auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | | | |
[Hiervsalem verwoest]aant.aant.aant.aant.
Hiervsalem verwoest wordt hier afgedrukt volgens
de eerste uitgave van 1620 (tietelblad hiernaast)
(Unger: bibliographie nr. 91)
De drie werken Hiervsalem Verwoest, De Heerlyckheyd van Salomon en De Helden Godes worden hier achtereenvolgens afgedrukt naar de tekst van hun gelijktijdige eerste verschijning en wel in de volgorde van hun dagtekening door Vondel zelf: 20 Jan., 28 Jan., 11 Febr. 1620. Ze zijn natuurlik vóór 1620 geschreven, de beide laatste mogelik enige jaren vroeger.
Gezamenlik zijn de drie werken van 1620 uitgekomen in een bundel, waarvan de volledige inhoud vermeld staat in de uitvoerige tietel: ‘De Helden Godes des Ouwden Verbonds/ Met kunstige beeldenissen vertoont, en poeetelijck verklaert. Midsgaders: een Hymnus of Lofzangh van de Christelijcke Ridder*), de Heerlijckheyd van Salomon, en Hiervsalem Verwoest. Gerijmt door I.V. Vondelen.’ (Unger: Bibliographie, Nr. 99). Alle vier deze werken hebben in deze verzamelde uitgave ieder hun eigen signatuur en bladzijnummering, terwijl de Salomon en de Hiervsalem ieder hun eigen tietelblad voeren, in een zelfde typografiese trant. We reproduceren hier alleen het tietelblad van Hiervsalem Verwoest, en zullen de twee andere zelf zetten in de stijl van de oorspronkelike. Het op alle drie de tietelbladen voorkomende uitgeversmerk stelt voor een Kristelike Ridder met zijn spreuk: ‘Ick strii op sno eerde’, samengesteld uit de letters van Dierick Pieterssoon, 's uitgevers naam.
In de tietel: Hiervsalem: de oorspr. naam van Jeruzalem, ontleend aan 't Grieks-Latijns Hierosolyma, en dit weer aan 't Kananees: Urusalem, stad van vrede; tot naedencken: om na te denken (over hun verhouding tot Kristus en hun bekering); tot waerschouwingh: tot 'n waarschuwing om Gods barmhartigheid niet op de proef te stellen en Hem vermetel uit te dagen zoals de Joden, (waerschouwingh met Brab.-Holl. ou); als op het tooneel voorgestelt: (en wel) op 't toneel voorgesteld; dit is 't verklarende als, dat wij dikwels niet meer gebruiken; vgl. Dl. 1, blz. 463, op vs. 75, en dit Dl. blz. 86, op vs. 70; Mat. XXIII: uit 't Evangelie volgens Mattheüs, 23e hoofdst., 38e vers: zie uw huis [nml. de tempel] zal u verwoest (woest) worden achtergelaten (gelaten), [uit de klacht van Kristus over Jeruzalem]. De aanhaling van Vondel is letterlik uit de deux-aes-Bijbel van Van Wingen; Virg: in AEneas I. Boeck: uit 't epos van Virgilius, de ‘AEneas’ 't 1e boek, vs. 462: de Latijnse tekst is: hic... sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt: hier zijn de tranen over onze (ellendige) toestand, en treffen onze menselike rampen hun hart. Van bij Vondel is minder juist. Later, 1646 en 1660, vertaalt ie 't juister (Eneas 1, vs. 665, 666). Ons en onse in alle gevallen gebruikelik.
| | | |

Tietelblad der eerste uitgave op ware grootte
| |
| | | |
Aen mijn Broeder
Op het Trevrspel der Ioden.
Klinckert.
Euripides die heeft d'aenschouwers langh voorhenen1
Ten oogen eenen vloed van Peerlen uytgedruckt,2
Als Hecuba bedroeft uyt haren throon geruckt3
Beschreyde Troijens val met zuchten en met stenen:4
5
Maer ghy, o Broeder! der Hierosolymitanen5
Droef Treurspel ons vernieuwt, en klaeghelijcke moord,6
Hoe deerlijck Titus heeft Ierusalem verstoort:7
Om wien de vyand zich niet spenen kost van tranen. 8
Een wreed Barbarisch hert moet schricken als 't verstaet9
10
Hoe Sions Heerlijckheyd, en pracht te gronde gaet:10
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,11
De maghtighste Pilaer van 't vruchtbaer Ioodsche land
Is omgeworpen: hoe eens Moeders eygen hand13
Haer teeder kind uyt nood gaet tot spijsoffer maken. 14
| |
| | | |
Den erentfesten, achtbaren,
Wyzen en Voorzienigen Heere Cornelis Pietersz. Hoofd, Raed, en ouwd Burgermeester der om des weerelds ommeloop wyd beroemde Koopstad Amstelredam.*
Mijn Heere,
1 Wanneer de heylige Paulus den Christgeloovigen vermaent te bidden1 2 voor Koningen en alle die in macht en hoogheyd gestelt zijn, op dat wy2 3 een gerustig en stil leven mogen leyden in alle Godzaligheyd en eer-3 4 baerheyd: zoo leert hy ons al stilzwygende hoe wy wyze en vrome Over- 5 heden behooren met eerbiedigheyd te omhelzen als eenen grooten zegen5 6 Godes en fonteyne waer door allerhande heyl en welvaren ons bequa-6 7 melijck toevloeyt: want gelijck een treffelijck Philosooph zeght: ubi praeses7 8 fuerit Philosophus, ibi civitas erit felix. die Stad zal geluckigh zijn daer de8 9 Overheyd wijsheyd zal naespooren. De proeve hier van hebben wy naest9 10 eenige jaren herwaerts gehad in deze onze vereenighde Nederlanden, 11 die met de hulpe des Alderhooghsten zoo vele gevaren geluckighlijck
| | | |
12 zijn voorby gezeylt, door het voorzichtig en wijs beleyd van hare ge- 13 trouwe en vrome Regeerders, die als zorghvuldige Vaderen voor het 14 welvaren des Vaderlands en des zelfs vryheyd geduyrigh hebben ge- 15 waeckt gebraeckt en alles uytgestaen. De weerdighste vrucht van deze15 16 arbeyd is dat vele duyzend verjaeghde menschen in den schoot en het16-vlgg.16 17 gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvry zijn geherberght en lieflijck17 18 gekoestert, en die in veylige schaduwe gezeten niet meer hoeven te18 19 vreezen de grimmigheyd van die uyt het voorborgh der Hellen opgedon-19 20 derde Spaensche Alecto, die drymael haer geslangde perruyck geschud20 21 hebbende, met haer fackel het vuyr stack inde mutsaerden en rijsbossen21 22 die de palen en staecken bekleeden waeraen dagelijcx vele vrome Chris-22 23 tenen wierden vast gemaeckt, die midden inde vlammen Iesus Christus lof 24 toezingende, hem lijf en ziele opofferden tot eenen zoeten en Godbe-24 25 haegelijcken reuck. Indien wy ernsthaftigh overwegen de als in het hemde25 26 ontvloden wreedheyd, en wederom de genoten ruste en veyligheyd:26 27 gewisselijck wy moeten geperst zijnde van een danckbaer gemoed met27 28 de aen strand opgeworpen AEneas uytbarsten en roepen:28
| | | |
O die ghy neemt alleen van ons Troijaensche gasten 29
30
Het leet ter herten en d'ondraeghelijcke lasten: 30
Die ons het overschot der Griecken hier gestrand, 31
En uytgeput van 't ramp te water en te land, 32
Noch herberght in uw Stad en huys met rouw bewogen. 33
O Dido! 't staet noch in ons macht, noch in 't vermogen
35
Van 't volck van Dardanus, dat over al beroyt 35
Dwaelt om den ganschen Kreyts des aerdrijcx wyd verstroyt, 36
Verschulde danckbaerheyd nae eysch u op te dragen: 37
De Goon (zoo verre noch een Godheyd schept behagen
In ware Godes vrucht: zoo billyckheyd noch plaets 39
40
By ymand heeft, en een gemoed dat zich niet quaeds 40
Maer 't goed bewust is) 't loon u nae verdienste ionnen. 41
Wat blyder eeuwe heeft u gebracht in 't licht der Zonnen! 42
Wat treff'lycke ouwd'ren u geteelt tot ons gewin! 43
Zoo langh de mind're vloe'n afloopen Zeewaert in: 44
45
Zoo langh de schaed'wen op de bergen gaen en merren, 45
En 's Hemels As geleyd de vloock gewelfde sterren, 46
Zal duren uwen naem en faem met lof en eer,
Het zy wat land my roept, of waerwaerts ick verkeer. 48
| | | |

Pieter Corneliszoon Hooft
Kopergravure door A. Houbraken vervaardigd naar de schilderij van M. van Mierevelt (prent van het Vondelmuseum)
| | | |
49 Onze E.E. en A.A. Overheden nu in het algemeen voorbygaende49 50 en my in het byzonder tot uwe E. wendende: ghy, mijn Heere, hebt5050-52 51 met heylzame raden vaecken dezes Stads en der hooger Heeren Staten51 52 vergaderinge bekleed, en uw eygen voordeel te rugge zettende, het52 53 gemeene best nae tijds gelegentheyd gevordert en helpen vorderen, zoo53 54 dat geen verstandige zich met recht zal belgen dat wy oorzaeck nemen54 55 in uwe E. persoon te verheffen en als aen te bidden de zeer heusche55 56 en beleefde Regeringe, onder wiens vleugelen wy zoo gerustmoedigh56 57 hebben geschuylt, en den grooten God gedanckt, die over ons had gestelt 58 zoo mildaerdige en bescheyden Goden, de welcke nae het getuyghenisse58 59 van eener, die mijn Heer in het gezond oordeel van burgerlijcke zaecken59-6059 60 niet ontaerd, zijn60
uytblinckende als in 't goud het heldere gesteent. 61
62 Daer mangelt dan by de goede ingezetenen niet anders als danck-62 63 baerheyd: weshalven om onze beleefde Regeerders in uwe E. persoon 64 nae mijn geringh vermogen een geringh teecken van aller ontfangen64
| | | |
65 weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ick uwe E. dit mijn Treur- 66 spel van het verwoeste Hierusalem, of om zoo te spreken mijn tranen 67 uytgestort over den bloedigen ondergangh van het Iodische volck: en67 68 dat noch zoo veel te liever, overmids uyt uwe E. lendenen gesproten is68 69 die GROOTE APOLLO die onze nederduytsche tale den dagh, en zijn69 70 treffelijck geslacht schoonder luyster geeft: en wiens gulde rymen in het70 71 voorhoofd van aenzienelijcke Stads gebouwen kunstigh gegraveert, en71-72 72 inde Kercken boven de tomben met goude letteren in gladde toetsteen72 73 uytblincken, en de voorbygangers al verbaest ophouden. Ontfangt dan,73 74 mijn Heere, deze mijn geringe danck en schuldoffer, meer ziende op den74 75 wille als het kleyn vermogen, en bereyckt, o wyze gryze en landnutte75 76 Raedsheer, Nestors statige en veeljarige ouderdom ten goeden van ons76 77 gemeen beste. t' Amstelredam dezen 20. van Loumaend. 1620.77
78 Vwe E. en A. gants onderdanige78
I.V. Vondelen.
| |
| | | |
Aenden Gedichtlievenden Lezer.
1 Dat de Alderhooghste van het onmenschelijck bloedvergieten eenen 2 afkeer heeft, zulcx hebben oock de blinde Heydenen eenighsins gedroomt2 3 en gevoelt: want zy ontzagen den altaren, en den dingen die zy heyligh3 4 schatten te genaecken met handen of kleederen die besprenckelt waren 5 met beesten of menschen bloed. dit geeft Virgilius door zynen vluch- 6 tenden AEneas eendeels te kennen daer hy hem doet spreken:6
Wilt, Vader, kuysche ving'ren aen 7
d' Huysvaderlijcke Goden slaen. 7-8
'tWaer my een schandvleck rechtevoort 9
10
Die, nu ick uyt zoo versche moord,
En zulcken slachtingh koom gevloon, 11
Te roeren, eer ick reyn en schoon 12
Heb afgewasschen 't laeuwe bloed
In 't water van een frissche vloed.
15 En Homerus door zynen strydbaren Hector:15
't En past niet datme God Iuppijn 16
Met onreyne handen offert wijn:
De schaemt' verbiedme, nu 't gemoed 18
Van menschenslachten en van 't bloed
20
Ontsteld is, voor den Goden luyd
Te storten mijn gebeden uyt.
| | | |
22 en gewisselijck God de Heere schijnt hier in bynae met zich zelven te22 23 stryden wanneer hy den Koningh David, die voorgenomen hadde hem23 24 een huys te timmeren, aldus aenspreeckt: Ghy en zult mynen name geen24 25 huys bouwen, want ghy zyt een Kryghsman en hebt bloed vergoten. Hier uyt 26 vloeyt dan niet als te krachtiger, gelijck oock de Koninghlijcke Propheet26 27 leert, dat de dood der Heyligen weerd gehouden is voor den Heere: het27 28 welck oock betuyght werd door de schrickelycke oordeelen Gods gevelt 29 over de Tyrannen die zijn volck verdruckten, en haer handen in het bloed29 30 der Rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den Ioden zoo uyt de wet en 31 Propheten als andersins overvloedigh bekent was, nochtans hebben zy31 32 haer niet ontzien Gods Propheten enzendboden te dooden en te steenigen,32 33 gelijck de Heere Christus henluyden zulcx in het Euangelie voorwerpt,33 34 alle welcke zonden en grouwelen zy ten lesten hebben opgehoopt met34 35 het onmenschelijck bloedstorten en kruyssigen vande verschenen Zaligh-35 36 maker, die, nae Esaias voorzegginge, doen hy gestraft en gemartelt wierd36 37 zynen mond niet opdede, als een lam dat ter slagtbanck geleyd word, en37 38 als een schaep dat stom word voor zynen scheerder, en zynen mond niet op38 39 en doet. en die zoo klaeghelijck door den Psalmist uytroept: Mijn God39 40 myn God waerom hebstu my verlaten? en noch Ick ben een worm, en geen40 41 mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volcx. alle die my zien
| | | |
42 sperren den mond op, en schudden den kop. Maer nae dat nu de Godde-42 43 looze menschen haren bloedorstigen moed gekoelt en die afgrysselyckste43 44 zonden volbrocht hadden, zoo is de wraecke des rechtveerdigen Rechters44 45 hun kort op de hielen geweest, en zy zyn van dagh tot dagh aen alle 46 kanten jammerlyck overvallen als van stormen en plasregens van allerley46 47 plagen en ellenden, die eerst met den eyndlijcken en geheelen onder- 48 gangh des Iodischen volcx zyn ge-eyndicht: gelyck Iosephus, Egesippus48 49 en andere Geschichtschryvers daer van op het breedste handelen, en49 50 Carolus Langius zulcx zynen Lipsius kort en geleerdelijck als in een5050-51 51 tafel vooroogen stelt, zegghende: Laet ons van Iudea beginnen dat is51 52 van een heyligh land en volck Gods. Ick gae voorby het gene zy in 53 Egypten, en nae haren optocht uyt Egypten geleden hebben: want53 54 dat is ons duydelijck genoegh inde heylige boecken naegelaten: ick 55 kome tot de zwaerste en tot die gene die als aen haer uytvaert be-55 56 hooren. Het welck ick best elck in het byzonder als met een register56 57 zal verklaren. Zij hebben dan met het in en uytlandsche oorloogh dit57 58 uytgestaen:
59 Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus gedood zes59 60 honderd en dartigh.
| | | |
61 Te Cesarien op een tijd vande inwoonders uyt haet van het volck en de61 62 Godsdienst twintich duyzend. 63 Te Scythopolen, een stad in Syrien, darthien duyzend. 64 Te Ascalon in Palestynen oock vande inwoonderen twee duyzend vijf64 65 honderd.
66 Te Ptolemaïde van gelijcken twee duyzend.66
67 Te Alexandrien in Egypten onder de voogdije van Tiberius en Alexander67 68 vijftigh duyzend.
69 Te Damascus thien duyzend.
70 En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toegedragen: en70 71 daer nae met een wettelijck en openbaer oorloogh vande Romeynen:71
72 Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen acht72 73 duyzend vier honderd.
74 Op zekeren bergh Cabulon twee duyzend.
75 Inde slagh by Ascalon thien duyzend.
76 Wederom door verraed acht duyzend.
77 Te Aphaca als het ingenomen was vijfthien duyzend.77
78 Op den bergh Garizim zijnder verslagen elf duyzend vijfhonderd.
79 Te Iotapata, daer Iosephus zelf was, ontrent dartigh duyzend.79
80 Ioppe andermael ingenomen wezende, zoo zijnder verdroncken vier duy- 81 zend en twee honderd.
82 In Taricheen zijnder verslagen zes duyzend vijfhonderd.
83 Te Gamalien, zoo verslagen, als die haer zelf vande steylte wierpen negen83 84 duyzend. en daer is in die Stad niet een mensch behouden gebleven, 85 als twee vrouwen wezende gezusters.
86 Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee duyzend86 87 en zoo vrouwen als kinderen gevangen dry duyzend.
| | | |
88 Van Gadarensers zijnder verslagen darthien duyzend, en gevangen88 89 tweeduyzend twee honderd, behalven die in ontallijcke menighte89 90 inde rievier gesprongen zijn.
91 Inde Dorpen van Idumea zijnder verslagen thien duyzend.91
92 Te Gerasien duyzend.
93 Te Macherunten duyzend twee honderd.
94 In het bosch van Iardes dry duyzend.
95 In het Kasteel Massada, die haer zelven hebben gedood negen honderd 96 zestigh.
97 Te Cyrenen zijnder van Catulus de Landvooghd verslagen dry duy-97 98 zend.
99 Maer gedurende de belegeringe, zijnder inde Stad Hierusalem zelf ge- 100 storven, en verslagen thienmael honderd duyzend, en gevangen zeven 101 en negentigh duyzend.
102 Dit getal beloopt, behalven ontellijcke die achtergelaten zijn, twelfmael102 103 honderd en veertigh duyzend. Wat zeghdy Lipsius? slady hier over103 104 uwe oogen nederwaerts? heftze liever op: en schroomt niet met my, 105 de veeljarige oorloogen van gants Christenrijck met de nederlage van105 106 dit eenige volck te gelijcken: maer hoe kleynen stucxken lands en106 107 hoop volcx is dat geweest ten aenzien van geheel Europa?’ Dus verre107 108 uyt Lipsius.108
109 Daer zien wy wat het kost den Vorst des levens te dooden en het109 110 bloed, dat genoeghzaem is tot een ranssoen voor des geheelen weerelds110 111 zonden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aendachtige ouwd-111 112 vader Hieronymus mogen wy van Ierusalem spreken: Fame perit, ante112 113 quàm gladio. De Stad vergaet eer door honger als door het zweerd. en 114 liever, als een volkomen verhael te doen vande ellenden, die gedurende114
| | | |
115 de belegeringe voorgevallen zijn, willen wy, ons daer over verwonde- 116 rende, met den Poeet roepen:116
Quis cladem illius noctis, quis funera fando
Explicet? aut possit lacrymis aequare labores?
Urbs antiqua ruit, multos dominata per annos:
120
Plurima perque vias sternuntur inertia passim
Corpora perque domos, et religiosa deorum
123 Dat is:
Wie zal de lijcken, wie de ne'erlage ons verklaren
125
Van die vervloeckte nacht? of konnen evenaren
Met tranen al het leet? die ouwde Stad die stond, 125-126
En had zoo langh 't gezagh, stort plotzelingh te grond.
Veel olick volcxken men alsins ter ne'er doet stromp'len, 128
Langhs straet, in huys, en op der Goon gewyde dromp'len. 129
130 Iosephus zelf een Iode erkent deze nederlage te zijn een byzondere130 131 Goddelijcke wraecke, overmids de Tyrannen te Ierusalem meer door131 132 vreeze als nood uyt hare onwinbare vastigheyd weken: en Titus nae132 133 het veroveren der Stad zich verwonderende over den geweldigen bouw 134 van torens en muyren, en der steenen hooge groote en behendige te134-135 135 zamenvoeginge zeyde: gewisselijck God heeft voor ons gestreden, en zelf 136 den Ioden uyt zulcke vestingen gedreven, want wat menschen handen of136 137 stormgeveerte mocht hier tegen gelden. Dit word, behalven uyt meer137 138 omstandigheden, die wy om de kortheyd voorby gaen, oock hier mede138 139 bevestight, overmids zy niet van een onmenschelijck Tyran maer van139 140 een goedertieren Prince bestreden zijn, die liever haer behoud als on-140 141 dergangh zocht, en gehouden wierd voor de wellust en het vermaeck141
| | | |
142 des menschelijcken geslachts. Dat dien volgende de Romeynen dit voor142 143 een uytnemende overwinningh hebben geacht, blijckt uyt het heerlijcke 144 zegefeest over der Ioden nederlage te Romen geviert: alwaer Vespa-144-145 145 siaen, Titus en Domitiaen met looverkranssen en purper geçiert de 146 triumphpoorte inreden: daer der Romeynen beelden en afgoden, mids-146 147 gaders de Arcke des Verbonds, de gouden tafel, Moyses en Aärons147 148 roede, vier tempelstylen, de toonbrooden, den gulden kandelaer, de148 149 wettafelen, en andere heylighdommen met een wonderbaerlijcke pracht149 150 statigh heromme gevoert wierden, en daer de schare vande gevangen150 151 Ioden dragende de handen op den rug gebonden, en naeckt ten halve 152 lyve hun vyanden een gaepspel verstreckten, en met haer versmaed-152 153 heyd der Heydenen staci verheerlijckten. Van deze gehouden zegefeest153 154 getuyght noch op huyden te Roome de Arca triumphalis of triumph-154 155 boge staende in via sacra boven de Kercke van S. Maria nova, opge-155 156 trocken van schoone Marmor, en met goud geçiert: inde welcke deze156 157 woorden in steen tot een eeuwige geheugenisse uytgehouwen staen:157
158 SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANI158-159 159 FILIO, VESPASIANO AVGUSTO, ET OB VICTORIAM ET PERPETVVM.
| | | |
160 De volgende letteren heeft de nydige tijd en gryze ouderdom uyt-160 161 gewischt: oock isser noch een ander schrift aldus:
162 S.P. Q.R. IMP. TITO, CAES. DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO162 163 AVGVSTO PON. MAXIMO TRIB. POT. IMP. P.P. PRINCIPI SVO, QVI163 164 PRAECEPTIS PATRIS CONSILIISQ. ET AVSPICIIS, GENTEM IVDEORVM 165 DOMVIT, ET VRBEM HIEROSOLYMAM, OMNIBVS ANTE SE DVCIBUS, 166 REGIBVS, GENTIBVS, AVT FRVSTRA PETITAM, AVT OMNINO INTEN- 167 TATAM, DELEVIT.
168 Zoo leegh zijn die gene gedaelt die tot den Hemel en aende sterren168 169 verheven waren, een volck dat eertijds met God en de Engelen ge- 170 meenschap hadde: zy wien vuyr water aerde en locht ten dienste170-171 171 stonden, zijn alle dingen tegen geweest, en hebben het al tot vyand 172 gehad, en Roome heeft den roem weghgedragen van tot den grond 173 en ondersten wortel toe uytgeroeyt en verdelght te hebben een ouwde 174 Koningh en Priesterlijcke Stad, die nae veel geleden aenvechtingen174 175 van haer eerste grondlegginge 2177 jaren hadde gestaen. Onze ver-175 176 smitste Cunaeus magh wel zeggen: Ita vertuntur subitò cuncta, & omninò176 177 natura, quae ad originem rerum parcè utitur viribus suis, ad ruinam toto 178 impetu venit. alzoo word alles schielijck te gronde gesmeten, en Nature die 179 tot der dingen oorsprongh al heel spaerzaem hare krachten bezight, komt179 180 met volle geweld ten bederve. en de mond der waerheyd voorspelde geen180
| | | |
181 ydele droomen als hy sprack: Hier zal niet eenen steen op den anderen181 182 blyven die niet afgebroken zal worden. Het overschot der Ioden heeft 183 zedert in gedurige ballinghschappen jammerlijck omgezwerft en allerley183 184 zwarigheden bloedigh en ellendigh uytgestaen. Zoo de kinderen der184 185 voorvaderen misdaed bekenden, zy zouden billijck beklagen dat haer185-186 186 ouwderen riepen: Zijn bloed zy op ons en onze kinderen. Want gelyck 187 Prudentius zinght:187
Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat
Iudaeus, postquam de patria sede revulsus,
190
Supplicium pro caede luit, Christique negati
Sanguine respersus commissa piacula solvit.
192 Dat is:
De Iood zynde uyt den stoel zyns vaderlands geruckt 193
Dwaelt vluchtigh hier en daer in ballinghschap verdruckt, 194
195
's Moords straffe draeght, en met 'sverzaeckten Christus bloed 195
Besprenght, zyn misdaed, en begangen zonde boet. 196
197 Niemand hopen wy zal ons leep en over dweers aenzien dat wy dit197 198 groot treurspel hier wederom als op het tooneel te voorschijn brengen198 199 op datmen aenmercke Gods strengheyd over die gene die gevallen zyn:199 200 aengezien wy hier in als op het spoor naevolgen den heyligen en bran-200 201 denden yver vande Koninghlijcke harpenaer David, en de Goddelycke201 202 dichter Ieremias: van welcke beyde, Deze, in zijn klaeghlieden heeft202 203 beweent de verstooringe der stad Gods en des ganschen Koninghrijcx,203
| | | |
204 en de ongelucken by het Iodische volck uytgestaen onder den Baby-204 205 lonischen Nebucadnezar: Die, met zijn snarenspel getreurt over de205 206 bloedstortinge en aenstoot de welck Ierusalem vande Tyran Antiochus206 207 te verwachten stond. effen alzoo beklagen wy mede het uyterste en207-208 208 grootste iammer dat de Dochter Sion onder de Roomsche Keyzeren 209 Vespasiaen en Titus is overkomen, en vieren de uytvaert dezes beroem-209 210 den geslachts. Mijn Zangeresse vanden hoofde ten voeten toe in rouwe,210 211 treurt over die verwoestingh die Christus aller Engelen en geloovigen 212 blyschap tranen gekost heeft, onaengezien hy dezes versteenden volcx212 213 wreedheyd in zynen vleesche voelde, en den kelck der bitterheyd korts213 214 van haer ontfing. Maer och hoe vaeck hebben wy gewenscht dat onze214 215 rymen mochten antwoorden de weerdigheyd vande stoffe: voorwaer215 216 zoodanigh wezende, dat wy hier van onze geringheyd moeten roemen,216 217 en belyden dat het maer stuckwerck is wat wy voortbrengen: want217 218 het gene de Latijnsche Treurspeelder door zijn van droefheyd over-218 219 wonnen Koninginne uytschreeuwt:
Documenta Fors majora, quam fragili loco
| | | |
223 Het zelfde mogen wy door onze bedruckte Vorstinne aldus uyt-223 224 roepen:
225
Het Loth en wees noyt klaerder aen
Hoe slibb'righ dat de trotze staen. 226
227 En zullen wy met Euripides Seneca en andere Poëten dingen nae227 228 den palm, dat is, om wie van ons beyden hooghdravender en uytne-228-229 229 mender zaecken verhandelt: de Ioodsche Stammen van wegen haer 230 afkomst zijn by ons niet leeger geadelt als de Phrygen by haerlieden.230 231 De Dochter Sion wijckt niet voor Hecuba, noch Ierusalem voor thien231 232 Troijens. Ginder was de Kerck van Minerve: hier des Heeren Tempel232 233 dat zesenveertighjarige getimmer, het welck aller uytheemschen oogen233 234 in Syrien lockte, en waer in de Nijd niet als enckel schoonheyd ver-234 235 achte. Daer stond het Palladium: hier school de Arcke des Verbonds235 236 bedeckt met goude Cherubynen, en meer heylighdoms elck om het236 237 heerlijcxste. Oock is de Iordane die den Israeliten weeck, en de Beke237 238 Cedron over de welcke Iesus gingh meerder als Xanthus. Davids burght238 239 gaet Ilium te boven. Zy hebben het Griecxsche leger, wy de Roomsche239 240 heyrkrachten aengevoert. Hare Oversten en voorbarighste waren Agam-240-241
| | | |
241 memnon en Menelaus, Achilles en Pyrrhus: mijn Veldheeren zijn Ves- 242 pasiaen, de strijdbare Titus zynen zone en andere. Laetze al haer best242 243 Laomedon, Priamus en Hector roemen: ick zal Iosua, Gedeon, David,243-244 244 Salomon, en de andere Koningen en Helden pryzen. Willenze met de 245 Amazone, Penthesilea proncken: ick zal met Debora, Iudith en zulcke245 246 Heldinnen brageren. Zy hebben de Rhaeteesche heuvelen, bewandelt246 247 van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wy de heylige bergen,247 248 vaeck betreden van zulcke, die, haer werck onder maen verricht hebben-248 249 de, als blixemen door het azuyr en het goud des blinckenden Hemels nae249-251 250 den vrolijcken stoel Gods opvoeren. Wederom, die verzierde twist rees 251 uyt Paris oordeel: deze uyt Pilatus vonnis. Gene Scheydsman oordeelde 252 Venus te gevalle om de schoone Helena: deze Rechter den Ioden om252 253 de Keyzerlijcke gunst. De een gaf een gewaende Godinne den twist-253 254 appel als het verdiende pand van hare schoonheyd: de ander leyde254 255 den betuyghden levendigen Zone Gods het Kruys op zijn schouwderen255 256 als verschulde straffe van zijn mismaecktheyd. Cytherea behield op256 257 Ida den zege: Christus wierd op Calvarien gedoemt. en zoo voort. Dit257
| | | |
258 dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo zietmen met een half 259 oogh welcke stoffe van beyden meest weeght, en hoe de Zonne des259-260 260 heyligen Geestes alle Heydensche sterren met haren glans uyt doet. 261 Indien de Lezer greetigh is om de nuttigheyd van dit werck en de261 262 oorzaecken van Israëls val nae te vorschen, hy geve den Engel Gabriël 263 gehoor wien wy in het eynde de verklaringe des zelfs bevolen laten.263 264 Maer ontbeyd, ick zie alreede het tooneel openen, en het volck met264 265 opgesteken ooren en gapende monden nae den inhoud van het Spel265 266 luysteren. Het is hoogh tijd dat wy zwygen.
| |
| | | |
Het inhoud.*
1 Zedert dat de Ioden hare grouwelen en zonden, begaen in het dooden 2 en vervolgen der Propheten, hadden opgehoopt met het onmenschelyck2 3 bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome3 4 Heyligen Gods: zoo heeft haer verdoemenisse niet geslapen. want Florus,4 5 die naemaels vande Keyzer Nero was gestelt als Landvooghd over Iudea,5 6 ontstack met zyn inslockende gierigheyd en onverdraeghlycke wreed-6 7 heyd den brand van tweespalt: waer uyt vele jammerlycke beroerten en7 8 bloedige slachtingen tusschen Ioden en Romeynen langhs hoe meer zijn8 9 ontstaen: zoo dat eyndlijck de Keyzer veroorzaeckt was Vespasiaen,9 10 als Veldoverste over het Syrische krygsvolck, derwaerts te zenden: die 11 vergezelschapt met zynen zone, Iotapata daer Iosephus gevangen wierd,11 12 en voorts het Iodische land met meest alle de omliggende plaetsen ver- 13 meestert, en Ierusalem bezet hebbende, tydinge kreegh hoe nae Neroos 14 rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende, Vitellius het14 15 gebied tot zich getrocken hadde: waerom de Roomsche Hoofdluyden15 16 hem drongen het Keyzerdom te aenveerden en derwaerts te trecken,16 17 gelijck hy oock dede, latende Titus de volendinge van het aengevangen 18 oorloogh bevolen. Ondertusschen was het te Ierusalem zoo verre ge- 19 komen datze als in slaghoorde in dry rotten vyandelyck gedeylt stonden,19
| | | |
20 te weten: de Zeloters, die Eleazar aenhingen, hadden den Tempel, Io-20-21 21 hannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der Stad in.21 22 Titus hier van verwittight heeft deze gelegentheyd waergenomen, en in het 23 72. jaer nae Christus geboorte, 't welck is het tweede jaer van Vespasiaens23 24 Ryke, op den 14en. vande maend April, als de Ioden haer Paeschfeest24 25 vierden, de Stad met zyn Ruyterije berent belegert, en eerlange nae veel25 26 gehouden schermutselingen en gedane stormen met een muyr in dry dagen26-27 27 tyds bezet en besloten: waerop gevolght is een onlydelycke honger- 28 snood, die de burgerlijcke beroerten dede aengroeyen, en ontallijcke28 29 menschen versmachten: zoo datze genoodzaeckt waren de doode licha-29 30 men over Stads muyren inde grachten te worpen, jae een edel Ioffrouwe30 31 spyze van haer onnoozel kind most bereyden. De thiende dagh van31 32 Oeghstmaend wierd het vuyr inde Tempel gesteken, daer een onmen-32 33 schelijcke slachtingh gebeurde, en alle Priesterlijcke gebouwen afbranden.33 34 En hoewel de Keyzer hun vaeck hulde aenbood, en haer beloofde in34 35 genade op te nemen zoo zy haer goedwilligh overgaven: nochtans35 36 volherden zy inde voorgaende halstarrigheyd, tot dat ten lesten op de36
| | | |
37 achtste dag van Herbstmaend de overstad gewonnen, en alles in vuyr en37 38 bloed wierd gestelt. Nae de overwinninge ontbrack het den Roomschen38 39 Soldaten aen geenderhande moetwil en wreedheyd over de verwonnene39-40 40 te plegen. Titus de schuldige nae haer verdienste gestraft en zeven hon- 41 derd iongelingen sterck van lichaem tot het aenstaende zegefeest, dat41 42 hy te Roome dacht te houden, uytgezondert hebbende, bedanckte zijn42 43 Krijghsluyden voor haer dapperheyd inde strijd betoont, verplichte haer43-44 44 manhaftigheyd met den verkregen roof en eerlijcke ampten, en offerde 45 danckbaerlijck op de heylige plaetse des Tempels zijn Goden. Daer nae45 46 stelde hy Terentius Ruffus tot Overste van zijn thiende bende, die hy46 47 tot bezettinge liet vande verwoeste Stad, en vertrock met het gansche47 48 leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboecken melden dat48 49 Simeon Christenbisschop met zijn heylige vergaderinge, volgens het ont-49 50 fangen Godlijck antwoord, van Ierusalem te Pella vluchte, en als Iudea50 51 wat in ruste was weder te Ierusalem metter woon quam: zoo hebben wy,51 52 om ons geheel werck Christelijcker wyze te verklaren, en alles leerlijck52 53 voor oogen te stellen, verziert, dat hy met de zyne wederkeerende als53 54 het leger iuyst vertrocken was, en de verwoeste Stad bezichtigende: hun 55 de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaerheyd aengedaen, verschijnt,55 56 die henluyden volkomentlijck ontsluyt de oorzaecken vanden val en56
| | | |
57 ondergangh des Iodischen volcx, met meer omstandigheden die daer aen57 58 vast zijn. Daer hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uyt58 59 Iosephus 2. 3. 4. 5. 6. en 7. en Egesippus 2. 3. 4. en 5. en Eusebius 2.59 60 en 3. en Carions 3. boeck, en uyt meer andere Schryvers. Het tooneel60 61 is op rondom en ontrent de verwoeste plaetsen daer het Krijghsvolck61 62 legert, en Ierusalem gestaen heeft.
| |
| | | | | |
Aende Ioodsche
Rabbynen.*
Klinckert.aant.
De Rey uws Priesterschaps was als van blyschap droncken 1
Doen Iesus hingh aen't hout met ermen uytgestreckt, 2
Gekruyst, gegeesselt, en bespogen, en begeckt, 3
Om dat hem was den Kelck der bitterheyd geschoncken: 4
5
Zy dachten luttel dat Rechtveerdigheyd, die boven
In 's Hemels gulden schoot de weeghschael recht op houd, 6
't Onschuldigh bloed meer schat als fijn Ophirisch goud, 7
En telt al 't zuchten vande Waerheyd hier verschoven. 8
Maer als de dagh aenbrack die God beschoren had 9
10
Tot wraeck van 't schelmstuck van die Godvergeten Stad 10
En 't volck dat veyligh dacht te staen op heyl'ge dremp'len: 11
Doen zaghmen baer wat zonde al plagen met zich brocht, 12
En dat de Boosheyd tot geen borstweer strecken mocht
Geweld van muren noch schijnheyligheyd van Temp'len. 13-14
Door een is 't nu voldaen.*
|
*)Waarschijnlik 'n herdruk van het in 1614 gepubliceerde gedicht, afgedrukt in ons eerste Deel blz. 447.
1Euripides heeft o.a. 'n spel over de verwoesting van Troje geschreven Tróades, dat later werd nagevolgd o.a. door Séneca; van deze gaf Vondel 'n vertaling in z'n Amsteldamsche Hecuba, zie verder over Euripides Dl. 1, blz. 472 op vs. 1; d'aenschouwers: bij de aanschouwers.
2Ten oogen.... uytgedruckt: uit de ogen gedrukt; Peerlen: de (parelende) tranen.
3Als: toen; Hecuba: de weduwe van de koning van Troje, Príamos; uyt: van ( uyt zo ook in den troon, omdat met troon niet eenvoudig 'n zetel bedoeld wordt, maar de troon met baldakijn, als 'n vertrek was).
4stenen: (steunen), klagen.
5der Hierosolymitanen: van de inwoners van Jeruzalem ( Hierósolymitanen: Hier- als eén lettergreep uit te spreken; en op de eerste o de klemtoon).
6klaeghelijcke moord: beklagenswaardige moorderij.
7Hoe...: en schildert ( vernieuwt) hoe; Titus: Titus Flavius Vespasianus die in 70 na Kr. Jeruzalem verwoestte (zie verder Dl. 1, blz. 538 op r. 1 en blz. 704 op r. 1); verstoort: verwoest.
8Om wien: nml. Jeruzalem; zich niet spenen kost: zich niet onthouden kon, ( kost: kon). Titus zelf betreurde de val van Jeruzalem.
9Barbarisch: barbaars, met 't aan 't Duits ontleende achtervoegsel - isch; verstaet: verneemt.
10Sions Heerlijckheyd: de luister van de berg Sion (nml. Jeruzalem, dat vooral op de Sionsberg gebouwd was).
11Salomons gebouw, nml. Salomon's tempel (de tempel van Salomon was al vroeger verwoest; de nieuwe prachtige tempel was gebouwd door Herodes de Grote, die koning was bij de geboorte van Kristus. Van deze tempel bewonderden de Apostelen de grootse bouw en voorspelde Kristus de verwoesting. Markus 13:1 en 2).
13hoe: schildert ons hoe (zoals Hoe in vs. 7); eens evenals des ook bij vrouwelike woorden.
14gaet tot spijsoffer maken: opoffert, doodt om zich voedsel te verschaffen (dit slaat op 't bekende verhaal van Flavius Josephus; zie in 't treurspel vs. 802-906).
*Guilhelmus Vondelius: Willem van den Vondel, Vondel's jongere broer, is geboren in 1603, hij heeft te Leiden in de rechten gestudeerd (1623 en 1624) en heeft 'n reis gemaakt in Frankrijk en Italië; in 1624 werd hij dokter in de rechten te Orleans; hij stierf in 1628 te Amsterdam, na er gepraktizeerd te hebben als advokaat. Vondel vertaalt van hem 'n gedicht ‘ Op Urbaen den achtsten’ (1625).
*In de tietel: erentfesten: eervolle, edele; erentfest aan 't Duits ontleend; voorzienigen: vooruitziend, voorzichtige (in regeringsbeleid).
Cornelis Pietersz. Hoofd [of Hooft] (1547-1626) de bekende Amsterdamse burgemeester, en raad van Amsterdam, die Vondel zo treffend gekarakteriseerd heeft in 't Klinckdicht: Op het overlyden van C.P. Hoofd (1626) en in z'n Roskam (1626). Hij is de vader van de dichter Pieter Cornelisz. Hooft. - Met deze opdracht aan de Amsterdamse oud-burgemeester draagt Vondel voor de eerste maal z'n gedichten op aan 'n niet-Brabander.
Raed: lid van de raad; ommeloop; omtrek; Amstelredam: de oorspronkelike naam (zie Dl. 1, blz. 498).
1den Christgeloovigen: aan de kristenen.
2bidden voor Koningen....: deze woorden tot eerbaerheyd zijn uit St. Pauwels' brief aan Timótheus 2:1 en 2.
3gerustig: rustig; in alle Godzaligheyd en eerbaerheyd: 'n leven helemaal aan godsdienst en deugdzaamheid toegewijd.
5eerbiedigheyd: eerbied; te omhelzen: aan te hangen.
6fonteyne: bron; bequamelijck: geschikt, op de juiste wijze.
7een treffelijck Philosooph: 'n voortreffelik wijsgeer. Wie deze wijsgeer is, is mij niet bekend. Mogelik heeft 'n Romeins wijsgeer (Cicero?) in deze woorden samengevat de bekende mening van Plato, dat de wijsgeer de beste bestuurder is van de staat (Plato: De Staat, boek 6 en 7).
9zal naespooren: zal streven naar; De proeve: 't bewijs; naest: 't naast bij; vlak bij, bij ons.
15gewaeckt gebraeckt: zich afgetobd met waken; in 't middeleeuws al bekend waken ende braken: ‘nachtbraken’ ( braken: breken; radbraken oorspr. radebraken = op 't rad breken, afmatten); De weerdighste: de kostelikste.
16-vlgg.Vondel bedoelt hier de gastvrije ontvangst bijv. in Amsterdam, van de protestanten ten tijde van Alva, die (in 1572 al) van 't Zuiden naar 't Noorden trokken; met de val van Antwerpen in 1585 bedroeg 't getal uitgeweken kooplui en fabrikanten bijna 19000; Burgemeester Hooft prees later openlik de verdraagzaamheid van de Staten.
16arbeyd: moeite; vele oorspr. (nog Vlaams) vorm van veel; duyzend: duizende (enkelv. als in zoveel duizend’).
17zijn geherberght: onderdak is verleend; lieflijck: vriendelik.
19het voorborgh der Hellen: 't voorportaal der onderwereld; opgedonderde: losgebroken.
20Alecto: een van de klassiek-mythologiese furiën of wraakgodinnen uit de onderwereld; ze droegen slangehaar, en zwaaiden in hun hand 'n fakkel; de Spaensche Alecto: de Spaanse dwingelandij; 't dikwels ongerechtigde optreden van de Spaanse bewindvoerders; drymael: in navolging van 't Latijn, waar bijv. Vergilius dikwels ter: driemaal, gebruikt voor: herhaaldelik; Vondel doelt hier op de vuurdood vooral van doopsgezinden, zoals die in 't Offer des Heeren (1562) verhaald wordt, en in Een Liedtboecxken van 1563 (2e deel van Offer des Heeren) bezongen wordt; perruyck: ouwere vorm van pruik.
21mutsaerden: mutserds, stapels takkebossen.
24lijf en ziele: lichaam en leven; zoeten: aangename.
25reuck: reukoffer; brandoffer; ernsthaftigh: (aan 't Duits ontleend): met ernst; als: als 't ware; in het hemde ontvloden....: de naakt, van alles beroofd, ontvluchte wreedheid.
26wederom: aan de andere kant.
27geperst: gedrongen; van: door.
28opgeworpen: uit de zee opgeworpen; AEneas: de held van 't epos van Vergilius, op weg om 'n nieuw Troje te stichten, wordt door de toorn van de godin Juno achtervolgd, en door 'n hevige storm op de Afrikaanse kust bij Karthago gesmeten. De aanhaling is uit 't 1e Boek vs. 597-610 (Vondel's vertaling van 1660 vs. 850-870).
29O die ghy neemt alleen: o gij die alleen, namelik Dido, de koningin van Karthago, ( o die ghy onder invloed van 't Latijn, bijv. o qui transitis); gasten: vreemdelingen.
30neemt.... ter herten: u ontfermt over; lasten: moeiten, zwarigheden.
31overschot der Griecken: (Latinisme) wat de Grieken hebben overgelaten, de enige geredden uit de macht van de Grieken. (Vondel vertaalt letterlik: reliquias Danaum).
32van 't ramp: door 't onheil ( ramp als het-woord is heel eigenaardig; waarschijnlik onder invloed van woorden als ongeluk, onheil, euvel; zie ook Hiervsalem Verwoest, vs. 90).
33met rouw bewogen: door droefheid bewogen, bedroefd.
35't volck van Dardanus: de Trojanen; Dárdanus, stamvader van Troje en 't Trojaanse vorstenhuis; beroyt: van alles beroofd.
36Kreyts des aerdrijcx: de hele wereld; 'n bekende uitdrukking, onder invloed van 't Latijnse orbis terrae: de aardschijf, of orbis terrarum: de kring der landen, de wereld, kreyts: kring.
37Verschulde: verschuldigde; nae eysch....: naar eis, naar behoren te betonen.
39Godes vrucht: godsvrucht (letterlik: vrees voor God).
41ionnen (Brabants-Vlaamse vorm): gunnen.
42Wat blyder eeuwe: welke gelukkige tijd; ( blyder met er achter wat); der Zonnen: van de zon ( zonnen ouwe buigingsvorm).
43Wat treff'lycke ouwd'ren: welke voortreffelike ouders; geteelt: voortgebracht.
44mind're vloe'n (vloeden): rivieren (die de minderen zijn van de zee).
45merren (naast marren): toeven.
46's Hemels As geleyd: de hemel leidt (de hemel persoonlik genomen, zoals Vergilius doet); de vloock....: de diep gewelfde sterren, de sterren in 't diepe gewelf; vloock: hol, diep.
Vondel heeft hier Vergilius' convexa: de dalen (vs. 608) niet begrepen, en convexa bij sidera genomen; in 1646 en 1660 (vs. 868) vertaalt ie convexa helemaal niet.
48Het zy wat land: welk land ook; waerwaerts....: waarheen ik mij ook keer, heen trek.
49E.E. en A.A.: edele en achtbare, edelachtbare (wanneer dergelijke tietelwoorden in 't meervoud stonden, werden de letters van de afkortingen verdubbeld; zoals in 't Latijn S. = Sanctus, S. S. = Sancti); in het algemeen: in 't geheel genomen; hier is E.E. mogelik Erentfesten, zie blz. 77 in de tietel.
50uwe E.: Uwe Edelheid (zie verder op r. 55).
50-52ghy hebt met heylzame raden.... ( de) vergaderinge bekleed: gij hebt (met heilzame raadgevingen de vergadering vervuld) uw heilzame raadgevingen aan de vergadering voorgelegd; vaecken: dikwels; ( vaecken: met bijwoord. en- achtervoegsel).
51dezes Stads: dezes ook bij vrouwelike woorden, zie Klinckert vs. 13 blz. 76).
52te rugge zettende: achteruit stellende ( Klinckdicht 1626: Hier aen heeft Eygebaet niet d'alderminste vlock).
53het gemeene best: 't algemeen welzijn; nae tijds gelegentheyd: naar de tijdsomstandigheden; gevordert: bevorderd.
54zich belgen: zich boos maken; oorzaeck nemen: van de gelegenheid gebruik maken.
55uwe E. persoon: Uwe Edele, of uwe Edelheids persoon: de persoon van uwe Edelheid; uwe Edelheids dus als een geheel opgevat (dikwels in de 17e eeuw verkort in U.E. of U.Edts) ; aen te bidden: te aanbidden; diep te vereren (deze betekenis naar 't Latijnse: adorare) ; heusche: trouwhartige.
56beleefde: minzame, zie blz. 71 op vs. 41; wiens: wier ( wiens voor alle geslachten, enkelv. en meerv.); zoo gerustmoedigh: met zo 'n gerust gemoed. (Vondel doelt blijkbaar op z'n eigen famielie en vele andere doopsgezinden, zie aant. op r. 16-vlgg.).
58mildaerdige: van vriendelike aard; bescheyden: verstandige; Goden: nml. de Overheden (naar 't Oud-Latijnse taalgebruik).
59-60Iemand die van u ( mijn Heer) niet ontaard is in de gezonde beoordeling van staatszaken ('t Latijnse res civiles), nml. z'n zoon P.C. Hooft de dichter en drost van Muiden, van wie de hier volgende versregel is ( Geeraerdt van Velsen vs. 1726).
59eener: iemand; mijn Heer: dit is weer 'n aanspreking tot Hooft.
60ontaerd (ontaerdt), afwijkt van (van ontaarden: uit den aard staan).
61het heldere gesteent: de stralende edelsteen.
64een geringh teecken van.... erkentenisse: een klein bewijs van dankbaarheid voor alle ontvangen weldaden ( aller ontfangen weldaden erkentenisse: dankbaarheid voor alle ontvangen weldaden. (Latijnse zegswijze).
67Iodische (naast Joodsch): Joodse.
68overmids: omdat; uyt uwe E. lendenen (onder invloed van de Bijbelse taal, waar deze zegswijze gebruikelik is); voor de afkorting zie op r. 55.
69Apollo: de oud-klassieke god der dichtkunst; dichter; nml. de dichter P.C. Hooft; nederduytsche: Nederlandse ( nederduytsch nog lang meer gewoon); den dagh: 't daglicht, de bekendheid, de roem.
70gulde rymen: prachtige verzen; voorhoofd: bovenstuk van de voorgevel.
71-72Vondel doelt hier op de opschriften voor openbare gebouwen (bijv. 't Tuchthuis) en de grafschriften van beroemde personen door Hooft gemaakt; bijv. op het graf van Heemskerck in de Oude Kerk te Amsterdam:
Heemskerck die dwers door 't ijs, en 't ijser dorste streven,
Liet d'Eer aen 't landt, hier 't lijf, voor Gibraltar het leven.
72toetsteen: harde, zwarte steen, die meestal gebruikt werd om goud of zilver te toetsen, en voor grafstenen of liever gedenkstenen ‘boven de tomben’ van de aanzienliken, tegen de wanden van de kerk.
73al verbaest: heel verwonderd, vol bewondering.
74deze.... danck en schuldoffer: dit dank- en schuldoffer; dit verschuldigd dankoffer ( offer ook 'n de- woord, als in 't middeleeuws).
75het vermogen: 't kunnen.
76Nestor: de bekende Griekse, hoogbejaarde held in de strijd voor Troje, die drie geslachten had gekend; ons gemeen beste: ons vaderland, onze staat (vergelijk r. 53).
77Loumaend: Januarie; bij 'n Nederlandse dagtekening gebruikt Vondel bijna altijd de Nederlandse maandnamen, die alleen bij de geleerden bekend waren.
78Vwe E. en A.: Uwe Edele en Achtbare, Uw Edelachtbare (van U Edelachtbare); gants met t uit 't Duits.
2zulcx: dit; blinde: blinde, nml. verstoken van 't licht der Waarheid; hebben..... eenighsins gedroomt en gevoelt: daarvan hebben 'n vage voorstelling en gevoel gehad.
3ontzagen: ontzagen zich; den altaren en den dingen: beide 3e n.v. meerv. bij genaecken.
6eendeels (voor eensdeels): enigsins; daer: waar.
7De aanhaling is uit AEneïs, 2e Boek vs. 717-720; AEneas zegt deze woorden bij z'n vlucht uit Troje tot z'n vader Anchíses; deze moest hun huisgoden meenemen; AEneas mocht die niet aanraken, omdat ie met bloed bespat uit de strijd kwam.
7-8Wil, vader, met zuivere handen de huisgoden opnemen; (de huisgoden waren de beschermgoden die ieder huis had, daarom wilde AEneas ze meevoeren uit Troje).
9rechtevoort: voortdurend, voor altijd.
12Te roeren: aan te raken.
15Homeros, de beroemde Griekse dichter van de Ilias en de Odyssee; Hector: de grote held van de Trojanen in de Ilias; strydbaren: krijgshaftige; de aanhaling is uit Ilias, 6e zang vs. 266-268); Homeros laat 't door Hektor zeggen.
16datme: dat men ( me zwakbetoond voor men, evenals in 't middeleeuws, ook nu nog in 't Zuid-Nederlands gewoon).
18De schaemt': de eerbied (voor de goden); naar 't Latijns pudor, en 't Griekse αἰδώς.
22bynae met zich zelven te stryden: omdat 't toch tot Gods eer was, dat David de tempel zou bouwen, leek God Zijn eigen eer tegen te gaan.
23hadde: oorspronkelike vorm van had; hem: nml. voor God.
24een huys te timmeren: 'n tempel te bouwen; mynen name: voor mijn naam, voor mij; (uit 't eerste boek Paralipomenon 22:8; 't bloed vergieten was tegen 't bevel van God [zie Schepping 9:6]; David voerde wel geen onrechtvaardige oorlogen, maar hij was door 't oorlog voeren wel minder geschikt om 'n tempel voor God te bouwen).
26vloeyt: volgt; niet als te krachtiger: des te krachtiger ( niet als: niet anders dan); de Koninghlijcke Propheet = David.
27weerd gehouden is voor: kostbaar geacht wordt voor; uit Psalm 115 (Prot. Bijbel 116:15).
29zijn volck: de Joden, Gods volk; haer: hun.
31als andersins: als op 'n andere wijze.
32haer: zich; zendboden: afgezanten van God.
33henluyden: hun (lieden), (- luyden de Hollandse vorm van lieden) ; zulcx: dat; voorwerpt: voor de voeten werpt, verwijt (‘Jeruzalem dat de profeten doodt, en stenigt hen die tot u gezonden zijn’ Mattheüs 23:37).
34alle welcke zonden: en al die zonden (Latijnse zinvorm: omnia quae peccata) ; grouwelen (met Hollandse ou): gruwelen; opgehoopt: tot 't hoogste punt opgestapeld, tot 't uiterste gebracht.
35de verschenen Zalighmaker: de Zaligmaker die (onder de mensen) verschenen is, die in 't menselik lichaam zich openbaarde.
36Esaias: Isaïas 53:7; doen: toen; wierd: werd.
37opdede: opendeed; als: zoals.
38niet op en doet: niet open doet ( niet.... en dubbele ontkenning).
39klaeghelijck: op 'n klagende toon.
40hebstu (uit hebs du): hebt ge; deze aanhaling en de volgende is uit de Psalm 21 (Protestanse Bijbel 22) vs. 2, 7 en 8; en noch: en nog eens.
42sperren.... op: openen hun mond om te spotten.
43haren: hun; moed: gemoed, drift.
46als van: als door, zo veelvuldig als door.
48Iosephus: Flavius Josephus (zie Dl. 1, blz. 526 op r. 6 en blz. 705 op r. 8) in zijn Geschiedenis van de Joodse oorlog; Egesippus (vervormd uit Josippos) schreef 5 boeken over de Verwoesting van Jeruzalem; hij leefde in de 4e eeuw.
49Geschichtschryvers: geschiedschrijvers; ( geschicht: zie Dl. 1, blz. 472 op vs. 9); daer van op het breedste handelen: daarover heel breed, heel uitvoerig verhalen, dat.... behandelen.
50Carolus Langius: Karel Lange, leefde in de 16e eeuw; 'n geleerde kanunnik van Luik, schreef verklaringen op de Officia van Cicero en de Blijspelen van Plautus; stond in nauw verband met Justus Lipsius (Joost Lips 1547-1606), beroemd geleerde; hij was hoogleraar in de geschiedenis te Leiden 1578-1591, keerde tot de Katolieke Kerk terug, en werd hoogleraar in Leuven in de geschiedenis en 't Latijn; te Leuven gestorven in 1606; geleerdelijck: op 'n geleerde wijze.
50-51zynen Lipsius.... vooroogen stelt: waarschijnlik in een van z'n Latijnse brieven aan Lips, die deze heeft uitgegeven in: Epistolarum selectarum chilias (Duizendtal uitgekozen brieven); in een tafel: op 'n schilderij.
53nae haren optocht: na hun optrekken naar Kanaän.
55tot de zwaerste en tot die gene die: tot 't zwaarste en wat ( de zwaerste.... meerv., Latijnse zegswijze: gravissima, et ad ea quae); aen haer uytvaert: tot hun ondergang.
57het in en uytlandsche oorloogh: de binnen- en buitenlandse oorlog; de Joden voerden 'n heftige burgeroorlog in hun aanhoudende verdeeldheden en oproeren (r. 70: door een beroerte en oploop) ; oorloogh: vroeger meestal 'n het-woord.
59zijnder: zijn er; Florus: Cesius Florus, door Nero aangesteld als landvoogd over Judea; voor de Joden was ie nog 'n groter wreedaard dan z'n voorganger Albínus. Zijn optreden werd de oorzaak van de Joodse oorlog.
61Cesárien: Cesarea; op een tijd: op 'n keer; vande: door de; haet van: haat tegen.
64Ascalon: de vroegere stad van de Filistijnen; in Palestynen: in Palestina; vande....: door de inwoners.
66Ptolemaïde (Lat. buigingsvorm): Ptolemáïs, 't tegenwoordige Akka, 'n kustplaats ten Zuiden van Cesaréa; van gelijcken: evenzo.
67voogdije: regering; Tiberius: Tiberius Claudius Nero, de beruchte Kristen- en Joden-vervolger; Alexander: Alexander Janneus, tieranniek koning over de Joden; stierf in 78 na Kr.
70als door een beroerte en oploop: namelik bij 'n oproer en opstand; als: namelik; in deze betekenis gebruiken wij als niet meer; over dit verklarende als, zie op de tietel, blz. 75; heeft zich.... toegedragen: is gebeurd.
71met een wettelijck....: bij 'n wettige oorlog tegen de Romeinen.
72Ioppe: 'n stad in Palestina, aan de Middellandse Zee, 't tegenwoordige Jaffa; Cesius Florus zie op r. 59.
79daer: waar; ontrent: ongeveer, ontrent 17e eeuwse bijvorm (zie Dl. 1 blz. 525 op vs. 5).
83zoo verslagen als: zo wel die gedood ( verslagen) werden als die zich zelf....
86verlaten wezende: toen ze uit Giscala gevlucht waren.
88Gadarensers: inwoners van Gádara, 'n plaats dicht bij 't meer Genésareth.
89ontallijcke: ontelbare.
91Iduméa: 'n landstreek ten zuiden van 't toenmalige Judea.
97van Catulus: door Catullus.
102achtergelaten: overgeslagen, niet opgetekend; twelf-: dial. vorm naast twaalf.
103zeghdy: zeg je; slady: sla je.
105van gants Christenrijck: van 't hele kristenrijk, de hele kristenwereld.
106eenige: ene; te gelijcken: te vergelijken; hoe kleynen.... (klein 'n): wat 'n klein stukje land en kleine hoop volk.
107ten aenzien van: ten opzichte van, met betrekking tot (n.l. hoe talloze zijn er niet gevallen in die oorlogen van 't kristelik Europa).
108Dus verre uyt Lipsius: tot zover uit Lipsius (zie r. 51).
109Daer: daaruit; den Vorst des levens: de Heer van 't leven, Kristus.
110ranssoen: ( ranssoen uit rantsoen: ts wordt s).
111weerdije: waarde, prijs; aendachtige: godvruchtige.
112Hieronymus: de beroemde Latijnse kerkvader (± 340-420) vooral bekend om z'n bijbelvertaling (de Vulgata).
116den Poeet: Vergilius; de aanhaling is uit Aeneas, 2e Boek, vs. 361-366.
125-126konnen evenaren met tranen: kunnen beschreien naar de eis van al dat leed.
128Veel olick volcxken....: veel weerloze mensen doet men neervallen, worden neergeveld.
129op der Goon gewyde dromp'len: op de dorpels van de godetempels, bij de ingang van de tempels; in 't Lat. wordt hier bedoeld: in de tempels der goden; Vondel begreep limina hier verkeerd; ( drompel en drempel uit de Fries getinte dialekten naast dorpel).
130Iosephus: Flavius Josephus; erkent deze nederlage: erkent dat deze nederlaag is.... ('n Lat. zinsvorm).
132onwinbare vastigheyd: onoverwinbare versterking; Titus: zie hiervoor: Klinckert vs. 7.
134-135behendige te zamenvoeginge: kunstige bouw.
136den Ioden: de Jood (enkelvoud, of lezen de loden).
137stormgeveerte: stormgevaarte, werktuigen voor 't bestormen; mocht....: kon hier tegen aan; gelden: waard zijn.
138om de kortheyd: om kort te zijn.
140Prince: vorst; haer: hun.
141wierd: werd; voor de wellust...: voor de vreugde, de liefde van de mensen; 't Romeinse volk noemde hem: amor et deliciae generis humani ( Suetoníus: Titus).
142dien volgende: daarom.
144-145Vespasiaen: de keizer en de vader van Titus Flavius Vespasianus; Domitianus: twede zoon van Vespasiaan; zie Dl. 1, blz. 538 op r. 1.
146daer: waar (n.l. bij 't zegefeest); midsgaders: alsook.
147de gouden tafel waarop de toonbroden werden neergelegd; d.i. de broden die aan God werden opgeofferd en die alleen door de priesters mochten gegeten worden ( Uittocht 25:23-30).
148roede: staf; tempelstylen: pilaren van de verwoeste tempel; den gulden kandelaer: de goude zevenarmige kandelaar.
149wettafelen: de (stene)tafelen waarop de wet stond; heylighdommen: voorwerpen van de eredienst.
150statigh heromme....: met staatsie rond gevoerd werden; daer: waar.
152een gaepspel verstreckten: tot 'n kijkspel waren; haer versmaedheyd: hun smadelike toestand.
153verheerlijckten: nog groter luister bijzetten; deze.... zegefeest: dit zegefeest ( feest was vroeger 'n de-woord).
154op huyden: heden; huyden 'n bijvorm van heden; de Arca Triumphalis of Titus-boog staat op 't hoogste punt van de Via Sacra. Via sacra: de heilige weg, die dwars over 't forum naar de tempel van Jupiter Capitolinus liep. Over deze weg hielden de zegevierende imperatoren hun triomftocht.
155boven de Kercke....: voorbij de kerk van S(ancta) Maria Nova (de nieuwe Sinte Marije); deze kerk is nu bekend als Santa Francesca Romana; boven: voorbij, zoals in te boven en nu nog bijv. boven Arnhem).
156Marmor de oorspr. Latijnse vorm van marmer.
157geheugenisse: gedachtenis.
158-159Deze regels betekenen: De Senaat en 't Romeinse volk aan de goddelike Titus Vespasianus Augustus, zoon van de goddelike Vespasianus, en om de overwinning en om 't eeuwig.... (de woorden et ob victoriam et perpetvvm zijn me niet bekend, ik heb ze ook nergens kunnen vinden).
TEKSTKRITIEK: regel 163 pot., de oude uitgave heeft post. - r. 164 Patris, de oude uitgave heeft triae. - r. 166-167 intentatam, de oude uitgave heeft intenta.
160De volgende letteren: de daarop volgende letters.
162S.P. Q.R.: de bekende afkorting voor: senatus populusque Romanus; 't opschrift betekent: De senaat en 't Romeinse volk aan de Imperator Titus, Caesar Vespasianus Augustus, zoon van de goddelike Vespasianus, Opperpriester, volkstribuun, Imperator, aan de Vader des Vaderlands, aan hun vorst, die volgens de voorschriften en raadgevingen en onder de auspiciën van zijn vader, 't volk der Joden heeft onderworpen, en de stad Jeruzalem, die vòòr hem door alle veldheren, koningen en volken, of te vergeefs was aangevallen, of volstrekt onaangetast gelaten, heeft verwoest. (Jeruzalem was al verschillende malen ingenomen); imperator: 'n eretietel van overwinnende veldheren, iets dergelijks als 't tegenwoordige maarschalk.
168Zoo leegh: zo laag; aende: tot aan de sterren.
170-171zy wien.... zijn alle dingen tegen geweest, en hebben: aan wie.... hun zijn alle dingen tegen geweest, en ze hebben alles....; het al: alles.
174Koningh en Priesterlijcke Stad: koning- en priesterstad; aenvechtingen: aanvallen.
175van: vanaf; versmitste: geslepen.
176Cunaeus: Petrus Cunaeus (1585-1638) hoogleraar in de letteren, staatkunde en 't recht te Leiden; door z'n scherpe hekeling in z'n boek over de H. Lubertus maakte hij zich zeer gehaat bij de gereformeerden, omdat hij er de Remonstranten in begunstigde. Hij schreef o.a. ook ‘Verhandeling over de Staat der Hebreeuwen’ in 't Latijn.
179tot der dingen oorsprongh: voor 't ontstaan van de dingen.
180ten bederve: om te verderven; de mond der waerheyd: Kristus.
181Hier zal niet....: Mattheüs 24:2.
183omgezwerft: omgezworven (bij Vondel zwak gebruikt).
184bloedigh en ellendigh: met bloedende wonden en in ellende.
185-186haer ouwderen: hun (voor)ouders; Zijn bloed....: dat hebben de Joden geroepen toen Pilatus zei: ik ben onschuldig aan 't bloed van deze rechtvaardige; gij kunt toezien (Mattheüs 27:24, 25).
187Aurelius Prudentius: hij is 'n Spanjaard van geboorte; had 'n eerambt bij keizer Theodosius, maar leefde later in de afzondering; hij is een van de beste Latijnse kristelike dichters, vooral in zijn liederen (± 350-403).
193stoel: zetel, woonplaats ( stoel Latinisme naar 't Latijnse sedes).
194vluchtigh: vluchtend, zwervend.
195's Moords: van de moord (op Kristus).
196Besprenght: bespat, besmeurd; begangen: begane ( begangen ouwere vorm van begaan).
197leep en over dweers: scheef en onvriendelik ( leep: schuin, scheel, nijdig).
198als op het tooneel: op 't toneel (voor als vergelijk blz. 86 r. 70).
199aenmercke: zou letten op, beschouwen.
200als op het spoor: als op z'n voetspoor, als in z'n voetstappen, van heel dichtbij.
202Deze: Jeremias, de profeet; klaeghlieden: klaagliederen.
203de verstooringe: de verwoesting.
205Nebucádnezar: of Nabuchodónosor, een van de bekendste koningen van 't nieuw Babiloniese rijk. Kwam in 604 v. Kr. op de troon. Hij verwoestte in 586 Jeruzalem en voerde bewoners en tempelschatten mee naar Babilon; Die: David.
206de bloedstortinge....: 't bloedvergieten en de ergernis; Antíochus: Antiochus IV, Epíphanes de doorluchtige, kwam in 170 v. Kr. in Jeruzalem, verwoestte de tempel en de stadsmuren, en beval later op 't brandaltaar te offeren aan 'n afgodsbeeld en de Joodse eredienst uit te roeien (1 Machab. 1, 21-vlgg.; 2 Mach. 6).
207-208effen alzoo: evenzo; het...iammer: jammer ook nu nog de- en het-woord; de Dochter Sion: Sion, de Davidstad, de bergvesting, door David herbouwd en versterkt; ook de tempelberg wordt dikwels Sion genoemd; dochter Sion voor Sion, is 'n gewone Bijbelse verpersoonliking, vergelijk r. 231; Roomsche: Romeinse.
209Vespasiaen en Titus: zie voor Vespasiaan r. 144-145; voor Titus vs. 7 van de Klinckert hiervoor; vieren de uytvaert: gedenken plechtig de ondergang ( de uytvaert vieren: 'n plechtige begrafenis houden).
210Mijn Zangeresse voor 't meer heidense: mijn zanggodin, m'n Muze.
212Kristus schreide over de toekomstige ondergang van Jeruzalem (Matth. 23:37); onaengezien: ofschoon.
213in zynen vleesche: aan z'n lichaam; korts: kort daarna.
215antwoorden: beantwoorden aan.
216zoodanigh wezende: die zo verheven is; roemen: getuigen van ( van onze geringheid roemen, naar 2 Kor. 11:30).
217stuckwerck: onvolmaakt werk ('n stuk van 'n werk).
218de Latijnsche Treurspeelder: de Latijnse treurspeldichter, Seneca; Voor Vondel is hij in deze tijd nog dè treurspeldichter; overwonnen: overmand; Koninginne: Hecuba, in Seneca's treurspel Tróades (zie blz. 76 vs. 1).
223onze bedruckte Vorstinne: 't droeve Jeruzalem.
227Euripides de grote Griekse treurspeldichter (zie Dl. 1, blz. 472 op vs. 1).
228-229dingen nae den palm, dat is, om wie: dingen naar de palm, dat is er om wedijveren, wie; hooghdravender: verhevener; verhandelt: behandelt.
230niet leeger geadelt: niet lager geadeld, van minder adelike grootheid; de Phrygen: de Phrygiërs, 'n volk in klein Azië, dikwels als algemene naam voor de Trojanen; by haerlieden: bij hun (die oude heidense dichters).
231De Dochter Sion: zie op r. 208.
232Minerve: Minerva, de Latijnse weerga van de Griekse Pallas Athene, de godin van de wijsheid en van de kunsten (in Troje stond volgens Homeros 'n beroemde tempel van Pallas Athene; zolang 't beeld van deze godin 't ‘Palladium’ in Troje was, kon de stad niet worden ingenomen.
233dat zesenveertighjarige getimmer: dat gebouw, waar 46 jaar aan gewerkt is; aller uytheemschen oogen: de ogen van alle vreemdelingen.
234in Syrien: naar Syrie: Judea, was toen 'n deel van de provincie Syrië; naar 2 Machab. 3 (2, 3 en 12), werd de tempel die na de terugkeer der Joden volgens 't verlof van Cyrus herbouwd was, in de hele wereld bewonderd; niet als: niets dan.
235het Palladium: zie aant. op regel 232.
236bedeckt met goude Cherubynen: op de heilige bondskist waren aan de twee smalle zijden goude cherubijnen met uitgespreide vleugels; meer heylighdoms...: meer heilige voorwerpen, alle zo kostbaar mogelik, alle heel kostbaar.
237die den Israeliten weeck: die opzij week voor de Israëlieten; Jozuë en de Israëlieten trokken door de Jordaan, terwijl 't water stilstond en zich ophoopte (Jozuë 3:15-17).
238meerder: van hoger waarde; Xanthus: de bekende rivier bij Troje.
239Ilium: de vestingstad van Troje; Zy: de dichters van de oudheid, die de val van Troje bezongen hebben (Homeros, Euripides, Seneca e.a.).
240-241Hare Oversten: hun bevelhebbers, legeraanvoerders; voorbarighste: dapperste, voornaamste voorvechters; Agammemnon, Menelaus, Achilles en Pyrrhus: Griekse helden in de strijd voor Troje.
242strijdbare: dappere; al haer best: uit al hun best, zo goed ze kunnen.
243-244Laomedon, Priamus en Hector: Trojaanse helden; Iosua, Gedeon, David, Salomon: bekende aanvoerders en koningen in de Joodse geschiedenis.
245Amazone: de Amazonen, 'n mythies volk van krijgshaftige vrouwen dat aan de Noord-kust van Klein-Azië woonde; Penthesiléa: de koningin der Amazonen, bondgenote van Priamos tegen de Grieken; Débora en Iudith: beide deugdzame en heldhaftige vrouwen uit 't Joodse volk, die hun streek aan den ondergang ontrukten.
246brageren: roemen; Rhaeteesche heuvelen: 't gebergte Rhaetéum van 't landschap Troas (waarin Troje lag) bij de Hellespont.
247van: door; gezongen: bezongen.
249-251nae den vrolijcken stoel Gods opvoeren: naar Gods blije hemel opstegen ( opvaren: omhoog gaan; stoel Gods: Gods hemel, zie blz. 91 r. 193); wederom: aan de andere kant; die verzierde twist: die verzonnen strijd voor Troje; rees uyt Paris oordeel: kwam voort uit Paris' oordeel; Paris had volgens de mythe, de beslissing wie van de drie godinnen Pallas, Juno of Venus de schoonste was, en dus de gouden appel zou ontvangen voor de schoonste bestemd door godin Eris (de twistgodin); hij wees die toe aan Venus; en zo berokkende hij zichzelf en z'n vaderland Troje de onverzoenlike haat van de beide anderen.
252Venus had aan Paris de schone Hélena tot vrouw beloofd, als hij haar de appel toekende; Venus te gevalle: (Venus tot genoegen) tot genoegen van Venus.
253om de Keyzerlijcke gunst: de Joden riepen Pilatus toe: als gij deze (Kristus) vrijlaat, zijt ge geen vriend van de keizer (Joannes 19:12); gewaende: vermeende (niet-werkelike).
254pand: bewijs; de ander: Pilatus; leyde: legde.
255den betuyghden....: de uitdrukkelik verklaarde, de werkelike, levende zoon van God.
256als verschulde straffe van zijn mismaecktheyd: als verschuldigde straf voor zijn mismaaktheid (door de zonden die God op Hem gelegd had, omdat Hij zich had aangeboden) zie Isaïas 53:5, 6, 7; verschulde: verschuldigde; Cytheréa: Venus, de Cytheriese genoemd omdat zij volgens sommigen uit 't schuim der zee bij Kythéra was geboren.
257Ida: 't Ida-gebergte bij Troje, waar Paris 't oordeel uitsprak; wierd.... gedoemt: werd veroordeeld.
259-260de Zonne des heyligen Geestes: de openbaring van de H. Geest, de H. Schrift die ons dit alles van Kristus verhaalt; alle Heydensche sterren: de heidense gedichten.
263in het eynde: op 't eind (van 't treurspel); des zelfs: hiervan; bevolen laten: overlaten.
264ontbeyd: wacht; openen: opengaan.
265opgesteken ooren: gespitste, scherp luisterende oren ( opgesteken oorspr. vorm van opgestoken) ; gapende: open.
*In de tietel: Het inhoud: inhoud was vroeger ook 'n het-woord.
2opgehoopt: tot 't uiterste (hoogste) hadden gebracht.
3des Lams: van 't Lam, Kristus.
4heeft.... geslapen: is hun veroordeling niet uitgebleven.
5naemaels: later; vande: door.
6gierigheyd: begerigheid.
7den brand van tweespalt: 't vuur der tweedracht; beroerten: oproeren.
8slachtingen: veldslagen, moordpartijen; langhs hoe meer: al langer hoe meer.
9veroorzaeckt: genoodzaakt.
11zynen zone: Titus; Iotápata 'n stad in Palestina; daer: waar; Iosephus: Flavius Josephus, de Joodse geschiedschrijver.
14Galba stond met Otho tegen Nero op; toen Nero gedood was werd Galba keizer, en werd door toedoen van Otho vermoord in 69 n. Kr., daarna werd Otho keizer; maar hij werd op zijn beurt weer door Vitellius gedood, die zich door z'n troepen tot keizer liet uitroepen. Intussen was Vespasianus door de troepen in Palestina tot keizer uitgeroepen; deze drongen Italië binnen, versloegen 't leger van Vitellius, die bij de bestorming van Rome om 't leven kwam (70 n. Kr.).
15het gebied: de heerschappij; waerom: en daarom ('t Latijnse quare) ; de Roomsche Hoofdluyden: de Romeinse legerbevelhebbers.
16hem drongen: bij hem aandrongen; Keyzerdom: keizerschap; derwaerts: naar Rome.
19slaghoorde: slagorde (- oorde naast - orde zoals boord naast bord) ; in dry rotten...: in drie partijen vijandig tegenover elkaar verdeeld stonden; deylen de oorspr. vorm van delen.
TEKSTKRITIEK: regel 22, 23 in het 72. jaer, de oude uitgave heeft in het 72.
20-21Zeloten, zgn. ijveraars voor God en Zijn Wet, waren roversbenden die uit de door de Romeinen veroverde steden gevlucht, 't land afstroopten en Jeruzalem binnentrokken, waar ze door hun mooi voordoen eerst als 'n hulp tegen de Romeinen werden ontvangen, maar al gauw begonnen met de aanzienliksten te vermoorden en de tempel te onteren; Eleázar stond aan 't hoofd van de Zeloten, stelde zich ter verdediging tegen Johannes en Simon op in de tempel (zie Fl. Josephus' Joodse Oorlogen 5:1); Iohannes: Johannes van Giscala, 'n rovertype als Eleazar; na de inneming van Giscala plaatst hij zich aan 't hoofd van 'n partij in Jeruzalem. Hij verenigde zich met Simon, 'n zoon van Gioras ( Giore = Gíorae: Latijnse vorm); de Joden hadden deze als 'n bevrijder van de dwingelandij van Joh. van Giscala ontvangen, maar met deze samen richtte hij nog 'n groter bloedbad aan dan de Romeinen zelf, die de stad belegerden; hadden... in: hielden bezet.
21het onderste....: de benedenstad (de Z.O. heuvel, vroeger Sion of Davids stad); het opperste....: de bovenstad (de Z.W. heuvel, 't oude Jeruzalem).
23in het 72. jaer: in 't 72ste jaar.
25berent: bestormd; belegert: z'n leger er om heen gelegerd; eerlange: weldra.
26-27stormen: bestormingen; met een muyr... bezet en besloten: met 'n muur omringd en afgesloten (omsloten); waerop: en daarop; onlydelycke: onverdragelike.
28burgerlijcke beroerten: oproeren onder de burgers; ontallijcke: ontelbare.
30te worpen: te werpen ( worpen naast 't oorspr. werpen) ; een edel Ioffrouwe: 'n adelike vrouw; Ioffrouwe naast Juffrouw.
31onnoozel: onschuldig; dit wordt verhaald door Flavius Josephus: Joodse Oorlogen 6:21 en in Egesippus' Verwoesting van Jeruzalem 5:40.
32Oeghstmaend: Augustus; daer: waar.
33Priesterlijcke gebouwen: de gebouwen voor woning en bedieningen van de priesters in 't priestervoorhof, dat 't eigenlike tempelgebouw omringde.
34hulde: genade; haer: hun.
35haer: zich; goedwilligh: zonder verzet.
37Herbstmaend: September; herbst-: herfst- ( herbst uit 't Duits); overstad: bovenstad.
38wierd gestelt: werd gezet.
39-40over de verwonnene te plegen: om die tegen de overwonnenen te plegen; de hele zin: veel moedwil en wreedheid hebben de Romeinse soldaten tegen de overwonnenen bedreven.
41tot het aenstaende: voor 't aanstaande.
42uytgezondert: uitgekozen.
43-44verplichte.... met: beloonde hun dapperheid met de gewonnen buit en eervolle ( eerlijcke) ambten ( verplichten: verzorgen; zoals in 't middeleeuws en ons verplegen dat verwant is met verplichten).
45zijn Goden: aan z'n goden.
46stelde: stelde aan; Overste van: bevelhebber over; bende: legioen.
48dewijl: omdat; de geschichtboecken: de geschiedboeken ( geschicht, zie Dl. 1 blz. 472 op vs. 9).
49Simeon Christenbisschop: de kristenbisschop Simeon. Na de dood van de apostel Jacobus de Mindere werd z'n broer de heilige Simeon, bisschop van Jeruzalem; deze is op 120 jarige leeftijd in 107 gekruisigd; heylige vergaderinge: kristenschaar ( heilige 't gewone woord voor kristen; aan Kristus gewijd).
50Godlijck antwoord: goddelik bevel; te: naar; als Iudea....: toen Judea wat tot rust gekomen was.
51metter woon quam: wonen kwam.
52Christelijcker wyze: op kristelike wijze; leerlijck: leerzaam.
53verziert: verzonnen, verbeeld; hij.... wederkeerende: toen hij met de zijnen terugkeerde.
59uyt Iosephus: uit Flavius Josephus' Joodse Oorlogen boek 2, 3 enz. (al die sijfers horen bij ‘boeck’ in de volgende regel: 2e boek enz.); Egesippus: Hegesippus' Verwoesting van Jeruzalem; Eusebius: bisschop van Cesarea in de 4e eeuw, de vader van de kerkgeschiedenis. Hier wordt bedoeld z'n Chronica waarin hij de geschiedenis der Joden verbindt met die van de andere volken.
60Carion: Lod. Carrion, geb. in Brugge 1547, hoogleraar in Leuven, gest. 1595; hier wordt bedoeld 't 3e boek van Antiquarum lectionum commentarii tres enz.
TEKSTKRITIEK: vs. 12 baer, de oude uitgave heeft haer.
*In de tietel: Rabbynen: priesters, schriftgeleerden.
1De Rey uws Priesterschaps: de schare van uw priesters, al uw priesters.
2Doen: toen; ermen: zuidelike bijvorm van armen.
4geschoncken: volgeschonken.
6In 's Hemels gulden schoot: in 't goude verblijf van de hemel, in de goude hemelwoning; recht op houd: rechtvaardig omhooghoudt.
7Ophirisch: van Ophir, 'n goudrijk land in Zuid Arabië naar men meende (zie Dl. 1, blz. 444, vs. 385), waarschijnlik lag 't in Indië.
8verschoven: verstoten, veracht.
11op heyl'ge dremp'len: op de heilige terrassen (van de tempel), in de heilige tempel, dus: ze meenden zich veilig, omdat ze de (enige) tempel van de ware God hadden (zie vs. 14).
12baer: openlik; wat.... al: wat al plagen.
13-14En dat aan de bozen ( Boosheyd) machtige muren en tempels die ze in schijnheiligheid vereerden, niet konden dienen tot verdediging ( borstweer) tegen Gods wraak; ( geweld: macht).
*Door een is 't nu voldaen: letterkeer van Vondels naam, zie Dl. 1, blz. 476, onderaan.
|
|