van Amsterdam, voor zijn Nederduytse Secretaris oft Zendbriefschrijver (1635) in de opdracht aan Schout, Burgermeesteren en Schepenen der stadt Amstelredamme een beschouwing over het proza, die in strekking nabij komt de populaire uitspraak van Buffon van een goede eeuw later: Le style est l'homme même, in zijn Discours de réception aan de Académie:

‘Het is aenmerkens waerdigh, hoe dat in zoo groot een' overvloedt van briefschryvers zulk een verscheydenheidt van stijl ghevonden wordt, dat zelfs de genen, die voor zich nemen iemandt te volghen, den zelven in alles zoo wel niet naebootzen konnen of men ziet in ieder van hun luyden een merkelijk onderscheyt en eigenschap. 't Welk waerschijnlijk voort komen
[p. 28]
moet uyt de natuer, die, gelykze in zoodanigh een gelijkheydt der menschelyke Lichamen aan elk der zelven gegeven heeft zyn eyghen omtrek en een verscheyde beeltenis en wezen, alzoo ook gelijk onderscheydt gemaekt heeft in 't gheluyt der stemme, in 't maeksel der letteren en in de werken der handen en des vernufts. Maer zoodanigh verschil is zomtijdts ook veroorzaekt door de zeeden der eeuwen en Hoven. Want met ziet, dat op zommige tijden omhelst is geweest d'eenvoudigheit in 't schryven, zomwylen de cieraeden, altemets het vloeyend en kort, en zomtijds het gebroken en besnoeyt spreken, dat veel eer verwondering baert dan het verklaert 't geen 'er by verstaen moet worden.
Alzoo prijst een ieder, 't zy hy van oft naer de konst schrijft, die manier, daer hy meest toe gedreven wordt door zyn eyge neyging oft door het oordeel, dat de neyging en gewoonte volght; dewijl 'er niets is, dat de hoedanigheyden des gemoedts en de verscheydenheidt van ieders aert meer ontdekt, als het schryven en spreken. Daerom ziet men Plato onder de groote meesters der welsprekenheidt ook in den brieven toonen zijn' zoo zinrijken, volkomen, maettalligen en zoeten stijl, Demosthenes zyn doordringentheit en deftigheit, en zoo men die van Aristoteles zaege, zou men misschien geen ander voorbeeldt van een' volmaekten stijl behoeven te zoeken. Alle ander Griexsche schrijvers hebben elk hun eygenschappen en onderscheydt. Onder den Latijnen steekt Cicero myns oordeels ver boven allen anderen uyt in allerhande slagh van schryven om zijn uytmuntenheidt in 't spreken, overvloed en verandering, maer byzonderlijk in briefschryven om de eigenschap sijns stijls, gepast naer allerley stof, om het uytdrukken der hartstoghten, om zyn levendige geestigheidt, bevallijkheidt, boerterijen, schrandere spreekwoorden, staetkunde ende alle andre deelen die inden brieven te prysen zijn; midts't welk hy alleen de bron en spiegel is aller volmaektheeden in dees konst.’

Dit is, betrekkelijk vroeg, de schoonste erkenning van den aard en de waarde van het proza als levende, zuivere uitdrukking van 's menschen persoonlijkheid. In een kort bestek hebben we hier alles bij elkaar, want naast het zeer persoonlijke in den stijl wijst hij ook op de mode (misschien met een kleine prikkeling naar de zijde van Hooft) en hij signaleert te gelijkertijd de modellen die de prozaschrijvers zich stelden, in het bijzonder Cicero. Hooft (die

[p. 29]

den prik dan misschien niet gevoeld heeft), Vondel, Van Baerle, Van den Burgh zongen Mostaerts lof.

Als Mostaert dit schrijft, is Hoofts rijmpen al lang verdroogd, naar hij het uitdrukt in een brief van 1630 aan Tesselschade; hij was ‘verzoopen en verzonken in 't rijmeloos schrijven zijner Historiën.’ Hij is de prozaschrijver bij uitnemendheid geworden in den glorietijd onzer letterkunde.

Vondel is vol diepen, naïeven eerbied voor het proza van Hooft. Brandt laat hem zeggen:

‘In gansch Neêrlandt ken ik niemandt, die maghtigh is slechts een bladt te schryven, gelijk de Drost dat heele werk uitvoerde.’ ‘Ja, zegt Brandt, ik heb hem van die Historien zelf hooren zeggen: dat het een volmaakt werk was, een queekhof van verheven Duitsch: dat de Dichters uit dat werk al de krachtige en aardige spreekwyzen in orde behoorden te verzaamelen (gelyk Aldus Manutius en anderen uit Cicero in 't Latyn deeden) en dat ze die, door 't overweegen en herkaauwen, hun eigen makende, dan een styl zouden krygen den Parnas waardig.’1)

Zou Vondel zelf bij het schrijven van zijn eigen proza een dergelijk recept gevolgd hebben? Ik betwijfel het zeer. Daar is het te verscheiden, te levend en natuurlijk, te persoonlijk toe.

Brandt zelf is vol lof over het proza van Hooft en weet van Vondels Aenleidinge niets anders te vertellen, dan dat er ‘nutte regelen’ in werden ontvouwd.

Ik zou Hoofts proza niet gaarne in onze litteratuur missen. Het is krachtig en kernachtig; het is een geweldig taalmonument, dat nog altijd bewondering naast verbazing afdwingt. Doch men behoeft niet tot Multatuli's wilden spot en schuimbekkende verachting te vervallen,2) om toch in hoofdzaak in te stemmen met Te Winkel's bezadigd oordeel:3)

‘Het onnederlandsch karakter der taal openbaart zich niet slechts in enkele woorden, maar zelfs in geheele zinnen, daar Hooft zijn best deed, met het krachtigste merg van andere talen zijn Nederlandsch te voeden. Die vreemde
[p. 30]
zinvorming werd nog bevorderd door eene standvastige eigenaardigheid van onzen geschiedschrijver bij het samenstellen van zijn werk. De meeste zinnen toch zijn niet geheel oorspronkelijk, maar met meer of minder vrijheid vertaald, minder nog uit het Latijn, dan uit Fransch, Italiaansch of Spaansch, en zoo is het geschiedwerk te vergelijken bij een mozaïekvloer, kunstig samengesteld met kleine steentjes uit allerlei andere geschiedwerken losgepeuterd. Het beeld, dat ik hier gebruik, is aan Hooft zelf ontleend.’

Volgt een passage om dit te bewijzen uit een brief aan zwager Baeck.

Zoo is het proza van Vondel niet. Hij moet Cicero's proza goed gelezen en bijzonder genoten hebben; maar men krijgt niet den indruk dat hij ooit bijzondere studie van het proza gemaakt heeft, al is dit evenwel toch zeer goed mogelijk. Zijn proza lijkt echte, zuivere natuurkunst. Hij gebruikte het, als hij wat te zeggen had, wat te betoogen, te leeren, mee te deelen buiten datgene wat hij voelde als zijn eigenlijke kunst, zijn gedichten. En dan is het alsof het direct, zuiver en zoo als het voor ieder bepaald geval onveranderlijk in de meest rijke verscheidenheid van toon zijn moet, uit de milde bron van zijn geniaal kunstenaarschap vloeit. Hij zat geen mozaïek-vloertjes moeizaam in elkaar te prutsen. De kunstenaar sprak, zooals hij het in zich voelde groeien en leven, en ziet, het was goed en schoon. Het was verheven en aangrijpend, waar het verheven en aangrijpend zijn moest, het was speelsch en eenvoudig, waar zijn binnenste speelsch en gemoedelijk gestemd was. Het was steeds helder en doorzichtig van bouw, zoowel in het verhevene als in de meest simpele meedeeling, in de verheerlijking van het hoogste wat hem bezielde, als in den fellen, satirieken strijd, omdat zijn geest klaarheid en eenvoud was, in klaarheid en eenvoud ook het meest verhevene kon omvatten en uitbeelden, helder kon zijn ook wanneer zijn proza zwol tot forsche, krachtige gedragenheid en opstond in breeden periodenbouw. Het werd rijk aan schoone beeldspraak, omdat hij van nature een rijk dichter was zoowel in zijn proza als in zijn poëzie. Zijn proza werd, als hij het noodig had.

Dat wil zeggen: dien indruk maakt het thans op den lezer. Ook Vondel zal als ieder geniaal kunstenaar wel eens te worstelen

[p. 31]

gehad hebben met de techniek. Maar zoo goed als altijd heeft hij schitterend overwonnen. Nergens krijgen wij den indruk, dat hij gezocht heeft, dat hij heeft zitten passen en meten om de boel in elkaar te peuteren en oneffenheden weg te werken.

Voor mij staat het proza van Vondel verre boven het gekunstelde ondicht van Hooft. Het proza van Hooft is voor mij een kostelijke merkwaardigheid, een mirakuleus bedenksel van vernuft, kennis, geestigheid, taai doorzettingsvermogen, dat wel sterk laboreert aan de modekwalen van den tijd, die zich elders als Marinisme, Gongorisme, Euphuïsme onder andere omstandigheden in andere vormen en eigenaardigheden hebben geopenbaard. Hooft heeft wel getracht aan dit alles een stoer, eigen Hollandsch karakter te geven.

Het proza van Vondel is tot heden te zeer verwaarloosd. Zijn oeuvre bood zoo overweldigende schatten van poëzie, dat men die meestal kleine brokjes proza, die hier en daar verspreid staan, over het hoofd zag. Ja, ieder die wat aan Vondel-lectuur gedaan had, kende ook wel de Aenleidinge, waardeerde ze en vond, dat Vondel waarlijk ook wel aardig proza schreef. Maar daarmee was het dan ook uit.

In dit opstel wil ik een eerste algemeen overzicht geven van al het proza, dat wij van Vondel bezitten. Ik zal daarbij wijzen op verschillende kwaliteiten van dit proza en vooral ook de aandacht vestigen op wat we van Vondels persoonlijkheid als mensch en dichter eruit kunnen leeren.

Al dit proza bij elkaar gevoegd, Sterck heeft het al gezegd,1) zou een vrij omvangrijk boekdeel vullen. Ik zal beginnen met het proza, dat ik meen te mogen aanduiden met den titel ‘Oorspronkelijke prozastukken.’ Daartoe behooren in de eerste plaats natuurlijk de Aenleidinge en het Tooneelschilt. Maar vóór verschillende werken staan soms zulke uitvoerige Berechten aan den lezer, niet bepaalde opdrachten aan zekere personen, dat men ze beschouwen kan als wat we thans zouden noemen kleine essays, die een auteur thans misschien niet bij zijn werk zou voegen, maar

[p. 32]

apart in een periodiek zou laten verschijnen. Deze meer uitvoerige Berechten heb ik ook tot de ‘Oorspronkelijke prozastukken’ gerekend.

Dan komen de Opdrachten aan de beurt, die Vondel aan de meeste zijner grootere werken liet voorafgaan. De ‘Inhoud’ der drama's is natuurlijk ook in proza geschreven; doch daar deze meestal niet anders dan zakelijke korte meedeelingen bevat, laat ik die stukjes over het algemeen buiten beschouwing.

De derde groep vormen de Brieven in proza. En ten slotte komen dan de Vertalingen in proza ter sprake.

[p. 33]

De oorspronkelijke prozastukken

Vondels program als treurspeldichter: Aenden gedichtlievenden lezer voor Hierusalem verwoest (1620). Voorop eenig vertoon van geleerdheid, den autodidact eigen; trouwens deze neiging is Vondel lang bijgebleven; Virgilius geciteerd en Homerus. Hij kent zijn Latijn, voelt zich Renaissance-dichter, met welgevallen meegaand in de moderne strooming. Hij kent zijn geschiedschrijvers, die u vertellen van de rampen, die over Israël gekomen zijn als welverdiende straf van den God der wrake, straf voor de afgrijselijke zonde, volbracht aan het Lam Gods, ‘dat ter slagtbanck geleyd word.’ Hij vertaalt u uit zijnen Lipsius het verhaal van al de wederwaardigheden, die het eenmaal uitverkoren volk in de laatste jaren van zijn bestaan troffen. Ook in de oudvaders is hij thuis. En het Urbs antiqua ruit, dat hem ook bij zijnen Gijsbrecht zal bezielen, weerklinkt hier al.

Dan komt hij tot de stof. Door die gewijde stof te kiezen volgt hij slechts het spoor van den koninklijken harpenaar en den goddelijken dichter Jeremias.

Waarom zoekt hij schoonheid? Niet om de schoonheid zelve, een dergelijk idee was vreemd aan zijn tijd. Toch werkt in hem de onweerstaanbare, heilige drang naar schoonheid, even sterk als die andere, die wat op 's harten grond leit, hem naar de keel doet wellen. Al zijn krachten en gaven zijn slechts de nederige dienaressen, waarmee hij leeren en verheerlijken wil; de ‘weerdigheyd vande stoffe’ is voor hem de hoofdzaak en ootmoedig wenscht hij, dat zijn ‘rymen’ aan die weerdigheyd mochten beantwoorden.

Die weerdigheyd zoekt hij van den aanvang zijner dramatische kunst af in de gewijde stoffe van den Bijbel. En in dit korte opstel bakent hij voor goed zijn weg af als dramaschrijver, den langen weg, die loopt van het Pascha tot den Noah over een periode van

[p. 34]

vijfenzestig jaar. Reeds in zijn opdracht van het Pascha aan den lezer overziet hij allerlei Bijbelsche stof en vraagt: ‘Wat zijn 't anders, als naecte Comedien, ende Tragedien, om daer mede te leeren die menschen, de welcke op gheen ander maniere de verborghen misterien van 't Rijcke der Hemelen verstaen konnen?’

In 1620, als hij den ondergang van Jeruzalem gaat uitbeelden, is dit verder in hem gerijpt en welbewust trekt hij de vaste lijnen van zijn verder christelijk dichterschap.

Nu reeds acht hij zich gerechtigd om met Euripides en Seneca ‘nae den palm te dingen’; doch hij rept hierbij niet over dichterlijke gaven, over schoonheid van vorm of diepte van karakter-teekening; hij stelt enkel de vraag, wie ‘hooghdravender en uytnemender zaecken verhandelt.’ Hij is de Renaissance-dichter die als stof voor zijn drama kiest de gewijde historiën boven de heidensche fabelen; de Joden zijn van geen geringeren adel dan de Trojanen.

En dan komt die schitterende vergelijking, waarin heel Vondels dramatische stof reeds ligt uitgedrukt en waarvan ik hier slechts het begin in herinnering breng: ‘De Dochter Sion wijckt niet voor Hecuba, noch Jerusalem voor thien Troijens. Ginder was de Kerck van Minerve: hier des Heeren Tempel, dat zesenveer-tighjarige getimmer, het welck aller uytheemschen oogen in Syrien lockte, en waer in de Nijd niet als enckel schoonheyd verachte. Daer stond het Palladium: hier school de Arcke des Verbonds bedeckt met goude Cherubynen, en meer heylighdoms elck om het heerlijcxste. Oock is de Jordane die den Israeliten weeck, en de Beke Cedron over de welcke Jesus gingh meerder als Xanthus. Davids burght gaet Ilium te boven’.... En wel voldaan besluit hij: ‘Dit dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo zietmen met een half oogh welcke stoffe van beyden meest weeght, en hoe de Zonne des heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet.’

Hiermee is Vondels weg bepaald; aan dit program is hij trouw gebleven. Zijn godsdienstige en politieke overtuiging drong hem eenmaal tot een hekelspel en eenmaal tot een herdersspel, zijn

[p. 35]

stadsliefde en wellust in Virgilius tot den Gijsbrecht. Hij vertaalde naar Euripides en Sophokles; doch was dit meer dan een zich oefenen in de taal, zich inwerken in den vorm tot het beter vervullen van zijn hooge roeping, die hij vond in de Oudtestamentische en Christelijke tragedie?

In de Voorrede van den Palamedes (1625) krijgen wij een geheel anderen Vondel te zien, niet den geleerden dichter, die in breede trekken aangeeft waar hij de stof voor zijn schoonheid vinden zal, doch den strijdlustigen, den diep bewogenen, den fel ontroerden, die in bittere, vlijmende waarheid uitbeeldde het onrecht en de misdaad zoo als hij die zag, als mensch die vrij en zuiver inzicht had gekregen in het geestelijk leven van zijn tijd, die in hevige verontwaardiging voelde, hoe eigenwaan, haat en willekeur grepen naar laster en verraad om te gronde te richten, wat niet paste binnen de grenzen van eigen belang en eigen glorie, binnen de nauwe palen van wat belangzucht als eenig mogelijken dienst van het heilige voorschreef.

Doch Vondel voelde blijkbaar wel de gevaren die hem dreigden, en waar hij in groote trekken de gebeurtenissen uit het oude Griekenland aangeeft, die zoo treffend voor allen die lezen konden, zouden vertolken den tragischen ondergang der vermoorde onnoozelheid, brengt hij hier meermalen voorzichtig kleine trekjes aan die de aandacht van zijn eigen gevaarlijk opzet kunnen afleiden. Hij zal zijn tijdgenooten laten zien ‘hoe de booze Heydenen onder een momaensicht hunne personagie wonderlijck hebben gespeelt; ick roer geene Christenen.’ Maar, gaat hij door, ‘gelijck het der rechtvaerdigheyd, als eygen is, verdrucking te lyden: alzoo is haer oock als eenen troostelijcken loon by geleyd, dat haere onnooselheyd niet onderdruckt blijft; maer by alle eerlijcke nakomelingen doorbreeckt.’

Na zoo scherp en duidelijk de waarheid in het algemeen, waar het hier in het bijzonder om te doen is, te hebben aangegeven, gaat hij argeloos voort, alsof hij enkel een willekeurig beeld voor dat algemeene zoekt, rustig keuvelend met het onschuldigste gezicht

[p. 36]

van de wereld: ‘Onder de overoude kan hiervan getuygen de Griecxsche Palamedes, dien wy op het Neerlandsch toonneel brengen.’ En dan etaleert hij onder Grieksche namen heel den boozen handel met Oldenbarneveldt, spreekt van logenen en lasteringen, beulen en moordenaeren. Socrates verschijnt, ter dood gebracht, omdat hij van de Goden niet geloofde wat den machthebberen naar den zin was, en - o zoete bloem van het eerste Grieksch! - de dichter citeert u den eigen tekst van Xenophon in Grieksche karakters, waaruit blijkt, dat Socrates in het lot van Palamedes zijn troost vond.

Die Palamedes-geschiedenis is geen fictie; het is alles heusch gebeurd. Ja, uit die oude geschiedschrijvers is heel wat algemeene levenswijsheid op te doen. ‘Als myne treursangeres toghtigh was om yet wat treffelijcx te rijmen, so heeftse Palamedes wtgepickt, een' man die bij Griecxsche en Latynsche schrijvers soo hoogh geroemt word.’ Hoe teekenend is dit zinnetje: 't Was zoo toevallig gebeurd; hij voelde wel weer drang om eens wat te dichten in treurspelstijl en ziet daar valt zijn oog zoo op de fata van dien ongelukkigen Palamedes.

Die voorrede is een zeldzaam goed voorbeeld van den maskeerenden stijl, van kleine sous-entendu's, maar het lukt niet immer, telkens breekt de rauwe waarheid door en dat geeft aan dit stuk telkens den toon van den onopzettelijken humor. Doodonnoozel laat hij op zijn voorafgaande meedeeling volgen, hoe Diogenes Laërtius getuigt, dat Euripides in zijnen Palamedes ‘die van Athenen hunne moordaedigheyd, gepleeght in het ombrengen van Socrates, bedecktelijck aldus verweten heeft’ en er volgt weer een Grieksch citaat. Ja, ja, in zoo'n stuk kan wel eens een toespeling zijn, dat kan soms raar uitkomen. Hij wil zich dekken en telkens is het toch of hij bang is dat ze hem niet volkomen begrijpen zullen.

Er volgt nu allerlei betoog in dien zelfden toon over wat de oude schrijvers wel over Palamedes meedeelen. Die bronnen vermelden, dat Palamedes begraven is op den ‘oever van Aeolien, niet verre van Trojen.’ Hij heeft zijn uitvaart gevierd ‘daer het

[p. 37]

wijdberoemde, en overoude orakel of de Godspraeck was der Godesse Themis’ - ‘dan dit salmen de poëtische vryheyd toegeven’, een toevallige luim van den dichter, en we zien den fijnen spot nauw merkbaar trillen in de hoeken van zijn mond, in zijn klare oogen, terwijl hij dit alles met een strak serieus gezicht voordraagt.

Misschien wel om den uiterlijken schijn van zakelijke meedeeling in deze voorrede te verhoogen, besluit hij met een notitie over de spelling. In den eersten druk is zij slechts kort; hij breekt plotseling zijn beschouwing af, omdat hij bang is den lezer te vervelen en vervolgt: ‘Indien den letterkundigen hier in yet vreemds of ongerymts voorkomt, die sal weten dat wy ons daer in gedraegen hebben na het letterkundig besluyt, daer van wettelyck t'Amsterdam by eenige dichters gemaeckt: en wat de spelling belangt, also ons besluyt daer van niet en rept, en dit in elcx vrijheyd staet, soo hebben wy meest den gemeenen sleur gevolgt, wtgeseyd in weynige dingen, overmits wy tot noch toe noyt ons selven daer in hebben konnen voldoen, oock achtende datter so veel niet aen gelegen is, als, met verlof, sich sommige wel inbeelden.’

Nota: het autoriteitsbesef in deze zaak: wettelijk gemaakt door eenige dichters. Hiermee zal Vondel wel bedoelen het resultaat van de beraadslagingen tusschen hem zelf, Hooft, Laurens Reaal en Anthonis de Hubert. Brandt toch deelt mee, dat Vondel, bekomende van zijn ziekte in 1621, weer begon te dichten en zeer in de ontplooiing zijner gaven toenam door het verkeer met Hooft en andere dichters, waarbij ook Reaal en De Hubert genoemd worden. Bij hun samenkomsten werd ‘gehandelt van d'eigenschappen der moederlyke taale. Men stelde verscheide regels, daar men zich in 't dichten naar hadde te schikken: ontrent het stuk der taalschikkinge, de t' saamenvoeging der woorden en naamen, het onderscheidt der geslachten, buiging der gevallen en spelling van yder woordt. Daar men eenig bericht van vindt in de Waarschouwinge, gestelt voor de Psalmen van den gemelden Hubert. Doch deeze taalschikking is sedert merkelyk ver-

[p. 38]

betert, en door den Drossaardt en Vondel tot genoeghsaame volkoomenheit gebraght.’1)

Men merkt, er is tegenspraak tusschen Brandt en Vondels eigen meedeelingen voor den Palamedes. Brandt heeft, zooals Dr. Moller te recht aanneemt,2) als resultaat van de gemeenschappelijke besprekingen eenvoudig overgenomen wat De Hubert voor zijn eigen gebruik vastgesteld had bij zijn Psalmvertaling en vóór die uitgave had meegedeeld. Vondel zelf rept niet van een besluit over de spelling in zijn notitie. Er is daarover blijkbaar niets vastgesteld door de heeren. Vondel staat hier op het volkomen juiste standpunt tegenover de spelling, waar op ieder moet komen te staan voor hij zich zoo ten naastenbij een spellingsysteem afbakent of van anderen overneemt: 't is geen zaak van groot belang; met de eigenlijke levende taal, den klank, het dichterlijk geluid heeft de spelling bijzonder weinig te maken. Hij volgt de algemeene sleur.

Binnen een jaar zijn in 1626 nog zes andere drukken verschenen - natuurlijk; het boek was ‘opgehaald’ - en in al deze is de beschouwing over taal aanmerkelijk uitgebreid. Vondel wijst op het streven naar een phonetische spelling, een schrijven-zooals-men-spreekt, dat zich in Frankrijk (o.a. bij Du Baïf van de Pléiade) openbaarde, en voelt zeer goed, dat dit streven in zijn uiterste consequenties geen succes kan hebben door het gebrek aan nieuwe letterteekens. Er zou op nieuw een Cadmus moeten opstaan. Hij voorziet van een dergelijke poging slechts twist en oneenigheid, haalt Spieghel en Coornhert als autoriteiten in dezen aan: ‘Maer hola 't is langh genoegh om de geytenwol getwist, laet ons liever hooren wat Palamedes te seggen heeft.’

Bij de volledige omwerking die de Palamedes in 1652 onderging, bleef heel deze paragraaf over de taal- en spellingregels weg. Zeer ten onrechte heeft men in deze weglating een volkomen onverschilligheid in later jaren gezien voor dergelijke questies.

[p. 39]

't Is alweer Dr. Moller, die de juiste opmerking maakt, dat het wegblijven van deze notities geen bewijs is van Vondels veranderde meening, in casu van zijn onverschilligheid voor de zaak. Hij volgt niet meer de gemeene sleur, heeft de wenschelijkheid erkend ook in deze wel uitsluitend uiterlijke vormkwestie toch eenige vastheid en systeem te brengen en is gekomen tot een stelsel op, voor zoover dan mogelijk met onze onvoldoende letterteekens, in hoofdzaak gezonde phonetische basis.

Omstreeks 1645 is hij gereed met zijn stelsel voor de spelling. Voor de medeklinkers komt het hierop neer, dat hij medeklinkers die door hun omgeving voor de uitspraak scherp worden, ook steeds door teekens voor scherpe medeklinkers weergeeft. Voor de klinkers: wanneer een korte of onvolkomen klinker door buiging of afleiding in een open lettergreep komt, geeft hij dien open klank door één letterteeken weer. Heeft een woord in een open lettergreep een klinker die nooit door buiging in een gesloten lettergreep komt, dan wordt steeds het enkele letterteeken gebruikt.1)

Men ziet, dat er geen enkel motief bestond in 1652 om het luchthartig uitvalletje van 1625/26 nog te herdrukken. Dat hij later om de weerga niet onverschillig is voor spellingzaken, blijkt uit een ander op zich zelf staand stukje proza, volgend achter den Lucifer in 1654, dat ik hier bij deze spelling-kwestie het best nog even ter sprake kan brengen. Hier is hij volkomen de strijdvaardige man met een gevestigde opinie. Het is het Noodigh Berecht over de nieuwe nederduitsche misspellinge, gericht tegen den Amsterdamschen predikant Petrus Leupenius, die in 1653 een, volgens Te Winkel, niet onverstandige spellingleer had uitgegeven, Aenmerkinge op de Neederduitsche taale.

Eenigszins uit de hoogte begint hij zijn terechtwijzing: ‘Sedert eenige jaren herwaert had Nederduitschlant het geluck dat vernuftige Schrijvers en Letterkunstenaers loflyck hunnen yver besteedden in onze Spraeck te verrycken, te schuimen, te zuiveren,

[p. 40]

en te regelen, door schriften, of letterkunstigh onderwijs.’ Maar daar zal hij het op het oogenblik niet nader over hebben; hij wil alleen maar even wijzen op de dwaasheid eener misspellinge die weinigen begonnen in te voeren nl. in het verdubbelen van klinkers: vaader voor vader, vreede voor vrede, kooning voor koning etc. Van Eeden heeft dus al zijn voorgangers.

Vondel noemt dit walgelijke verdubbelingen en beroept zich op wijlen den hooggeleerden Vossius, die dit evenzeer als een ‘gansch ongerymde en overtollige misspellinge’ beschouwde. Hij eindigt zijn bitsen aanval met de meedeeling, dat hij deze opmerking maakte ‘om den inbreuck van deze wilde woestheit te stuiten, de Nederlantsche pennen voor d'aenstootelycke klippe dezer misselycke misspellinge te waerschuwen, en zulck een inckvlack uit onze boecken te wisschen.’

Maar Leupenius was ook niet voor de poes. Op fellen toon heeft hij direct in een Naaberecht, gedaan op J. van Vondelens Noodigh Berecht1) Vondels vrijmoedigheid rijkelijk betaald gezet; hij weet daarbij al evenmin wetenschappelijke waardigheid in acht te nemen. Hij tracht Vondel naar huis te sturen met een ‘schoenmaker houd u bij uw leest’ en gaat al spoedig over in een aanval op den in zijn oog gruwelijken Lucifer. ‘Een iegelyk is te gelooven in zijn eigen konste. Ik geloove dat Vondelen my wel soude konnen onderrechten hoe veel voeten dat in sulk of sulk een gedicht moeten weesen, waar sy moeten kort of lang syn: wat stoffe tot een Blijspel of Treurspel vereischt wordt.... maar of hy ooit syn werk gemaakt heeft om op de suiverheid van onze moeder Taale en nauwkeurigheid van spellen te letten, daar aan soude ik grootelyks twyfelen.’ En dan gaat hij zoo geleidelijk over in een formeele scheldpartij. Hij heeft Vondels werken nooit gelezen, daar is zijn tijd te kostbaar voor, maar om zijn spelling te controleeren heeft hij nu toch eens zijn Lucifer ingekeken. ‘Ik hebbe daarin ook wel vernoomen gewisse teekenen van een ydelen en verwaanden geest, wanneer een snoode Aerdworm sik

[p. 41]

vermeet den helderen Heemel, daar men de Sonne noch de Maane niet behoeuft, in synen donkeren Schouwburg te vertoonen, den Heemelschen Geesten vleeschelyke beweegingen aan te trekken, en te stellen tot voorbeelden van die geile lusten, die doorgaans op syn Tooneel worden uitgegooten. Jaa wat niet? de Heilige aanbiddelyke Drievuldigheid, naar de malle inbeeldinge van sijn losse hoofd, door syne lichtvaerdige Kaamerspeelders, sonder eenige eerbiedigheid, of vreese voor syne verschrikkelyke Hoogheid, speelswyse af te beelden.’ En zoo gaat dat door.

Het gezag van Vossius is hem meer waard dan dat van tien Vondelens, maar Vossius was knap in vreemde talen; over het Nederlandsch heeft hij zich niet in druk geuit, misschien mondeling, maar wie geeft hem de zekerheid, dat het goed wordt overgebracht. Hij eindigt met den wensch uit te drukken, dat ieder walging zal krijgen van zulk een ‘stinkend aas’ als Vondel en dat deze boetvaardigheid moge verwerven, eer hij zelf in de hel komt.

Zoo zien we, dat de strijd over dergelijke betrekkelijk onbeteekenende uiterlijkheden als de spelling, die nimmer werkelijk goed zal kunnen worden geregeld, maar waarin toch zekere conventie zeer gewenscht is, in Vondels dagen al even hevig de hartstochten in beweging kon brengen als in onzen tijd.

Aan de prozavertaling van Virgilius (1646) gaat vooraf, wat we zouden kunnen noemen een tamelijk uitvoerig essay over Virgilius, met den simpelen titel ‘Aen den Lezer.’ Wederom zien we een andere phase van Vondels machtigen geest. Hij begint in een statigen zin met de meedeeling, hoe de glorie en roem van Augustus eischten ‘eenigh heerlijck en uitstekende werck van Latynsche Poëzye’, gelijk dat bij de Grieken met het werk van Homerus en anderen het geval was geweest. En ziet, daar was Publius Virgilius Maro.

Hij schetst u zijn leven en werk, hoe Virgilius, na ‘te Kremone, Milaen en Napels in Latijnsche en Grieksche taelkunde en alle edele wetenschappen en kunsten, in zonderheit in artsenye, en wis-

[p. 42]

kunst (te zijn) opgetrocken’, te Rome kwam om zijn landgoederen terug te eischen, die Augustus na den burgeroorlog onder zijn soldaten had verdeeld. Hoe hij om hen, die hem daarbij van dienst waren en om Maecenas, die hem steunde en beschermde, te eeren zijn Herderszangen en Lantgedichten schreef. Hoe hij ‘den geheelen dag over vylende, en lickende, gelyck de beerin haer jong, menigte van regels op een klein getal, en tot zulck een volkomenheit broght, dat al de schouwburgh hem hierop toejuichte, met handgeklap, en vrolijcken galm, en de zelve eerbiedigheit, die de Raet en het volck van Rome den Keizer toedroegen: en Burgemeester Cicero, vader der welsprekenheit, riep dezen jongen helt uit, voor d'Anderde of Tweede Hoop van Rome.’

Kunst wordt door arbeid verkregen, maar in dien goeden zin, waarin Geel het bedoelde in zijn geestig gesprek op den Leidschen buitensingel. En dan de waardigheid en eerbiediging der kunst in het leven.

En hij komt ten slotte op Hooft, die zijnen Parnasheiligh ter eere zingt:

 
Was Maro niet gelijck
 
Een zuil van koper aen de puy van 't maghtigh Rijck?
 
Geen Raetsheer, daer August wel veiligh op moght slapen?
 
Wiens wijsheit hem te sta quam meer dan menighs wapen.

Zoo werd deze begenadigde in het eind door Augustus ‘allerbequaemst geoordeelt, en uitgekosen en geheilight om den hoogen toon, gelijck Homeer, te blazen, de Keizerlijcke trompet te steecken, en zich van den Tiber tot aen den Eufraet en in Thule, of noch verder te laten hooren; en Augustus leide hem op den arbeit van Aeneas den Trojaen, uit wiens bloet en stamme de Romainen, volgens d'overeenstemminge van bykans alle schrijvers, gesproten, en de muren van 's weerelts hooftstadt, Rome, het grootste van alle dingen, gebouwt zijn.’ Met nadruk wijst Vondel op de langzame en zorgvuldige wijze waarop het groote epos onder voortdurend ‘slijpen en polijsten’ zijn voltooiing naderde.

Lyrisch proza, waarin de kunstenaar, hartstochtelijk bewogen, buiten allen band van maat of rijm, maar toch in hoog gedragen

[p. 43]

rhythme zijn verrukking of haat uitstort, heeft Vondel nimmer voortgebracht. Als hij in die lyrische stemming kwam, greep hij naar de lier, vloeiden zijn kostelijke verzen. Waar hij proza schreef had hij zakelijke betoogende meedeelingen te doen over zijn werk meestal.

Zoo is ook deze essay bedoeld. Maar toch, we weten het, met welk een eerbied en verheerlijking hij in Virgilius opging, hoe deze ook zijn leidsman was. De Klerk heeft het voortreffelijk gezegd, reeds bij Hierusalem verwoest van 1620: ‘hier is Vondels eerste bewust ontmoeten van den Mantuaanschen geest, naar de Romaansche verchristelijking van wiens eclogische droomwereld we Vondels Pascha-tijd on- of halfbewust maar spontaan zagen uitgaan.’1) En verderop: ‘Vergilius heeft vanaf de eerste bewuste ontmoeting niet voor een tijd en voor een deel zijn poëtiek geleid, maar levenslang zijn gaan tot de Schoonheid begeleid. In het nooit rustende Paradiso-streven van Vondels naar het Ideale zich stileerende kunstnatuur is Maro's goede genius, als een gezondene Gods, trouw aan zijn zijde, zoodra en zoo vaak hij een “selva oscura”, een helledonker woud dóór moet van beproevingen en tragische conflicten. Niet “werkelijk” en geweten leidt Vergilius hem in zijn Tragedie gelijk hij Dante doet in zijn Goddelijke Komedie, maar de goddelijke Mantuaan maakt alles mee in Vondels eenzaamst zielebestaan: het moeilijkste, het innigste, het heiligste.’

De Klerk wijst in de eerste plaats op de Leeuwendalers, die ontstaan in de periode, waarin Vondel zijn Virgilius' vertaling voltooid heeft; hij wijst op den Gijsbrecht, dat epische drama, dat, terwijl hem zijn epos Constantijn mislukte, na de Lyckklaght op zijn vrouw volgde, en op meer, dat ons het inzicht in den Virgiliaanschen Vondel verruimt.

Dit proza van Vondel over Virgilius moge bedoeld zijn als zakelijke meedeeling van wat de lezer weten moet, toch voelen we soms de lyrische ontroering erin trillen. Uit den fieren, krachtigen periodenbouw klinkt de eerbied en verheerlijking, het trotsche

[p. 44]

bewustzijn van de verwantschap met dien hoogen, heerlijken dichter der Oudheid.

Nadat hij ons verteld heeft, hoe Virgilius tot zijn dood toe heeft gewerkt aan de hoogere volmaking van zijn epos, en, onvoldaan, sterft met de opdracht om het werk te vernietigen, hoe Augustus dit belette en de nakomelingen aan zijn ‘voorzichtigheit dancken datze dien onschatbaren schat, hun door zijne handen zorghvuldigh overgelevert, noch bezitten’, krijgen we wel weer den echten Vondel van zijn proza te hooren, die zijn geleerdheid wil uitstallen, waar hij breed uitmeten gaat den strijd tusschen hen, die aan Virgilius den palm boven Homerus willen geven en hen, die Homerus het hoogst stellen, en wat in dien nobelen wedstrijd door beide partijen wordt aangevoerd. Inderdaad voor dièn tijd een niet onaardig voorbeeld van vergelijkende kritiek. Nu treft ons ook weer, als typeerend in Vondel, zijn autoriteitsgeloof, zijn ootmoedige eerbeid voor alle mogelijke uitspraken van anderen. Niet wat hij zelf schoons en heerlijks ziet en voelt in Homerus, maar wat tal van anderen tot verheerlijking en eeuwigen roem van den dichter der grijze oudheid zeggen, wordt uiteengezet. Hij zelf telt niet mee.

Tegenover heel die machtige phalanx lofuitingen, komt dan Virgilius te staan, met zijn naar eigen inzien onvoltooid werk, ten vure gedoemd, ‘van Homeers draden geweven’. Wat vond men in Maro, dat niet in de daaraan voorafgaande Oudheid te vinden was? Dat was immers alles navolging en letterdieverij! Edoch, ‘dat Homeer den naem van vinder en vader der heldenpoëzye droegh, sproot hier uit, dewyl men geen grijzer heldendichters van zoo groot een werck met name wist te noemen; doch twijfelde Aristoteles zelf niet datze 'r geweest waren: gelijck oock de fabelen, in zyne wercken geweven, niet alle by hem verziert maer ten deele gerimpelde wijven, en boeren in Chios, en elders; ten deele den Egyptenaren ontleent werden, die niet luttel van starrekunst en andere natuurkennis eerst uit Chaldeen en Oosterlingen schepten.’ Ieder volgend geslacht staat op de schouders van de voorgaande.

Hoe gaarne zouden we hier nu juist verder Vondel zelf eens

[p. 45]

hooren, een getuigenis van eigen ontroering, eigen verrukking, rechtstreeks van Virgilius' kunst uitgegaan. Doch weer volgen autoriteiten, groote en kleine, rij aan rij: ‘Ovidius, de geestighste aller Poeeten, noemde Maro by Augustus den geluckigen dichter van uwen Eneas, en den Eneas het doorluchtighste werck dat oit in Latium uitgingh. Statius durf dien goddelijcken Eneas niet bestaen na te stappen, en aenbidt die voetstappen slechts van verre. Silius begroet Mantua, Maroos geboortestadt, als het huis der Zanggodinnen’ enz. enz. Alles best! Maar gij, Vondel, wat zegt gij? Wat voelt gij?

Dat hij bovendien met al zijn autoriteiten zelfs van zijn standpunt en naar zijn manier van kritiek, zijn doel bereikt, zal niemand volkomen toegeven. Hij heeft als steeds, wanneer er zoo wat te betoogen valt, met ons den weidschen tuin van zijn Renaissanceweten rondgewandeld, ons met de geleerde namen al de producten, die hij daar zorgvuldig kweekt, aangewezen en besluit nu voorzichtig en bescheiden: ‘Jupijn zelf zich ontziende ter vierschaere te treden om over onsterflijcke schoonheden vonnis te strijcken, en de schoonste van drie den gouden appel toe te wijzen, beval dien bedenckelijken last den sterflijcken rechter, die zich hier mede dien vloeck op den hals haelde: veel min durven wy ons aenmeten over de grootste mannen der weerelt te zitten, maer ons liever over hun uitnementheid verwonderende, wijzen den lezer tot de wercken zelfs, en naer den Parnas, daer Apollo met de Zanggodinnen de rechtbanck spannende, dit geschil rechtvaerdighlijck beslecht, terwijl Maro voor eerst, buiten allen twijfel, onder alle Latijnsche Poeeten, d'eenige Fenix blijft, en eeuwigh blijven zal.’

Laten we er ons ook vooral rekenschap van geven, dat deze beide kritieken zich uitsluitend richten op de stof die behandeld is; over den vorm, den bouw, het rhythme, den klank, de beeldspraak enz. wordt geen woord of zoo goed als geen woord gerept. En toch moet de dichter Vondel dit alles wel fijn en zuiver gevoeld hebben, vooral dat moet hem hebben ontroerd. Dat alles was er wel, maar men gaf er zich geen rekenschap van. De dichter komt hier niet bewust aan het woord.

[p. 46]

Toch is zijn proza vooral in dit stuk vast, krachtig, fier; zijn zinnen loopen gaaf en stevig langs hun baan; er zit een zeer stellige overtuiging achter. 't Is vaak alsof we wat de dichter vaag voelde, maar niet zeggen kon, omdat deze dingen nu eenmaal nog zoo weinig bewust beredeneerd werden, alsof we dat inademen als een fijnen geur, die opstijgt uit dit schijnbaar zwaarwichtig betoog, of we het hooren uitklinken hoog boven alle stellingen en tegenstellingen, alle namen en autoriteiten, of we het hooren trillen in zijn forsche stoeten van zinnen, die zich aaneen rijen onder zijn zwoegende werkkracht, zijn groote innige liefde voor, zijn innerlijk begrijpen van den Mantuaan, zijn dichterlijken leidsman.

De Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste (1650); hier leeren we Vondel kennen als aestheticus en als leermeester der kunst. Het typische in de Aenleidinge is, dat deze Vondel, die zoo volgepropt zit met classicistische geleerdheid, met allerlei voorschriften van renaissancisten en philologen, deze practische kunstleer zoo klaar en eenvoudig neerschreef zonder eenigen omhaal van boekenwijsheid, zonder zich eerst omschanst te hebben met machtige folianten. Hij greep zijn leer zoo maar in eens midden uit de practijk, zooals hij ze op het moment zelf duidelijk voor zijn geest zag staan, in weinige bladzijden wat voor allen in alle tijden voldoende, maar dan ook strikt noodzakelijk is om trouw te behartigen.

De vorm is met het karakter der stof volkomen in overeenstemming; het is rijk, zuiver, maar in de eerste plaats doceerend proza. Hij maakt hier niet gebruik van zijn breed zwellende, soms zwierige en Rubensiaansche zinnen, altijd klaar en doorzichtig toch, waarmee hij ons treft in sommige opdrachten vooral; hij heeft hier een pittigen, pakkenden stijl: in meestal korte meedeelingen naast elkaar, zegt hij precies raak waar het op staat. Al heeft hij wel geen enkel boek opgeslagen, toen hij zijn Aenleidinge schreef, toch voelen we telkens, dat Horatius' Ad Pisones heel krachtig en welbewust in hem leeft.

Natuurlijk, de geest ‘in den schoot der Zanggoddinnen neder-

[p. 47]

gezet en Apollo toegeheilight’, moet zich door kunst en leeringe laten breidelen, moet niet als een ongetoomd paard in het wild rennen. Wist hij het niet van zijn Parnas-heilige Virgilius, die tot zijn dood met de meeste zorg en liefde steeds had gezocht naar de hoogste volmaking van zijn verheven epos; had hij zelf niet steeds die leer in practijk gebracht; had ook hij niet weten te vernietigen, waar hij voelde, dat hij de hoogte niet bereiken zou, die hij lokkend voor zich zag?1)

Maar vóór alles moet er de natuurlijke gave zijn, het talent, de geniale drang. ‘Natuur baert den Dichter; de Kunst voedt hem op, dies raeckt niemant tot volmaecktheit, dan die de natuur te baet heeft, waer uit de kunst haren zwier en leven schept.’

Dan de moedige gelijkstelling van de kunst in eigen taal, in eigen Nederlandsch, naast die in welke andere ook. Die taal zelve weet hij in de laatste jaren juist zoo treffelijk gezuiverd en geschuimd; hij denkt aan Coornhert en Spieghel. Hoe verheerlijkt hij haar als uitstekende materie om de hoogste schoonheid in uit te drukken! Voorzichtig tracht hij aan te geven, hoe uit al wat in Nederlandsch gesproken en geschreven wordt door den kunstenaar met smaak en oordeel moet gekozen worden wat zijn taal zal zijn, de zuiverste, de hoogste.

Brandt deelt ons mee, hoe Vondel zijn dichtertaal bestudeerde, hoe hij zocht alom naar rijkdom van woorden, naar verborgen schatten. ‘Om op elke stof en zaak de rechte spreekwysen te vinden, onderzocht hy, by allerley slagh van menschen, wat Duitsche woorden elk ontrent zyn werk, handteering, en kunst gebruikte. De landtluiden vraagde hy, hoe zy spraaken ontrent den landtbou, en hoe ze 't geen daar toebehoorde noemden en uitdrukten. Ontrent den huisbou, vraagde hy op gelyke wyze de timmerluiden en metzelaars: ontrent de zeevaart en 't scheepstuig de zeeluiden; ontrent de schilderkunst, en wat daar toe hoorde, de schilders; en zoo voort ontrent alle ander bedryf, wetenschappen en kunsten.

[p. 48]

Dit strekte tot opbou der taale en om van al wat hem voorquam met woorden die de zaake eigen waaren, te spreeken.’1)

Hij kent de gevaren die uit Gongorisme, Euphuïsme, Marinisme, Petraquiseerende poëzie, uit alle voorbijgaande mode van den dag dreigen; alle onnatuur en gezochtheid haat hij. ‘Men vermijde, gelijck een pest, de woorden, tegens den aert onzer tale, te verstellen; een evel daer doorluchtige Italianen, Spanjaarden en Franschen oock van zieck zijn.’ Zoo verliest de taal haar luister en het oor wraakt dat geluid. Liever gaat hij terug naar het oude Hollandsche lied. ‘In oude Hollantsche liederen hoort men noch een natuurlijcke vrypostigheit, vloeientheit, en bevallijcken zwier; maer het gebrack den eenvoudigen Hollander aen opmercking en oefening, om zyn geestigheit, uit een natuurlijcke ader vloeiende, krachtigh op te zetten, en te voltoien.’

Vooraf moeten gaan grondige oefeningen in de techniek van van de rijmkunst. Merk nu op in wat ik hier aanhaal, die korte krachtige uitspraken, die geen tegenspraak dulden: ‘Het rijmwoort schijne niet gevonden om het rijm te vinden, maer zy zoo gestelt of het geen rijmterm waer. Het vaers schijne ook geen rymelooze rede, maer trecke den aert van een vaers aen, en sta wacker op zijne voeten. Heeft het geene zenuwen, zoo hangt het slap en vadzigh: is het te gedrongen, zoo staet het stijf, gelijck een lantsknecht in zijn harnas. De stijl zy snedigh, en geen stomp mes gelijck. Het scherpt de zinnen, en maeckt een goede pen zich te gewennen een zelve zaeck en zin op verscheide manieren te bewoorden, en cierlijck uit te drucken. Vaerzen willen gaerne vriendelijck en zuiver zijn: want de Zanggoddinnen zijn maeghden, aen wie vriendelijckheit en zuiverheit betaemt.’

Doch dat rijmen, die uiterlijke techniek is maar het abc der kunst, dat alleen de slechthoofden kan bekoren en door hen wordt geprezen. ‘De laurier wort den Dichter niet van den gemeenen hoop geschoncken, maer van zulcken, die met kennisse en zekerheit de kroon uitreicken, en het snaterbecken der aecksteren van zwanezang onderscheiden.’ Geen gezwets, geen blaaskakerij,

[p. 49]

geen gezochte duisterheid. ‘d'Alleroutste en beste Poëten zijn de natuurlijckste en eenvoudighste.’ Altijd beheersche de kunstenaar welbewust zijn kracht en speure in evenwicht met verstand en smaak naar de passende schoonheid.

Bovendien zij de dichter vooral een man van uitgebreide kennis op ieder gebied; overal zoeke hij zijn materiaal waaruit hij scheppen kan. ‘Zoo treckt en vergadert de honighby haer voetsel uit alle beemden en bloemen.’ Talenkennis is uiterst nuttig, ook het vertalen uit vermaarde poëten, zooals de aankomende schilder de meesterstukken copieert. Van voorgangers valt veel te leeren. Men wage niet direct zijn nog zwakke krachten aan het moeilijkste. ‘Die naulix twee of zes goede regels weet uit te wercken, wil een lierdicht opzetten. Die qualijck een lierdicht kan, wil voort een treurspel spelen, of een heldenwerck trompetten. By trappen klimt men eenen toren op, en niet zonder trappen, ten zy met gevaer van den hals te breecken.’

Is het niet, of hij Jan van Hout gelezen heeft, waar deze spreekt van de rederijkers, ‘die, als zy maer drie of vier ongebonden regelen by een anderen weten te rapen, een van tnoorden, een van tzuyden, dan een van toosten, en dan een van twesten, ende zy de zelve achter in den staert, opten anderen properlicken weten te doen rymen ende clincken, een groot stuc werx bedreven willen hebben.’1)

Inderdaad Vondel sluit in zijn beschouwingen wel direct aan bij Jan van Hout in diens kunstleer, meer dan bij het haast uitsluitend op taalstudie gericht werk van Spieghel en Coornhert. Maar Vondel overziet het terrein veel wijder, peilt het veel dieper; Vondel raakt de kern. Van Hout moest in 1576 schrijven: De tijden der Ouden zijn te prijzen boven onzen tijd omdat ‘de geleertheyt zo weynich geouffent en geacht wert, datter zo zelden yet fraeys inde Nederlantsche sprake voor heurluyder ogen of oren komt, ia dat dezelve onze moederlicke tale, wiens rycheyt ende overvloedicheit men leechlicken mit alle de spraken vande ommeliggende landen ver-

[p. 50]

geliken ende daer jegens inde waegschale zoude connen stellen, bi velen zo verachtelic ende spottelic gehouden wert, dat de zommige hem dezelve schamen ende liever hebben hem te ouffenen in uytheemsche talen, in de welcke zi haer leven lang arbeidende, naulix bi de minste scrivers vergeleken mogen werden, dan haer eygen zelfs moeders tale te gebruycken, daer zi anderssins ende heur bemoeyende omme dezelve te helpen eren ende vermeren, leechlicken tot de eerste ende voorneemste plaetse conden geraken’.1)

Van Hout weet, waar het naar toe moet en is vol plannen voor de opkomende renaissance-kunst. Als Vondel schrijft, zijn de tijden van wording voorbij; de rijpheid der tijden is gekomen; de letterkundige kunst staat in haar hoogste glorie en Vondel zelf, de grootste van allen, grijpt uit zijn rijkdom van kunstenaarservaring het beste en stalt het uit voor een komend geslacht, waarvan hij hoopt, dat het de traditie voortzetten zal.

In het vervolg van zijn betoog dringt hij er op aan wel te overwegen en te doordenken, eer men iets op het papier zet. ‘Ghy ziet hoe de hoenders, den kop in de lucht stekende, met smaeck en nasmaeck drincken, en de gezonde schapen het gras erkauwen’. Hij eischt logischen gang, beknoptheid, evenwicht in het behandelen der stof, zuiverheid van teekening en niet te spoedig in het licht geven. Ga er eerst ‘zevenwerf met versche zinnen over’, laat een deskundige het vooraf lezen.

Ten slotte knoopt hij er nog een waarschuwing aan vast voor de moreele zuiverheid van het werk: ‘Indien men bordeelspreucken en spreeckwoorden, en vuilicheit van hoeren en boevejaght uitbant, zoo zal de Schouwburgh een eerlijck tijtverdrijf strecken, en oock voor deftige lieden openstaen. Wie zich hier tegens verloopt, bederft de zeden en den luister van zijn werck’.

Tot zoover sprak de dichter Vondel, hij eindigt als de geleerde, de vereerder van het renaissance-weten en onderworpene aan wetten van geleerden. De zin die zoo mooi begint eindigt in verdorring: ‘Een Dichter behoort hemelval en de spraeck der Goden

[p. 51]

te spreecken. De hemelsche Poëzy wil niet op den middeltrap, maer moet in top staen, en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naer de wetten by de Geleerden daer toe voorgeschreven, waer toe wy gewezen worden’.

Wij weten het allen: de dichter is steeds den geleerde te machtig geweest. Wij hooren hem glimlachend aan, als hij voor zijn spelen zijn wijze systemen uiteenzet en zijn ze onmiddellijk vergeten, wanneer hij ons daarna meevoert in zijn vlucht. Toch zat in die wetten der geleerden de dood der kunst van de eerste renaissance. Een kwart eeuw later, - Vondel was nog niet ten grave gedaald - brouwde Pels, een der hoofden van Nil Volentibus Arduum, zijn kunstleerboek op rijm, Horatius' Dichtkunst op onze zeden en tijden gepast (1677). Natuurlijk, wat Horatius gaf als gebaseerd op den aard der kunst van zijn tijd, kende en waardeerde Vondel ook en er zit onbetwistbaar wijsheid in, die haar waarde behoudt. Doch Pels heeft er allerlei details over maat en rijm, over het treurspel voor zijn tijd, de reien enz. aan toegevoegd en hij eindigt met de jonge dichters te verwijzen naar zijn collega in Nil, Dr. Meijer. Die wijst hun met plezier hun fouten aan; als ze maar willen luisteren. Als ze er echter aan denken mochten hun fouten te willen verdedigen, dan houdt collega zijn mond en zal hij ieder ‘naar zijn zin met zijn pop alleen laten spelen’. Ieder, die wijs is, zal natuurlijk ‘zulk een raazenden Poëet vermijden’.

Uitvoerige voorschriften voor het tooneel zijn daarop nog gevolgd. Dit alles kwam in de plaats van de wijsheid die Vondel ten minste zocht bij meestal knappe klassieke philologen, die hun kennis aan de bron der Oudheid zelf zochten; het werd het wetboek voor het slappe nageslacht der groote eeuw, dat onderging in oppervlakkige en slaafsche navolging van het Fransche classicisme.

Het mag de bedoeling niet zijn hier te overzien wat sedert Vondels Aenleidinge hier in den loop der 18de eeuw nog als kunstleer werd geschreven. Wie echter de suffe vormelijkheid, de keutelachtige wijsneuzerij wil leeren kennen welke hier een honderd jaren na Vondel werd verkondigd, doorbladere het tractaat van een man die zich niet ontzag zelfs den eigen titel van Vondels

[p. 52]

wijze raadgevingen te ontheiligen in zijn ‘Aenleiding tot de Nederduitsche Dichtkunst of Waarnemingen omtrent het maken van Nederduitsche vaerzen.’1)

Om een enkel voorbeeld te geven: Vondel gaf jongen dichters den raad bij wijze van voorstudie het werk van groote dichters te bestudeeren, zooals aankomende schilders het werk van groote meesters copieeren. Zie hier wat dit geworden is bij den schrijver der 18e-eeuwsche Aenleiding: ‘Wil een Dichter, gelyk een Kunstenare past, een' kenner dan behagen, en noodzaken een volkomen genoegen over het gewrochtte kunststuk te toonen, zoo moet de ongemeenheit, de verscheidenheit, eenvoudigheit en zuiverheit in zyne vaerzen doorstralen.’ Bravo! Vondel zou het hem - een beetje minder stijf - gaarne nazeggen. Maar nu! ‘Om dat kunstjen, waer Ovidius, Virgilius, Broekhuizen, Vondel en anderen, zich meesterlyk op verstonden, dien Zanghelden, zoo veel mogelyk af te zien, moet hij hen lezen en herlezen met de penn' in de hand; ja gelyk de byen op allerlei bloemen [hij neemt die bijen zelfs over van hem dien hij meermalen Vader Vondel noemt] en kruiden azen om het geen haar smaekt, daer uit te halen, en vervolgens als een schat in hare korven te brengen, en daer zorgvuldig te bewaren; geen boeken van eenigen naem, vooral tael-, dicht-, geschicht-, oudheit-, natuur-, en redeneerkundige ondoorzocht laten, maer veel eer daer uit kippen, en in een boek by hem daer toe te houden overbrengen, al wat hem onder 't leezen recht mond, ten einde zich zelven daer van ten bekwamen stonde in dier voegen te bedienen, dat men van hem alzo min als van de byen zeggen kan, uit welke bloemen hy den honing, dien hy nederstort op 't veld zyner bladen, gehaald heeft.’2)

Toen deze man dit schreef was de herleving in West-Europa al begonnen, werden de banden der slaafsche navolging en het werken naar onwrikbare voorschriften reeds verbroken en spoedig zou ook hier iets van den morgen gloren; Van Goens liet

[p. 53]

zich hooren; Van Alphen, Bellamy, Kinker waren op de komst.

Zelf noemt Vondel zijn Aenleidinge aan het eind een schets. Als hij ze naar den eisch had willen uitwerken, zou hij heel wat meer ruimte hebben noodig gehad. Hij sprak, zegt hij, hier niet over voeten en maten en rijmen. Dergelijke dingen konden echter beter mondeling behandeld worden onder leiding van een Maecenas in een nieuwen Parnas naar den stijl van Italië. Hij denkt blijkbaar aan de Italiaansche Academies, waarvan die van Coster vergeefs gepoogd had een navolging te worden.

Wij moeten ons gelukkig rekenen, dat Vondel zich zoo heeft weten te beperken, dat hij zoo scherp en juist in weinig woorden samen heeft weten te vatten de kern, die leven moet in elken dichter.

Brandt deelt over het ontstaan der Aenleidinge mee:

‘Ontrent de dichten van anderen handelde hy heusch. Wanneer jonge aankomende Dichters hem iet lieten leezen, met verzoek van zyn oordeel, wees hy hunne misslaagen wel gaarne aan, maar nam meer vermaak in 't pryzen van 't geen hem geviel, dan in 't berispen van 't geen hem mishaagde. Nooit zocht hy den geest uit te blusschen; maar in 't tegendeel den lust en yver der leerzame vernuften bet t' ontsteeken. Hierom stondt hy veeltydts gereet t' hunner hulpe en overzagh dikwils hun werk: verwerpende al wat misstondt; het ruwe beschavende, en 't misstelde herstellende: voorts hun leerende, geen woorden tegens den aardt onzer taale te verstellen; noch met zwetzen niet te hoog te vliegen, of door kreupelheit plat op d'aarde te vallen: voorts wel te letten op d'orde of den draet, en 't vervolgh der reede; ook op den staat, eigenschap en gestaltenis, van elke zaake, en die elk naar heuren aardt uit te drukken. Daar toe diende d'Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, op het aanhouden der leergierigen in den jare MDCL geschreven.’

Vondel stond toch wel iets gemoedelijker tegenover zijn jonge kunstbroeders dan Dr. Meyer.

In het Berecht aen alle kunstgenooten en begunstigers der tooneelspelen voor den Lucifer (1654) heeft Vondel den aard en den omvang zijner stof uiteengezet en verdedigd, gestreden voor het recht van het Christelijk tooneel in het algemeen. Pater Molkenboer heeft aangetoond, dat de grondgedachte van den Lucifer Vondel van zijn eerste tooneeldichterschap af heeft beziggehouden. ‘Van 't begin af heeft hij de wereld als een theater bekeken, waarop

[p. 54]

de trots en bestraffing van heerschzuchtigen als de boeiendste tragedies werden vertoond.’1) Reeds in het Pascha is het opstandsmotief aanwezig.

Vondel begint met de verklaring, dat hij hier dit motief niet kiest uit de grijze fabelen der Oudheid. ‘Hier wort u, om uwen kunstyver weder t'ontsteken, en uwen geest teffens te stichten, en te verquicken, het heiligh treurtooneel, dat den hemel afbeelt, opgeschoven. De groote Aertsengelen, Lucifer en Michaël, elck met hunne aenhangelingen van wederzyde gesterckt, komen de stellaedje stoffeeren, en hun rol spelen.’ De autoriteiten die de juiste keuze en afbakening van zijn stof, den val der engelen, kunnen wettigen, voert hij aan. Daar komen Izaïas, Ezechiël, Christus zelf uit Lucas X en ten slotte Judas Thaddeus. Met betrekking tot deze aangevoerde teksten besluit hij: ‘Wij stuiten dan met deze goude spreucken, en in zonderheit met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraers, en Konings aller Koningen, gelyck op eenen diamanten schilt, alle de pylen der ongeloovigen, die de zekerheit van der Geesten afval zouden durven in twyfel trecken.’ Welk een vaste onwrikbare overtuigdheid ligt er in den toon van zoo'n zin.

Dan volgen de getuigenissen der Oud-vaderen, Cyprianus, Gregorius, Bernard van Clairvaux. Hoovaardij en Nijdigheid (afgunst), het gespan van twee bestarnde dieren, den leeuw en den draak voor Lucifers oorlogswagen, zijn de oorzaken van den afgrijselijken brand. Zoo zet hij verder uiteen, wat hij voor zijn verheven tragedie noodig had. Hoe ook gebonden aan wat voor hem de zuivere leer was, eenige vrijheden heeft hij zich toch moeten veroorloven. Men moet in de Poëzie de gebloemde wijze van spreken niet al te neuswijs ziften, noch naar de scherpzinnigheid der schoollessen regelen. Hij is overtuigd, dat hij hier niet gebruik mag maken van de vrijheid, die Horatius den kunstenaar toekent:

 
De Schilder en Poëet ontfingen beide een macht
 
Van alles te bestaen wat elck zich dienstigh acht.
[p. 55]

Hij voelt zich gebonden aan de Schrift en aan de heilige Vaders, die ze hebben geïnterpreteerd en toegelicht; toch heeft hij om den naijver der hoogmoedige en nijdige geesten heftiger te ontsteken, den aartsengel Gabriël de toekomstige menschwording van Christus doen ontdekken, ‘hierin onder verbeteringe volgende, niet het gevoelen der meesten, maar zommiger Godtgeleerden, naerdien dit ons treurtafereel rycker stof en luister byzet; zonder dat wy evenwel, in dit punt, noch in andere omstandigheden van oirzaken, tyt, plaetse, en wyze de rechtzinnige waerheit opzettelijck willen in het licht staen, of iet, naer ons eige vonden, en goetduncken, vast stellen.’

Pater Molkenboer heeft deze feiten nader bevestigd: ‘Het is een feit, dat de stevig-onderlegde en zèèr orthodoxe dichter in de hoofdlijnen van zijn werk volkomen parallel blijft met de oudchristelijke en middeleeuwsche traditie; maar niet minder zeker, dat hij als dramaticus vaak zijn voordeel heeft gedaan met godgeleerde meeningen, die, hoezeer door groote namen gedekt, toch vrijwel singulier bleven. Vondel was zich van deze “poëtische vrijheid” volkomen bewust. Graag gebonden aan de noodzakelijke eischen van klaren bijbelzin en vaste kerkleer, vocht hij bij voorbaat in Berecht na Berecht voor zijn vrijheid in het vrije.’1)

In de aankondiging der menschwording van Christus volgt Vondel de voorstelling van den Spaanschen Jezuïet Suarez; ook het feit dat Apollion op Eva verliefd raakt en Lucifers wanhoop zijn in strijd met de toen gangbare theologie. Bovendien leert Thomas van Aquino, dien Vondel toch meestal trouw volgde, dat de eerste zonde van Lucifer enkel de hoogmoed was en dat de nijd daarvan slechts een gevolg kon wezen: ‘Deze opzettelijke afwijkingen van onzen dichter toonen duidelijk, hoe hij in de wisselende meeningen der katholieke vakgeleerden thuis was. Volgens zijn Berecht moet hij zich wel overal met 'n kerkvader of theoloog hebben weten te redden, want van theologizeeren op eigen risico hield hij niet.’ Pater Molkenboer wijst er verder op, dat Vondel de bouwstoffen voor den Lucifer wel moet ge-

[p. 56]

vonden hebben in het werk van den Franschen Jezuïet Petavius.

Vondel gaat dan over tot de verdediging van het op het tooneel brengen van zulk een gewijde stof. Hij beroept zich daarbij in de eerste plaats op den dichter Ezechiël, die in de tweede eeuw vóór Christus de Exagoge schreef in het Grieksch, een treurspel over den uittocht uit Egypte, waarvan in 1609 fragmenten waren uitgegeven; op Gregorius den Nazianzener, ‘die zelf den Gekruisten Verlosser in Grieksche tooneelvaerzen uitbeelde’; op Grotius, die diens voorbeeld volgde en op den onroomschen Engelschman Richard Baker (1568-1645), die ‘al den handel der oproerige Geesten oock vry breet in 't rymeloos uitgestreken’ had. Had hij slechts onze middeleeuwsche spelen gekend, in het bijzonder de Zeven Bliscappen, waar aan hij zoo nauw verwant was, hij had nog heel wat pakkender materiaal kunnen aanvoeren. Maar de middeleeuwen waren voorloopig voor goed uit de heugenis der menschen verdwenen.

Zeker, aanvankelijk hebben de kerkvaders, zoo gaat hij voort, het tooneel bestreden, maar dit geschiedde, omdat er nog zooveel heidensche afgoderij moest worden uitgeroeid. Nu zijn echter de tijden veranderd; nu kunnen Christelijke spelen hun nut hebben. Krachtig en fier formuleert hij, wat hij met zijn spelen hoopt te bereiken: ‘Het wit en oogmerck der wettige Treurspelen is de menschen te vermorwen door schrick en medoogen’ (het Aristotelische motief). ‘Scholieren en opluickende jongkheit worden door spelen, in talen, welsprekentheit, wysheit, tucht, en goede zeden, en manieren, geoefent, en dit zet in de teere gemoeden en zinnen, een ploy van voeghelyckheit en geschicktheit, die hun, tot in den ouderdom toe, byblyven, en aenhangen; ja het gebeurt by wylen dat overvliegende vernuften, by geene gemeine middelen te buigen, noch te verzetten, door spitsvondigheden’ (hier in gunstigen zin op te vatten) ‘en hooghdravende tooneelstyl geraeckt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrocken worden: gelyck een edele luitsnaer geluit geeft, en antwoordt, zoo dra heur weêrgade, van de zelve nature en aert, en op eenen gelycken toon, en andere luit gespannen, getockelt wort van een geestige hant, die, al spee-

[p. 57]

lende, den tuimelgeest uit eenen bezeten en verstockten Saul dryven kan’.

Ziedaar de echte breed zwellende Vondeliaansche proza-stijl. Hoe machtig van bouw is zulk een zin en tevens, hoe klaar en doorzichtig. Hoe natuurlijk verloopt alles. In zulk een enkelen zin voelen we uitstekend het verschil, dat er tusschen het proza van Hooft en dat van Vondel bestaat. Bij beiden volheid en kracht, scherpheid van uitdrukking, maar bij Vondel helderheid, nobele treffende schoonheid van klank en beelden, breedheid van rhythme tegenover hardheid en moeizaam gezochte kernachtigheid bij Hooft.

Een gemoedelijk betoog over de misschien sommigen hinderlijke bijgedachte, die het woord spel kan wekken, waar het zulk een verheven stof betreft, besluit dit opstel, en zoekt te preludeeren op wat zal los komen, wanneer hij zich later achter zijn Tooneelschild op stellen zal tot een verdediging van het tooneel tegen alle venijnige, slinksche aanvallen, waaraan het van de zijde der Calvinisten blootstond.

In dit Berecht zagen we dus vooral Vondel den theoloog zooals we hem terug zullen vinden in zijn Berecht voor den Adam in ballingschap.

De Salmoneus is geen stuk van groote beteekenis onder Vondels Spelen; daar zijn we het allen wel over eens. Het is maakwerk, direct na het verbod van opvoering voor den Lucifer in elkaar gezet, om het voor dit stuk vervaardigde tooneeltoestel toch te kunnen gebruiken en zoo schade te voorkomen. De regenten schijnen echter tegen den Salmoneus bezwaar gehad te hebben. Eerst na drie jaar is het opgevoerd en in druk verschenen en toen eerst heeft Vondel er zijn Berecht aen alle Kunstgenooten en voorstanders van den Schouburgh aan toegevoegd, in 1657.1)

Het geval-Salmoneus is een Lucifer-geschiedenis in aardsche verhoudingen. Na een en ander van de stof verteld te hebben, zooals die bij de Ouden voorkomt, gaat Vondel over tot het volgende verhaal, dat door zijn aanschouwelijkheid en levendigheid,

[p. 58]

zijn staccato van al die bewegingen, geluiden van beesten alweer een bijzonder schitterend stukje proza is:

‘De ridder en drost Hooft, loflijcker gedachtenisse, verhaelde my, veele jaeren geleden, hoe een fluitenist in het dolhuis op zijn Duitsche fluit begon te blazen, waerop terstont elck kranckzinnigh hooft eenen byzonderen toon en grimmas zette, naer den ongelijcken temper en inbeeldinge der ontstelde hersenen. D'een begon te lachen, d'ander te schreien, te zitten, te klauteren, te springen, te zingen, de handen te wringen, te kermen, te schermen. Men hoorde en zagh den haenekraey, geblaet van schaepen, greepen van aepen, gebas van honden, gehuil van weerwolven, en het loejen van stieren. Men hoorde aexsters, papegaejen, en kraejen, uilen, zeemeeuwen en spreeuwen, en wiltzangk, een oubollige muzijck van dolle muzikanten, zonder maet, onder een gemengt, en zoo menigh dolhuis, zoo menigen weêrgalm.’

Vondel zelf is zoo'n fluitist. Heeft hij niet als die Hooftiaansche zijn spel van Lucifer in een dolhuis vertoond. Ging er niet van alle zijden in de meest verschillende vormen een waanzinnig spectakel op?

Maar wat is 't? Zelfs Jupiter kan het niet allen naar den zin maken; wat den een behaagt, is den ander een gruwel. Zoo ging het bij den Lucifer.

En weer haalt hij herinneringen op, van spelen nu, waarin Bijbelsche stof vertoond werd en waarover men zich niet belgde. Heeft zijn zuster niet te Keulen bij een schoolmeester van de ‘Geneefsche gezintheit’ als zuster van Mozes meegespeeld in een spel, waarin de geschiedenis van Mozes in het biezen kistje werd voorgesteld? Zag hij zelf niet in Utrecht voor het stadhuis op een tooneel, gebouwd op last van heeren Burgemeesteren, door leerlingen der Latijnsche school het spel van David en Goliath vertoonen; zag hij niet, hoe deze laatste ‘van Davids slinger met eenen kay in het voorhooft getroffen, nederplofte, dat de stellaedje kraeckte?’

Hebben de Wethouders van Haarlem, om door een loterij de kas van het oudemannenhuis te stijven, niet van her en der rederijkerskamers genood en ze eenige weken laten spelen voor het stadhuis ‘in het gezicht der kercke, zonder belet van de kercke?’ Heeft de Brabantsche kamer uit Amsterdam toen niet

[p. 59]

gespeeld van den barmhartigen Samaritaan, die den gewonden en half naeckten mensch geleide, terwijl dees, op zyn paert leggende, vast klippertande, en schier doot van koude was?’1)

Terloops geeft hij ons eenige kleine trekjes, die hun waarde kunnen hebben voor de tooneelgeschiedenis. Maar dan is er nog dit: Vondel spreekt weinig over zich zelf. Ik herinner mij niet, dat hij het ergens meer doet dan hier. Hoe rustig, gemoedelijk overtuigend is zijn toon. 't Is of hij op zijn praatstoel zit en vertelt van allerlei ervaringen en herinneringen uit zijn eigen leven. Hoe helder, hoe eenvoudig, hoe aanschouwelijk en pakkend. Ook in dit stukje hooren we Vondel weer in een aparte kwaliteit; hier is hij de gezellige, geestige, licht ironische prater, al beweert Brandt, dat hij ‘in 't gezelschap der menschen bijna spraakloos was, en zelden geluidt sloeg.’ Doch diezelfde Brandt zegt ook terecht: ‘De print, van zijn geest, verstandt en vlyt, met geen verwen te verbeelden, heeft hy zelf in onnavolgbare werken klaer en kunstig uitgedrukt. Daar kan men hem in zyn waare weezen best aenschouwen.’ Dit geldt ook voor zijn proza.

Er volgt nog meer materiaal ter verdediging van het chrístelijk tooneel, uit de litteratuur, den tooneeldichter Ezechiël weer; Buchanan met zijn Jephtha (Vondel was misschien al bezig aan den zijnen); Schonaeus met zijn schooldrama's, de ‘christensche’ Terentius. En dan, niet te vergeten, welk een uitnemende vernuften hebben uit Aristoteles en Plato de tooneelwetten vastgesteld, een Scaliger, een Heinsius, ook Vossius. Had deze hem zijn boek (Institutiones poeticae) niet vereerd, zooals hij hem vereerd had door bij zijn treurspel tegenwoordig te zijn? Zoo volgt er nog een gansche rij van autoriteiten die blijk gaven van hun lìefde en belangstelling voor tooneel, waartusschen bijzonder treft als handige zet: ‘Maer wat most ick niet vergeeten? De poët Theodorus Beza, wiens yver den Staet en de Kerck van Geneve zoo

[p. 60]

zuiver bewaerde, als die door Kalvyn hervormt was, heeft zyn treurspel van Abrahams Offerhande nagelaeten.’

De ‘eerlycke en staetnutte’ kunst, die zoovele ‘groot achtbaere Heeren en hooghgeleerde mannen’ beoefenen en prijzen, wat zal men die dus hatelijk en onbeschaamd doorstrijken? ‘De tooneelkunst wyst aen wat eerlyck, wat schandelyck luit. De treurstyl, die allerhooghst op geluck en ongeluck der Grooten draeft, arbeit om de menschen weeck in den boezem te maacken, schildert de hartstoghten naer het leven af, leert naer voortvallende gelegenheit den toom des Staets vieren of aenhalen, en elck zich zacht aen een anders ongeluck spiegelen.’ Waar zoovele grooten en machtigen der aarde het tooneelspel verheerlijken en beoefenen, behoeft het niet te zwichten voor een hoop ‘dringeren en dommekrachten.’ En zoo besluit hij: ‘Nochtans past het den voorstanderen der tooneelen niet altijt stomme honden te zyn, maer hunne loflijcke kunst tegens dwersdryvers en tooneelvlegels te verdaedigen, op dat het stichtelijck gebruick des schouburghs in aenzien en eere blijve.’

Voorwaar een krachtig, onpersoonlijk betoog. De ervaringen, met den Lucifer ondervonden, hebben hem scherper gemaakt. De Amsterdamsche Kerkeraad had weten te bewerken, dat het stuk na de tweede opvoering werd verboden; hoe zeer Burgemeesteren ook tegen den maatregel waren, zij hadden bevolen, ‘dat uut Respeckt van den Kerckenraet de tragedie door haer last zou opgehaelt worden.’ Petrus Leupenius hebben we hiervoor al even gehoord over het stuk. Er waren schimpende liedjes verschenen. Men had Cromwell, den rechtzinnige, achter Lucifer gezocht, zooals men Oldenbarneveld vond achter Palamedes. Dominee Wittewrongel vaarde op den kansel heftig uit tegen den schouwburg. Vondel zelf had de vrienden zoo eens even geestig gekastijd in zijn eigen twee liedjes: ‘Speelstryt van Apollo en Pan’ waarin Midas zich ezelsooren bezorgde door zijn plomp, onbehouwen oordeel over de kunst, en zijn: ‘Uitvaert van Orfeus’, waarin de meester-zanger verscheurd werd door dronken Bacchanten, en een bijtende toespeling op Wittewrongel had hij niet

[p. 61]

achterwege kunnen laten. Intusschen had Wittewrongel zelf zijn ‘Oeconomia christiana of Christelycke huishoudinghe’ (1655) doen verschijnen.

Dit alles verklaart den scherpen toon in het verweer, dat in het Berecht voor den Salmoneus ligt uitgedrukt; maar het is waardig en streng, levendig en geestig, voortreffelijk gedocumenteerd en zonder rechtstreeksche persoonlijke hatelijkheden.

In het Berecht aende begunstelingen der toneelkunste voor den Jeptha (1659) leeren we Vondel in de volle kracht kennen als dichter, tastend naar de klassieke tragedie.

Van innerlijken aanleg uit is Vondel geen klassiek dichter. Van nature sluit hij aan bij het middeleeuwsche mysteriespel, waarvan hij hoogstens uit enkele oude drukken iets heeft kunnen kennen. In oude handschriften heeft hij wel nimmer iets van dien aard gelezen; ze werden eerst in de negentiende eeuw opgespoord en uitgegeven. Door de Renaissance is hij naar het Classicisme gedreven en al direct na het Pascha werpt hij zich onder den invloed van Coornhert, Heinsius en vele anderen op de studie van het Latijn. ‘Hy rustte niet, zegt Brandt, voor dat hy de taal taamelijk verstondt; en door gestaadige oeffening meer en meer vorderende, begost met der tydt de Latynsche Poëten te leezen, te verstaan, en op de geestige en krachtige uitdrukkingen van hunne edele gedachten, en ryke vonden lettende, die by zich zelven t'overweegen.’1)

En we zagen het reeds als Hierusalem verwoest verschijnt, spreekt hij al van dingen naar den palm met Seneca en Euripides. Seneca stond aanvankelijk bovenaan. Daaruit kwam de Amsterdamsche Hecuba (1625) voort en een paar jaar later de Hyppolytus en nog heel wat meer.

Maar intusschen was hij reeds aan de studie van het Grieksch begonnen. ‘Ook liet hy zich door Daniel de Breen, een geleerdt jongeling, ïn de Logica of kunst van redenkavelen, en ook in 't Grieksch onderwyzen; om meer hulpmiddelen te hebben tot

[p. 62]

vorderinge in de kunst, daar hij hoe langs hoe meer op verslingerde’.1)

Te Winkel is van meening, dat hij zich slechts een oppervlakkige kennis van het Grieksch heeft verworven. ‘Bij het lezen van Grieksche schrijvers zal hij wel meer het oog geslagen hebben in de Latijnsche vertaling, die slechts zelden in de uitgaven ontbrak, dan in den tekst zelf’. 't Is mogelijk, doch bewezen door een grondige studie van de vertalingen is het nog niet.

Op aandrang van Joan Victorijn begon hij in 1639 met de vertaling van Sophocles' Electra. Nu leert hij zien hoe ver de Grieken boven Seneca staan; hij gaat de gebreken in Seneca opmerken. Verschillende vertalingen naar Sophocles en Euripides zijn nog gevolgd tot 1668 toe, het jaar waarin hij Hercules in Trachin van Sophocles overzet. Van dat hij zich op de studie der Ouden ging toeleggen, in hen de modellen voor eigen kunst ging zien, heeft hij getracht de leer van het treurspel der Ouden streng te volgen. Boeken over deze stof heeft hij volop tot zijn beschikking gehad en gebruikt. IJverig heeft hij zitten speuren, hoe wat zoo mild en rijk in pure schoonheid in hem opwelde, gewrongen kon worden in de knellende voorschriften, die voor zijn persoonlijkheid niet pasten.

De Jeptha moest een model worden van klassieke tragedie. Hij nam zich voor ‘dit werck op te zetten, oock in dier voege, dat het alle eigenschappen, tot een volkomenheit vereischt, in zich moght besluiten, en te gelijck den aenkomenden treurdichteren dienen tot een voorbeeldelijck onderwijs van het toestellen der treurspelen’. Jaren lang is hij met de stof bezig geweest, heeft hij geworsteld met de eenheid van tijd in het bijzonder.

Men heeft verondersteld, dat reeds Jephtahs Treurspel van Abraham de Koningh (1615) zijn aandacht op deze weerbarstige stof zou hebben gevestigd.2) De Koningh noch Buchanan in zijn

[p. 63]

Jephthes waren erin geslaagd de eenheid van tijd te bereiken. Inderdaad Vondel zegt zelf, dat hij ‘menige jaeren’ zijn gedachten op deze stof gevestigd hield, ‘maer het spel bleef steecken, om de twee maenden uitstels, de dochter toegestaen, middelerwijl zy haeren maeghdelijcken staet op de bergen beschreit: welck uitstel Aristoteles tooneelwet in het licht staet: want hy zeght dat het treurspel allermeest begrijpt den handel van eenen zonneschijn, of luttel min, of meer’. Wat heeft hij getobd om dit in het reine te krijgen en toch Bijbeltrouw te blijven. Hij gaat dan in zijn Berecht door met een uitvoerige aanwijzing van alle punten, waarin zijn stuk trouw de voorschriften volgt. ‘De gansche handel van Jeptha is een, en eenigh, en de verscheidenheit der bedrijven, en alle omstandigheden van tijt en plaetse en andersins worden hier tot het uitvoeren en voltrecken van dezen eenigen handel geschickt: dewijl de schickelijcke t' zamenstellinge der bedrijven de ziel des treurspels genoemt wort, dat zonder deze niet rechtmaetigh kan bestaen, schoon 'er manhaftige uitspraeck, nochte zeden, nochte spreucken ontbreecken’. En zoo gaat hij voort in een lang betoog, dat mij inderdaad pijnlijk aandoet. Doch heel zijn wezen dwong hem nu eenmaal tot geestelijke gebondenheid. Hij moest een onwrikbaar stellaadje onder zijn voeten voelen, eer hij zijn vleugels kon uitslaan.

Hij doet ook nog een greep uit wat hem jaren lang het materiaal voor ernstige studie moet geweest zijn: ‘Om in dezen treurhandel nergens het leven, zijn voorbeelt, te bezwijcken, ververschten wij onze geheughenis met overlezen en herlezen van Aristoteles en Horatius dichtkunst en hunne uitleggers over de zelve stof, naemelijck, Robertellus, Madius, Lombardus, Scaliger, Heinsius, en de voorrede van Huigh de Groot, op Euripides vertaelde Fenisse, Castelvetro, Delrius en Strada, oock Vossius, en Menardieres, die beide, elck om het wackerste, d'een in Latijn, d'ander in Fransch, den Schouburgh, het worstelperk der menschelycke hartstoghten, helpen opbouwen.’

Het is natuurlijk hier de plaats niet om na te gaan in hoeverre hij werkelijk aan al deze voorschriften heeft voldaan en of al deze

[p. 64]

boekenwijsheid inderdaad aan het spel ten goede is gekomen. Wij hebben hier enkel met het proza van dit Berecht te doen. En dan is er nog een punt van groot belang, nl. daar waar Vondel het eigenlijk oogmerk van de tragedie formuleert en zegt, dat ‘de toestel des treurhandels zoodaenig behoorde te wezen, dat die, zonder eenige kunstenarij, of hulp der lijdende personaedje, maghtigh ware alleen door het aenhooren en lezen der treurrolle medoogen en schrick uit te wercken, op dat het treurspel zijn einde en ooghmerck moght treffen, hetwelck is deze beide hartstoghten in het gemoedt der menschen maetigen, en manieren, d'aenschouwers van gebreken zuiveren, en leeren de rampen der weerelt zachtzinniger en gelijckmoediger verduuren.’ Terecht heeft Simons opgemerkt, dat Vondel hier meer zegt, dan Aristoteles gezegd heeft. ‘Voortbouwend op den waarschijnlijk, dieperen zin van Aristoteles' orakelspreuk, voegt hij er, uit de volle diepte van zijn eigen levensziening aan toe: ‘ende leeren de rampen der wereld zachtzinniger en gelijkmoediger verduren.’ Zoo alleen kon zijn werk geheel voldoen aan de priesterlijke zending, die Vondel in zijn dichterschap voelde. Dat hij zich hiervan zoo juist bewust wordt, kan dat ook samenhangen met Verwey's meening, dat in de Jeptha het onheil spreekt, dat den dichter in zijn zoon getroffen heeft?

Over de maat van het stuk geeft hij nog een meedeeling: ‘Dit treurspel treet voort op vaerzen van tien en elf lettergreepen: naerdien de edele heer Ronsard, de vorst der Fransche dichteren, deze dichtmaet hooghdravender oordeelt, en beter van zenuwen voorzien, en gesteven dan d'Alexandrijnsche, van twalef en dertien lettergreepen, die, zooveel langer, naer zijn oordeel, flaeuwer vallen, en meer op ongebonde rede trecken, ten zy deze, uit eenen uitnemenden meesters koker komende, zich verheffen, gelijck uitheffende schilderyen, en, rijck gestoffeert, en doorwrocht, van gemeenen kout en ommeganck verre afgescheiden zijn...’

Men ziet, hoe hij zoekt naar het hoogste ook in den vorm. Hij had anders wel bewezen, dat ook hij zelf in het drama den alexandrijn treffelijk hanteeren kon. Uit wat hij daar over Ronsard zegt,

[p. 65]

zien we wel, dat deze in zijn dichterleven een figuur van beteekenis is geweest. Hoe bitter weinig weten we echter nog van zijn verhouding tot Ronsard.

Ook heel deze kleine essay, het Berecht voor den Jeptha, is geschreven, Vondel zegt het uitdrukkelijk aan het eind, om te zijn een tooneelkompas voor de jongeren, hun aan te wijzen, wat er wel geëischt wordt voor een goede tragedie, waar ze op dienen aan te sturen; een uitbreiding dus eigenlijk van de Aenleidinge.

In 1655 had dominee Petrus Wittewrongel, de ‘trompetter van de Zeeuwen’, zooals Vondel hem aanduidde, zijn Oeconomia Christiana of Christelycke Huishoudinghe in het licht gezonden, en we zagen het reeds, hoe zoowel Vondels spot als betoog zich daartegen richtten. Tegen het bestaan van goede tooneelstukken had Wittewrongel geen bezwaar; het was heel wat ‘anders, een stichtelycke Comedie oft Tragedie te dichten ende die te lesen, als de selve op een Heydense wijse met soo veel toestel tot vleeschelijck vermaeck om geld te spelen.’ Van de waarde van goede tooneelspelkunst had hij niet het minste begrip; hij vond tooneelspelen een vernederend en menschonwaardig bedrijf, geld verdienen door zich te laten bewonderen en de menschen te laten lachen, een werk vol gevaar voor de zedelijkheid.

De inhoud van de meeste tooneelstukken was in zijn oog ‘soo grouwelick, dat alle vroome gemoederen daervan een afkeer ende grouwel moesten hebben.’ Die inhoud is ‘in 't gemeen geyl en dertel, vol onkuisheydt, wreet, bloedigh, meest ontleent uyt de Heydensche Comediën ende Tragediën, die vol superstitiën, grouwelicke afgoderyen, Godtslasteringhen ende versierde fabelen ende leugenen zijn.’ Vooral ergerde hij zich over de ‘beschimpinghen ende bespottinghen van Religie ende Godsdienst.’ Hier richtte hij zich in het bijzonder tegen den Lucifer.

Toen van de Oeconomia in 1661 een tweede druk verscheen, die aan de Amsterdamsche regeering was opgedragen, welke regeering Wittewrongel daarvoor een vereering van 250 gulden toekende, greep Vondel opnieuw naar de pen en schreef zijn

[p. 66]

Tooneelschilt of Pleitrede voor het tooneelrecht onder de spreuk Cedo nulli, dat nog in hetzelfde jaar afzonderlijk verscheen te Amsterdam bij de Weduwe Abraham de Wees.

‘Wy bekennen ront uit, vangt hij schertsend aan, noch niet te konnen begrijpen, waerom de kerckuil een schildknaep van de Wijsheit en Pallas vogel is: want een kerckuil bemint de duisternis, en haet het licht. Hy zuight den olyfoli uit de gewijde koorlampen en vangt by nacht het lichtschuwe ongedierte, als een lecker wiltbraet; eigenschappen die luttel gemeenschap met de wijsheit schijnen te hebben.’ Hij heeft nu al zoo veel tot verdediging van het tooneel geschreven; hij wil nogmaals tegenover het ‘gigagen en d' aenklaghten der tooneelschenderen’ zijne meening stellen, opdat niemand ‘zonder grondige kennis van zaecken te neemen, een ontijdigh vonnis ten laste van schouburghoofden en tooneelieren (zal) vellen.’

Hij geeft de volgende bepaling van het tooneel: ‘Het tooneel is een verheven plat, toegestelt naer den eisch der rolle van de personaedjen, die elck volgens heuren staet ingekleet, en gelijck vermomt, door stemmen en gebaer uitbeelden eene historie, of waerschijnende verzieringe, of klucht, waerdigh tot stichtigh vermaeck, in het openbaer, gehoort en gezien te worden. Uit deze eenvouwige bepaelinge kan de verstandige oordeelen of tooneelkunst zoo strafwaerdigh zy, als vernuftelozen, onder schijn van hun bezwaert geweten t'ontlasten, haer uitroocken.’

Alles goed en wel, maar er mag toch wel eens opgemerkt worden, dat in het bijzonder datgene wat onder den naam klucht ging op het Amsterdamsch tooneel wel eens niet ‘waerdigh tot stichtigh vermaeck’ was, inderdaad grond tot ernstige gemoedsbezwaren aan vrome menschen kan gegeven hebben. Hoe stond Vondel daar tegenover? Hij heeft dit punt in zijn betoogen steeds handig geëscamoteerd en enkel aan zijn eigen verheven tragedies gedacht. Even raakt hij het aan: ‘Most men altijt, om der dingen misbruick, het recht gebruick verworpen; wat zou 'er ter weerelt onomgewroet en in zijn geheel blijven?’

Doorgaande op zijn definitie wijst hij er eerst op, hoe de rede-

[p. 67]

naars in de hooge scholen hetzelfde trachten te berelkenals de tooneelspelers; de historieschilders eveneens. ‘Het ooghmerck der treurspelen is, zoo wy voorheene zeiden, den verwilderden aert in te toomen, en zeden in te scherpen, gelijck de grijze en wijze Pythagoras dit oock door de muzijck beooghde. Het blijspel verlicht zwaermoedige geesten, en geneest de hartewonden der staetheeren en amptenaeren, door geduurige bekommeringen en beslommeringen, tot heil der gemeente, afgeslaeft. Is nu het ooghmerck des redenaers, en der schilderkunsten goet; hoe kan het zuivere wit der tooneelkunste zwart en quaet zijn?’ Het tooneel uitroeien, ‘dat waer - alle wijnstocken, om het misbruick des wijns, met wortel met al uitroien: en wy hooren het onfaelbaere orakel der wijsheit bevestigen, dat de wijn Godt en mensch verheught.’

Alom, ook in bouw- en beeldhouwkunst zoekt men praal en schoonheid; zie het stadhuis, zie de kunstige preekstoelen. God zelf heeft zich steeds in droomen en gedichten ‘als door levendige vertooningen’ in zijn genade, liefde, rechtvaardigheid, majesteit geopenbaard. Zie Jacob's droomen en die van Jozef, Mozes' gezicht in het braambosch enz. En verderop laat hij dan volgen: ‘Al de weerelt gewaeght van de geschicktheit, en bequaemheit der Societeit, in het manieren, regelen en zedevormen der leergierige jongkheit, het welck zy mede uitwerckt door Godtvruchtige en stichtelijcke tooneelspelen en tooneeldanssen, wijt afgescheiden van lichtvaerdigheit, en bederf van goede zeden, by haer ten hooghsten gehaet.’ Wat is dit? Naïveteit? Waardig zelfgevoel? Onhandigheid? Hij kon toch weten, dat het citeeren van Jezuïeten op Hollandsche Calvinistische dominees moest werken als de roode lap op den stier.

Doch er is nog meer waarop ik de aandacht even vestigen wil. De tooneeldansen met name worden hier aangevoerd als gebruikt door Jezuïeten tot zedevorming van de leergierige jeugd. Om dit nader toe te lichten voert hij terstond ook een Calvinistisch voorbeeld aan:

‘De Heer van Bartas in Vranckrijck, zoo befaemt om zijne heerlijcke gedichten, waer op Goulart, leeraer te Geneve, zulcke geleerde aenteekeningen
[p. 68]
stelde, voert op de bruiloft van Salomon en Faroos dochter, Saturnus, Jupiter, Mars, Merkuur, en Venus ten reie, en zon en maen, die bruidegom en bruit, Christus en zyne kerck, afbeeldende, de Spaensche pavane danssen, en, elckandere onderling kussende en belonckende, het getrippel der voeten, op hun engelsch gezanck, en luit en violons, passen.’

Dit citaat is om de weerga niet onhandig. Ook in zijn vroegere betoogen heeft hij al wel dansen naast en bij het tooneelspel genoemd en verdedigd. Aan het slot van zijn Tooneelschilt herhaalt hij nog eens:

‘Het moght nabedencken geven of men tooneelspel en tooneeldans, door een algemeen raetsbesluit, over al zoude opschorten, en den Schouburgh met een diamante grendelslot, by Vulkaen, der goden wapensmit, gesmeet, eeuwigh toesluiten, en bezegelen.’

Na o.a. een citaat uit den Gysbrecht (1411 vlg.) getuigt J.E. Gillet: ‘Zijn heele leven door heeft Vondel de tooneeldansen hardnekkig tegen de telkens hernieuwde aanvallen der predikanten verdedigd, het uitvoerigst wel in “Tooneelschilt” (1661). Hoeveel belang hij er aan hechtte, blijkt ons uit het feit dat hij “tooneelspel en tooneeldans” als een soort equivalent voor “het tooneel” in 't algemeen gebruikt’.1) Zeer waarschijnlijk zijn reeds in den Palamedes dansen uitgevoerd.2)

Als we dit alles eens rustig overzien, heeft Sterck dan niet wat al te veel aan pernicieuzen invloed van Jan Vos gedacht in Vondels gebruik maken van den dans bij het tooneel? ‘Dansen, schrijft Sterck3), van allerlei fantastische personen en gepersonifieerde gruwelen, als Nijd, Oorlog, Roof en Moord; van elementen, Aarde, Water, Lucht en Vuur, van de hemellichamen, enz. behoorden tot de onmisbare bestanddeelen van het toenmalige drama. Waarom, zoo dacht Jan Vos, zou men de bedrijven van de treurspelen, die den ouden Vondel zooveel roem gebracht hadden, daarmede ook niet afwisselen? Ze behielden toch nog een goeden naam en waren lang “kasstukken” geweest; enkele dansjes zouden aan Lucifer,

[p. 69]

Jeptha en andere drama's weer een duurzaam tooneelleven kunnen verzekeren’. Wat Vos wil, verschilt niet zooveel van wat Vondel in Du Bartas roemt.

Ging niet inderdaad een sterke sympathie voor den tooneeldans van Vondel zelf uit? Hoe zien we hem hier in zijn voorliefde teruggaan op de Jezuïeten, waarvan al de wereld gewaagt, die dus een lange traditie in hun liefhebberij voor den dans hebben, teruggaan op Du Bartas, zooveel ouder dan Vos. Waarlijk hij had Vos niet noodig om op het idee van den tooneeldans met symboliek te komen. Slingert zich hier misschien een weelderige ader van zijn Rubensachtige Zuid-Nederlandsche natuur door het strakke geraamte van zijn bedenksels voor de klassieke tragiek? En is daarmee niet volkomen in overeenstemming, dat Vondel zelf van zijn kant Vos aanmaande te zorgen voor de dansen, die deze voor den Jeptha beloofd had?1)

Men kent de beschrijving der dansen, die Vos maakte voor den Lucifer,2) o.a. dit: ‘Terwijl Adam en Eva, die zich naakt bevinden, bezich zijn met een hut te bouwen, vertoont zich een Engel, die de gramschap afgrijselijk ten oogen uit komt blaaken: hij drijft het verleide paar door het brandende slagzwaardt, dat hij in de vuist heeft, uit het lusthof. Honger, Armoedt, Arbeidt, Ouderdom en Doodt voegen zich bij d'eerste ballingen. De Goude eeuw wordt door d'Yzere verjaagt: de Tijdt komt vaardig voor den dach springen: hij heeft Staatzucht, Nijdigheidt, Oorlog, Roof en Moordt aan zijn zijde; na dat deze gruwelen een poos 't zaamen gedanst hebben, verspreiden zy hen over de wereldt. Liefde, Onnoozelheidt en Eer worden in een wolk vol starren ten hemel gevoerd’.

Sterck vindt dit blijkbaar niet mooi en passend. Ja, men zou het eens moeten zien. Zoo oppervlakkig prefereer ik ook wel de soort dansen, die Royaards bij den Adam liet uitvoeren. Doch Vondel schijnt toch wel smaak gevonden te hebben in deze vertooningen van Vos. Van opdringen is dunkt me nergens sprake. Het blijft zoo uiterst moeilijk zich in den geest der tijden in te denken.

[p. 70]

In scherpe, bijtende taal, krachtig uitbeeldend zijn diepe verontwaardiging, zijn grenzenlooze verachting voor de aanranderen van zijn tooneel, in het bijzonder Wittewrongel, op wiens geschrift een enkele toespeling wordt gemaakt, zet Vondel zijn betoog voort. Hier herleeft de oude hekeldichter in het sterk gespannen proza. 't Is of de Roskam door zijn herinnering zweeft. Hij haalt weer op van de ‘gewitte graven, uitwendigh schoon en heerlijck opgepronckt, inwendigh vol stanck en verrotte beenders en beckeneelen’. De waarheid greep weleer die menschen bij de slippen. Zoo ook: ‘De Waerheit zelf bevestight dat openbaere zondaers by wylen de boetvaerdigheit en den hemel nader zyn dan schijndeugden, daer de hartekenner van walght.’

Dat heel zoo'n Tooneelschilt en trouwens ook de overige verdediging van het tooneel bij Vondel uitmunten door byzondere klemmendheid van betoog, zou ik niet gaarne beweren. Veel meer dan algemeenheden, vergelijkingen die niet byzonder kloppen, beweringen van anderen hooren we niet. Ook hier komt Vondels autoriteitsgeloof, zijn eerbied voor groote namen sterk uit.

Natuurlijk, de zaak waarvoor hij strijdt is goed; daar zijn we allen van overtuigd; hij meent het ook goed en zegt wat hij meent in een voortreffelijken vorm. Doch hoe had hij nog bovendien met de stukken der Ouden en die van later tijd in de hand kunnen aantoonen, welke schatten van levenswijsheid en deugdsbetrachting uit het tooneelwerk zelf te halen vallen. Hoe gaarne hadden we gezien, dat hij zich de vraag gesteld had: hoe kan ik, Vondel, met mijn vurig schoonheidsbesef, mijn godsdienstig gevoel, mijn reinheid der harten, mijn gezond verstand onafwijsbaar aan de stof waar het over gaat, zelve aantoonen, dat de vijanden van het tooneel zich vergissen, overdrijven, opzettelijk de waarheid afbreuk doen. Doch laten we Vondel, dien we moeten aanvaarden in zijn persoonlijke grootheid, wijsheid, genialiteit, daarvan hier geen verwijt maken.

't Is wel eens aardig het enthousiasme te hooren, waarmee Maurits van Hall reeds Vondels proza en in het bijzonder het Tooneelschilt begroette. Na eenige krachtige zinnen eruit te hebben aangehaald, gaat hij voort: ‘Hoe deftig, levendig en

[p. 71]

treffend, welluidend en gemakkelijk tevens is niet deze aaneengeschakelde volzin. Het is zoo, wij vinden zoo hier als elders bij onzen taalhervormer den stijl misschien te vol van redekunstige figuren en dichterlijke beelden; maar vergeten wij toch nimmer, dat, bij de opkomst eener maatschappij, de talen gewoonlijk het meest figuurlijk en dichterlijk zijn; dat omtrent bij alle volken der aarde de figuren en overdragtige spreekwijzen het wezen hunner taal zelve hebben uitgemaakt; dat Van den Vondel in den herboren dageraad onzer letterkunde schreef, en dat hij tevens Dichter was; en ik althans houde het hem gaarne ten goede, wanneer wij hem, het tooneelregt verdedigende, den hateren van den schouwburg hooren vergelijken bij den kerkuil, die de duisternis bemint en het licht schuwt. ‘Hy zuight (zegt hij) den olijfolij uit de gewijde koorlampen en vanght bij nacht het lichtschuwe ongedierte, als een lecker wiltbraet.’

Deze en andere beelden en vergelijkingen, in het ondicht van Van den Vondel dikwerf voorkomende, moge dan voor een kiesch, nauwgezet beoordeelaar van onzen tijd niet behagelijk zijn; wij zullen dezelve bijna nooit als te zeer buitensporig, te vergezocht, of met den aard van het onderwerp onovereenkomstig ontmoeten.’1)

Bij al zijn enthousiasme zit hij er toch wel een beetje mee in, onze Van Hall. Die toon van vergoelijking is typeerend voor den tijd. Wat wij thans in volle overgave bewonderen als breedheid, nobelen zwier, kernachtige, schitterende beeldspraak, was voor de koele, nuchtere, benepen geesten van voor een honderd jaar te vol, te machtig, te overdonderend rijk van klank en beeld. Zij duizelen er van. En de man, die voor die hooge schoonheid toch wel veel voelt, moet bij zijn hoorders den gebenedijde verontschuldigen: hij wist niet beter; gij moet denken, de lange ontwikkelingsweg, waarvan wij het hoogtepunt bereikten, begon pas; 't was de dageraad onzer letterkunde. Maar in ieder geval, Maurits van Hall heeft de schoonheid en kracht van Vondels proza wel gevoeld en dat is al veel voor dien tijd.

[p. 72]

Erger is, dat de hiervoor reeds gesignaleerde H. van Leeuwen uit Haarlem in 1905, toen waarlijk de tijden wel veranderd waren, nog grootendeels al het bovenstaande van Van Hall naschrijft en als eigen opinie den lezers van Noord en Zuid aanbiedt.1)

Op Vondels verdediging van het tooneel zwegen natuurlijk zijn vijanden niet. Nog in 1661 verscheen in een afzonderlijke uitgaaf ‘Tooneel-schilds-verplettering of grondig bewijs van d'ongesoutenheyt der Pleyt-reden voor het tooneel-recht.’2) Ik kan daar hier niet verder op ingaan. De schrijver heeft van zijn standpunt natuurlijk gelijk en hij komt me voor een handiger debater te zijn dan Vondel. Met wat een speelsche ironie gaat hij in op Vondels onhandigen zet, dat het grieksche ‘hypocrita’, voor de schijnheilige farizeën door Christus gebruikt, in den Statenbijbel ten onrechte wordt weergegeven door ‘geveinsde’, dat woord beteekende ‘tooneelspeler.’

Het volgende jaar (1662) verscheen van zekeren Jacob Koeman een nieuwe aanval op het tooneel in den dramatischen vorm, een pamflet dat me volstrekt niet onbelangrijk voorkomt. Ik vind het werk van dien Koeman als satire nog lang zoo slecht niet. Zijn standpunt is te verdedigen, al sta ik natuurlijk pal tegenover hem. Hij heeft grondig over de zaak nagedacht, is blijkbaar een man van kennis, volkomen thuis in de stof, en door zijn vorm neemt het als werk van een man, die geen geboren dichter is, in de satirieke litteratuur van dien tijd geen slechte plaats in.

Ook dit kan ik hier niet op den voet volgen; maar om de waarde van het Tooneelschilt te doen uitkomen, wil ik toch even den grooten gang van deze ‘Schouwspels beschouwing ofte ware afbeelding van de hedendaeghse tooneelhandel’3) aangeven. ‘Het wit daer hy op doelt, is, om achter het Schouburgs bevalligh voorhangsel, alleen geen (= niet slechts een) hoeren-outer te ontdecken; maer zoodanig een grouwel der ongerechtigheit, die, met slincksche greepen, de jeught aflokt van den Koningklycken heilwegh

[p. 73]

naer Sion, om haer, op het renpadt naer Gehenna, van deught en eerbaerheit te verbasteren.’

Het eerste deel is een samenspraak tusschen eenige helsche geesten. Pan is dood. De heidensche wereld neigde tot ondergang. Helsche List brengt in herinnering, hoe de tooneelkunst der Atheners hun onnoemelijk voordeel bracht:

 
Nu meen ik dit vergift de Christenen te dissen,
 
Onder den braven naem van Leersaem tytverdrijf:
 
En op dat het te meer zal kitt'len ziel en lyf,
 
Meen ick het soo met glimp van schyngoet te vernissen,
 
Dat daer een duizenttal sal doolen, eer zy't dencken.

In het tweede en derde deel volgt dan samenspraak tusschen Leander en Alcipus, waarbij de eerste ook een rechtstreekschen aanval doet tegen Vondel en diens verdediging van het tooneel. Vooraf toont Leander aan, dat het tooneel bij de Ouden allesbehalve een leerschool voor goede zeden en godsvrucht was:

 
Alcipus:
 
Maer let eens, goeje vriendt, dat d'Heidenen dit spel
 
Misbruickte, was haer fout en sonde, maer het wel
 
En wettighlyck gebruick, het welck ons aen kan dringen
 
Tot deught is loflyck.
 
Leander:
 
Maer dat wettighlyck gebruiken
 
Waer doet men dat? heeft ooit dees snoô verdorve tyt
 
Het elders voortgebracht met soo een luister?

Daarna komt Leander dan tot een algemeene beschouwing van de gevaren van het tooneel, zooals zich dat in Amsterdam in zijn tijd voordoet, met telkens nog wel toespelingen speciaal op Vondel. Fel vaart hij uit tegen den dans op het tooneel:

 
Slaet eens uw oogen van die afgebeelde boomen,
 
Tot binnen het gordyn van't gulde ledekant,
 
En ziet hoe naecktlyck dat daer de geile brandt
 
Wert ingeswolgen, door verbeeldinge, en stroomen
 
Van overspeelige, en meer dan hoersse reden.
 
.....................
 
Ach! zou men nu niet wel, als eerlyk Cipriaen,
 
Dus mogen klagen, dat, door het Comedy gaen,
 
De jonge maeghden, die wel eer de schaemte çierden,
 
Veel eerder weduwen, als wyven zyn bevonden,
 
En dickwijls moeders sonder mannen?
[p. 74]

Het spel van Biron door H. Roeland wordt als voorbeeld van ongerechtigheid gesignaleerd; ook op het werk van Jan Vos worden toespelingen gemaakt. Neen, wat Vondel in zijn Tooneelschilt Apollo's duitschen tempel noemde is inderdaad een Duivelskerk. Leander besluit met een lang niet onverdienstelijke, zeer aanschouwelijke teekening van wat er al zoo gezegd wordt en wat er gebeurt, als de heeren uit den schouwburg komen.

Te Winkel neemt dergelijke aanvallen in bescherming en misschien niet geheel ten onrechte. ‘Zelfs velen die niet tot de ‘fijnen’ behoorden, een ‘slordig’ praatje wel konden verdragen en om een ‘ontijdig’ grapje wel konden lachen, werden door den overvloed van bandelooze dartelheid en plompe vuilheid zoo zeer geërgerd, dat zij niet dan bij bijzondere gelegenheden naar den schouwburg gingen; en ernstig berispte De Dekker reeds vóór 1660, in een puntdicht den vader, die toeliet, dat zijn dochters kamers en tooneelen bezochten, ‘alwaer men niet en hoort als ongewassen kout, alwaer men niet en ziet als parten van bordeelen.’1)

Van ganscher harte sta ik aan de zijde van Bakhuizen van den Brink, waar hij zegt: ‘Zoo ergens, dan wenschte ik bij den kunstenaar, ik durf zeggen de godsdienstige overtuiging, dat al wat is, bestaat volgens de wetten eener eeuwige noodzakelijkheid; dat niets gering of groot mag heeten, tenzij onze geest geheel de verhouding daarvan tot het heelal hebbe bevat; dat hetgeen ons wanklank schijnt, zich vaak in een hooger accoord oplost, en - opdat ik mij niet verder in die verborgene geheimzinnige sfeer verlieze: de theorie, die de waarde der kunst naar haar voorwerp afmeet, is òf allervalscht, òf zij verdient nadere ontwikkeling en beperking’2) en wat er meer in dien zoo bijzonder merkwaardigen vierden brief aan Albert staat.

Maar er is kunst en kunst. Wat in de hierboven besproken aanvallen tegen Vondel bepaaldelijk wordt gericht, kan in onze oogen niets anders dan fanatieke dwaasheid zijn, al is die psychologisch dan ook te verklaren. Doch er gaat niets van af, dat er

[p. 75]

buiten het groote werk van Breero, Hooft en Huygens en enkele anderen, heel wat gevaarlijke oubolligheid werd vertoond, die eigenlijk niet de minste pretentie op den naam kunst maken kon en eenvoudig kitteling der lagere instincten kon genoemd worden.

Hoe staat Vondel tegenover deze feiten? Hij heeft ze natuurlijk toch wel gekend en gepeild. Hij heeft ze natuurlijk afgekeurd. Maar nergens gaat hij er diep en rechtstreeks op in. Is dit naïveteit? Is dit taktiek? Handige taktiek lijkt me het dan alweer niet. Veel beter zou hij gedaan hebben door de gebreken breed uit te meten en er zijn zuivere, hooge, reinigende bedoelingen tegenover te stellen.

Ten deele, lang niet geheel en zuiver zijn aanvallen als van Wittewrongel, Koeman, e.a. te plaatsen naast wat o.a. Collier deed in Engeland met zijn Short View of the Immorality and Profaneness of the English Stage.

In het Berecht betreffende den staet van den eersten mensche, voor en na den val, en eenige omstandigheden omtrent deze stof voor den Adam in ballingschap (1664) hooren we Vondel ten slotte nog weer als theoloog. Heel dit kleine tractaat is zuiver theologie. Vondel is nu bijna tachtig jaar. Klaar en vast is de bouw der perioden in dit kleine stukje over het kleed der erfrechtvaardigheid. Het begint met een zin van een kleine pagina, dien ik hier niet alweer wil overschrijven, een zin waarin hij tegenover een schilderij van Apelles, die aan de hoogste eischen voldoet, stelt den bouw der katholieke waarheid, die door den Heiligen Geest zelf geregeerd wordt. Doch lees dien langen zin eens door met zijn onderdeelen en onderdeelen van onderdeelen, hoe doorziet ge opeens zonder verdere studie in vollen eenvoud en duidelijkheid het geheel der gedachte als een lange zuilengalerij. Dat is een van de groote krachten van Vondels proza, de helderheid en eenvoud in al die breed opgezette zinnen als weidsche bouwwerken.

God schiep Adam naar zijn beeld: heilig, wijs, rechtvaardig, oprecht en volkomen. Deze volkomenheid was een ‘overnatuerlijcke

[p. 76]

schenckaedje.’ De mensch bestaat uit vleesch en geest. Door het vleesch helt hij tot het ‘goet des lichaems en der zinnen’, door den geest tot het geestelijke en het ‘verstaenbaere goet.’ Daaruit ontstaat een strijd, moeilijkheid van zich ‘wel te draegen.’ Daartoe gaf God hem de Erfrechtvaardigheid ‘waarmede, als met eenen toom, het meerder het minder deel moght intoomen. - Aldus luisterde het vleesch naar den geest om tegens zijnen wil niet uit te spatten, ten waere de geest tegens Godt quam in te spannen: evenwel stont het in de maght van den geest tegens Godt in te spannen of niet.’

Hiervoor volgen nu weer tal van bewijsplaatsen uit de Schrift en de Vaderen.

‘Adam en Eva, dus heerlijck met deze overnatuurlijcke gave der Erfrechtvaerdigheit begenadight, leidden een geluckzaligh leven naer lichaem en ziel, geene steurnis onderworpen en opgetogen in geestelijcke wellusten van hemelsche bespiegelinge, gelijck Godts huisgenooten.’

Dan komt de mogelijkheid van verleiding, de val en het daarop noodzakelijk volgende verlies van het kleed der erfrechtvaardigheid, het besef van naakt te zijn. ‘Hier openbaert zich de Herkentenis van dit jammerlijcke treurspel aller treurspelen, waer op datelijck volgt de schrickelijke Overganck van hun geluck in eene Ilias van ontelbaere rampzaligheden naer lichaem en ziel.’ Even een vasthechten van de oude dierbare tooneelwetten, even de agnitio en peripetie.

Zoo kwam uit de zonde van één de verdoemenis van allen. Aan dit leerstuk knoopt hij dan een beschouwing vast over Pelagius, die de leer der erfzonde loochende. Deze leer van Pelagius met al wat er uit voortvloeide, bestrijdt Vondel krachtig.

Ik ben geen theoloog, maar dit meen ik toch wel te mogen constateeren: Voor wie eenmaal de Schrift en de Patres als de eenige en zuivere kenbron van goddelijke zaken aanvaardt, lijkt mij dit Berecht wel van den meest klaren eenvoud die er bij Vondel te vinden is. Meer dan elders vinden we hier ook een volkomen logischen gedachtegang in de opeenvolging van de onderdeelen.

[p. 77]

Met dit betoog kon Vondel zich natuurlijk ook uit de groote moeilijkheid redden bij de voorstelling van den naakten Adam en Eva in het Paradijs, zooals die reeds zoo menigmaal in groote schoonheid door de schilderkunst waren uitgebeeld.

Toen en vooral in Amsterdam ging dit stellig niet op het tooneel zonder aanstoot, zonder krachtdadig verzet te wekken. Hij kon onze oerouders dus gevoegelijk eenige kleedij laten dragen, die dan tevens als symbool van het kleed der erfrechtvaardigheid kon doorgaan.

Deze bijgedachte zit wel achter het betoog in het Berecht en in een resoluten, franken toon, die zoo alle bezwaren met een enkele handbeweging weg vaagt, schrijft hij dan ook in zijn Opdracht van den Adam ‘Aen de Kunstbeminnende Heeren Vaders van het oudemannenhuis en weeshuis’ (die finantieel betrokken waren bij de opvoeringen) ‘voorstanders van het recht gebruick der tooneelspelen’ (let op de politiek in dit schoon epitheton): ‘Niemant kreucke om dit toestel van het paradijstooneel zijn voorhooft, nochte werde out en grijs voor den tijt van schrick en verbaestheit: want d'aenschouwer zal geen dertele saters en geile boxvoeten met moedernaeckte nymfen zien huppelen, neen zeker: en om de naeugezetten kort uit den droom te helpen, men zal het paradijstooneel zien gebootseert naer het paradijs, van den oppersten en eersten hovenier, in het oosten, aen d'Eufraet geplant, tot een lustprieel, en gezegent verblijf voor Adam en Eva, die hier, in het zuivere gewaet van onnozelheit en Erfrechtvaerdigheit, met engelen, aertsengelen en hemelsche geesten verkeerende, op hunne bruiloft den allerhooghste, die hen te zamen voeghde, eenen hemeldans toedanssen.’

Heel die opdracht kenmerkt zich door eenen luchtigen toon, waaruit toch verzekerdheid spreekt, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, dat zich als een geweldig onweer over de opvoering van den Adam kon ontlasten. Even wordt de autoriteit van Grotius' Adamus exul aangehaald, welk doorluchtig voorbeeld hij slechts gevolgd heeft. ‘Indien d' aenschouwers, na het speelen, met een vrolijck hantgeklap eenstemmigh toonen dat hun dit behaeght,

[p. 78]

zullenwe deze moeite niet qualijck besteet achten, en ondertusschen den kunstbeminnenden heeren vaderen der godtshuizen het hanthaven van 't recht gebruick der tooneelspeelen, ter eere van stadt en burgerije, bevolen laeten’.

De mogelijkheid van niet-spelen, 't is of hij er niet aan denkt, zoo verzekerd is zijn toon, zoo vast zijn vertrouwen in die kunstminnende heeren. En toch is voor ieder, die lezen kan die opdracht in haar luchtige onbezorgdheid en vertrouwen het bewijs, dat Vondel doodsbenauwd is zijn stuk nooit op de planken te zullen zien. Ja, Vondel kon ook wel handig en politiek zijn stijl draaien in zijn proza.

Vóór de tweede helft der 19de eeuw is echter de Adam niet vertoond in Holland, eigenlijk niet voor 1908, toen Royaards begon, want wat Van Lennep c.s. in 1852 tot stand bracht, moet meer op voordragen dan op eigenlijk spelen geleken hebben. En ook na het verschijnen van den Adam werden weer gedichten gedrukt, die getuigen van diepe verontwaardiging over het ten tooneele brengen van zoo heilig een stoffe.

Volledigheidshalve wil ik er hier even op wijzen,1) dat Vondel aan zijn Ovidius-vertaling in 1671, toen hij 84 jaar werd, een vrij omvangrijke Voorrede liet voorafgaan over de ‘nutbaerheit der fabelen’, waarbij we in het oog hebben te houden, dat Vondel het woord fabel niet in de beperkte beteekenis gebruikt, die wij thans kennen.

Ik kan niet zeggen, dat dit opstelletje nieuw licht over Vondels gaven en geest werpt. Het is een opeenstapeling van namen, feiten, autoriteiten, waarvan de dichter niet altijd de ware verhoudingen kan overzien. Op grond van de gelijkenissen van Jezus, de klaagliederen van David en Jeremias enz. enz. wordt het nut der verhalen bij Ovidius verdedigd. Hij haalt er zelfs Mirjam, de

[p. 79]

zuster van Mozes, bij, die ‘met de tamboer ten reie’ ging. Uit alles blijkt dat Vondel tot in zijn hoogen ouderdom behalve in de christelijke sferen, waar hij zijn hoogste heil vond, geleefd heeft in de wereld der Ouden met haar diepe wijsheid en schoone verbeeldingen.

[p. 80]

De opdrachten

Meer nog misschien dan uit de tot nu toe behandelde prozastukken, die toch alle in hoofdzaak een betoogend karakter hebben, blijkt uit de opdrachten, welk een rijkdom van tonen, welk een verscheidenheid van melodieën Vondel zijn taalinstrument ontlokken kon, ook wanneer hij proza schreef. Ook in die opdrachten leeft de heele Vondel, hier niet enkel in zijn houding tot allerlei geestelijke waarden, als geloof, oudheid, aesthetiek, taalkennis, maar in de eerste plaats in zijn houding tegenover de buitenwereld, tegenover de menschen, die hij waardig keurde de eerste bladzijden van zijn werk met hun naam te sieren.

Hier hooren wij hem in alle tonen, van den meest diepen en onderdanigen eerbied tot de vertrouwelijke, gulle vriendschap. Overal treft hij den passenden, zuiveren toon, het juiste timbre in zijn geluid, de van zelfsprekende zinsmelodie en strofenbouw. Behalve de houding tegenover hen, wien hij zijn werk vereert, voelen we ook hier weer telkens zijn persoonlijk gevoel voor de dingen, waarin zijn dichterziel leeft, het lief en leed van den mensch Vondel. Ik kan hier natuurlijk niet die talrijke opdrachten stuk voor stuk in chronologische volgorde behandelen. Liever doe ik hier en daar een greep om de tegenstelling en de verscheidenheid te doen uitkomen.

Hooren we dan eerst dien diepen en eerbiedigen ootmoed in den nederigen burger van een republiek van kooplui tegenover ‘den onoverwinnelycksten Vorst en Heere, den Heere Ferdinandus den derden, gekoren Roomschen Keizer, altyt vermeerder des Rycks’, voor den Lucifer (1654):

‘Gelyck de Goddelycke Majesteit in een ongenaeckbaer licht gezeten is; zoo zit oock de weereltsche Mogentheit, die haer licht uit Godt schept, en de Godtheit afbeelt, in haren glans verheerlyckt: maer gelyck de Godtheit, of liever opperste Goetheit, den allerminsten en ootmoedigen, met den
[p. 81]
toeganck tot haren troon, begenadight; zoo gewaerdight de tydelycke Mogentheit oock den allerkleensten dat hy zich eerbiedigh voor hare voeten vernedere.’

Welk een zwellende statigheid in deze verheerlijking van het monarchaal gezag bij de gratie Gods in dien Katholieken Vondel, die eens, jaren her, in zijn Pascha een beeld gaf van den opstand der Hollanders tegen het wettig gezag van den Spaanschen Koning en in dien opstand Gods wil en leiding erkende; den Vondel, die zoo luchtig zijn veranderde houding zocht te verbergen in het fleurige, levendige herderspel van de Leeuwendalers. Hier verbergt hij niets meer, hier knielt hij openlijk in alle nederigheid voor de afschaduwing van het goddelijk gezag, waartegen de oproerige engelen in opstand waren gekomen.

‘Op dit rampzalige voorbeelt van Lucifer, den Aertsengel, en eerst heerlycksten boven alle Engelen, volghden sedert, bykans alle eeuwen door, de wederspannige geweldenaers, waervan oude en jonge historiën getuigen, en toonen hoe gewelt, doortraptheit, en listige aenslagen der ongerechtigen, met glimp en schyn van wettigheit vermomt, ydel en krachteloos zyn, zoo lang Godts Voorzienigheit de geheilighde Maghten en Stammen hanthaeft, tot rust en veiligheit van allerhande Staten, die, zonder een wettigh Opperhooft, in geene burgerlycke gemeenschap kunnen bestaen: waerom Godts Orakel zelf, den menschelycken geslachte ten beste, deze Mogentheit, als zyn eige, in eenen adem, bevestight, gebiedende Gode en den Keizer elck hun recht te geven. Christenryck doorgaends, gelyck een schip in de wilde zee, aen alle kanten, en tegenwoordigh van Turck en Tarter, bestormt, en in noot van schipbreucke, vereischt ten hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvyant des Christen naems te stuiten, en den Rycksbodem en zyne grenzen tegens den inbreuck der woeste volcken te veiligen en te stercken.’

Ook Van Hall haalt dezen zin aan, als voorbeeld van wat hij noemt den ‘aaneengeschakelden’ stijl bij Vondel tegenover den ‘afgebroken’ stijl. Hij heeft er reeds volkomen de kracht en solieden bouw van gevoeld: ‘Gij zult, mijne toehoorders! voorzeker met mij, in dezen langen en onafgebroken volzin, eene geleidelijke zinsverdeeling, die zonder vermoeijen den hoorder of lezer bezig houdt, ontwaard, en gelijdtijdig daarin hebben opgemerkt eene langzame verheffing van stijl, een klimmende levendig-

[p. 82]

heid van maat, en hoe de verschillende leden van denzelfden volzin elkander, zoo welluidend als ongezocht, volgen’.1)

Na den zin in zijn onderdeelen te hebben overzien, gaat hij voort: ‘Heerlijk en schoon, en niet minder dan derzelver vorm en kleeding, zijn daarenboven de denkbeelden, die in dezen volzin als eene onafgebrokene gedachtenreeks in elkander vloeijen, uitgedrukt; en hij zelfs, die vóór eenigen tijd in zijne geschriften en gezangen het goddelijk recht en het wettig gezag van den Sultan des Turkschen rijks op de rampzalige Grieken verdedigde, zou echter hier de mannelijke en kernvolle taal, waarover Van den Vondel zoo meesterlijk gebood, moeten eerbiedigen, ten ware hem gevoel en oordeel geheel ontzegd ware’. We zijn in de dagen der Romantiek; Byron en anderen hadden gansch Europa met geestdrift vervuld voor de vrijheid der Grieken tegen den Turkschen geweldenaar. Zoo wordt Vondels Lucifer aan de Grieksche vrijheid vastgeknoopt.

Leggen we nu tegenover deze zware, geweldige opdracht aan Ferdinand III de koele, nuchtere meedeeling aan ‘den Heere Justus Baeck’ voor den Salomon (1648). In eenvoudige, korte zinnen, even helder van bouw, even veelzeggend als zijn breede perioden, schetst hij even zakelijk den inhoud van het spel: ‘In dit treurspel wort geen bloet maer die groote ziel gestort’ enz. Dan ‘Uwe E. onder de Kunstbeminners gerekent, zal met den zijnen, die lust in dusdanige stoffe plaghten te scheppen, dit niet ongerijmt vinden, en gelieven t' ontfangen met zulck een genegentheit als het u opgedragen wort, tot een blijck dat ick blijve Uwe E. dienstwillige’.

Justus Baeck was de zoon van Laurens Joosten Baeck, den rijken suikerraffinadeur, die op Scheybeek bij Beverwijk woonde, waar Vondel omstreeks 1624 zulke rustige, genoegelijke dagen sleet, zulke jolige liedjes dichtte, bij wien hij een schuilplaats vond, toen hij vervolgd werd om den Palamedes, zoo niet op Scheybeek, dan toch in Laurens' huis in de stad. Justus werd door zijn huwelijk met Magdalena van Erp de zwager van Hooft. Uit den

[p. 83]

toon van de opdracht zou men bijna besluiten, dat de relatie met Justus niet zoo bijzonder intiem was en de opdracht een pure beleefdheid.

Toch heeft Vondel wel nauwe betrekkingen gezocht met Justus en zijn vrouw Magdalena.1) Kan de koele toon van deze opdracht en misschien het opdragen zelf van een stuk met deze bepaalde strekking ook samenhangen met de onzekere houding van Justus tot het katholicisme, waar Sterck van spreekt, of van andere afdwalingen in Vondels oog.

Den leutigen, lossen, familiaren toon treft Vondel perfect, waar hij aan Anthonis de Hubert, die met Vondel, Hooft en Reael deel nam aan de bekende besprekingen over de Nederlandsche taal, de Amsterdamsche Hecuba opdraagt (1626). Welk een vertrouwelijke gemoedelijkheid, welk een hartelijke vriendschap zonder eenige praal van mooie woorden of deftige zinnen. Na nog even aan bedoelde besprekingen en besluiten herinnerd te hebben, eindigt hij: ‘Omhels dan, waerde heer ende vriend, onsen en der anderen arbeyd liefelijck, en, na uwe gewoonte, straf de misslaegen heusselijck, en leef hier voorspoedelijck, en namaels eeuwelijck.’

Maar hoor vooral dezen aanhef, vol vlotte scherts en luim; alles in korte zinnetjes, met toespeling op de hulp die hij bij de bewerking van Seneca's ‘Koninginne der treurspeelen’ tot de Amsterdamsche Hecuba van Hooft en Reael had ondervonden:2)

‘Wy offeren hier uwe E. de Amsteldamsche Hecuba. Dezen bynaem draeghtse om dat Amstelredam haere geboorteplaets is. Verscheyde vaders hebben vaderlyck recht aen dit kind. Seydmen dat het schandelijck luyd datter meer als een vader tot eene zelve vrucht gehoort: wy staen het geerne toe: maer gelijck dat in de natuure oneerlijck is, alsoo sal't hier heerlyck sijn. Besietse, ja doorsietse vry, en zoo u dunct datter yet Godlycx in haer aenschijn zweeft, denckt datse geboren, ende oock herbooren is, alsoo datse met recht twee of dryboortige magh heeten.’

Speelscher, guitiger en geestiger klinkt de aanhef als hij zich tot ‘de wijze en vernuftige joffrouwe Maria Tesselschade Roemers,

[p. 84]

weduwe van wijlen Heer Alard Krombalch’ richt in zijn opdracht van de vertaalde Electra van Sophokles (1639):

‘Gelijck een vryer met overlegh, en oordeel zyn hart, en liefde zet op een jonge vryster, die, om haere natuurlijcke schoonheid, aengebore bevalligheid, en voegelijck cieraed, bekoorlijck is; eveneens kreegh ick een' treck tot deze princes Elektra, of liever Electa, een uitgeleze dochter.’

Maar Tesselschade is de wijze, vernuftige en geleerde; hij kan niet nalaten haar in prettigen verteltoon een en ander mee te deelen over den aard van het stuk. Zij begrijpt dat wel, en hij kan haar uitleggen de moeilijkheden, aan het vertalen van zoo'n Grieksch drama verbonden. Dat is lang niet mis. ‘Men bejegent plaetsen zo duister als raedsels, waer over d'uitleggers noch met zich zelve, noch met anderen overeen stemmen, en in 't uitleggen hemel en aerde verschillen. Oock is 't onmogelijck de redenen wel te binden, indien men gehouden zijnde de Griecksche koppelingen stip te volgen, niet met een ruim geweten wat vrymoedich daer over heenen durf vaeren.’ Maar zijn zij niet confraters in het dichterschap en in het vertalen? Zij kan er ook van meespreken. ‘Het van d'eene tael in d'ander, door eenen engen hals te gieten, gaet zonder plengen niet te werck:’ (aardig beeld) ‘een zaeck die ghy, wyze en vernuftige Joffrou, magtigh zijt te oordeelen, door ondervinding in 't vertaelen van uwen Tuscaenschen Tasso.’

In hoofsche, vleiende wendingen weet hij gracieus zijn Electra voor hare ‘voeten, als aen eene der hemelsche zanggodinnen op te offeren.’ Immers

‘Uwe bezigheid ondertusschen by poozen wat uitgespannen zijnde, om de snede van vernuft en zinnen, door het al te stadigh blocken, op een zelve werck, niet te verstompen, verquickt en zegent zomtijds den Hollandschen Parnas met eenen lieflijcken en aengenamen dauw, van aertige spitsvondigheden, en geestige bloemen, en druckt uwe schrandere gedachten in verscheide taelen geluckighlijck uit, en koomt zelve op welgestelde toonen van leckere poësy al soetelijck en zachtelijck aen, gelijck het luisterende hart naer den kittelenden galm van luiten en fluiten.’

Hooft heeft aardige brieven aan Tesseltje geschreven, zeker, maar mij zijn ze dikwijls te precieus, wat te gewild geestig. Voor mij zit er nog al eens wat onechts in. Doch hier bij den ‘burgerlijken’

[p. 85]

Vondel beweegt zich de ware, franke, ridderlijke hoffelijkheid. Dit is iets geheel anders dan wat we bij Hooft vinden; maar het behoeft stellig niet onder te doen voor het liefste, vleiendste briefje, dat de drost ooit aan Tesselschade zond.

En hoe ongedwongen en geestdriftig laat hij zich gaan in de hartstochtelijke uiting over zijn kunst en zijn werk tegenover dien vriend en hooggeëerden geleerde, die alles zoo precies weet van de zoo geëerbiedigde oude tooneelwetten, die zich zoo ruim en vrij beweegt in die kunst, waar hij zich met moeite inwerkte en die hem zoo onafgebroken tot bewondering en nobelen wedijver dwingt. Aan hem kan hij pas zijn hart eens geheel uitstorten. Zoo werd de schitterende, leerrijke opdracht van de Gebroeders (1640), dat eenige treurspel van Vondel, waarvan we door een toeval ook zooveel weten van het decor en de requisieten, aan Geraerd Vossius, ‘Professor der Historiën, in de doorluchtige schole der wijd vermaerde koopstede Amsterdam’, bijna een opstel, dat we plaats konden geven onder zijn afzonderlijke prozastukken.

‘Doorluchtige Man’, in die aanspraak reeds spreekt een glorieus, apart geluid van waardeering. Met welk een passie gaat hij op in dat geweldige geval van David en de Gibeonieten. Hoe vol is hij van het verhaal, dat hij vond ‘in de heilige bladen des profeeten Samuëls’, zoo helder ‘als waer het met zonnestraelen beschreven’. Koning Saul en de zijnen zijn door gruwzame ongehoorzaamheid van allerlei aard afgedwaald van de ‘Koninklijcke heirbaene der godvruchtigheid en rechtvaerdigheid’; rampzalig komen zij om, beroofd voor eeuwig van scepter en kroon.

Ook de laatste afstammelingen worden uitgeroeid. Het geval staat bij Samuel (II, c. 21) aldus: ‘Ende daer was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaer achter jaer; ende David sochte het aengesichte des Heeren, ende de Heere seyde: Het is om Sauls ende om des bloethuyses wille, omdat hy de Gibeoniten gedoodt heeft. - David dan seyde tot de Gibeoniten: Wat sal ick u lieden doen? ende waer mede sal ick versoenen, dat ghy het erfdeel des Heeren zegenet? - Ende sy seyden tot den Koning: De man die

[p. 86]

ons te niete gemaeckt en tegen ons gedacht heeft, dat wy souden verdelght worden, sonder te konnen bestaen in eenige lantpale van Israël, laet ons seven mannen van sijne sonen gegeven worden, dat wij se den Heere ophangen te Gibea Sauls, o gy verkorene des Heeren. Ende de Koningh seyde: Ick salse geven.’

Wat voelt Vondel de moeilijkheid, waarin David verkeert tegenover hen, met wie hij door huwlijk vermaagschapt was. Men lette er op: ‘hoe verdacht dit stuck David en zijn kroon kon maecken, by zijne doodvyanden, en lasteraers; recht of hy zelf in dit werck zocht, 't geen God, by die gelegentheid van Gabaon, zocht, ende oock belooft hadde, naemelijck: te verdelgen Sauls geslacht, dat Davids Rijck kon beroeren, en Juda door Davids stoel te bevestigen.’

In breede trekken schildert hij voor den vriend, die dit alles zoo goed zal verstaan, al het aangrijpende en ontroerende van dit bloedig drama, waarin heerscht de Oud-testamentische God der wrake en gerechtigheid. En terwijl hij heel dat tafereel in zijn gespannen verbeelding klaar en vlammend voor zich ziet, voelt hij de geestelijke verwantschap aan dien anderen Zuid-Nederlander en ziet met oogen klaar, hoe Rubens heel dit schrikkelijke tooneel zou uitbeelden; hij ontwerpt heel de machtige schilderij. Welk een enthousiasme voor een stellig nog al barokke symboliek:

‘Hier word ick belust, om door Rubens, de glori der penseelen onzer eeuwe, een heerlijck en koningklijck tafereel, als een treurtooneel te stoffeeren. Hy valt aen het teeckenen, ordineeren en schilderen, nocht zijn wackere geest rust eer het werckstuck voltooit zy. David zit 'er zwaermoedigh op den hoogen troon. Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge dorre en dorstige landouw quijnen. Boven in 't gewelf van 't prachtige marmeren en cederen hof zwieren zommige Engelkens, die, naer de gewoone zinrijckheid des allervernuftighsten Schilders, elck om strijd bezigh zijn, om net uit te beelden, 'tgeen ter zaecke dient. 'Teen schijnt het vonnis der Gebroederen uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander geeft met een geslote water-spuit te kennen dat de hemel gesloten zy. Een ander beduid met een dompige fackel, een ander, met eenen waaier in 't aenzicht waeiende, hitte en benauwtheid. Twee andere schijnen twee stammen uit te beelden, te weten: het een, dat vrolijck van opzicht met kroon en scepter in top vlieght, Juda; het ander, dat, verbaest en treurigh van gelaet, en met den hoofde neer-
[p. 87]
waert vallende, naer de vallende kroone grijpt, Benjamin. Andere maecken een yzere keten klaer, om der misdadigen halzen te sluiten. Een ander druckt met weeghschael en zwaerd de rechtvaerdigheid der straffe uit. Sauls verweze nakomelingen staen voor den rechterstoel, en zien zeer deerlijck, overmits Benajas den lammen Mephiboseth en het kleentje Micha, op het wencken van 's Konings oogen, en wijzen des uitgestreckten scepters, uit den hoop treckt; terwyl de Gabaoners met wraeckgierige en gloeiende aengezichten, aen d'eene zijde, op hun recht dringen, en aen d'andere zijde hem benaauwen het misbaer en de traenen der allerbedruckste Michol; waernevens de stockoude weduwe, al bevende met de rechte hand op haer stoxken en met de slincke op de rechte schouder van hare kamenier leunende, met een lachende aenschijn meld, datze van rouwe aen 't mijmeren geslaegen, niet weet watze zeit.’

Rembrandtiek is het tafereel allerminst, geen somber spel van licht en donker, waarin de diepste ontroering beeft. Vondel heeft nu eenmaal nimmer de aangrijpende tragiek die de allergrootste der wereld, waar hij in Amsterdam voorbij liep, wist uit te drukken in kleur, gevoeld. Het zijn losse figuren, die ieder voor zich zelf spreken, in klare overzichtelijkheid tot een geheel gecombineerd. Rubens verstond hij wel, en inderdaad naar zulke gegevens zou de meester wel een schilderij hebben kunnen opzetten die volkomen aan des dichters behoefte aan sprekende klaarheid en wijze symboliek kon voldoen.

Nauwelijks overziet deze met een enkelen blik het grootsche tafereel, dat zijn verbeelding schiep, of daar verrijst die andere groote geestelijk verwante, die andere leidsman door zijn kunst en de toepasselijke Latijnsche verzen uit de Aeneis vloeien van zijn lippen:

 
Sed nullis ille movetur
 
Fletibus, aut voces ullas tractabilis audit.
 
Fata obstant, placidasque viri Deus obstruit auris etc.

Zelden is het ons gegeven, den dichter zoo te bespieden in wat hij gevoeld moet hebben, toen zijn geest vaardig werd tot het werk, toen de inspiratie in hem gloeide.

Nu komt de theologische beschouwing. ‘Een zeker Godgeleerde’ (dat zal wel een starre, onverzoenlijke calvinist zijn geweest) ‘laet zich duncken, dat wij David te lang doende deizen, en hier

[p. 88]

medoogend uitbeeldende, tegens de voegelijckheid misdoen. David, zeit hy, was al te bereid Gods bevelen te gehoorzaemen, noch maeckte zooveel wercks van den verworpen Saul en zijne kinderen niet, om die straf zoo lang te vertrecken.’

Maar daar is Vondel het absoluut niet mee eens; hij heeft bewijzen te over om het tegendeel te verdedigen. Zoo b.v. ‘Voor ons spreecken Davids eige lijckklaghten en traenen, over Saul en zijn zoonen; de wraeck over hun vervolgers; oock zijn eigen mond: Is er noch yemant van Sauls huis overgebleven, aen wien ick barmhartigheid doe, om Jonathans wil’ enz. En ten slotte zijn eigen oordeel, zijn persoonlijke zachtheid, mildheid, menschelijkheid: ‘Het stemt eer met de voegelijckheid David met barmhartigheid te bekleeden, als van alle menschelijcke genegenheid te ontblooten; behoudens dat de gehoorzaemheid, ten leste d'overhand behoudende, het Orakel getrouwelijck uitvoere.’

Na zoo het geval, waar heel zijn dichterlijke geest vol van is, onder verschillend licht te hebben bezien, komt zijn zelfbewustzijn als kunstenaar tegen over het beste deel van zijn publiek naar voren; ‘Ick moet bij deze gelegenheid ter loop aenroeren, dat luiden, van geen geringe geleertheid, en wetenschap, zich luttel met poëzye bemoeiende, by wylen al te naeuwe en strenge keurmeesters zijn, over deze kunst, en niet wel begrijpen, hoe die te teer en te edel zy, om zulck een harde proef uit te staen, zonder een groot deel van haere aertigheit en luister te verliezen.’ Om door hen volkomen begrepen te worden, moet de kunstenaar zich soms wat schikken. De schilder is enkel nabootser der natuur, maar toch zal hij soms een invallende schaduw geven, waar ze de natuur weigert, om andere deelen beter te doen uitkomen. Zoo doet ook de musicus. Doch waar het een Bijbelstof geldt, is de dichter gebonden aan de Schrift. Hij weet, ‘dat in 't herhaelen en vertoonen van geschiedenissen, beschreven met die zuivere en sneeuwitte duiveveder (getrocken als uit den vleugel der hemelsche Duive, die, aen den oever der Jordane, op dat van heiligheid straelende en gedoopte hoofd des onbesmetten nederdaelde) een zonderlinge maetigheid en saechachtige eerbiedigheid dient

[p. 89]

onderhouden, terwijl men in weereldlijcke historien, noch meer in heidensche verzieringen ruimschoots magh zeilen.’ Heeft de Heer Professor het niet zelf in zijn gedachten gedrukt: ‘te weten: 'tGeen Gods boeck zeit noodzaeckelijck, 'tgeen het niet zeit spaerzaem, 'tgeen hier tegens strijd geensins te zeggen’?

Als om aan het zelfportret, dat hij in deze bladzijden ontwierp, de laatste hand te leggen, eindigt hij met de eerbiedige hulde aan de geleerdheid en wijsheid, die Vossius met Van Baerle in de doorluchtige schole ‘dezer schatrijcke vermaerde koopstad’ vertegenwoordigen. ‘Doorluchtige Man, ick hebbe, om zelf yet te scheppen en te leeren, water in zee gedragen, en geschenen den Professor te willen leeren. Vergeef toch deze vermetelheid’.

Welk een rijkdom van schoonheid en wijsheid, van nobele dichterlijke menschelijkheid, naar vorm en inhoud beide, in zulk een enkele opdracht. De lezer van thans slaat er misschien nauwelijks een oog in, als hij de Gebroeders eens lezen wil. En toch, hoe voortreffelijk leeren we hier den dichter kennen, niet enkel in zijn volkomen meesterschap in het próza, dat zulk een eenvoud en klaarheid behoudt bij zulk een weelderige uitbeelding, bij zulk een schat van ideeën, - doch heel de dichter zelf ten voeten uit staat voor ons. We zien hem in zijn geestdriftig opgaan in zijn Bijbelstof, zijn heiligen scheppingsdrang, zijn verwantschap aan Rubens en Virgilius, zijn mildheid van gemoed, zijn gebondenheid aan Gods woord, zijn begrip van eigen kunstenaarschap, zijn eerbied voor de officieele wetenschap, zijn liefde voor de glorie van Amsterdam.

Wij kunnen allen kennisnemen van de tooneelaanwijzingen voor de opvoering der Gebroeders, overgedrukt van het schutblad van een oud exemplaar. Twee achtbare mannen uit de 18de eeuw verklaarden op grond van vergelijking met handschriften van Vondel, dat deze tooneelaanwijzingen van Vondels hand zelve zijn. Unger trekt deze overtuiging sterk in twijfel1). Wie ze geschreven heeft laat ik in het midden. Ik heb het handschrift niet gezien en kan er geen oordeel over hebben.

[p. 90]

Maar wie ze ook schreef, Vondel zelf moet toch aan dit alles wel de leiding gegeven hebben. Wie zou toen met zooveel zorg en liefde ieder onderdeel van de kleeding des hoogen priesters volkomen in overeenstemming gebracht hebben met den tekst uit Exodus 28, als Vondel zelf, die zich zoo trouw gebonden achtte aan de Schrift. Wie kon beter dan hij zoo precies aangeven, hoe de borstlap, hoe de ark, hoe de kandelaar er uit moesten zien om de volle historische Bijbelsche wijding aan zijn stuk te geven. Lees daar de beschrijving van den hoogen priester met zijn witten onderrok ‘met witte mouwen beyde vol oogen; daerboven moet een hemelsblauwe rock zijn, daer de schellekens en granaetapplen aen hangen, en boven die moet de lyfrock zyn, geborduurd oft gewrocht met goud, hemels blauw, purper, scharlaken en wit deur malkander.’

't Is natuurlijk een droge opsomming, maar toch ge ziet er een Rubensiaansche figuur uit oprijzen.

Zoo zijn er nog tal van interessante grepen te doen uit dien rijken voorraad van Opdrachten in proza, waaruit we Vondels qualiteiten als prozaschrijver in al haar verscheidenheid en veelzijdigheid kunnen leeren kennen en waarbij we ook telkens weer belangwekkende zijden van den mensch en kunstenaar te zien krijgen. Ik moet mij beperken en kan er hier nog slechts enkele aanstippen.

Zoo is daar al die heele vroege, de opdracht van Hierusalem verwoest (1620) aan vader Hooft, dien Cornelis Pieterszoon, dat ‘hoofd vol kreucken, een geweten sonder rimpel’. Dit proza is al veel vlotter en leniger dan de logge, zware zinnen, die aen het Pascha voorafgaan, waarmee hij den ‘goedtwillighen leser heyl en salicheyt’ wenscht. Hoor zijn liefde voor Amsterdam reeds in de aanspraak, waar Hooft betiteld wordt: ‘Raed en ouwd Burgermeester der om des weerelds ommeloop wyd beroemde koopstad Amstelredam.’

Hij huldigt in den ouden Hooft het gezag en de toewijding aan het ambt der regeering. Die wijsheid en toewijding erkent

[p. 91]

hij in de eerste plaats in de wijze waarop hier de Brabanders zijn geherbergd, die voor de wreede vervolging om den geloove van hun katholieke landgenooten de wijk moesten nemen.

‘De weerdighste vrucht van deze arbeyd is dat vele duyzend verjaeghde menschen in den schoot en het gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvry zyn geherberght en lieflijck gekoestert, en die in veylige schaduwe gezeten niet meer hoeven te vreezen de grimmigheyd van die uyt het voorborgh der Hellen opgedonderde Spaensche Alecto, die drymael haer geslangde perruyck geschud hebbende, met haer fackel het vuyr stack inde mutsaerden en rijsbossen die de palen en staecken bekleeden waeraen dagelijcx vele vrome Christenen wierden vastgemaeckt, die midden inde vlammen Jesus Christus lof toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Godbehaegelijcken reuck.’

Hier ligt de kiem reeds van de schoone verzen, die Vondel aan de wijsheid, rechtvaardigheid, onkreukbaarheid van den ouden libertijn in den Roskam wijden zal.

‘Daer mangelt niets anders als danckbaerheyd.’ Moge de opdracht van Hierusalem een kleine uiting van die dankbaarheid bij den dichter zijn, ‘en dat nog zooveel te liever, overmids uyt uwe E. lendenen gesproten is die Groote Apollo die onze nederduitsche tale den dagh, en zyn treffelijck geslacht schoonder luyster geeft.’

Aan Dierick Korver voor de Heerlijckheyd van Salomon (1620) dit:

‘Het gene de voortreffelijcke Michel de Montaigne in 't algemeen van een uytnemende Poeetisch werck getuyght, daer hy schrijft: La bonne, la supreme, la divine est au dessus des regles de la raison. Quiconque en discerne la beauté d'une veüe ferme et rassise, il ne la void pas: non plus que la splendeur d'un esclair. Elle ne prattique point nostre jugement: elle le ravit et ravage, dat zelve mogen wy in 't byzonder van dit juweel spreken’ (de tekst van Du Bartas nl.).’

Ik pik dit even uit deze opdracht, niet alleen omdat er uit blijkt, dat Vondel Montaigne gelezen heeft1), maar vooral ook omdat hij uit diens werk juist door deze zoo bijzonder typeerende plaats getroffen werd, waarin zoo voortreffelijk is uitgedrukt het nieuwe

[p. 92]

besef der macht en grootheid van de kunst in de Renaissance.

Zagen we Vondel bij de Gebroeders zijn eigen werk ombeelden tot een schilderij van Rubens, omgekeerd schijnt hij tot het plan van den Joseph in Dothan (1640) te schrijven in dien zelfden tijd te zijn geïnspireerd door een schilderij:

‘Josephs verkoopinge schoot ons in den zin door het tafereel van Jan Pinas, hangende neffens meer kunstige stucken van Peter Lastman, ten huise van den hooghgeleerden en ervaren Dokter Robbert Verhoeven; daer de bloedige rock den Vader vertoont wort, gelijck wy in 't sluiten van dit werck, ten naesten by, met woorden des schilders verwen, teikeningen, en hartstoghten, pooghden na te volgen.’

Deze opdracht aan Joachim van Wickevort, een man van stand en aanzien, die blijkens de opdracht kunst en wetenschap waardeerde, is weer in den min of meer deftigen stijl gehouden, rijk aan schoone beeldspraak. Ook hieruit haalde Van Hall een fragment aan en 't is wel weer de moeite waard iets van zijn opinie te hooren, daar het de houding van voor een eeuw tegenover het proza zoo goed doet uitkomen. ‘Zij, zegt hij,1) die beweeren, dat de welsprekendheid alleen het werk des verstands moet zijn, en dat de redenaar, wil hij het gebied der dichtkunst niet betreden, alleen betoogen en onderwijzen moet, zullen de beelden en leenspreuken, in de aangevoerde plaatsen voorkomende, voorzeker afkeuren.’ Men ziet het, ook toen zelfs nog werd het proza nog lang niet door iedereen voor vol aangezien en vrijgelaten in zijn eigen ontwikkeling. En zelfs Van Hall zelf, die zoo bijzonder met Vondels proza ingenomen is, er voor zijn tijd zoo verstandig en smaakvol over spreekt, is uiterst voorzichtig in zijn oordeel, waar hij, na er op gewezen te hebben, dat er menschen zijn voor wie de redenaar en de dichter elkaar kunnen naderen, zijn periode eindigt met: ‘Deze zullen den Vorst der Nederlandsche Dichteren niet veroordeelen, wanneer hij als redekundig schrijver de grenzen zijner eigene kunst, die der dichtkunst, hier en daar niet alleen nadert, maar zelfs op eene, naar mijn inzien niet altijd berispelijke, wijze overschrijdt.’

[p. 93]

In geen der Opdrachten misschien treedt Vondel zoo sterk als in die voor de Maria Stuart (1646) naar voren als de vurige hartstochtelijke vereerder van het Katholicisme, die in zijn geestdriftige overdrijving de juiste verhoudingen uit het oog verliest en blind wordt voor de onmiskenbare feiten, welke een donkere schaduw werpen over de stille, vrome, duldende katholiciteit van zijn vlekkelooze heldin.

Hij draagt de Maria Stuart op aan ‘Eduart door Godts genade Palts-Grave bij den Rijn, Hertoge van Bajere’, zoon van den verdeven Koning van Boheme, een bekeerling als hij zelf.

Wanneer we hier nu lezen:

‘In deze leste, zoo veel koeler in yver dan d'eerste, tijden, komt een eenige Maria Stuart op, als een nieuwe star. Zy versmaet haren grijzen stam, het edelste geslacht van geheel Kristenrijck. Zy vergeet over de hondert voorzaten en voorvaders, alle Monarchen van haren bloede, wiens oirsprong het einde van Alexander de Grootes tijt bereickt. Zy buight haer vrye schouders gewilligh, geduldigh onder het kruis, ten spiegel voor alle Kriste Vorsten. Hierom blinckt ze nu met recht onder de zalige Martelstarren in Godts hemelsche klaerheit, aen de voeten van Maria, wiens naem zy zoo waerdigh gedragen heeft, als zy haer, onder het twintigh jarige kruis, en met zoo vele zwaerden van wederwaerdigheit doorregen, nader dan zoo vele Koninginnen stont.’

dan bewonderen wij de schoonheid van taal; we bewonderen het schoone beeld, dat Vondels verbeelding van Maria Stuart schiep, de teerheid en eerbied, waarmee hij het hier in enkele zoet vloeiende zinnen teekent, doch ieder die ook maar eenigszins met de vaststaande historische feiten bekend is, zal moeten erkennen, dat dit beeld ook niet meer is dan fantasie.

Hier laat hij zich door het beeld, dat zijn geloof hem van Maria Stuart scheppen deed, zoo zeer betooveren, dat hij zelfs vrijwillig en wel bewust de hem zoo dierbare tooneelwetten eraan geeft:

‘De tooneelwetten lijden by Aristoteles naulicks, datmen een personaedje in alle deelen zoo onnozel, zoo volmaeckt’ [ik cursiveer] ‘de treurrol laet spelen; maer liever zulck eene, die, tusschen deugdelijck en gebreckelijck den middenwegh houde, en met eenige schult en gebreken behangen, of door een hevigen hartstogt tot iet gruwzaems vervoert wert; waerom wy, om dit mangel te boeten, Stuarts onnozelheit en rechtvaerdigheit van haere zaeck
[p. 94]
met den mist der opspraecke en lasteringe en boosheit van dien tijdt benevelden, op dat haer Kristelijcke en Koningklijcke deugden, hier en daer wat verdonckert, te schooner moghten uitschijnen. Zoo steeckt gouden en purperen glans op nevels en wolcken, en licht op bruine schaduwen af.’

Natuurlijk moeten we hier wel bij in het oog houden, dat de historische kritiek in Vondels dagen nog in de windselen lag. Dat Vondel dingen, die hem niet naar den smaak waren en niet in zijn kader pasten, eenvoudig voor laster en bedrog uitgaf, nemen we hem oneindig minder kwalijk, dan we het iemand zouden doen, die thans in zijn geest een Maria Stuart zou schrijven. Vondel kon van een zeldzame naïveteit in dergelijke dingen zijn. Wanneer we echter al deze bezwaren wegdenken, dan kunnen we toch genieten van de schoonheid en reinheid van zeden, het martelaarschap en de vroomheid, waarin hij zijn Maria Stuart zag, al is het dan een geheel andere dan de historische. En de enkele bladzij proza, waarin hij zijn ideaal in enkele trekken schetst in deze Opdracht, overtreft misschien dan nog in ontroerende teederheid het heele drama zelf.

Bij de Leeuwendalers, uit dienzelfden tijd, leefde Vondel natuurlijk in dezelfde denkbeelden. Hij hield van den vrede; hij ging op in het lot van Holland en van zijn dierbaar Amsterdam. Maar toch kwam hij met zijn toenmalige ideeën bij het vredefeest in een moeilijk parket.

De oorlog was zoo langzamerhand een algemeen Europeesche geworden. De machtige handelstaat Holland lag midden tusschen de oorlogvoerende landen in, en, mogen sommigen al genoten hebben van het visschen in troebel water, het belemmerende en verlammende van den algemeenen oorlogstoestand deed zich sterk voelen in handel en nijverheid.

 
't Hol en 't hongerigh Europe
 
Hijght met smerte en open mont
 
Naer 't gemeene vreverbont

zong Vondel in zijn Vredezang. Er was oorlogsmoeheid en met vreugde zag men den loop der onderhandelingen tusschen de strijdende machten in 1647 in Munster en Osnabrück. Het resul-

[p. 95]

taat was voor Holland een schitterende bevestiging van den toestand, dien het zich door eigen strijd en volharding had geschapen, een volkomen erkenning als zelfstandigen staat, door niets meer gebonden aan Spanje noch het Duitsche rijk. Vondel begon zijn Leeuwendalers, reeds in 1647 nog tijdens het leven van den ook door hem geëerbiedigden Frederik Hendrik. Een herdersspel. Vondel leefde mee in de glorie van zijn land, talrijke zangen getuigen het, maar voor den Roomschen Vondel, voor den Vondel die hing aan het koningschap bij de gratie Gods, moet er in den oorsprong van den langen worstelstrijd iets pijnlijks zijn geweest, dat hem belette de verheerlijkte helden van den opstand zelve in edelen strijd en zelfopoffering ten tooneele te voeren. Hoe kon hij een apotheose geven van den Zwijger, van Marnix, van Maurits? Voor hem was thans die opstand niet meer te rechtvaardigen. Toen hij het Pascha schreef stond hij er geheel anders voor.

Hij koos dus een fantastisch zinnebeeldig spel, waarin men uiterst vaag de lijnen der gebeurtenissen kon terug vinden, maar waarin elke openlijke hulde aan de leiders der revolutie, alle sympathie voor de Spaansche heeren, elk partij kiezen achterwege blijven kon. ‘Wij hebben, zegt hij in de Opdracht aan Michiel Le Blon agent der kroone en koninginne van Zweden, slechts eenige verwen en geuren, die ons voornemen dienen konden, uitgezocht, en ondereen gemengt, en het beloop van oorloge en vredehandel aldus in het klein ten ruighsten ontworpen, om alle hatelijckheit te schuwen; anders had men de bloem van deze verzieringe netter op de zaeck zelf konnen passen.’ Hij koos een vorm, waarin zijn oude liefde leven kon voor Virgilius, wiens Herders-kout hij in hetzelfde jaar nog vertaalde. Zoo kon hij Noord en Zuid schilderen, beide even schuldig, beide in goed vertrouwen en met goede bedoelingen bezield, bereid tenslotte om zich voor elkaar op te offeren.

Pour le besoin de la cause een heidensch spel dus bij den vromen, christelijken Vondel; een spel van heidensche natuurdienst en offerande, maar Vondel legt er den vollen nadruk op in zijn woord aan Le Blon, dat hij de Godheid Pan gekozen heeft.

[p. 96]
‘Evenwel brengen wy Pan op het tooneel; eensdeels dewijl de veerijckheit der Nederlanden een Veegodtheit vereischt; anderdeels om iet grooters aen te wijzen, 't welck van het Heidendom door dien zeldzamen afgodt uitgebeelt wert. Want die vervloeckte afgodery, en het menighvouwdigh verdeelen van het enkele en eenige Wezen der Godtheit in ontelbare bygoden, ter zijde gestelt, zoo schilderde Pan haer wat groots en waerachtighs voor d'oogen. Pan is het Grieksche Al gezeit, en de natuurwijze Heidenen wouden door zyn beelt de geheele Natuur, of liever de Godtheit, die zich in alle schepselen uitstort, uitbeelden.’

Met nadruk haalt hij ook Virgilius aan. Waar thans de vredetriomf weerklinkt,

‘magh de Hollantsche Melker in de schaduwe des beukebooms gedoken, den hemel en hem (nl. Frederik Hendrik) ter eere zingen:
 
O Maetelief, ick hou gewis een Godt,
 
Een Godtheit, holp ons aen dit vreedzaem lot
 
Ick wil hem oock opoffren myn gedachten,
 
En lam en vaers, het puick der kudde, slaghten;
 
Dewijl hy my laet weiden zoo gerust,
 
En spelen wat mijn hart begeert, en lust.
Wy mosten dan mede op het spoor van Virgilius (die in 't geruste bezit van zijn hoeve en lantgoet herstelt, Augustus aldus met Herderszangen eerde) den Hoogen Mogenden Heeren Staten, d'assche van den Nassauschen Vredehelt, uit Keizerlycken stamme, Willem, zynen eenigen zone, Prince van Oranje, en onze Burgemeesteren, die getrouwe Vredevaderen, dit Lantspel toespelen.’

Zoo is dit spel van vreugde over den vrede geworden meer een zoet zich vermeien in dierbare Virgiliaansche sferen, dan een krachtige, fiere, zelfbewuste uiting van nationalen trots. Tijdgenooten zullen deze ‘neutrale’ hulde allicht wat slap gevonden hebben. Vondel zelf heeft ervoor gevreesd, we voelen het door heel zijn Opdracht aan Le Blon heen, ook in zijn Voorredenaer. Maar hij kon nu eenmaal niet anders. Hij huldigde in bevallige, weidsche gratie, in frissche natuurlijkheid den Vrede, niet den Oorlog en zijn motieven die eraan voorafgingen.

Er zouden nog heel wat leerzame en verrassende plaatsen aan te strepen zijn in deze Opdrachten. Zoo die over de gemeenschap der poëzie, schilderkunst en beeldhouwerij in de Opdracht van Horatius' Lierzangen aan de Kunstgenooten van St. Lucas (1654).

[p. 97]

Lessings Laocoon lag nog in verre verte. Vondel was eigenlijk de man niet voor een logisch doorgevoerd betoog over een dergelijk onderwerp en hij waagt er zich dan ook niet aan. In de Opdracht wordt van de bekende huldiging en kroning door de broeders van St. Lucas niet gerept. Over het feit of die Opdracht voor of na de huldiging plaats had, bestaat verschil van meening.1)

Dan is er zoo'n enkel woord, als verdwaald in de Opdracht aan Andries de Graef van David in Ballingschap (1660): ‘De ridder en drost Hooft zeide niet buiten reden, dat d'allerschoonste dingen by inbeeldinge bestaen.’ Dit is de groote waarheid, die eigenlijk eerst in de achttiende eeuw wordt ontdekt, het verlossende woord tegen het verstarde classicisme, dat dan eerst door de aesthetici wel bewust wordt uitgesproken. Gian Vicenzo Gravina wordt gesignaleerd als de eerste die heel laat in de 17e eeuw vaag zulke ideeën heeft geformuleerd.2) Hooft en Vondel zouden ze dus bij ons reeds in de verte hebben zien schitteren. Maar al hebben ze de theorie niet vastgesteld, al hingen ze aan hun regels en voorschriften, in de practijk hebben zij er immers naar gewerkt.

Dan in de Opdracht aan Cornelis van Vlooswyck van David Herstelt (1660), waar het hartewee ontvouwd wordt in de liefde der ouders voor hunne kinderen, waar hij met David klaagt: ‘Och, mijn zoon Absolon, och Absolon, mijn zoon, moght ick voor u sterven! Och Absolon, mijn zoon, och mijn zoon Absolon!’ Hoe trilt hier Vondels eigen zieleleed over den jongen Joost:

‘Hier valt in zijnen uitgang het treurspel op het allerkrachtighste, en gaet alle treurspelen in droefheit te boven. Ick wert ontsteecken dese treurstof, uit haeren aert zoo hartroerende en leerzaem t'ontvouwen, en noch te vieriger, aengezien koning Davids herstellinge, als het anderde deel, vast is aen zijne ballingschap, onlangs gespeelt, op datze tegen elckandere te klaerder afsteecken, en d'onbestandigheit van het beloop der weerelt voor der aenschouweren oogen stellende, hun levendigh inboezemen, dat er heden niets zoo vreemd voorvalt of het is al van outs gebeurt; want onder het omwentelen
[p. 98]
van het radt van avontuure komen de zelve zaecken in andere tyden, plaetsen en personaedjen, t'elckenmaele weder boven.’ [Cursiveering van mij].’

En dan in zijn hoogen ouderdom in de Opdracht aan vier Amsterdamsche burgemeesters van de Feneciaensche (1668), het aardige beeld: ‘Indien men menschen bij planten magh gelijken, zoo slachten staetzuchtigen het klimop, dat naer zijnen aert genoemt, geduurigh bij de muuren op klimt.’ Zijn blik gaat nog eens weer door de wereldgeschiedenis: overal strijd en beroering, altijd maar weer dat pogen ‘hooger in top van mogentheit te steigeren.’ En waartoe? Als er zulk een rust en vrede te vinden is, die hij kent.

Maar ik moet ophouden. Ik hoop de overtuiging gevestigd te hebben, dat wie zich eens eenigen tijd uitsluitend in deze kleine stukjes proza verdiept, zoo lichtelijk over het hoofd gezien, die als opdracht aan vele grootere werken voorafgaan, getroffen wordt door een groote verscheidenheid in schoonheid van taal en stijl en telkens ook weer nieuwe gegevens aantreft, die hem het beeld van den hoogen dichter in de opvatting van zijn kunst, in zijn geloof, zijn kennis, heel zijn persoonlijkheid en leven, verduidelijken en verlevendigen.

[p. 99]

De brieven

Van Huygens bezitten we een zeer uitvoerige correspondentie, meer dan zevenduizend-twee-honderd brieven over een periode van bijna tachtig jaar, voortreffelijk uitgegeven in zes zware deelen door Worp, misschien wel een unicum in de litteratuurgeschiedenis van heel de wereld. De correspondentie van Hooft is vrij wat beperkter, maar omvat toch nog altijd een kleine duizend brieven, die vier deeltjes vullen. Van Vondel zelf bezitten wij er hier en daar verspreid - het is zoo jammer dat Sterck deze niet bij elkaar heeft opgenomen in zijn oorkonden, waar ze zoo goed op hun plaats waren - een stuk of vijftien. Ook kennen we eenige brieven aan Vondel van Hooft, Grotius e.a. Nu moeten we niet vergeten, dat in de correspondentie van Hooft en Huygens ook de brieven aan hen zijn opgenomen en talrijke officieele brieven, door beiden geschreven in de uitoefening van hun ambt. Toch blijft het aantal particuliere brieven van die beiden, waarin zich de intieme uiting van het gemoedsleven tegenover vrienden en bekenden openbaart, veel en veel grooter dan die weinige, welke we van Vondel bezitten. We weten betrekkelijk zoo weinig van Vondel in vergelijking met Hooft en Huygens. Toch geven ons die weinige epistels wel even een kijk op Vondels briefstijl en op zijn verhouding tot hen met wie hij omging.

Om de volle waarde van Vondels briefstijl te beseffen is het niet kwaad eerst even een enkelen blik te werpen in de correspondentie van Hooft. In de laatste dagen van Mei 1634 is het dochtertje van Maria Tesselschade gestorven en plotseling daarop haar man, Crombalgh. Hooft schrijft aan Huygens 30 Mei 1634 over het droevig geval. Zijn vrouw had hem uit Amsterdam het bericht meegebracht, ‘dat Crombalghs oudste dochtertjen, een voeghlijk meisken, krank aen de poxkens, op de moeder verzocht hadt, de koeken, die, nae zijn overlijden en 't gebruik aldaer, den

[p. 100]

buirkinderen zouden verscheenen zijn, bij zijn leven uit te deilen. 'Twelk geschiedt zijnde, zeid' het, als thans meer niet te doen hebbende, gereedt te zijn tot sterven, ende gaf vier uiren daerna zijnen geest.’ Daarna volgt het verhaal van den plotselingen dood des vaders.

De toon van dezen brief lijkt me vrij luchthartig, van een diep innig meeleven in de ramp, die de zoo geestig en hoffelijk vereerde vriendin des huizes trof, kan ik niets bespeuren in dit schrijven aan Huygens, die toch ook veel met Tesseltje op had. Nog erger: 1 Juni schrijft Hooft over het tragisch geval aan Baak enkel: ‘De tragique ramp van de comique Tesselscha zal U.E. verstaan hebben; zulx ons van haer dezen zomer kleene vreughde te verwachten staet.’ Welk een vorm voor de meedeeling van de ramp die trof een schijnbaar zoo beminde hartsvriendin, die zulke guitige charmante briefjes kreeg. Waren die briefjes iets anders dan het ten toon spreiden van eigen geestigheid? En de eerste conclusie is het meest pure egoïsme: wij zullen nu geen plezier hebben.

Hoofts stiefdochter Susanna is Tesselschade gaan troosten; zelf schijnt Hooft geen brief van troost geschreven te hebben. Dat komt pas na een brief van haar van 15 Juni. Die brief is ook al niet het ware; de ware droefheid hult zich niet in zulke kunstig gedraaide zinnen als dit begin: ‘Hoe het wrange noodtlott door een dollen herde slach (in teycken noijt smart alleen komt over dien Godt beproeven wil) myn gedult op lydens toets-steen op het uyterste getoetst heeft, sullen eervaeren gedachten leevendigher sich kunnen in drucken als myn pen uyt drucken kan’ etc.

Na dien brief haalt Hooft zijn paradepaard van stal, de zwaarwichtige, hoogdravende frasen komen los:

‘Ik sloofde mij af met 't samenschraepen van stoffe, ujt alle winkelen mijner heughenisse, tot hartezalf over V E leedt, ende vondt den heelen hoop te beroojt, om yetwes te baeten tot heelnis (zoo mij docht) zulk eener quetsujre, als V E schrijven, gezult in ongelooflijke manhaftigheit, mij komt onderwijzen, hoe de studjen, besteedt aen 't kauwen en verduwen der waere wijsheit, maghtigh zijn een murw vrouwengemoedt zulcx te verstaelen met rede, dat de felste schichten der Fortujne kinken, jae, daerin maer geen' wonden kunnen maken. Hejl zij V E, heldinne, daer de helden bij ter schoole
[p. 101]
behoorden te gaen. De traenen, die 't in 't geweldt des ramps niet geweest is uwer E af te perssen, zijn tot mijn' ooghen ujtgewrongen door innerlijke tederheit, gebooren ujt het betrachten des overheerlijken zins, van die leerlijke en stichtelijke regelen, meldende den hooghen ende weledelen aert uwer inborst, die met het slijk der gemeene geesten niet gemeens heeft’ enz.’1)

Komen nog Seneca, Montaigne, Plutarchus bij deze ampele tentoonspreiding der stoïcynsche modefoef, die blijkbaar met eerlijk, echt zuiver gevoel niets te maken heeft. Tesseltje had het laconieke regeltje in den brief aan Baak er eens naast moeten lezen. Ze zou gevoeld hebben, hoe heel die brief een den drost gevallige pose was, meer niet.

Hoe geheel anders schreef Vondel zijn brieven.

Er is een zekere vriendschap geweest tusschen Hooft en Vondel; dat die ooit bijzonder intiem was mogen we betwijfelen. De hartstochtelijkheid waarmee de laatste zich eerst in zijn hekeldichten uitte en later als vurig katholiek, moet aan die vriendschap geen goed gedaan hebben. Hooft hield er niet van zijn innigste gedachten in het publiek te uiten. Hooft had vele katholieke vrienden; Hooft was geen papenhater; maar dat Vondel zijn aanhangen van het Pausdom ‘daaghlyks liet blijken’ in tal van geschriften, hinderde Hooft. En hij trok zich terug. Dit gaf Vondel aanleiding te schrijven in 1643:

‘Ik wensch Kornelis Tacitus een gezont en zaalig nieu jaar, en dewyl hy my zyn geuse taafel verbiedt om een onnoozel Ave Maria: zoo zal ik somtydts noch een Ave Maria voor hem lezen; op dat hy sterve zoo devoot Catholyk, als hy zich toont devoot Polityk.’2)

Ook deze woorden zullen aan de vriendschap geen goed gedaan hebben. Trouwens het zat hem niet in het onnoozel Ave Maria. Vondel voelde dat niet. Maar er kwam nog iets anders bij.3) Hoofts tweede vrouw had sedert 1634 recht op aanzienlijke bezittingen in Brabant. Daar beweerde men, dat haar aanspraken door den oorlog verloren waren gegaan. Jaren lang heeft Hooft

[p. 102]

alles gedaan wat hij kon om de inkomsten van deze rechten binnen te krijgen. In 1645 was de zaak nog niet beslist. In zijn naïeve voortvarendheid van strijdbaar katholiek beging Vondel nu een flater. Op aandrang van katholieke vrienden vroeg hij den drost, of hij den katholieken in het Gooi, die natuurlijk door een man als Hooft toch al voor zijn tijd zeer vrijzinnig behandeld werden, nog meer vrijheid wilde geven en hij voegde er in de natuurlijke opwelling van het oogenblik aan toe, ‘dat hij hun te wille behoorde te zijn, of dat het hem anders te Brussel moght schaaden’. Hooft gepikeerd, antwoordde: ‘Dat hij zich daarmede niet hadt te bemoeyen en dat hy die taal voor een dreigement nam.’

Zoo werd de breuk volkomen en het bleef broeien tusschen de twee, tot Vondel zijn proza-vertaling van Virgilius klaar had (1646). Hij was hartstochtelijk van natuur, kon opstuiven, maar hij hield van den vrede, van de rustige sfeer van liefde en hartelijkheid. Die zou hij zoo gaarne hersteld zien tusschen zich zelf en dien kunstbroeder, die hem in zijn kunst zoo na stond, dien hij zoo zeer waardeerde, met wien hij vroeger zoo genoegelijk had samengewerkt.

En hij het eerst wil nu een poging doen tot verzoening. Dit ‘neutrale’ boek, dezen Virgilius, zal hij Hooft zenden met een hartelijken brief:1)

‘My gedenckt, dat ick eens eenen Jode, een' Musikant, myn Koningklycke Harp aenboodt, die hy weigerde t'ontfangen, dewyl het zyn sabbath was: nu wil ick evenwel niet hopen, dat de staets-sabbath onzer onderlinge kunst-broederschap den toegangk van uw huis zal stoppen voor onzen Parnasheiligh, die uwe Ed. hier toegezonden wort, in een Nederduitsch pack gestoken. Mishaeght u iet van het myne, my zou lief zyn met der tyt iet aengetekent te zien; om het te verbeteren. Behaecht u iet van het myne, zoo laet het eens Sint Virgilius dagh zyn, en te zyner onsterflycke gedachtenisse den roomer eens omgaen.’

Zie, dat is takt, eenvoud, natuurlijkheid, fiere oprechtheid. En in droeve scherts herdenkt hij de oude vrienden. Mostaert was

[p. 103]

pas gestorven. De dood wacht ook hen. ‘Onverzoend?’ staat er tusschen de regels. ‘Onze Mecenaten smilten vast. Reael leit in de Westerkerk; Plemp, Baeck, Blaeuw, Victoryn en Mostert leggen in de Nieuwe Kerk onder de zercken gekropen, een teken dat wij volgen zullen; Godt geve ter zalige ure. Onze goede en wijze Grotius is oock al hene. Ick nam noch 's morghens afscheit van zijne Ed. aen Stadts herbergh, daer men wat naar packaedje wachte.’ Het zijn alle zulke stille, eenvoudige zinnetjes, maar er waait een zoet weemoedig aroom door; er geurt een eerlijk verlangen uit op naar vrede en vriendschap, een terugkeeren naar de goede dagen die hij herdenkt. Dan nog een veelzeggende toespeling op al het geharrewar, dat nog maar altijd voortduurt in het wereldje om hen heen en in het postscriptum nog een stille wenk naar den aard van het boek, dat buiten alle kerkgeschil staat, zooals hij Hooft ook de hand reiken wil over alle kerkgeschil heen.

Dit is een aandoenlijke brief van een fijnen, grooten geest, frank en eerlijk van toon. Men kan het koele diplomatieke antwoord van Hooft in diens brieven vinden,1) het zegt niets en lijkt toch welwillend; 't is of de zoo scherpzinnige Hooft niets van de schoone bedoeling begrepen heeft; hij verbergt zich opzettelijk achter strakke, koude frazen.

Als Vondel getroffen is door een ramp, het verlies van twee kinderen en van zijn vrouw, schrijft hij een paar jaar later in allen eenvoud aan Grotius: ‘Ick offer uwe Extie 't geen ick vermagh en niet het geen ick wel soude willen. Zedert de dood van mijn zalige huisvrouwe heeft mijn couragie eenen krack gekregen, zoodat ick mynen grooten Constantyn moet vergeten.’ Hij zoekt geen vertoon van kunstige gedraaide zinnen. Hij lijdt en peinst in stilte.

Vondel kon wel hoffelijk en gracieus zijn in zijn brieven, maar zonder eenige gezochte gewrongenheid. Zoo zien we hem in de vier brieven aan Huygens, die we van hem bezitten. Tegenover dezen vooral moet hij zich den gewonen Amsterdamschen burger

[p. 104]

gevoeld hebben, die zich richtte wel tot een broeder in de kunst, maar dan toch tevens een deftig hoveling, die zich in de hoogste kringen van zijn land bewoog.

In 1644 schrijft hij hem:1)

‘Nu zyn my door zekeren Bruno uwe E. luchtige en geestige buitensprongen [de Momenta desultoria nl.] toegezonden, die ick met vermaeck hebbe gelezen, en verwondert blyve, dat uwe E. zonder tyt noch zooveel tyts vindt; dan uwe E. aengebore lust kan zich niet spanen van de hengstebron, die u noch meer schynt te smaken dan alle hoffelycke weelde en leckernyen.’

En in 1646 met een exemplaar van Virgilius, die aan Huygens was opgedragen:2)

‘Ick nam de vrymoedigheit dit boeck met uwe Ed. naem en titel te vercieren, overmits my docht, dat het niet beter kon verciert worden dan met den naem van eenen, wien de Zanggodinnen altyt zoo aengenaem waren. Ick hope het zal my niet qualijck afgenomen worden, nochte uwe Ed. in zynen staet of ampt quetsen, alzoo hier geen zaken verhandelt worden, waerover men tegenwoordigh stryt voert en Maro een ieghelijck even na is.’

De brief is op denzelfden dag 12 Juli 1646 geschreven als die aan Hooft. Er zit geheel dezelfde gedachtensfeer in. Hier aan Huygens weet hij onder geestigen, bevalligen zwier toch met gemak den afstand in het oog te houden.

Wij weten weinig van de verhouding tusschen Huygens en Vondel. Intiem is die wel nooit geweest. Het komt mij voor, dat Huygens hem altijd zoo'n beetje uit de hoogte als welwillend kunstbeschermer behandeld heeft. Die verhouding proeft men ook wel uit den brief, waarin Vondel Huygens eerbiedig bedankt voor een penning met de beeltenis van Frederik Hendrik, dien hij van de princes douairière (Amalia van Solms) gekregen had voor een bruiloftslied bij het huwelijk van haar dochter. 't Was anders wel een aardige attentie; Amalia en Huygens beiden konden weten, hoe hij met Frederik Hendrik had opgehad.3) Treffend is de toespeling op huiselijk leed als verontschuldiging voor zijn laat antwoorden. Huygens zal wel denken, dat hij ondankbaar

[p. 105]

is, ‘ten waere my ontschuldigde een donckere nevel van weereltsche moeilyckheit, die, juist omtrent dien tyt, mynen onmaghtigen geest benevelde, en belette door te schijnen met een dun straeltje van schuldige danckbaerheit voor d'onverdiende genade en eere der doorluchtighste en miltdaedighste Princesse douariere my bewezen.’ De brief is van 16 Dec. 1659. Al de ellende van den jongen Joost lag versch in het geheugen.

Dan is er nog een beleefd briefje waarmee Vondel een exemplaar aanbiedt van de hulde aan den kunstdrijver Paulus van Viane. Het is van 3 Januari 1668.1) Ik voel er enkel vormelijke beleefdheid in en kan niets ontdekken van eenige vriendschappelijke verhouding, die Unger er in meent te zien.2) Als hij werkelijk eenigermate intiem met Huygens was geweest, had hij hem op 3 Januari wel mee een gelukkig nieuwjaar gewenscht.

Ofschoon Vondel ook tegen De Groot met alzijn wijdvermaarde geleerdheid, al zijn klassieke kennis, heel zijn klassieke dichterschap, op zag, is de verhouding tot hem heel wat vertrouwelijker geweest. De Groot noemt hem dan ook in zijn brieven, ‘zeer geleerde, treffelijke vriendt.’ Aan hem schrijft Vondel als de vriend tot den vriend. Er bestaat een brief van Vondel ‘Aen zyn afwezenden vriend’, zonder twijfel Hugo de Groot, zegt de Unger-editie en ook ik kan niet bedenken, tot wien anders deze brief van 3 Maart 1644 zou kunnen gericht zijn. Hij plaatste hem achter de uitgave zijner werken, die eenige bewonderaars, niet geheel zonder zijn voorkennis, zonder dat hij het bepaald aangenaam vond, tot stand hadden gebracht, uitgegeven bij Joost Hartgers te Amsterdam in 1644. De stijl van dezen brief kenmerkt zich door kortheid en bondigheid van zinsbouw, zonder eenigen zwier zegt hij zakelijk waar het op aan komt:

‘De kunst is langk, het leven kort, zeide Hippokraat. Niemant wort met de kunst, wel met eenen treck tot de kunst, geboren. Men klimt al hijgende en zweetende, van langer hant, de steilte van Parnas op. Oeffeninge en wackerheit wetten het vernuft en struickelen leert opmercken; zoo dat men,
[p. 106]
na verloop des tyts, te rugge ziende, misstellingen en dolingen, in rijmen of andersins begaen, leert wraken; oock rieckt, hoe alles niet met een even goeden luim gedicht zy.’

Hij is lang niet met de uitgave ingenomen en zwicht voor den sterken aandrang van zijn ‘Maecenaten’ Zijns ondanks zal hij ‘moeten gedoogen dat men voor kunst mede opveile eenige rymen en regels, nutter gescheurt en verworpen.’ De brief is van het hoogste belang om te vernemen wat door Vondel zelf in 1644 nog als werk, zijner waardig, wordt erkend:

‘Indien men by die Verscheide Gedichten voege het Verwoeste Jerusalem, Gijsbrecht van Aemstel, voort myn andere Treurspelen, als Elektra, de Maaghden, de Gebroeders, drie Josephs, Peter en Pauwels, en de Maagdebrieven, by De Wees uitgegeven; zoo bint men in eenen bondel al wat ick voor myn eigen werck reken, behalve vier of vijf Saterdichten (bestaande in regelen van twalef of dartien lettergrepen) en noch een Lierdicht, de Deught, ter gedachtenisse gezongen, zonder nu van Palamedes Treurspel te reppen.’

Behalve veel ander werk wil hij dus ook het Pascha voor goed vergeten zien. Enkel omdat hij het als dichtwerk waardeloos vindt, of misschien ook omdat hij nu, in 1644, zich, absoluut niet meer met de strekking van het stuk, de verheerlijking van Gods leiding in den opstand tegen het wettig gezag van Spanje, kan vereenigen? Dat hij den Gulden Winckel en de Warande der Dieren schrapt, kunnen we begrijpen. Doch het Pascha zouden we noode gemist hebben, èn voor het begrip van des dichters ontwikkelingsgang, èn om de eigen bijzondere schoonheid van vele verzen in hun zwaren maatgang en schilderende pastorale pracht. Met kracht verzet hij zich tegen de erkenning van ander werk dan het genoemde:

‘Onderwint zich iemant voortaan nog iet anders van 't verleden, op mijnen naem, buiten myn kennis en bestemminge, te drucken; men houde dat niet voor myn, maar voor een anders werck, of in verscheide harssepannen gegoten, en hergoten; gelijck Hekuba, en zommige kleinigheden, by my alleen niet gerijmt. Ick verworp ook al wat, onder boven gemelde gedichten niet begrepen, oit door my ontijdigh voortgebroght, en op pappier gekrabbelt, van mynen vrient Pers, of iemant anders uitgegeven, den dagh onwaardigh.
[p. 107]
en den nacht der vergetenisse toegedoemt zy. Bejegent de lezer nu, in dat ongelijcke werck, van overal byeen verzamelt, noch iet wrangs en onsmakelix, hy ontschuldige het naar het saizoen, waar in die vrucht gewassen is, of boete zijnen lust met het beste uit te picken, totdat de tijt hem noch wat rijpers aanbiede en vergenoege.’

Er zijn nog een paar brieven uit Vondels ouderdom o.a. een fleurig, levendig briefje van 1670 aan den ‘geestigen en geleerden jongeling’ Antonides van der Goes, die hem helpt bij de uitgave van zijn Ovidius-vertaling.1) Dan is er het bekende briefje van 13 Maart 1665 aan Vollenhove, wiens ‘ootmoedigen dienaer’ hij zich noemt.2)

Wanneer we bij Brandt nalezen, hoe hij in zijn ouderdom over verschillende jongere dichters dacht, Antonides, Vollenhove, zelfs Moonen, dan voelen we toch wel, dat hij, de zeer groote, de ware verhoudingen wat uit het oog ging verliezen, hoe zeer er ook werkelijk respectabele poëten van de tweede orde onder waren. Met alle respect voor Vollenhove vind ik hem in dezen brief toch wel wat al te zeer opgehemeld. Maar we zien er in ieder geval uit, hoe het domineeschap Vondel geenszins blind maakte voor wat hij letterkundige verdiensten achtte, al zou hij dan ook volgens Brandt naar aanleiding van Vollenhove's Kruistriomf gezegd hebben: ‘Daar is een groot licht in dien man, maar jammer dat hij een Predikant is.’3)

Van zeer groot belang echter lijkt me een brief van Vondel van 1667 den 3den van ‘Oogstmaent’ aan Oudaen, zijn ‘gunstigen geleerden en vernuftigen vrient.’4)

Het moet een antwoord zijn op een brief, waarin Oudaen o.a. zijn afkeer voor het werk van Jan Vos te kennen geeft. Hoe Oudaen over Jan Vos dacht, weten we. Hij noemde hem ‘eenen dommen os, die naeulix iet anders kon doen dan bulken en loeien, met zulk eene opgeblazentheit, dat hy waende alles te boven gestegen te zijn’ enz. Dadelijk treft ons al in den aanhef van Vondels ant-

[p. 108]

woord de hoogheid en zuiverheid van zijn geest, waarmee hij zich plaatst tegenover Oudaen's expectoratiën en hoe hij het de mortuis nil nisi bene in practijk brengt. Jan Vos was juist een paar weken geleden begraven: ‘Ik hebbe gelezen uwe opmerkinge over het werck van den overleden en laete dat omreden met hem begraven. Mondelinge hier van te spreeken zoude best vallen.’

Wanneer werkelijk Jan Vos Vondel in de laatste jaren van het tooneel in Amsterdam geweerd heeft,1) dan valt deze houding nog meer te waardeeren. Dat ook vroeger Vondel Jan Vos welgezind was, blijkt uit een postscriptum bij den hiervoor besproken brief aan Huygens van 1659: ‘Hierby gaen de gedichten van Jan Vos, tot een kleen bewys van danckbaerheit, en zyne gebiedenis aen haere doorluchtighste Hoogheit, in wiens dienst hy wenscht te leven en te sterven’.

Dieper gaat Vondel op een paar andere punten uit Oudaen's brief in; hij doet het in den kalmen waardigen, vertrouwelijken toon van den meerdere en oudere in ware wijsheid. Eerst op Oudaen's opmerkingen over den Noah; dan komt de volgende treffende pasage:

‘Het geliefde u aan te tekenen het groote en geweldige onderscheit van godtsdienst tusschen ons beide. Indien Jezus Christus het middelpunt zy, daer hemel en aerde en alle dingen om draeien, zoo behoort er geen onderscheit tusschen ons beide te zyn. Statuit supra petram meos pedes. Deze steenrots is Christus: en wat zyne kerk betreft: zy is De Kolom der Waerheit. Van Christus zeght de stem uit de wolken: Hoort hem. Van de Kerke zeght Christus zelf: Wie de kerk niet hoort, zy u als een heiden en openbaer zondaer. Zoo wort Christus en de kerke eene zelve maght en geloofwaerdigheit opgedraegen, en de geloovige aen hunne uitspraek verbonden, waaronder ik my gewilligh en gehoorzaem buige.’

Merkwaardig is ook, hoe zijn geest ook nu nog in zijn ouderdom bezig is met dien Montaigne, ‘ridder van St. Michiel, een uitgeleert en scherpzinnigh scepticus of twijfelaer, een orakel by den drost Hooft.’ Tegenover al dat twijfelen en zoeken langs eigen wegen kent hij zijn weg: ‘Elk voert zynen eigen vont, gelyk eenen afgodt, ten altaere en bidt hem aen. Zulk een baiert leght

[p. 109]

hier van allerlei gevoelens zonder orde, en dit leert ons dat èr niet zekers is buiten het geene Godt zelf eens zeker en vast gestelt heeft. Hemel en aerde zullen vergaen, myn woort zal niet vergaen.’

Aandoenlijk is het te hooren, hoe hij zijn naderend einde gedenkt:

‘Myn ouderdom nu in het taghtigste jaer gesteigert en de doot en het graf dagelyx in den mont ziende, pooght zich te wapenen tegen de naerheit van de dootkist en verrottinge door bespiegelinge van den staet der ziele en het lichaem, na dit leven. Gemelde Montagne stelt dat'er niet zekers is, buiten het licht van Godts genade en de waerheit, ons geopenbaert. Hy arbeit om te toonen hoe alle schryvers zelfs Pythagoras en Plato d'onvergangkelykheit der ziele los stellen, en endelyk de ziel niet vereeuwigen, het welk de dogmatisten hem evenwel niet toestaen, en met groote reden: doch hier tegens stelle ik myne gerustheit en troost in het onfeilbaer orakel der waerheyt, zeggende: Vreest niet die het lichaem dooden konnen; maer vreest hem, die beide ziel en lichaem kan bederven in de helle. Wat het lichaem aengaet: wy hopen dat dit sterflyk d'onsterflykheit zal aentrekken, en de zege den doot verslinden. In dit betrouwen wensche ik dat wy beyde standvastig volharden.’

Nog even poost hij bij het werk, waar Oudaen aan bezig is, dat hem wel interesseert, en dan nog een laatste ontroerend woord, een woord van verzoening en verruiming uit den mond van hem die zulk een fel strijder placht te zijn voor een eenige zaligmakende leer: ‘Mij zoude niet verdrieten hier uit te leeren en vrucht te scheppen [uit het werk van Oudaen nl.], maer de hooge jaeren moeten veele dingen voorby gaen en alle kennis is hier stukwerk. Wy hopen op de volkomenheit waer toe d'alleropperste my en u gewaerdige en begenadige.’ De zaligheid is ook voor anderen weggelegd; de genade wacht ook anderen. Dat mildere, zachtere in den laten avond des levens bij het volkomen handhaven van eigen overtuiging, doet vredig en liefelijk aan. Die brief kon bijna geschreven zijn door ieder die zich Christen gevoelt en toch drukt hij uit het meest zuivere en innige van zijn Roomsch geloof.

Ook in Vondels weinige brieven vooral treft ons het verschil, dat we reeds voor zijn overige proza tusschen hem en Hooft met eenige zijner vrienden konden aanwijzen, die groote klaarheid en eenvoud, die oprechtheid en sereniteit van gemoed, die geen

[p. 110]

behoefte heeft aan kunstig bedachte en in elkaar gewrongen zinnen om schoon en goed te zeggen wat tot uiting dringt. Die klaarheid en evenwichtigheid van bouw treft ons overal in zijn proza, ook wanneer zijn stemming en de aard van het onderwerp hem bezielen tot breeder vlucht, tot weidschen zwier en pracht van ongebonden taal.

[p. 111]

De vertalingen

Vondel heeft veel vertaald, ook in proza, grootendeels om zich te oefenen in zijn kunst. Na van de vertaling van De Groot's Sophompaneas gesproken te hebben, gaat Brandt voort: ‘Het vertaalen zelf vondt hy dienstig, om de gedachten van de grootste geesten tot in het merg te doorgronden, hunne kunst en aardigheit hun af te zien, en zyne snaaren te leeren stellen op hunne toonen. Met dit ooghmerk heeft hy verscheide stukken van d'ouden in prose overgezet: onder andere den dollen Herkules van Seneka: het groote klaagh- en smeekdicht van Naso uit Pontus aan Augustus, jaa ook de Herschepping; verscheide boeken van Lucanus en Papinius Statius, met Horatius Flaccus Lierzangen, en meer andere werken: van welke alleen Horatius Lierzangen en zyne Dichtkunst, (daar hy desgelyks de hulpe van Mostert en Victoryn toe hadt gebruikt) sedert in 't licht quamen.’1) Deze vertalingen waren voor hem dus enkel middel en verscheidene zijn er verloren gegaan of, zooals te verwachten was, door Vondel zelf vernietigd. Trouwens hij zelf ook weer heeft het in de Aenleidinge gezegd: ‘Kennis van uitheemsche spraecken vordert niet weinigh, en het overzetten uit vermaerde Poëten helpt den aenkomende Poeet, gelijck het kopieeren van kunstige meesterstucken den Schilders leerling.’ Ik zou bijna zeggen voor Vondel is het vertalen geweest, wat het enkel zijn kan, een middel, hetzij dan tot eigen oefening en beter begrip, of om hun die de taal van het oorspronkelijke niet verstaan dan toch ten minste eenig idee geven van den inhoud ervan. Immers hij, die er naar streeft in een vertaling te bereiken iets wat een volkomen zuiver en gelijkwaardig beeld geeft van het oorspronkelijke, zoekt steeds vrijwel naar het onbestaanbare, daar hij - om van de kleine nuances

[p. 112]

van verschil in woordbeteekenis maar niet te spreken - nimmer denzelfden klank in hetzelfde rhythme van proza noch poëzie zal kunnen weergeven en juist deze van ieder werkelijk litterair kunstwerk een onafscheidelijk voornaam deel uitmaken. Het blijft steeds een à peu près, hoe verdienstelijk ook; er zijn maar weinig vertalingen, die iets meer zijn dan een zoete illusie.

Dat ook Vondel dit wel zoo ongeveer al gevoeld heeft, blijkt uit wat hij aan Huygens schreef in zijn opdracht van de prozavertaling van Virgilius: ‘Den Latijnen zal deze vertalinge min dan den Nederduitschen behagen, wanneerze zien, hoe de Fenix hier vry wat van zijne blinckende vederen gelaten hebbe: want indien, gelijck zommigen drijven, onder elck woort, lettergreep en letter eenige geheimenis van zin of klanck schuilt; wat moet'er nootzaeckelijck door d'ongelijckheit der beide talen, en heuren ongelijcken aert en eigenschappen, en het verschil van namen en woorden, die tekens der betekende zaecken zijn, gespilt worden en verloren gaen, oock zelf aan bloemen en geuren van welsprekentheit; behalve dat dicht en ondicht, of vaers en onvaers onderling verschillen, gelijck trompetklanck en bloote stem, en het vaers een stem, door een drieboghtige trompet krachtigh uitgewrongen, gelijck is.

Hierom moght de vertolcker liever Augustus Hofzwaen in rijm en op maet leeren opzingen: maer hoe veel meer had'er de Mantuaen van zyn vederen moeten laten, indien men zijnen geest door benaeuwtheit van voeten en rijm bestont te prangen en te knijpen en uit verlegenheit te rucken, te plucken en ter noet doorgaens met geleende pluimen van rijm- en noodige stopwoorden te decken. Het vertaelde te rijmen zonder afdoen of toedoen is qualijck mogelijck, ja onmogelijck, en dwaelt meestal min of meer af van het vertaelde. Ick zagh hem dan niet nader nochte eigentlijcker dan door onvaerzen en onrijm uit te beelden, om den Nederlander te levendiger Maroos ziel in te boezemen, hem te beter te dienen, en met een den Latinist, wien het Latijn nu misschien smaeckelijcker wil vallen, wanneer hij d'eigenschappen der Roomsche met onze moederlijcke spraecke zoo na overeen

[p. 113]

gebroght en den stijl en rede zoo vlack en effen gevlijt ziet, als mij mogelijck was.’

Hij wil doen wat hij kan, maar is er toch wel van doordrongen, dat hij niet meer bereiken kan dan zoo trouw mogelijk het verhaal, den inhoud van Virgilius' werk weergeven in een vorm die slechts zeer uit de verte de schoonheid van den oorspronkelijken vorm doet vermoeden.

Laten we thans kortelijk overzien, wat Vondel in proza heeft overgezet. Ik begin met de vertaling van Tasso's Gerusalemme liberata, omdat mij deze het oudst lijkt. Sterck heeft zoo grondig en volledig uiteengezet wat we ervan weten,1) dat ik eigenlijk niets anders zou kunnen doen dan hem navertellen. Ik kan hier echter wel met slechts enkele notities van de hoofdzaak volstaan.

Er zijn in de laatste decenniën twee handschriften van Vondels proza-vertaling ontdekt. Dr. Brugmans het eerst vestigde de aandacht op een handschrift in de Bodleian Library te Oxford;2) Dr. De Vreese vond in de Keizerlijke Bibliotheek te Petrograd later een tweede handschrift.3) Na grondige studie is gebleken, dat dit laatste Vondels eigen handschrift bevat. Het Oxfordsche handschrift is een copie van het Petrogradsche, echter niet zuiver naar Vondels tekst. De schrijver van het Oxfordsche handschrift heeft waarschijnlijk vele veranderingen, die we in Vondels handschrift aantreffen gemaakt, daarnaar zijn copie genomen, waarin hij dan weer veranderingen heeft aangebracht, vermoedelijk om alles later ‘verbeterd’ uit te geven, waarvan niets is gekomen.

Uit het watermerk van het Oxfordsche handschrift blijkt, dat het in de tweede helft der 17de eeuw moet zijn geschreven. Alleen daarom kan het dus al niet van Maria Tesselschade zijn, daar deze in 1649 overleed. Deze toch heeft lang aan een berijmde Tasso-vertaling gewerkt. Reeds in 1623 bij haar huwelijk maakt Vondel er toespelingen op en telkens duiken er berichten over op bij Hooft, Van Baerle, Jan Vos, Jan de Brune. De hypothese

[p. 114]

van Sterck, dat Vondel al vroeg met zijn proza-vertaling is begonnen, tegenover die van De Vreese, die ze tegen 1640 stelt, lijkt me het aannemelijkst; wat De Vreese meedeelt over het watermerk van het Petrogradsche handschrift is, dunkt me, hiermee niet in strijd.

Men weet, dat Vondel reeds in 1620 Italiaansch leerde. Toen reeds heeft hij een enkele strofe uit de Gerusalemme liberata in verzen overgezet. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij met die studie begonnen is, toen zijn broer Willem zijn Italiaansche reis ging ondernemen. Aan de waarschijnlijk toen reeds begonnen prozavertaling is hij jaren blijven doorwerken; allicht is ze voor hem, zooals trouwens Kalff al opmerkte, mede een vooroefening geweest voor zijn eigen epos over Constantijn den Groote.

Vlot is deze vertaling Vondel niet van de hand gegaan. Dit blijkt uit tal van feiten, waarop Sterck en De Vreese wijzen. Het ‘vierde boeck’ ontbreekt. De vertaling blijkt niet meer dan een voorloopige proeve te zijn met tal van onvoltooide zinnen en herhalingen. Bij Sterck en De Vreese vindt men eenige voorbeelden van Vondels tekst.

Ook Dr. L. Simons heeft een uitvoerige studie aan Vondels Tasso-vertaling gewijd.1) In hoofdzaak sluit hij zich aan bij Sterck's meening over de verhouding der handschriften en over het ontstaan van de vertaling. Met Sterck neemt hij aan, dat Vondel zijn vertaling, zooals die in het Petrogradsche handschrift voorkomt, reeds in zijn jeugd is begonnen en later heeft voortgezet. Dit is uitstekend te vereenigen met de watermerken in het papier, eerst van 1605-'15, later van 1635-49.

Dr. Simons gaat in het tweede gedeelte van zijn belangwekkende studie uitvoerig na de verhouding van Vondels vertaling en de daarop gemaakte correcties tot den tekst van Tasso zelf. Dit gedeelte is bijzonder leerzaam; we zien eruit, hoe uiterst gebrekkig Vondels kennis van het Italiaansch was, hoe hij zich telkens door hem bekende Latijnsche woorden van het spoor liet brengen, hoe

[p. 115]

hij worstelde met tal van moeilijkheden en lang niet altijd overwinnaar bleef. Dr. Simons geeft telkens eerst den Italiaanschen tekst, daarna Vondels vertaling, dan de correcties, vervolgens de juiste vertaling in het Hollandsch, waarna ten slotte het vonnis wordt geveld.

Het lijkt mij evenwel minder gelukkig dat Dr. S. bij dit werk een moderne kritische editie van Tasso gebruikte, welke naar zijn zeggen de editie van Mantua van 1584 niet geheel verwaarloost. Hoogst waarschijnlijk heeft Vondel zoo niet de Mantovana zelve, toch een editie gebruikt die daarvan weinig afweek. Er schijnen tal van varianten voor den ‘Ger. Lib.’-tekst te bestaan, waarvan de meeste, voor zoover ik kan nagaan, eerst in laat 18de-eeuwsche drukken voorkomen. Het blijft dus mogelijk, dat Dr. S. den dichter hier of daar ten onrechte van onnauwkeurigheid of gebrek aan taalkennis beticht. Over het algemeen zou echter de totaal indruk der vertaling wel dezelfde zijn gebleven.

Ook over de proza-vertaling, die thans aan de beurt is, geeft Sterck ons weer volledige inlichtingen.1) In 1638 verscheen op stadskosten de Medicea Hospes van Van Baerle in het Latijn; in hetzelfde jaar een Fransche vertaling en in 1639 ook een Nederlandsche. Deze vertaling is in haar geheel van Vondel. J.A. Alberdingk Thijm heeft dit in 1889 ontdekt en Sterck heeft het nader aangetoond.

De bedoeling van dit werk was in een gedenkboek met platen de kostbare feesten te vereeuwigen, die door de stad gegeven waren ter eere van het bezoek der Koningin-weduwe van Frankrijk, Maria de Medicis, aan Amsterdam in September 1638, toen zij de bemiddeling der Staten kwam inroepen in het geschil met haar zoon. De vertaling verscheen naamloos onder den titel ‘Blijde inkomst der allerdoorlughtighste Koninginne, Maria de Medicis, te Amsterdam. Vertaelt uit het Latijn des hooghgeleerden heeren Kaspar van Baerle. Bij Johan en Cornelis Blaeu, 1639’.

[p. 116]

De verzen, die in deze overzetting voorkomen, zijn reeds door tijdgenooten onder de gedichten van Vondel opgenomen. Mag men veronderstellen, vroeg Thijm, dat hij enkel de verzen zou vertaald hebben en niet het proza, terwijl hij toch zulk een voortreffelijk proza schreef? ‘Herkent en voelt men een vers van Vondel onder duizenden andere gedichten, ook een prozastuk van zijn hand treft ons onmiddellijk door de kracht en de zuiverheid van taal, de ongedwongenheid van uitdrukking, die het boven de prozaschriften van Hooft, zoowel als van anderen, doen uitmunten. Het heeft een eigenaardige geur en kleur, die het als Vondels proza kenmerken’.1) Aanvankelijk was bij Thijm zijn ontdekking dan ook enkel gebaseerd op zijn fijn gevoel voor die geur en kleur. Sterck heeft dit - overigens zeer betrouwbaar - gevoel tot een onweersprekelijk, wetenschappelijk vaststaand feit gemaakt door te wijzen op een passage in een Latijnschen brief van 5 Juli 1639 van Barleus zelf aan Hooft, n.l.: ‘Vondels vertaling van de Medicea, waaraan gij ook uw bijval betuigt, en als grootmeester der Hollandsche taal uw ambtelijke stem gegeven hebt, is lang in handen van de drukkers, daarna in die van den boekhandelaar opgehouden’.

De vertaling van Ovidius' Heroïdes is weer een werk tot eigen oefening. In den pas bekeerden Vondel rees het plan om de geschiedenis van de martelaressen te behandelen, zooals hij dit inderdaad gedaan heeft in de Brieven der Heilighe Maeghden, die in 1642 verschenen, en hij vertaalde Ovidius' Heldinnenbrieven om, zooals Brandt zegt, ‘door dat middel den geestigen zwier van zulk een Ovidiaansch briefschrijven in 't hooft te krijgen en in stichtelijker stoffe te vervormen’.

Wat misschien gedreigd heeft met de Tasso-vertaling, is met deze gebeurd. Vondel heeft het handschrift, dat niet voor den druk bestemd was, nagelaten aan Agnes Block. Deze schijnt het vóór haar overlijden te hebben afgestaan aan Kaspar Brandt, welke het schonk aan den Amsterdamschen conrector David van Hoogstraten, onder voorwaarde, dat hij het zou uitgeven. Na diens dood

[p. 117]

werd het gekocht door Gerard Papenbroek; uit diens nalatenschap ging het over aan de Leidsche Universiteitsbibliotheek.

Van Hoogstraten heeft met de voorwaarde, waaronder hij het geschenk aanvaardde ingezeten. Hij kon het schrift niet behoorlijk lezen. In de voorrede van de uitgave, die hij er in 1716 eindelijk van verzorgde, verklaart hij het voor ‘zeer gekrabbelt en op vele plaetsen niet leesbaar dan met vele moeite.’ Dat heeft hem lang weerhouden van de uitgave, maar hij is gezwicht voor den aandrang van verschillende zijden. Hij is lang niet ingenomen met de vertaling van Vondel en verklaart dan ook: ‘dat ik eenige plaetsen, hier behandelt, indien 't myn werk ware, anders vertalen zou: opdat de Haegse keurmeesters weten mogen, dat ik my zoo zeer niet vergaep aen de schoonheit van Vondels werken, dat ik niet zou kunnen zien eenige misstallen, die als sproeten of vlekken in een schoon aangezicht zijn.’

Bij zijn uitgave heeft hij niet alleen de volgorde, waarin de brieven bij Vondel voorkomen gewijzigd, maar hij heeft ook aanmerkelijk den tekst veranderd; hij gaf inderdaad zijn eigen vertaling in plaats van die van Vondel. Wie zich daarvan overtuigen wil, vindt een fragment van beide teksten naast elkaar gedrukt in Oud Holland.1)

Unger is de eerste geweest, die in zijn herdruk van de Van Lennep-editie het oorspronkelijke handschrift van Vondel heeft laten drukken. Hij verklaart: ‘Het handschrift draagt geheel en al het karakter van een klad en is slechts ten deele afgewerkt. Op verscheiden plaatsen bleef de vertaler midden in een volzin steken, blijkbaar omdat hij geen passenden vorm in het Hollandsch kon vinden.’

En ondanks dit alles doet zich het merkwaardig verschijnsel voor, dat de vertaling van Vondel beter is dan die welke Van Lennep uitgaf naar Van Hoogstraten. ‘Bijna overal, waar Van Lennep en Van Vloten zich in hunne commentaren beklagen over de onjuiste vertaling, komt Vondels tekst overeen met hun verbeteringen.’

Mevrouw Dr. Berg-van der Stempel vond in een pakket, dat

[p. 118]

de Amsterdamsche Universiteitsbibliotheek in bruikleen heeft van de Remonstrantsche Kerk te Amsterdam, het begin eener vertaling door Vondel in of kort voor 1642 ondernomen van Vossius' Annales Hollandiae Zelandiaeque.1) Dat Vondel aan deze taak gewerkt heeft, wisten we reeds uit twee brieven van Vossius.2) In Augustus 1642 schrijft Vossius over de vertaling van zijn werk in het Hollandsch: ‘Myn heer Vondelen sal mij sijn stijl leenen. Sitten alle daechs wel drie a vier uiren by malkanderen, soo dat ick verhope dat het eerste stuck noch wel dit iaer onder druck soude moghen gheraken.’ 22 November 1644 schrijft Vossius echter aan Joan de Brune in het Latijn: ‘Ik had gehoopt, dat Vondel met de vertaling van de Annalen zou zijn doorgegaan. Nadat hij echter openlijk tot de katholieke kerk is vervallen, wil hij liever zijn tijd voor andere dingen gebruiken.’

De vertaling kwam eerst in 1677 tot stand door Nikolaes Borremans. Waarschijnlijk heeft deze niet van Vondels begin gebruik gemaakt. Dr. van der Stempel vindt de vertaling van Vondel niet bijzonder nauwkeurig. Zij onderscheidt in het handschrift een folio kladschrift en zeven folio's netschrift, terwijl ze later toch weer neiging toont alles maar voor klad aan te zien. De bladen bevatten een kroniekmatige geschiedenis van ons land tijdens de invallen der Noormannen van ongeveer 859 tot 887.3) Ik deel een en ander volledigheidshalve mee. Deze vertaling zal weinig aan den roem van Vondel als prozaschrijver toe of afdoen.

Nog onlangs heeft Dr. G. Brom bij een Grotius-herdenking te Nijmegen de houding van Grotius tot de Roomsch-Katholieke kerk aldus geformuleerd: ‘Ontegenzeggelijk katholiseerde hij, maar het bewijs, dat hij overging, is nooit gegeven’, en ‘Hij meende, dat de Augsburgsche confessie en het Trentsche concilie alleen in toon en niet in zin verschilden en streefde naar

[p. 119]

overeenstemming tusschen beide formules.’1) Ook Dr. Sterck verklaarde reeds: ‘Al is het dus niet uitgesloten, dat Grotius, ware hij niet ontijdig gestorven in een luthersche omgeving, op zijn sterfbed het katholieke geloof zou hebben omhelsd, er zijn mijns inziens, geen voldoende gronden aan te voeren voor de meening, dat hij reeds bij zijn leven zou hebben blijk gegeven met volle overtuiging tot de Roomsche kerk te zijn toegetreden.’2)

Vermoedelijk is de situatie wel het meest juist, trouwens ook geheel in overeenstemming met Brandt's opvatting, door Dr. Barnouw geteekend: ‘Not the differences that divided the churches but the fundamental principles on which they agreed were worth his study. With an optimism that seems naïve to our after-wisdom he hoped that the willingness to make concessions on minor points of doctrine would be universal. In bad verse he wrote a good treatise on the true religion, and gave it wider publicity by translating it from the original Dutch into Latin prose.’ Doch ook al hadden ze symphatie voor zijn algemeen geloof, Roomsch en onroomsch bleef toch hangen aan zijn eigen en hield het voor het beste. ‘Hence Grotius, unable to obtain concessions, himself conceded more and more to Roman Catholicism as being the nearest approach to a catholic religion.’3) Hij schijnt inderdaad wel in zijn hart Roomsch geweest te zijn, vóór nog Vondel overging, maar hij had een meer kritischen geest dan de dichter en kon een onvoorwaardelijke overgave niet rechtvaardigen.

In ieder geval, het ‘katholiseeren’ van De Groot moet sterken invloed hebben gehad op den overgang van Vondel, die met zulk een diepe vereering en hartelijke vriendschap tegenover hem stond, en we kunnen ons best voorstellen, dat Vondel in het vuur van zijn eigen bekeering zich, toen De Groot 29 Augustus 1645 te Rostock op zijn reis van Zweden naar Lübeck overleden was, direct aan het werk gezet heeft om stukken uit Grotius' Rivetiani

[p. 120]

Apologetici Discussio te vertalen en daaruit naar zijn opvatting te bewijzen, dat De Groot in zijn hart als goed Roomsch-katholiek was gestorven. Deze vertaling gaf hij nog in 1645 uit onder den titel ‘Grotius Testament of Hooftpunten getrocken wt syn jongste antwoort aen D. Rivet’, anoniem, met de initialen R.C. ‘in Vredestadt by Gerusthart de Wit.’ Brandt deelt mee:

‘Dan daar tegen werdt gezeit, dat Vondel zich door zynen yver te ver liet vervoeren: dat men op dit Testament geen' staat kon maaken; dewyl hy uit de Groots schriften alleen hadt getrokken 't geen hem meê, en verzweegen 't geen hem tegen ging: dat hy zommige plaatsen, 't zy uit onkunde, of uit drift en yver voor zyne kerke, quaalyk hadt vertaalt, verdraait, of vervalscht.’

De bedoeling van het geschrift was natuurlijk proselieten te maken door het gezag van Grotius' naam en faam. Dit blijkt duidelijk uit dezen weer zoo solied gebouwden gecompliceerden zin uit de inleiding, waarin hij zich richt tot ‘allen goedtwillighen en verstroyden buyten de H. catholycke Kerck’ en waaruit we hem geheel als vurig strijdend apostel voor zijn nieuw geloof kunnen leeren kennen:

‘Heylgeerighe zielen, verstroyde harten, die van het Hemelsche Jeruzalem, de heylighe onfeylbare Katholijcke Kerck, door secterijen afgedwaelt, by den wegh dootelijck gewondt leght en zieltoocht: slaet ter goeder ure uw' oogen op: hier komt, lof zy Gode, een Samaritaen om u te genesen: met recht een Samaritaen; want hy, buyten Jerusalem, den wettigen godsdienst, onder Jerobeams Kalvers, te Dan en te Bethel, dat's onder de secten, grijs gheworden zijnde, stijght endelijck (na dat hy Jerusalem, de Catholijcke Kerck en haren onfeylbaren godtsdienst door en weder door besichtight heeft) van sijn paert, sijn aensien en eere by de menschen; giet suyverende en versachtende medecijne, wijn en olie, van d'eerwaerdighste Outheyt ontleent, in uwe geestelijcke wonden; verklaert u in verscheyde hooft-punten den zin der Heylighe Schrifture, en ongeschreve traditien, na het verstant der H. Kercke, Oudtvaderen en Concilien, en het ghetuighenis der Kerckelijcke Historien, en neemt u, zonder yemandt dan Godt t'ontsien, zoo veel arbeydt en moeyte, in het ende en uyterste van sijn leven, gewilligh af, met sulck eenen loflijcken yver, dat hy self schrijft: Kost Grotius, gelijck hy in dese saeck (hy meent de wettige autoriteit der H. Heeren Staten van Hollandt) hun de schellen van d'oogen trock, oock het selve in het stuck van de Religie te wege brengen; hy sou 'er een groote vrucht van sijnen arbeyt en leven uyt trecken.’
[p. 121]

Het ‘Tweede deel van Vondels Poezy’, dat te Rotterdam in 1647 verscheen buiten Vondel om met de bekende Voorrede, zeer waarschijnlijk onder invloed van Westerbaen door den jongen Geeraardt Brandt geschreven, met de verzen, die Vondel maar liever niet herdrukt zag, daar ze van een geheel andere levensbeschouwing getuigden, wilde blijkbaar een tegenhanger zijn van Grotius' Testament en de daar onmiddellijk op gevolgde Altaer-geheimenissen.1)

In 1646 gaf Vondel de eerste vertaling, waarin hij zelf iets van zijn kunstenaarschap voelde, die hij zelf als zoodanig uitgaf en opdroeg aan Huygens, den man van het vak. Met brieven, die ons gelukkig bewaard zijn en waarover ik hiervoor reeds sprak, heeft hij een exemplaar vóór de officieele verschijning aan Huygens en Hooft toegezonden. Hij zelf, al spreekt hij er dan ook op een nederigen toon over, moet de waarde van deze vertaling hebben gevoeld; hij moet tevreden geweest zijn over zich zelf, dat hij in zulk een smijdig, krachtig proza de schoonheid van het werk des dichters, dien hij tot leidsman op zijn kunstenaarsloopbaan koos, in zijn rijken inhoud, zijn schoone verbeelding had kunnen weergeven.

Hoe hij zich tegenover Huygens uitliet over vertalen van verskunst in het algemeen, liet ik hiervoor reeds zien, hooren we nu met wat een gemoedelijken, vriendschappelijken eerbied hij in lustig klaterende zinnetjes zijn opdracht aan den hoogen kunstbroeder opent:

‘Ick neem de vrymoedigheit den Ridder, en in hem de rechte hant van zyn Hoogheit, wat outs en wat nieuws t'effens aen te bieden, dat is, den Poeet in het Nederduitsche kleet. Het spreeckwoort zeit, dat het kleet den man maeckt, maer hier zal de man het kleet maecken, door zyn volmaecktheit d'onvolmaecktheit des kleets te baet komen en het een zekere aangenaemheit byzetten.’

Over de wording der vertaling onderricht ons Brandt weer - wat zouden we toch eigenlijk van Vondel weten als Brandt niet

[p. 122]

een vita van hem had opgesteld! -: ‘In 't volgende jaar gaf hy dat groote werk, de vertaaling van Virgilius werken in prose, lang bearbeidt, in 't licht. Hier in hadt hy grooten vlyt besteedt, om de moederlyke taal met d'eigenschappen van 't Latyn zoo naa over een te brengen, den styl en de reede zoo vlak en effen te vlyen en den eigentlyken zin te treffen, als eenigszins doenlyk was. Hy beklaaghde zich, dat hy, na de doodt van eenige zyer Mecenaten, of kunstqueekeren, zich hadt moeten behelpen en met zyn eige riemen langksaamer voortroeyen. Want Reaal, Mostert, Victoryn, Jakob Baake, en Kornelis Gyselbert Plemp, waren overleeden; en hy hadt nu niemant dan eenen Jakob Venkel, in beide taalen kundig, die hem somwyl met zyn oordeel en raadt, daar hy twyfelde, ten dienste stondt.’

Hij vertelt ons ook, hoe ongunstig Van Baerle zich over de vertaling uitliet, nog wel tegen Huygens zelf, aan wien het werk opgedragen was: ‘Toen Barlaeus, de Latynsche Poëet, dien Hugo de Groot den doorluchtighsten der Poëten en de Drost den Vorst der Dichteren noemde, Vondels Virgilius was ter handt gekoomen, schreef hy aan den Heer van Zulichem: Gy hebt Vondels Virgilius gelezen, of ten minste gezien, maar zonder leven, zonder mergh, en de lenden gebrooken. Indien hem Augustus las, hy zou deezen Maro niet van 't vier bevryden, ten zy dat gy, geleerde man, het anders verstaat.’ Dit is wel de echte ‘Latijnsche Poëet’ en klassicus van dien tijd, die in al beroering der oude godentaal heiligschennis ziet.

Doch Brandt heeft den moed Vondel tegen zijn schoonvader, trouwens toen reeds lang ter ziele, te verdedigen: ‘Die grondige kennis hadden van de Hollandsche taale en haare eigenschappen, oordeelden, dat zyn taal in dit werk onverbeterlyk was; en dat men nergens, daar Duitsch gesprooken wordt, iemant vinden zou, die Hollandsche woorden en spreekwyzen zou weeten te vinden, de kracht van Maroos Latyn zoo naa uitdrukkende, als hy doorgaans hadt gedaan.’

Reeds direct na Van Baerle's onbekookt oordeel nam Maria Heyns in de opdracht van haar Bloemhof der doorluchtige voor-

[p. 123]

beelden den handschoen voor Vondel op en dapper verklaarde zij tegen het hooge klassiek-professorale gezag in:

‘Andere, die ervarentlijk daervan konden spreken, vertoonen dat de genen die 't laken, weinig verstand van Duyts en vertolken hebben, en dat de lakers met 'er duyzenden inéén gesmolten, niet magtig zouden zijn dat werk zo wel in Duyts te stellen. - Deze geloof ik wat my belangt, best, omdat ik, naer myn verstant, niets in onze tael geschreven of vertolkt kan zien, dat op veel na by d'eedelheit, schoonheit en vloeyentheit in 't schryven, zo in dicht als prose, van deze geest halen kan.’1)

Er schijnen dus behalve Barleus nog meer ‘lakers’ geweest te zijn. Doch de uitspraken van deze Maria Heyns, van Brandt, van Oudaen doen ons toch zien, hoe zeer de hooge waarde van Vondels proza reeds door de tijdgenooten werd gevoeld en begrepen.

Ik heb mij afgevraagd, of het niet wenschelijk zou zijn te trachten hier door vergelijking met den Latijnschen tekst tot een grondige bepaling van de waarde van Vondels vertaling te komen. Zulk een vergelijking heeft echter niet de minste waarde, wanneer zij zich tot een paar kleine fragmenten bepaalt. Talrijke met zorg gekozen brokstukken van de overzetting en van den oorspronkelijken tekst zouden naast elkaar gesteld en beredeneerd moeten worden. Een dergelijke studie zou dit toch reeds uitvoerig opstel stellig nog eenige vellen druks in omvang doen toenemen en toch slechts door weinige lezers van deze voor alle Nederlanders bestemde Vondel-editie kunnen gewaardeerd worden.

Toch is een dergelijke vergelijking zeer gewenscht. Er zijn vele moeilijkheden aan verbonden, waar Kalff in zijn opstel over Vondel als vertaler zich reeds behoorlijk rekenschap van gegeven heeft.2) Trouwens Worp heeft die ook reeds overzien, toen hij over Vondel als vertaler van Grieksche treurspelen sprak. Men kan bij een dergelijk onderzoek niet terecht met een moderne kritische uitgave van Virgilius. Men moet grondig onderzoeken, welke oude editie Vondel heeft gebruikt. De vergelijking zou er niet in de eerste plaats op moeten gericht zijn, of Vondel en zijn helpers wel eens ‘fouten’ in de vertaling hebben gemaakt. Zonder dit ietwat

[p. 124]

schoolmeesterlijk resultaat geheel te verwaarloozen, zouden we vooral ons rekenschap ervan moeten geven, of Vondel den geest van Virgilius' werk heeft verstaan, of hij den toon van het werk juist heeft begrepen en weergegeven.

Voor de proza-vertaling van Virgilius heeft Kalff eenige opmerkingen gegeven, waarbij hij er o.a. op wijst, dat Vondel aan zijn vertaling een nationale tint gaf.1) Doch dit zijn slechts een paar verspreide notities. Het geheele werk moet nog gebeuren, en er kon aan toegevoegd worden een onderzoek naar den invloed van de Latijnsche litteratuur op heel Vondels oeuvre. Het is een uitstekend onderwerp voor een dissertatie en richt zich dan ook van zelf tot de kringen, die zich rekenschap geven kunnen van de waarde van dit werk.

Hooft vertaalde Tacitus geheel anders. Wat hij gaf, kwam als vertaling misschien den hoogsten eischen die men aan een vertaling stellen kan het meest nabij: Wie Hooft's vertaling leest, krijgt oneindig veel meer den indruk van het oorspronkelijke dan wie Vondel zijn proza-Virgilius leest. Hooft's proza is aan handen en voeten gebonden aan de strenge eischen van den Latijnschen zinsbouw en van de persoonlijkheid van Tacitus. Bij Vondel gaat in triomf uit een frank, nobel Nederlandsch proza, dat het proza van Vondel is; vrij en ongebonden geeft het naar Vondels eigen persoonlijkheid een schoon en trouw beeld van den inhoud, zich gemakkelijk en soepel voegend naar de Virgiliaansche schoonheid. Het is een proza met eigen innerlijk leven, een proza dat de prozakunst in Holland moet vooruit gebracht hebben, er een natuurlijke vastheid en kracht aan moet gegeven hebben.

Hier wil ik even een paar regels uit een Virgilius-vertaling van een halve eeuw vóór Vondel met die van Vondel vergelijken. Hoor het voorzichtig en onzeker tasten bij Van Mander in den aanhef van de eerste Ecloga:

 
Al ligghend' hier sacht onder 't wyd' bevangh
 
Des Bueckentops, ghy Tityr 't Boersch ghesangh
 
Herspeelt al vast op 't pijpcken dun van even.
[p. 125]
 
Maer lacy, wy de grensen nu begheven
 
Des Vaderlants; van 't Vaderlantsche g'hucht
 
En ackers soet doen wy een droeve vlucht.
 
Du, Tityr, luy in schauw leert t'wijl' int ronde
 
Den Bosschen dy nae schallen uyt den monde
 
Dijn liefste schoon, Amaryllis, met lust.

Daartegenover is Vondel al klaarheid, vastheid en eenvoud:

‘Tityr, ghy leght en duickt vast onder den breeden beuckeboom, en speelt een veltliet op een dun riet. Wy moeten de grenzen onzes vaderlants en onze lieve ackers verlaten; wy moeten van ons vaderlant scheiden. Tityr magh op zijn gemack in de schaduwe, van zyn schoone Amaril zingen, dat er het bosch naer luistere en op wedergalme.’1)

October 1653 liet Vondel zijn proza-vertaling van Horatius' Lierzangen en Van de Dichtkunst (Ad Pisones) verschijnen. In de oorspronkelijke uitgave was de Latijnsche tekst tegenover den Nederlandschen gedrukt. In de Opdracht aan de Kunstgenooten van Sint Lukas vertelt hij: ‘Dewijl dan de Poëzy, Schilder- en Beeldekunst, van outs her, gelijck noch, in onderlinghe gemeenschap verknocht zijn, dacht het my niet ongerijmt uwe E. op te dragen Horatius Flakkus Lierzangen en Dichtkunste, eenige jaren geleden, by my, tot een eerlijck tijdverdrijf en oefeninge, by wintersche avonden, in 't rymeloos vertaelt, met hulpe van wijlen den Heere, Daniël Mostert, secretaris dezer stede, en Joan Vechtersz. of Victorijn, beide rechtsgeleerden en zonderlinge begunstigers mijner Poëzye.’ Dit geeft ons licht over den tijd waarop Vondel aan de vertaling begon. Victorijn stierf in 1642 en Mostaert in 1646.2)

We mogen dus aannemen, dat Vondel minstens een jaar of twaalf aan de vertaling gewerkt heeft of ten minste ze onder zich heeft gehouden en dat hij dus behoorlijk het voorschrift uit Horatius' Dichtkunst heeft toegepast: ‘Hou u schriften negen jaren bij u thuis. Wat niet uitgegeven is, kan men telckens uit-schrabben.’

[p. 126]

Naar de berichten van Brandt was bovendien de uitgave van 1653 nog niet eens eens een vrijwillige. Na de huldiging en lauwering bij St. Lucas verteld te hebben gaat hij voort: ‘Te deezer tydt quam zyne Vertaaling van Horatius Lierzangen onder de pers; maar buiten zyn toedoen, door iemant die een afschrift wist te bekomen. Doch hy, ziende den druk niet te verhinderen, hieldt'er de handt noch aan, en droeg die vertaaling op aan de Kunstgenooten van St. Lucas.’

Natuurlijk, wie de maat en het taalgeluid nog in de ooren hoort van

 
Maecenas atavis edite regibus
 
O et praesidium et dulce decus meum! etc.

en die daarnaast bij Vondel leest: ‘O Mecenas! die uit Koninglijcke Voorouderen gesproten, myn beschermer en waerde roem zijt, zommigen scheppen lust het olympische stof met den wagen om hunne oren te doen stuiven en den perkpaal met barnende wielen te mijden, om door den edelen palm van lantsheren tot Goden verheven te worden.’, die voelt wel dat Horatius in het meest eigene van zijn kunst hier ver te zoeken is. Vondel geeft ons enkel de gedachte van Horatius, maar die geeft hij over het algemeen trouw en juist weer. En de vorm is Vondels eigendom; het is zijn eigen kostelijke proza, het beste, dat de 17de eeuw heeft voortgebracht.

Tenslotte kan ik dan nog even herinneren aan het Leven van P. Ovidius Naso, dat aan de berijmde vertaling van de Metamorphosen (1671) voorafgaat. Dit is een vertaling naar Petrus Crinitus, een leerling van Politianus, uit den Renaissance-tijd, met invoegingen naar Aldus Manutius en anderen. En dan is er nog de vertaling van een Latijnschen brief van Maart 1630 van Van Baerle aan Hooft.1)