De werken van Vondel. Deel 2. 1620-1627


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 74]

[Hiervsalem verwoest]aant.aant.aant.aant.

Hiervsalem verwoest wordt hier afgedrukt volgens
de eerste uitgave van 1620 (tietelblad hiernaast)
(Unger: bibliographie nr. 91)

De drie werken Hiervsalem Verwoest, De Heerlyckheyd van Salomon en De Helden Godes worden hier achtereenvolgens afgedrukt naar de tekst van hun gelijktijdige eerste verschijning en wel in de volgorde van hun dagtekening door Vondel zelf: 20 Jan., 28 Jan., 11 Febr. 1620. Ze zijn natuurlik vóór 1620 geschreven, de beide laatste mogelik enige jaren vroeger.

Gezamenlik zijn de drie werken van 1620 uitgekomen in een bundel, waarvan de volledige inhoud vermeld staat in de uitvoerige tietel: ‘De Helden Godes des Ouwden Verbonds/ Met kunstige beeldenissen vertoont, en poeetelijck verklaert. Midsgaders: een Hymnus of Lofzangh van de Christelijcke Ridder*), de Heerlijckheyd van Salomon, en Hiervsalem Verwoest. Gerijmt door I.V. Vondelen.’ (Unger: Bibliographie, Nr. 99). Alle vier deze werken hebben in deze verzamelde uitgave ieder hun eigen signatuur en bladzijnummering, terwijl de Salomon en de Hiervsalem ieder hun eigen tietelblad voeren, in een zelfde typografiese trant. We reproduceren hier alleen het tietelblad van Hiervsalem Verwoest, en zullen de twee andere zelf zetten in de stijl van de oorspronkelike. Het op alle drie de tietelbladen voorkomende uitgeversmerk stelt voor een Kristelike Ridder met zijn spreuk: ‘Ick strii op sno eerde’, samengesteld uit de letters van Dierick Pieterssoon, 's uitgevers naam.

In de tietel: Hiervsalem: de oorspr. naam van Jeruzalem, ontleend aan 't Grieks-Latijns Hierosolyma, en dit weer aan 't Kananees: Urusalem, stad van vrede; tot naedencken: om na te denken (over hun verhouding tot Kristus en hun bekering); tot waerschouwingh: tot 'n waarschuwing om Gods barmhartigheid niet op de proef te stellen en Hem vermetel uit te dagen zoals de Joden, (waerschouwingh met Brab.-Holl. ou); als op het tooneel voorgestelt: (en wel) op 't toneel voorgesteld; dit is 't verklarende als, dat wij dikwels niet meer gebruiken; vgl. Dl. 1, blz. 463, op vs. 75, en dit Dl. blz. 86, op vs. 70; Mat. XXIII: uit 't Evangelie volgens Mattheüs, 23e hoofdst., 38e vers: zie uw huis [nml. de tempel] zal u verwoest (woest) worden achtergelaten (gelaten), [uit de klacht van Kristus over Jeruzalem]. De aanhaling van Vondel is letterlik uit de deux-aes-Bijbel van Van Wingen; Virg: in AEneas I. Boeck: uit 't epos van Virgilius, de ‘AEneas’ 't 1e boek, vs. 462: de Latijnse tekst is: hic... sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt: hier zijn de tranen over onze (ellendige) toestand, en treffen onze menselike rampen hun hart. Van bij Vondel is minder juist. Later, 1646 en 1660, vertaalt ie 't juister (Eneas 1, vs. 665, 666). Ons en onse in alle gevallen gebruikelik.

[p. 75]



illustratie

Tietelblad der eerste uitgave op ware grootte


[p. 76]

Aen mijn Broeder
Op het Trevrspel der Ioden.
Klinckert.

 
Euripides die heeft d'aenschouwers langh voorhenen1
 
Ten oogen eenen vloed van Peerlen uytgedruckt,2
 
Als Hecuba bedroeft uyt haren throon geruckt3
 
Beschreyde Troijens val met zuchten en met stenen:4
 
5
Maer ghy, o Broeder! der Hierosolymitanen5
 
Droef Treurspel ons vernieuwt, en klaeghelijcke moord,6
 
Hoe deerlijck Titus heeft Ierusalem verstoort:7
 
Om wien de vyand zich niet spenen kost van tranen.8
 
 
Een wreed Barbarisch hert moet schricken als 't verstaet9
10
Hoe Sions Heerlijckheyd, en pracht te gronde gaet:10
 
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,11
 
 
De maghtighste Pilaer van 't vruchtbaer Ioodsche land
 
Is omgeworpen: hoe eens Moeders eygen hand13
 
Haer teeder kind uyt nood gaet tot spijsoffer maken.14
 
 
Guilhelmus Vondelius.*
[p. 77]

Den erentfesten, achtbaren,
Wyzen en Voorzienigen Heere Cornelis Pietersz. Hoofd, Raed, en ouwd Burgermeester der om des weerelds ommeloop wyd beroemde Koopstad Amstelredam.*

Mijn Heere,

1 Wanneer de heylige Paulus den Christgeloovigen vermaent te bidden1 2 voor Koningen en alle die in macht en hoogheyd gestelt zijn, op dat wy2 3 een gerustig en stil leven mogen leyden in alle Godzaligheyd en eer-3 4 baerheyd: zoo leert hy ons al stilzwygende hoe wy wyze en vrome Over- 5 heden behooren met eerbiedigheyd te omhelzen als eenen grooten zegen5 6 Godes en fonteyne waer door allerhande heyl en welvaren ons bequa-6 7 melijck toevloeyt: want gelijck een treffelijck Philosooph zeght: ubi praeses7 8 fuerit Philosophus, ibi civitas erit felix. die Stad zal geluckigh zijn daer de8 9 Overheyd wijsheyd zal naespooren. De proeve hier van hebben wy naest9 10 eenige jaren herwaerts gehad in deze onze vereenighde Nederlanden, 11 die met de hulpe des Alderhooghsten zoo vele gevaren geluckighlijck

[p. 78]

12 zijn voorby gezeylt, door het voorzichtig en wijs beleyd van hare ge- 13 trouwe en vrome Regeerders, die als zorghvuldige Vaderen voor het 14 welvaren des Vaderlands en des zelfs vryheyd geduyrigh hebben ge- 15 waeckt gebraeckt en alles uytgestaen. De weerdighste vrucht van deze15 16 arbeyd is dat vele duyzend verjaeghde menschen in den schoot en het16-vlgg.16 17 gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvry zijn geherberght en lieflijck17 18 gekoestert, en die in veylige schaduwe gezeten niet meer hoeven te18 19 vreezen de grimmigheyd van die uyt het voorborgh der Hellen opgedon-19 20 derde Spaensche Alecto, die drymael haer geslangde perruyck geschud20 21 hebbende, met haer fackel het vuyr stack inde mutsaerden en rijsbossen21 22 die de palen en staecken bekleeden waeraen dagelijcx vele vrome Chris-22 23 tenen wierden vast gemaeckt, die midden inde vlammen Iesus Christus lof 24 toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Godbe-24 25 haegelijcken reuck. Indien wy ernsthaftigh overwegen de als in het hemde25 26 ontvloden wreedheyd, en wederom de genoten ruste en veyligheyd:26 27 gewisselijck wy moeten geperst zijnde van een danckbaer gemoed met27 28 de aen strand opgeworpen AEneas uytbarsten en roepen:28

[p. 79]
 
O die ghy neemt alleen van ons Troijaensche gasten29
30
Het leet ter herten en d'ondraeghelijcke lasten:30
 
Die ons het overschot der Griecken hier gestrand,31
 
En uytgeput van 't ramp te water en te land,32
 
Noch herberght in uw Stad en huys met rouw bewogen.33
 
O Dido! 't staet noch in ons macht, noch in 't vermogen
35
Van 't volck van Dardanus, dat over al beroyt35
 
Dwaelt om den ganschen Kreyts des aerdrijcx wyd verstroyt,36
 
Verschulde danckbaerheyd nae eysch u op te dragen:37
 
De Goon (zoo verre noch een Godheyd schept behagen
 
In ware Godes vrucht: zoo billyckheyd noch plaets39
40
By ymand heeft, en een gemoed dat zich niet quaeds40
 
Maer 't goed bewust is) 't loon u nae verdienste ionnen.41
 
Wat blyder eeuwe heeft u gebracht in 't licht der Zonnen!42
 
Wat treff'lycke ouwd'ren u geteelt tot ons gewin!43
 
Zoo langh de mind're vloe'n afloopen Zeewaert in:44
45
Zoo langh de schaed'wen op de bergen gaen en merren,45
 
En 's Hemels As geleyd de vloock gewelfde sterren,46
 
Zal duren uwen naem en faem met lof en eer,
 
Het zy wat land my roept, of waerwaerts ick verkeer.48
[p. 80]



illustratie

Pieter Corneliszoon Hooft
Kopergravure door A. Houbraken vervaardigd naar de schilderij van M. van Mierevelt (prent van het Vondelmuseum)


[p. 81]

49 Onze E.E. en A.A. Overheden nu in het algemeen voorbygaende49 50 en my in het byzonder tot uwe E. wendende: ghy, mijn Heere, hebt5050-52 51 met heylzame raden vaecken dezes Stads en der hooger Heeren Staten51 52 vergaderinge bekleed, en uw eygen voordeel te rugge zettende, het52 53 gemeene best nae tijds gelegentheyd gevordert en helpen vorderen, zoo53 54 dat geen verstandige zich met recht zal belgen dat wy oorzaeck nemen54 55 in uwe E. persoon te verheffen en als aen te bidden de zeer heusche55 56 en beleefde Regeringe, onder wiens vleugelen wy zoo gerustmoedigh56 57 hebben geschuylt, en den grooten God gedanckt, die over ons had gestelt 58 zoo mildaerdige en bescheyden Goden, de welcke nae het getuyghenisse58 59 van eener, die mijn Heer in het gezond oordeel van burgerlijcke zaecken59-6059 60 niet ontaerd, zijn60

 
uytblinckende als in 't goud het heldere gesteent.61

62 Daer mangelt dan by de goede ingezetenen niet anders als danck-62 63 baerheyd: weshalven om onze beleefde Regeerders in uwe E. persoon 64 nae mijn geringh vermogen een geringh teecken van aller ontfangen64

[p. 82]

65 weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ick uwe E. dit mijn Treur- 66 spel van het verwoeste Hierusalem, of om zoo te spreken mijn tranen 67 uytgestort over den bloedigen ondergangh van het Iodische volck: en67 68 dat noch zoo veel te liever, overmids uyt uwe E. lendenen gesproten is68 69 die GROOTE APOLLO die onze nederduytsche tale den dagh, en zijn69 70 treffelijck geslacht schoonder luyster geeft: en wiens gulde rymen in het70 71 voorhoofd van aenzienelijcke Stads gebouwen kunstigh gegraveert, en71-72 72 inde Kercken boven de tomben met goude letteren in gladde toetsteen72 73 uytblincken, en de voorbygangers al verbaest ophouden. Ontfangt dan,73 74 mijn Heere, deze mijn geringe danck en schuldoffer, meer ziende op den74 75 wille als het kleyn vermogen, en bereyckt, o wyze gryze en landnutte75 76 Raedsheer, Nestors statige en veeljarige ouderdom ten goeden van ons76 77 gemeen beste. t' Amstelredam dezen 20. van Loumaend. 1620.77

78 Vwe E. en A. gants onderdanige78

I.V. Vondelen.

[p. 83]

Aenden Gedichtlievenden Lezer.

1 Dat de Alderhooghste van het onmenschelijck bloedvergieten eenen 2 afkeer heeft, zulcx hebben oock de blinde Heydenen eenighsins gedroomt2 3 en gevoelt: want zy ontzagen den altaren, en den dingen die zy heyligh3 4 schatten te genaecken met handen of kleederen die besprenckelt waren 5 met beesten of menschen bloed. dit geeft Virgilius door zynen vluch- 6 tenden AEneas eendeels te kennen daer hy hem doet spreken:6

 
Wilt, Vader, kuysche ving'ren aen7
 
d' Huysvaderlijcke Goden slaen.7-8
 
'tWaer my een schandvleck rechtevoort9
10
Die, nu ick uyt zoo versche moord,
 
En zulcken slachtingh koom gevloon,11
 
Te roeren, eer ick reyn en schoon12
 
Heb afgewasschen 't laeuwe bloed
 
In 't water van een frissche vloed.

15 En Homerus door zynen strydbaren Hector:15

 
't En past niet datme God Iuppijn16
 
Met onreyne handen offert wijn:
 
De schaemt' verbiedme, nu 't gemoed18
 
Van menschenslachten en van 't bloed
20
Ontsteld is, voor den Goden luyd
 
Te storten mijn gebeden uyt.
[p. 84]

22 en gewisselijck God de Heere schijnt hier in bynae met zich zelven te22 23 stryden wanneer hy den Koningh David, die voorgenomen hadde hem23 24 een huys te timmeren, aldus aenspreeckt: Ghy en zult mynen name geen24 25 huys bouwen, want ghy zyt een Kryghsman en hebt bloed vergoten. Hier uyt 26 vloeyt dan niet als te krachtiger, gelijck oock de Koninghlijcke Propheet26 27 leert, dat de dood der Heyligen weerd gehouden is voor den Heere: het27 28 welck oock betuyght werd door de schrickelycke oordeelen Gods gevelt 29 over de Tyrannen die zijn volck verdruckten, en haer handen in het bloed29 30 der Rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den Ioden zoo uyt de wet en 31 Propheten als andersins overvloedigh bekent was, nochtans hebben zy31 32 haer niet ontzien Gods Propheten enzendboden te dooden en te steenigen,32 33 gelijck de Heere Christus henluyden zulcx in het Euangelie voorwerpt,33 34 alle welcke zonden en grouwelen zy ten lesten hebben opgehoopt met34 35 het onmenschelijck bloedstorten en kruyssigen vande verschenen Zaligh-35 36 maker, die, nae Esaias voorzegginge, doen hy gestraft en gemartelt wierd36 37 zynen mond niet opdede, als een lam dat ter slagtbanck geleyd word, en37 38 als een schaep dat stom word voor zynen scheerder, en zynen mond niet op38 39 en doet. en die zoo klaeghelijck door den Psalmist uytroept: Mijn God39 40 myn God waerom hebstu my verlaten? en noch Ick ben een worm, en geen40 41 mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volcx. alle die my zien

[p. 85]

42 sperren den mond op, en schudden den kop. Maer nae dat nu de Godde-42 43 looze menschen haren bloedorstigen moed gekoelt en die afgrysselyckste43 44 zonden volbrocht hadden, zoo is de wraecke des rechtveerdigen Rechters44 45 hun kort op de hielen geweest, en zy zyn van dagh tot dagh aen alle 46 kanten jammerlyck overvallen als van stormen en plasregens van allerley46 47 plagen en ellenden, die eerst met den eyndlijcken en geheelen onder- 48 gangh des Iodischen volcx zyn ge-eyndicht: gelyck Iosephus, Egesippus48 49 en andere Geschichtschryvers daer van op het breedste handelen, en49 50 Carolus Langius zulcx zynen Lipsius kort en geleerdelijck als in een5050-51 51 tafel vooroogen stelt, zegghende: Laet ons van Iudea beginnen dat is51 52 van een heyligh land en volck Gods. Ick gae voorby het gene zy in 53 Egypten, en nae haren optocht uyt Egypten geleden hebben: want53 54 dat is ons duydelijck genoegh inde heylige boecken naegelaten: ick 55 kome tot de zwaerste en tot die gene die als aen haer uytvaert be-55 56 hooren. Het welck ick best elck in het byzonder als met een register56 57 zal verklaren. Zij hebben dan met het in en uytlandsche oorloogh dit57 58 uytgestaen:

59 Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus gedood zes59 60 honderd en dartigh.

[p. 86]

61 Te Cesarien op een tijd vande inwoonders uyt haet van het volck en de61 62 Godsdienst twintich duyzend. 63 Te Scythopolen, een stad in Syrien, darthien duyzend. 64 Te Ascalon in Palestynen oock vande inwoonderen twee duyzend vijf64 65 honderd.

66 Te Ptolemaïde van gelijcken twee duyzend.66

67 Te Alexandrien in Egypten onder de voogdije van Tiberius en Alexander67 68 vijftigh duyzend.

69 Te Damascus thien duyzend.

70 En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toegedragen: en70 71 daer nae met een wettelijck en openbaer oorloogh vande Romeynen:71

72 Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen acht72 73 duyzend vier honderd.

74 Op zekeren bergh Cabulon twee duyzend.

75 Inde slagh by Ascalon thien duyzend.

76 Wederom door verraed acht duyzend.

77 Te Aphaca als het ingenomen was vijfthien duyzend.77

78 Op den bergh Garizim zijnder verslagen elf duyzend vijfhonderd.

79 Te Iotapata, daer Iosephus zelf was, ontrent dartigh duyzend.79

80 Ioppe andermael ingenomen wezende, zoo zijnder verdroncken vier duy- 81 zend en twee honderd.

82 In Taricheen zijnder verslagen zes duyzend vijfhonderd.

83 Te Gamalien, zoo verslagen, als die haer zelf vande steylte wierpen negen83 84 duyzend. en daer is in die Stad niet een mensch behouden gebleven, 85 als twee vrouwen wezende gezusters.

86 Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee duyzend86 87 en zoo vrouwen als kinderen gevangen dry duyzend.

[p. 87]

88 Van Gadarensers zijnder verslagen darthien duyzend, en gevangen88 89 tweeduyzend twee honderd, behalven die in ontallijcke menighte89 90 inde rievier gesprongen zijn.

91 Inde Dorpen van Idumea zijnder verslagen thien duyzend.91

92 Te Gerasien duyzend.

93 Te Macherunten duyzend twee honderd.

94 In het bosch van Iardes dry duyzend.

95 In het Kasteel Massada, die haer zelven hebben gedood negen honderd 96 zestigh.

97 Te Cyrenen zijnder van Catulus de Landvooghd verslagen dry duy-97 98 zend.

99 Maer gedurende de belegeringe, zijnder inde Stad Hierusalem zelf ge- 100 storven, en verslagen thienmael honderd duyzend, en gevangen zeven 101 en negentigh duyzend.

102 Dit getal beloopt, behalven ontellijcke die achtergelaten zijn, twelfmael102 103 honderd en veertigh duyzend. Wat zeghdy Lipsius? slady hier over103 104 uwe oogen nederwaerts? heftze liever op: en schroomt niet met my, 105 de veeljarige oorloogen van gants Christenrijck met de nederlage van105 106 dit eenige volck te gelijcken: maer hoe kleynen stucxken lands en106 107 hoop volcx is dat geweest ten aenzien van geheel Europa?’ Dus verre107 108 uyt Lipsius.108

109 Daer zien wy wat het kost den Vorst des levens te dooden en het109 110 bloed, dat genoeghzaem is tot een ranssoen voor des geheelen weerelds110 111 zonden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aendachtige ouwd-111 112 vader Hieronymus mogen wy van Ierusalem spreken: Fame perit, ante112 113 quàm gladio. De Stad vergaet eer door honger als door het zweerd. en 114 liever, als een volkomen verhael te doen vande ellenden, die gedurende114

[p. 88]

115 de belegeringe voorgevallen zijn, willen wy, ons daer over verwonde- 116 rende, met den Poeet roepen:116

 
Quis cladem illius noctis, quis funera fando
 
Explicet? aut possit lacrymis aequare labores?
 
Urbs antiqua ruit, multos dominata per annos:
120
Plurima perque vias sternuntur inertia passim
 
Corpora perque domos, et religiosa deorum
 
Limina.

123 Dat is:

 
Wie zal de lijcken, wie de ne'erlage ons verklaren
125
Van die vervloeckte nacht? of konnen evenaren
 
Met tranen al het leet? die ouwde Stad die stond,125-126
 
En had zoo langh 't gezagh, stort plotzelingh te grond.
 
Veel olick volcxken men alsins ter ne'er doet stromp'len,128
 
Langhs straet, in huys, en op der Goon gewyde dromp'len.129

130 Iosephus zelf een Iode erkent deze nederlage te zijn een byzondere130 131 Goddelijcke wraecke, overmids de Tyrannen te Ierusalem meer door131 132 vreeze als nood uyt hare onwinbare vastigheyd weken: en Titus nae132 133 het veroveren der Stad zich verwonderende over den geweldigen bouw 134 van torens en muyren, en der steenen hooge groote en behendige te134-135 135 zamenvoeginge zeyde: gewisselijck God heeft voor ons gestreden, en zelf 136 den Ioden uyt zulcke vestingen gedreven, want wat menschen handen of136 137 stormgeveerte mocht hier tegen gelden. Dit word, behalven uyt meer137 138 omstandigheden, die wy om de kortheyd voorby gaen, oock hier mede138 139 bevestight, overmids zy niet van een onmenschelijck Tyran maer van139 140 een goedertieren Prince bestreden zijn, die liever haer behoud als on-140 141 dergangh zocht, en gehouden wierd voor de wellust en het vermaeck141

[p. 89]

142 des menschelijcken geslachts. Dat dien volgende de Romeynen dit voor142 143 een uytnemende overwinningh hebben geacht, blijckt uyt het heerlijcke 144 zegefeest over der Ioden nederlage te Romen geviert: alwaer Vespa-144-145 145 siaen, Titus en Domitiaen met looverkranssen en purper geçiert de 146 triumphpoorte inreden: daer der Romeynen beelden en afgoden, mids-146 147 gaders de Arcke des Verbonds, de gouden tafel, Moyses en Aärons147 148 roede, vier tempelstylen, de toonbrooden, den gulden kandelaer, de148 149 wettafelen, en andere heylighdommen met een wonderbaerlijcke pracht149 150 statigh heromme gevoert wierden, en daer de schare vande gevangen150 151 Ioden dragende de handen op den rug gebonden, en naeckt ten halve 152 lyve hun vyanden een gaepspel verstreckten, en met haer versmaed-152 153 heyd der Heydenen staci verheerlijckten. Van deze gehouden zegefeest153 154 getuyght noch op huyden te Roome de Arca triumphalis of triumph-154 155 boge staende in via sacra boven de Kercke van S. Maria nova, opge-155 156 trocken van schoone Marmor, en met goud geçiert: inde welcke deze156 157 woorden in steen tot een eeuwige geheugenisse uytgehouwen staen:157

158 SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANI158-159 159 FILIO, VESPASIANO AVGUSTO, ET OB VICTORIAM ET PERPETVVM.

[p. 90]

160 De volgende letteren heeft de nydige tijd en gryze ouderdom uyt-160 161 gewischt: oock isser noch een ander schrift aldus:

162 S.P. Q.R. IMP. TITO, CAES. DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO162 163 AVGVSTO PON. MAXIMO TRIB. POT. IMP. P.P. PRINCIPI SVO, QVI163 164 PRAECEPTIS PATRIS CONSILIISQ. ET AVSPICIIS, GENTEM IVDEORVM 165 DOMVIT, ET VRBEM HIEROSOLYMAM, OMNIBVS ANTE SE DVCIBUS, 166 REGIBVS, GENTIBVS, AVT FRVSTRA PETITAM, AVT OMNINO INTEN- 167 TATAM, DELEVIT.

168 Zoo leegh zijn die gene gedaelt die tot den Hemel en aende sterren168 169 verheven waren, een volck dat eertijds met God en de Engelen ge- 170 meenschap hadde: zy wien vuyr water aerde en locht ten dienste170-171 171 stonden, zijn alle dingen tegen geweest, en hebben het al tot vyand 172 gehad, en Roome heeft den roem weghgedragen van tot den grond 173 en ondersten wortel toe uytgeroeyt en verdelght te hebben een ouwde 174 Koningh en Priesterlijcke Stad, die nae veel geleden aenvechtingen174 175 van haer eerste grondlegginge 2177 jaren hadde gestaen. Onze ver-175 176 smitste Cunaeus magh wel zeggen: Ita vertuntur subitò cuncta, & omninò176 177 natura, quae ad originem rerum parcè utitur viribus suis, ad ruinam toto 178 impetu venit. alzoo word alles schielijck te gronde gesmeten, en Nature die 179 tot der dingen oorsprongh al heel spaerzaem hare krachten bezight, komt179 180 met volle geweld ten bederve. en de mond der waerheyd voorspelde geen180

[p. 91]

181 ydele droomen als hy sprack: Hier zal niet eenen steen op den anderen181 182 blyven die niet afgebroken zal worden. Het overschot der Ioden heeft 183 zedert in gedurige ballinghschappen jammerlijck omgezwerft en allerley183 184 zwarigheden bloedigh en ellendigh uytgestaen. Zoo de kinderen der184 185 voorvaderen misdaed bekenden, zy zouden billijck beklagen dat haer185-186 186 ouwderen riepen: Zijn bloed zy op ons en onze kinderen. Want gelyck 187 Prudentius zinght:187

 
Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat
 
Iudaeus, postquam de patria sede revulsus,
190
Supplicium pro caede luit, Christique negati
 
Sanguine respersus commissa piacula solvit.

192 Dat is:

 
De Iood zynde uyt den stoel zyns vaderlands geruckt193
 
Dwaelt vluchtigh hier en daer in ballinghschap verdruckt,194
195
's Moords straffe draeght, en met 'sverzaeckten Christus bloed195
 
Besprenght, zyn misdaed, en begangen zonde boet.196

197 Niemand hopen wy zal ons leep en over dweers aenzien dat wy dit197 198 groot treurspel hier wederom als op het tooneel te voorschijn brengen198 199 op datmen aenmercke Gods strengheyd over die gene die gevallen zyn:199 200 aengezien wy hier in als op het spoor naevolgen den heyligen en bran-200 201 denden yver vande Koninghlijcke harpenaer David, en de Goddelycke201 202 dichter Ieremias: van welcke beyde, Deze, in zijn klaeghlieden heeft202 203 beweent de verstooringe der stad Gods en des ganschen Koninghrijcx,203

[p. 92]

204 en de ongelucken by het Iodische volck uytgestaen onder den Baby-204 205 lonischen Nebucadnezar: Die, met zijn snarenspel getreurt over de205 206 bloedstortinge en aenstoot de welck Ierusalem vande Tyran Antiochus206 207 te verwachten stond. effen alzoo beklagen wy mede het uyterste en207-208 208 grootste iammer dat de Dochter Sion onder de Roomsche Keyzeren 209 Vespasiaen en Titus is overkomen, en vieren de uytvaert dezes beroem-209 210 den geslachts. Mijn Zangeresse vanden hoofde ten voeten toe in rouwe,210 211 treurt over die verwoestingh die Christus aller Engelen en geloovigen 212 blyschap tranen gekost heeft, onaengezien hy dezes versteenden volcx212 213 wreedheyd in zynen vleesche voelde, en den kelck der bitterheyd korts213 214 van haer ontfing. Maer och hoe vaeck hebben wy gewenscht dat onze214 215 rymen mochten antwoorden de weerdigheyd vande stoffe: voorwaer215 216 zoodanigh wezende, dat wy hier van onze geringheyd moeten roemen,216 217 en belyden dat het maer stuckwerck is wat wy voortbrengen: want217 218 het gene de Latijnsche Treurspeelder door zijn van droefheyd over-218 219 wonnen Koninginne uytschreeuwt:

220
Non unquam tulit
 
Documenta Fors majora, quam fragili loco
 
Starent superbi.
[p. 93]

223 Het zelfde mogen wy door onze bedruckte Vorstinne aldus uyt-223 224 roepen:

225
Het Loth en wees noyt klaerder aen
 
Hoe slibb'righ dat de trotze staen.226

227 En zullen wy met Euripides Seneca en andere Poëten dingen nae227 228 den palm, dat is, om wie van ons beyden hooghdravender en uytne-228-229 229 mender zaecken verhandelt: de Ioodsche Stammen van wegen haer 230 afkomst zijn by ons niet leeger geadelt als de Phrygen by haerlieden.230 231 De Dochter Sion wijckt niet voor Hecuba, noch Ierusalem voor thien231 232 Troijens. Ginder was de Kerck van Minerve: hier des Heeren Tempel232 233 dat zesenveertighjarige getimmer, het welck aller uytheemschen oogen233 234 in Syrien lockte, en waer in de Nijd niet als enckel schoonheyd ver-234 235 achte. Daer stond het Palladium: hier school de Arcke des Verbonds235 236 bedeckt met goude Cherubynen, en meer heylighdoms elck om het236 237 heerlijcxste. Oock is de Iordane die den Israeliten weeck, en de Beke237 238 Cedron over de welcke Iesus gingh meerder als Xanthus. Davids burght238 239 gaet Ilium te boven. Zy hebben het Griecxsche leger, wy de Roomsche239 240 heyrkrachten aengevoert. Hare Oversten en voorbarighste waren Agam-240-241

[p. 94]

241 memnon en Menelaus, Achilles en Pyrrhus: mijn Veldheeren zijn Ves- 242 pasiaen, de strijdbare Titus zynen zone en andere. Laetze al haer best242 243 Laomedon, Priamus en Hector roemen: ick zal Iosua, Gedeon, David,243-244 244 Salomon, en de andere Koningen en Helden pryzen. Willenze met de 245 Amazone, Penthesilea proncken: ick zal met Debora, Iudith en zulcke245 246 Heldinnen brageren. Zy hebben de Rhaeteesche heuvelen, bewandelt246 247 van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wy de heylige bergen,247 248 vaeck betreden van zulcke, die, haer werck onder maen verricht hebben-248 249 de, als blixemen door het azuyr en het goud des blinckenden Hemels nae249-251 250 den vrolijcken stoel Gods opvoeren. Wederom, die verzierde twist rees 251 uyt Paris oordeel: deze uyt Pilatus vonnis. Gene Scheydsman oordeelde 252 Venus te gevalle om de schoone Helena: deze Rechter den Ioden om252 253 de Keyzerlijcke gunst. De een gaf een gewaende Godinne den twist-253 254 appel als het verdiende pand van hare schoonheyd: de ander leyde254 255 den betuyghden levendigen Zone Gods het Kruys op zijn schouwderen255 256 als verschulde straffe van zijn mismaecktheyd. Cytherea behield op256 257 Ida den zege: Christus wierd op Calvarien gedoemt. en zoo voort. Dit257

[p. 95]

258 dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo zietmen met een half 259 oogh welcke stoffe van beyden meest weeght, en hoe de Zonne des259-260 260 heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet. 261 Indien de Lezer greetigh is om de nuttigheyd van dit werck en de261 262 oorzaecken van Israëls val nae te vorschen, hy geve den Engel Gabriël 263 gehoor wien wy in het eynde de verklaringe des zelfs bevolen laten.263 264 Maer ontbeyd, ick zie alreede het tooneel openen, en het volck met264 265 opgesteken ooren en gapende monden nae den inhoud van het Spel265 266 luysteren. Het is hoogh tijd dat wy zwygen.

[p. 96]

Het inhoud.*

1 Zedert dat de Ioden hare grouwelen en zonden, begaen in het dooden 2 en vervolgen der Propheten, hadden opgehoopt met het onmenschelyck2 3 bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome3 4 Heyligen Gods: zoo heeft haer verdoemenisse niet geslapen. want Florus,4 5 die naemaels vande Keyzer Nero was gestelt als Landvooghd over Iudea,5 6 ontstack met zyn inslockende gierigheyd en onverdraeghlycke wreed-6 7 heyd den brand van tweespalt: waer uyt vele jammerlycke beroerten en7 8 bloedige slachtingen tusschen Ioden en Romeynen langhs hoe meer zijn8 9 ontstaen: zoo dat eyndlijck de Keyzer veroorzaeckt was Vespasiaen,9 10 als Veldoverste over het Syrische krygsvolck, derwaerts te zenden: die 11 vergezelschapt met zynen zone, Iotapata daer Iosephus gevangen wierd,11 12 en voorts het Iodische land met meest alle de omliggende plaetsen ver- 13 meestert, en Ierusalem bezet hebbende, tydinge kreegh hoe nae Neroos 14 rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende, Vitellius het14 15 gebied tot zich getrocken hadde: waerom de Roomsche Hoofdluyden15 16 hem drongen het Keyzerdom te aenveerden en derwaerts te trecken,16 17 gelijck hy oock dede, latende Titus de volendinge van het aengevangen 18 oorloogh bevolen. Ondertusschen was het te Ierusalem zoo verre ge- 19 komen datze als in slaghoorde in dry rotten vyandelyck gedeylt stonden,19

[p. 97]

20 te weten: de Zeloters, die Eleazar aenhingen, hadden den Tempel, Io-20-21 21 hannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der Stad in.21 22 Titus hier van verwittight heeft deze gelegentheyd waergenomen, en in het 23 72. jaer nae Christus geboorte, 't welck is het tweede jaer van Vespasiaens23 24 Ryke, op den 14en. vande maend April, als de Ioden haer Paeschfeest24 25 vierden, de Stad met zyn Ruyterije berent belegert, en eerlange nae veel25 26 gehouden schermutselingen en gedane stormen met een muyr in dry dagen26-27 27 tyds bezet en besloten: waerop gevolght is een onlydelycke honger- 28 snood, die de burgerlijcke beroerten dede aengroeyen, en ontallijcke28 29 menschen versmachten: zoo datze genoodzaeckt waren de doode licha-29 30 men over Stads muyren inde grachten te worpen, jae een edel Ioffrouwe30 31 spyze van haer onnoozel kind most bereyden. De thiende dagh van31 32 Oeghstmaend wierd het vuyr inde Tempel gesteken, daer een onmen-32 33 schelijcke slachtingh gebeurde, en alle Priesterlijcke gebouwen afbranden.33 34 En hoewel de Keyzer hun vaeck hulde aenbood, en haer beloofde in34 35 genade op te nemen zoo zy haer goedwilligh overgaven: nochtans35 36 volherden zy inde voorgaende halstarrigheyd, tot dat ten lesten op de36

[p. 98]

37 achtste dag van Herbstmaend de overstad gewonnen, en alles in vuyr en37 38 bloed wierd gestelt. Nae de overwinninge ontbrack het den Roomschen38 39 Soldaten aen geenderhande moetwil en wreedheyd over de verwonnene39-40 40 te plegen. Titus de schuldige nae haer verdienste gestraft en zeven hon- 41 derd iongelingen sterck van lichaem tot het aenstaende zegefeest, dat41 42 hy te Roome dacht te houden, uytgezondert hebbende, bedanckte zijn42 43 Krijghsluyden voor haer dapperheyd inde strijd betoont, verplichte haer43-44 44 manhaftigheyd met den verkregen roof en eerlijcke ampten, en offerde 45 danckbaerlijck op de heylige plaetse des Tempels zijn Goden. Daer nae45 46 stelde hy Terentius Ruffus tot Overste van zijn thiende bende, die hy46 47 tot bezettinge liet vande verwoeste Stad, en vertrock met het gansche47 48 leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboecken melden dat48 49 Simeon Christenbisschop met zijn heylige vergaderinge, volgens het ont-49 50 fangen Godlijck antwoord, van Ierusalem te Pella vluchte, en als Iudea50 51 wat in ruste was weder te Ierusalem metter woon quam: zoo hebben wy,51 52 om ons geheel werck Christelijcker wyze te verklaren, en alles leerlijck52 53 voor oogen te stellen, verziert, dat hy met de zyne wederkeerende als53 54 het leger iuyst vertrocken was, en de verwoeste Stad bezichtigende: hun 55 de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaerheyd aengedaen, verschijnt,55 56 die henluyden volkomentlijck ontsluyt de oorzaecken vanden val en56

[p. 99]

57 ondergangh des Iodischen volcx, met meer omstandigheden die daer aen57 58 vast zijn. Daer hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uyt58 59 Iosephus 2. 3. 4. 5. 6. en 7. en Egesippus 2. 3. 4. en 5. en Eusebius 2.59 60 en 3. en Carions 3. boeck, en uyt meer andere Schryvers. Het tooneel60 61 is op rondom en ontrent de verwoeste plaetsen daer het Krijghsvolck61 62 legert, en Ierusalem gestaen heeft.

[p. 100]

Aende Ioodsche Rabbynen.*
Klinckert.aant.

 
De Rey uws Priesterschaps was als van blyschap droncken1
 
Doen Iesus hingh aen't hout met ermen uytgestreckt,2
 
Gekruyst, gegeesselt, en bespogen, en begeckt,3
 
Om dat hem was den Kelck der bitterheyd geschoncken:4
 
5
Zy dachten luttel dat Rechtveerdigheyd, die boven
 
In 's Hemels gulden schoot de weeghschael recht op houd,6
 
't Onschuldigh bloed meer schat als fijn Ophirisch goud,7
 
En telt al 't zuchten vande Waerheyd hier verschoven.8
 
 
Maer als de dagh aenbrack die God beschoren had9
10
Tot wraeck van 't schelmstuck van die Godvergeten Stad10
 
En 't volck dat veyligh dacht te staen op heyl'ge dremp'len:11
 
 
Doen zaghmen baer wat zonde al plagen met zich brocht,12
 
En dat de Boosheyd tot geen borstweer strecken mocht
 
Geweld van muren noch schijnheyligheyd van Temp'len.13-14

Door een is 't nu voldaen.*