auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Kasper van Baerles Aenspraeck aen Iakob Baeck, Rechtsgeleerde, toen hy hem riet te herhuwen, vertaalt uit het Latijn.aant.*
O Baack, de Baack van eerbre zeden,
Die met een schrandren geest verciert,
En veelerley bevalligheden,
Vw heilge voester Themis viert: vs. 4
5
Wiens tong met honigh is begoten,
En sap van duisent aardigheên, 6
En in uw boezem draaght besloten
De wetenschappen, en al 't geen
De jonckheit leert van minnetreecken: 9
10
Wat wiltge my tot huwen raên?
Wat wiltge een wijser hart ontsteecken,
En in Cupidoos boeyen slaan?
De lieve Barber och! die bluschte 13
In haren arm mijn kuische vlam;
15
Toen ick niet vruchteloos haar kuste,
En aan den naam van vader quam;
Zoo wel gepaart, als 't hart moght wenschen.
'k Heb my gequeten als een helt.
'k Voel nu de bloem der jeught verslenssen, 19
20
En d'allereerste hitte smelt,
En leert my met der tijd bedaren.
My voeght geen Min, maar deftigheit. 22
Mijn waarde Baack, dit voeght uw jaren:
Dit is uw werck, en Venus vleit 24
25
En noodight u. de roode kaken
Der maaghden zijn met u gedient. 26
Vw jeughd is rijp, uw bloet aan 't blaken.
| | | |
Ghy zijt der maaghden rechte vrient.
Ga toe, de vlugge minnestoocker
30
Bestelt u wapens en geweer: 30
Treck pijlen uit een vollen koker,
En tref de vrijster, u tot eer.
Het minnekoozen past uw zinnen,
My wijze woorden. uw gezicht
35
Ontfonckt de jeught: uw oogen minnen.
Nu hecht op my geen wulpsche schicht. 36
Vw May die bloeit noch ongeschonden.
Mijn bloet verkoelt. ghy, in uw kracht,
Verbeit de vrolicke avontstonden,
40
En ick verslijt den naren nacht
In eenzaamheit. de Kraamgodesse 41
Verheugh u met een jonge spruit.
Ick heb volleert mijn huwlixlesse, 43
En munt door zeven kinders uit. 44
45
'k Wil u dat ampt dan overgeven. 45
Op vryer, naar de vrijster toe,
En kus haar, dat de kuskens kleven,
En streel en wort geen kussen moe,
En spreeck: mijn echt moet wel gedyen, 49
50
Mijn liefste eerlange zwanger gaan.
Ick onbeqaam tot dartel vryen,
En om mijn ega noch belaên, 52
Legh hier de wapens neêr met vreden.
't Is voor dees tijt genoegh gestreden.
|
*Van 1636? Afgedrukt volgens de tekst van Vondels Verscheide Gedichten 1644, blz. 191.
Caspar van Baerle was de 19de Junie 1635 weduwnaar geworden. Toen de plaagzieke vrienden bemerkten dat hij op Tesselschade verliefd was, werd hem van alle kanten aangeraden te hertrouwen (zie J.A. Worp in Oud-Holland VI, blz. 87-vlg. en Een onwaerdeerlycke Vrouw, blz. 141-vlg.). Het Latijnse gedicht is te vinden in Casp. Barlaei Antwerpiani Poematum pars II, Elegiarum et Miscellaneorum Carminum Amstelodami, Apud Joannem Blaeu, 1646, II, 426.
vs. 4Vw heilge voester Themis: de godin van het Recht.
6aardigheên: vernuftige invallen.
9minnetreecken: listen van de liefde.
13Barber: zijn overleden vrouw Barbara Sayon.
19verslenssen: verwelken.
36hecht op my: tref mij met; wulpsche schicht: pijl die tot dartelheid prikkelt.
41Kraamgodesse: Juno, die de barende vrouwen bijstond.
43Ik ben uitgeleerd in de lessen van het huwelik.
44munt uit door: heb mij onderscheiden door.
52belaên om: treurende om.
|
|