auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
[LXII]
T' is Tantalus die hier in 't water wert gepijnt,*
Die dorst en honger lijd, en nimmermeer verdwijnt.

Sapient. 11.
Daer hier den Mensche in heeft gezondight in dit dal,
Hy wederom zijn straf daer in oock dragen zal.
| | | |
LXII
Eylacen! Tantalus die niet en kan verwinnen 1
Light inden Helle-vliet begraven totter kinnen, 2
Hem hongert, en hem dorst, dat hy van smerten krijst,
En nimmermeer wert hy gelavet noch gespijst,
5
Maer stadigh aen geterght: hy staet diep inden gronde
Des waters, en de vrucht hanght boven zijnen monde:
Zoo hy nae't water buckt ontzincket hem den stroom,
En grijpt hy nae de vrucht zoo wijckt den Appel-boom.
‘Maer lieve zeght my doch, is niet des gier'gen herte 9
10
‘Als Tantalus gepijnt, en heeft gelijcke smerte?
‘Vermits t' vervloeckte goud daer hy op is belust
‘Noch noeyt heeft zijnen dorst en honger uytgeblust,
‘Hy gaept altijd naer goud, en hoe veel geele slijcke
‘Hy vreet en inneslockt zoo'n is hy nimmer rijcke, 14
15
‘Maer in zijn goed verarmt: zoo dickwils als hy hapt
‘Nae goud en zilver hem t' genoegen wert ontsnapt: 16
‘Hy derf nau zijnen darm met s' lichaems noodruft vullen, 17
‘En wermt hem by den heert nau by een hand-vol krullen:
‘Hy heeft altijd het goud als eenen Wolf by't oor,
20
‘Hy rammelt nacht en dagh in zijn vervloeckt thresoor: 20
‘Het goud is zijnen God, dat eert hy langhs hoe kloecker, 21
‘Hy kanckert de gemeent met overbaet en woecker: 22
‘En als hy sterven zal zoo is al zijn beklagh
‘Dat hy zijn geld hier laet, en niet meed dragen magh.
|
*Boven- en Onderschrift:
en nimmermeer verdwijnt: en ze nooit stilt (doet verdwijnen).
Sapient. 11: Liber Sapientiae, Boek der Wijsheid, hfst. 11 (vs. 17).
1die niet en kan verwinnen: die niets kan krijgen.
2totter kinnen: tot de kin.
9des gier'gen herte: 't hart van de gierigaard.
14zoo'n: zoo en, de ontkenning en bij nimmer.
16wert ontsnapt: wordt weggesnapt.
20thresoor: schat, schatkist.
21langhs hoe kloecker: hoe langer hoe sterker.
22Hij mergelt de gemeenschap uit met overmatige winst en woeker.
|
|