De werken van Vondel. Deel 1. 1605-1620


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 472]

Sonnetaant.*

 
Evripides voor langhs dede al d'Aenschouwers weenen1
 
Doen Iphigenia bebloeden zijn Toonneel,2
 
En als een schoone Bloem van haren groenen steel
 
Geblixemt nederviel, gelijck een schauw verdwenen:4
 
5
Doch Koning doet niet min wanneer hy 't oud voorhenen
 
Droef Schouw-Spel ons vernieut, en 'tMaegdelijcke bloed5-6
 
Van Iephthahs weerdste pant, uytstort als eenen vloed,7
 
Dan stervet al met haer, dan bersten schier de steenen.8
 
 
Zoo werd een oud geschicht vergetelheyt ontogen,9
10
En levend' wederom gebootst voor yders oogen,10
 
Zoo een uytheemsche daed met onze stof bekleed.
 
 
Treur-speler! o ghy had ons iammerlijck verraden,12
 
(En doen de tranen van ons bleecke wangen dwaden)13
 
Als ghy dien witten hals met een scherp Stael doorsneet.
 
 
I.V.V.