auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Verghelijckinghe vande verlossinge der kinderen Israels met de vrijwordinghe der Vereenichde Nederlandtsche Provincien.aant.aant.
Hoewel den vluggen tijt d'wtkomste der Hebreeuwen 1
Spijt Moysi gulde pen met veel verloopen eeuwen 2
Heel wt te wisschen dacht: zoo is het even beelt 3
Van Israels triumph zoo aerdich weer volspeelt 4
5
Opt Nederlandts Toneel, dat gheene van dees beyden 5
Nau vanden andren is met waerheyt t'onderscheyden.
Wien schildert Pharao na t'leven naecter af, 7
Als Phlippo den Monarch; den eenen met syn Staf 8
Beheerscht den blauwen Nyl; den and'ren draeght in handen
10
Den Scepter wiens ghebiet strect over Tagus stranden;
Den eenen Osiris eert met gheboghen knien; 11
Den and'ren zal den God des Tybers eere bien; 12
Den eenen maeyt int graf d'onnoosle zuyghelinghen;
Den anderen die noch aen s'moeders borsten hinghen; 14
15
Den eenen Iacobs huys verdruckt met slavernij;
En d'ander t'Nederlandt verheert met tyrannij; 16
| | | |
Den wettighen Gods-dienst belet den eenen duyster, 17
En d'ander al verblint ghehenght niet dat den luyster 18
Des Euangeliums ghelijck een Son doorbreeckt, 19
20
Noch dat de waerheyt thooft ten Hemel erghens steect.
Israel zijnde dus in droefheyt en in rouwe,
De vouten schallen doet van s'Hemels hooch gebouwe; 22
O Vader! roepen sy, wilt ghy wt uwen tros 23
De pijlen uwes toorns steeds op ons laten los,
25
Gedenct doch aent verbont dat ghy met uwer knechten
Voorvaders goedertier hier voormaels wout oprechten;
Oft zoo ghy onser naer u goedtheyt niet ghedenct,
Ten minsten d'eere ws naems, o Heere! niet en krenct,
Ghedooght niet dat wy (ach!) den tijdt van onse leven
30
Den vijanden tot roof en spijse zijn ghegheven.
Belgica van ghelijc met zuchten en gheklach 31
Den droeven Echo weckt, en stenet nacht en dach,
O Heere! Laet op ons de lieffelijcke stralen
Ws aenschijns vanden troon des Hemels neder dalen;
35
Wy zijn, eylaes, bevleckt met ongherechticheyt,
Dus reynicht ons int bloedt van Christi sterflijcheydt, 36
Syn eenighe offerhand' neemt aen tot een voldoeningh
Onser misdaden, en volkomene verzoeningh.
God Iacobs stenen hoort, en tot Voorvechters trou 39
40
Weckt Amrams zonen beyde, en die van t'Huys Nassou, 40
Den Nederlanders tot Beschermeren en Vooghden,
Die tsamen hunnes volcks verlossinghe beooghden.
Die eer voor Memphis heeft ghestreen als besten vriendt, 43
Wordt eynd'lijck haer partije, en die voorheen ghedient 44
45
Heeft t'strengh Bourgoensche Hof, sich rustet teghens Spaengien, 45
| | | |
O wonderbaerlijck schict sich Moyses met Orangien! 46
Den een strijdt voor de Wet, den and'ren slaet de trom, 47
En vrijt met synen arm het Euangelium; 48
Den eenen gaet d'Hebreen de roode golven banen,
50
En d'ander leyt de syn door eenen vloet van tranen,
Al recht door't gholvigh Meyr van klibber breyn en bloedt; 51
De Slaven d'een ontslaet en d'ander steeckt den Hoet 52
Der vrijheyt inde locht, en eyndlijck streckt sich even 53
Huns vijandts onderghangh te zamen tot den leven.
55
Pharao voor een graf het roode Meyr beerft,
Philippus out en grijs katijvich henen sterft: 56
God wel verscheyden straft, d'een vroech en d'ander spade,
Maer eyndelijc overvalt hun beyd syn onghenade.
Den zelven Koningh die t'Rijck Israels bevesten, 59
60
Heeft eyndelijck u zaeck, o Belgica! ten lesten 60
Voleyndicht in triumph; dies dy niet langher quelst, 61
Dewijl hy dijnen staet met syne macht omhelst:
Hoe is de macht ghegroeyt van u verbonden Steden,
Sint desen grooten Helt ghingh inde schoenen treden 64
65
Syns Vaders, welck (eylaes) verraderlijck en straf
De swarte nijdicheydt gheblixemt heeft int graf, 66
Help God! de wraeck is u, ghy zult hier namaels eyssen 67
Het dier vergoten bloedt met een ghekromde Zeyssen. 68
| | | |
Wat rester nu? dan God te vlechten met bescheydt 69
70
Den loffelijcken krants van ware dancbaerheydt:
Vreest hem die lichtlijck kan verstroyen inder ijlen 71
Het steunsel van u zaeck den Bos gheknoopte Pijlen, 72
Peynst om den ghenen die de volckren van Sion
Als Slaven voeren liet gheboeyt naer Babylon.
FINIS.
TOT SCHIEDAM,
Voor Ian Wolffertsz Boecverkooper woonende by de Kercke.
Anno 1612.
|
1d'wtkomste: de uittocht (uit Egipte).
2Moysi: Mozes z'n (van Mozes).
3het even beelt: de volkomen gelijkenis, iets wat volkomen gelijkt op Israël's zegepraal, n.l. de vrijmaking van de Nederlanden (in de werkelike gebeurtenissen).
4zoo aerdich: zo helemaal in dezelfde aard, in 't zelfde karakter; zo zuiver.
5Opt Nederlandts Toneel: op 't toneel der Nederlanden; in Nederland.
7naecter: zuiverder.
Wie wordt door Farao nauwkeuriger naar 't leven afgebeeld als Filips.
8Phlippo: Philippo, de Spaanse vorm van de naam Filips.
11Osiris: zie Het Pascha, vs. 287.
12den God des Tybers: de Paus.
14Wat de Spaanse troepen gedaan hebben bij de uitmoording van Naarden en elders (zie Hooft's Nederl. Hist. op 1572, blz. 275 en vlgg. van de oude uitgave 1642).
17Den wettighen Gods-dienst: de godsdienst van de Wet (de oude Wet); duyster: in z'n geestelike verblinding (de ene in z'n verblinding belet....).
18ghehenght niet: laat niet toe.
19Belet de verkondiging van 't ‘zuiver Evangelie’ door de protestanten.
22De vouten: de gewelven (spreek uit voeten).
23tros: pijletros, pijlbundel.
31Belgica: de Latijnse naam voor de Nederlanden.
36sterflijcheydt: sterfelik lichaam.
39stenen: steunen, klagen; en tot Voorvechters trou: en tot hun trouwe voorvechters.
40Amrams zonen beyde: Mozes en Aaron; en die: en de zonen van 't Huis Nassau.
43Mozes die vroeger voor Memphis heeft gestreden; hij werd aan 't hof van Memphis opgevoed.
44haer partije: haar tegenpartij (van Memphis).
45't Bourgoensche Hof: de regering werd nog altijd de Boergondiese genoemd; Spaengien/Orangien, spreek uit: Spaenjen/Oraanjen.
46schict sich: sluit zich aan, past bij.
47slaet de trom; dit doelt wel op 't bekende Geuzelied: ‘Slaet opten trommele van dirredom deine’, van Arent Dircxz. Vos.
48vrijt: bevrijdt; Euangelium: (zie vs. 19), spreek uit Evangeliom; de gewone uitspraak van 't latijnse um was om, zo tot voor kort ook in heel 't Zuiden.
52den Hoet der vrijheyt: de hoed op 'n stok in de hoogte geheven als zinnebeeld van de vrijheid. Dat zinnebeeld is ontleend aan de Romeinen waar 'n slaaf bij z'n plechtige vrijlating de pileus, 't hoofddeksel van de vrije man opgezet werd (zie Vondel's gedicht op de Bruiloft van Jan de Witt (1655) vs. 1-4).
53even: gelijkelik; de ondergang van hun vijand strekt op gelijke wijze tot heil (tot 't leven).
56katijvich: ongelukkig, in rampspoed.
59Den zelven Koningh: dezelfde koning, God; bevesten: bevestte, bevestigde.
61dy niet langher quelst: kwel, bekommer u niet langer ( quelst alsof 't werkw. quelsen was, ongewone vorm).
64desen grooten Helt: Prins Maurits.
67Help God!: gewone uitroep: God helpe (ons, mij), ook help alleen. Vondel vat 't blijkbaar op als help ons, o God, de wraak is U. Zie Pascha 1268.
68Zie aant. op vs. 196 (Wtvaert van Henricus, blz. 28).
69met bescheydt: met wijs inzicht, naar redelikheid.
71inder ijlen: in 'n oogwenk.
72den Bos gheknoopte Pijlen: de eenheid, de bundel van zeven verbonden pijlen, 't zinnebeeldend wapen van de Zeven Verenigde Provinciën.
|
|