De werken van Vondel. Deel 1. 1605-1620


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 828]

Aanvullingen en opmerkingen
door Dr. J.F.M. Sterck

Bij blz. 19. De reden, waarom ik het gedicht Op de Geboorte van onze Hollandsche Sappho, Anna Roemers in 1619 plaats, ondanks de opvatting van Dr. Jan te Winkel, die het op 1620 stelt,1) op grond waarvan het hier ook bewaard wordt voor 't volgende deel, is deze:

Het is voor het eerst gedrukt in de door Anna bewerkte uitgave van haars vaders Sinnepoppen, zonder jaartal verschenen te Amsterdam bij Willem Iansz. op 't water inde Sonnewyser.

Uit een vers van Cats, met wien zij in 1619 bekend was, ook in het begin van 't boekje opgenomen, valt op te maken dat de oude Roemer nog in leven was, toen met drukken begonnen werd. Maar de laatste bladzijde heeft een Grafschrift op Roemer Visscher door Hooft:

 
Roemer Visscher rust hier binnen.
 
Moe gespeelt met Hollandtsch jock, enz.

Daar Roemer Visscher in Februari 1620 is overleden, heeft de drukker blijkbaar het Grafschrift er in 1620 nog bijgevoegd, terwijl de eerste vellen, met de gedichten van Vondel en Cats in 1619 reeds waren afgedrukt. Zoo kreeg de bundel een nog meer actueel belang. Het Grafschrift geeft dus geen afdoende reden om het boekje, en dus ook Vondels gedicht, in 1620 te plaatsen.

Bij blz. 149. Het hoogstzeldzame Liedboekje Thronvs Cvpidinis uitgegeven te Amsterdam Apud Wilhelmum Iansonium, 1620, geeft aanleiding tot enkele opmerkingen.

Vondels Dedicatie aende Ionck-vrouwen van Vrieslandt ende Overyssel is het eerst gedrukt in de derde uitgave van Den nievwen verbeterden Lust-hof, waarvan de eerste in 1607 is verschenen. In de latere, zonder jaartal uitgegeven drukken van dezen ‘Lust-hof’ komt Vondels gedicht voor met den titel Dedicatie Aende Ionck-vrouwen vant Nederlandt, dien het ook draagt in het boekje ‘Thronvs Cvpidinis.’

Men heeft gemeend, dat Vondel zelf dit opschrift gewijzigd had. De reden van de verandering blijkt evenwel uit den ‘Thronvs Cvpidinis’, waar bij een reeks sonnetten een dergelijk gedicht te vinden is, getiteld: Aux Dames de France, onmiddellijk volgend op Vondels vers, hier getiteld: Aen de Ionckvrouwen van Nederlandt. Klaarblijkelijk heeft de drukker van dit bundeltje, om overeenstemming in het opschrift van het Hollandsche en van het Fransche versje te verkrijgen, de titels, voor zoover noodig, gelijkluidend gemaakt. In den eersten druk van den ‘Thronvs’, die niet meer te vinden is, maar vóór 1618 gedrukt moet zijn, komen Vondels gedichten nog niet voor.2) Ook in latere drukken van den ‘Lusthof’ blijft het dan zijn nieuwen titel behouden.

Algemeen bekend zijn Vondels verzen:

 
[O Poëzie], hoe lieflyck is uw tredt!
 
Waer ghy de voeten zet
 
Daer wassen leliën en geuren, enz.

uit David in Ballingschap, vers 967-969, gedicht in 1660.

[p. 829]

Door J.A. Alberdingk Thijms Quartet te Muiden, gezongen op't Muiderslot bij gelegenheid der onthulling van Vondels standbeeld in 1867, hebben deze verzen een groote bekendheid verkregen.

Merkwaardig is het, dat Vondel ze dichtende, een oude herinnering verlevendigde uit den ‘Thronvs Cvpidinis’, waarin een ‘Elegie’ voorkomt:

 
En waer ghy op 't velt u voetkens gaat zetten,
 
Daar wassen rooskens en violetten.

Dit is daar weer vertaald uit een tegenover gedrukt gedicht:

 
Et si l'aller par les champs vous delecte,
 
A chacun pas croit violette.

Bij blz 778. Bij Vondels gedichten op den ‘Hoornschen Meyr-man’ Willem Cornelisz. Schouten, breng ik in herinnering, dat de Schoutens tot Vondels ‘cousynen’ behoorden, dus aan hem geparenteerd waren. Bij het testament van Joost en Maeiken de Wolff van 7 December 1613 was o.a. getuige Laurens Cornelis Schouten, de vader van Cornelis Laurens Schouten, in 1638 gehuwd met Debora Baeck. De zeeheld Willem Cornelis Schouten was een broeder van Laurens Cornelis Schouten, die als getuige, tot Vondels intiemen kring gehoord moet hebben.

Hieruit is Vondels belangstelling voor den zeeheld nader te verklaren, al was hij ongetwijfeld ook zonder dat vol bewondering voor die dapperen, die ‘den kloot der aerden omghewielt’ hadden.

(Zie ‘Oorkonden over Vondel’, blz. 16-18).

Bij blz. 266-267. Pieter Serwouters, (geb. 1586 dus een jaar ouder dan de dichter), die het titelblad sneed voor Den Gulden Winckel, Vondels eerste Emblemata-Boek, behoorde tot den intiemen kring van zijn verwanten en lotgenooten. Ook Serwouters' ouders waren wegens de geloofsvervolging van Antwerpen uitgeweken, eerst naar Duitschland, om later naar Amsterdam te komen. Toen zijn zuster, Elisabeth Serwouters, 29 Dec. 1601 trouwde met Cornelis Symons van Hamburg, verwant aan de familie De Wolff, werden zij geassisteerd met Joost van den Vondel, 's dichters vader, Tanneken de Wolff, des bruigoms petemoei en Cornelis van Tongerlo, op wiens dochter Claerken, Vondel zijn eerste Bruylofts-Reffereyn dichtte. Pieter Serwouters sneed ook de prent bij Vondels ‘Hymnus of Lofzangh Vande Christelycke Ridder.’ (Zie blz. 446).

De Bibliographie blz. 24 aan te vullen met: 1618 Het boeck der Gesangen, enz. Tot Hoorn, Ghedruckt by Ian Iochimsz. Byvanck, woonende op 't Noort, in 't blau Lam van Haerlem. Anno 1618.

Het bekende Liedboek der Doopsgezinden, waarin Vondels Jaerzang, Hemelvaertzang, en de twee Pinxterzangen voor het eerst zijn uitgegeven.

1618. Sur l'admirable navigation, in Iovrnal ou Description du merveilleux voyage de Guilliaume Schovten. A Amstredam, Chez Guillaume Ianson, l'an 1618.

1618. Huwelycks Lof. Uit Niev Liedt-Boeck, Ghenaemt Der Minnaers Harten Iacht enz. Tot Rotterdam, Voor Philips Iacobsz. van Steenwegen, 1627.*