auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
12. Vande Mier ende Krekel.*

1 Sulck een Krekel was Acilius, die in zijn jeught niet spaerde, maer alle daegh lustigh 2 ende vrolijck teerde. Na dat hy nu alles doorghebracht had, ende niet een lens inde 3 merss' had om by te setten, so quam hy tot den Keyser Tiberium ende begeerd van 4 hem hulpe: maer hy kreegh slechs dit antwoort: Lieve ghesel, ghy hebt te lang 5 geslapen, u komst is te langh verwacht. Nihil op't request.
COELIVS.
| | | |
XII
De magre Krekel nu van s'winters kou bespronghen, 1
Zocht aen't kloeck Mierken heyl, tot bedelen gedrongen, 2
En met een heesche stem viel 'tbezich dierken aen; 3
Erbermt u Iuffrou Mier! en om een weynigh graen
5
My ongetroost niet laet, noch hongers nood bezuren, 4-5
Mijn armoe wat vervult, en opent uwe schuren. 6
Maer 'twacker beestien vry van kommer en ellend, 7
Den Krekel heeft aldus zijn traegheyd voorgewend: 8
Draeght nu verschulde straf, draeght nu 'tvermaledijden 9
10
Die al den zomer sleet in wellust en verblijden, 10
Die d'aengename tijd en zegen hebt veracht,
En slempende uwen oegst verquist en doorghebracht.
‘Het kostelijcxste pand en kleynood uytgenomen 13
‘Is d'altijd vliende tijd, die huyden omgekomen 14
15
‘Niet morgen weder keert: wijs is hy van beraet
‘Die s'tijds gelegentheyd beooght en gade slaet. 16
‘Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoogh gezeten, 17
‘D'aenstaende zwarigheyd lichtveerdigh gaet vergeten. 18
|
*Regel 1 lustigh: opgeruimd. - r. 2 doorghebracht: opgemaakt; ende niet een lens inde merss' had om by te setten: en niet 'n linze(ert) in z'n mars had om bij te brengen, en helemaal rut was; merss': mars, tas. - r. 5 verwacht: afgewacht (men moest er te lang op wachten); Nihil op't request: Nul op 't rekest, 't verzoek is van de hand gewezen; nihil: niets; Coelius: welke Coelius wordt hier bedoeld? Zie Nadere verklaringen blz. 823
1magre: arme; van s'winters kou bespronghen: door de kou van de winter overvallen.
2aen't kloeck Mierken: bij 't ijverig miertje.
3En overviel.... 't bedrijvig diertje.
4-5En stuur me niet ongetroost weg om 'n beetje graan, en laat me niet 't zuur, 't bittere van de hongersnood proeven.
6Voorziet m'n armoe wat, kom me wat te hulp in m'n armoe.
7beestien: beestje (verkleinwoord op - ie( n) zie prent 31 vs. 13).
8zijn traegheyd voorgewend: z'n luiheid naar voren gebracht, op z'n luiheid gewezen.
9verschulde: verdiende; 'tvermaledijden: 't vervloeken, de vloek.
10Die al...: gij die heel de zomer.
13kleynood uytgenomen: 't uitnemendste, 't mooiste kleinood.
14die huyden omgekomen: die heden, vandaag ten einde. - huyden: heden (vergelijk huidig).
16Die s'tijds gelegentheyd...: die op de tijdsomstandigheden let.
17hoe hoogh gezeten: hoe hoog verheven ook.
18D'aenstaende zwarigheyd: de moeilike tijd die voor de deur staat.
|
|