auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | | | | | | | | [Blyde inkomst van Maria de Medicis]

Kasper van Baerle (Barlaeus)
Naar de tekening van Sandrart gegraveerd door Theod.Matham
| | | |
DE VERZEN EN ENIGE PROZA-GEDEELTEN DER BLYDE INKOMST VAN MARIA DE MEDICIS, Vondels vertaling van Barlaeus' Medicea Hospes, worden hier afgedrukt volgens de tekst der folio-uitgave van 1639. Zie hiernaast de titel typografies nagevolgd.
Blijkens een Latijnse brief van Van Baerle aan Hooft van 9 Julie 1639 is de uitgave van Vondels vertaling niet vóór de zomer van dat jaar verschenen. Unger, misschien misleid door de dagtekening der ‘Toe-eigening’, plaatst in zijn chronologiese lijst Vondels Blyde Inkomst in 1638. Vondels datering is echter letterlike vertaling van Barlaeus' Latijnse in 1638.
Een ongewijzigde herdruk der Blijde Inkomst van 1662 besluit (blz. 617-696) Casper van Baerles Oratien, en Blijde inkomst van Maria de Medicis, Uyt het Latijn vertaalt. T'Amsterdam, By Jan van Duisbergh, Boekverkoper in de Stilsteegh. In 't jaer M. DC. LXII.
| | | |
| |
[De verzen en enige proza-gedeelten uit:]
Blyde Inkomstaant.aant.
Der allerdoorluchtighste Koninginne, Maria de Medicis,
t'Amsterdam.
[door Vondel]
Vertaelt uit het Latijn des hooghgeleerden heeren
KASPER VAN BAERLE,
Professor in de doorluchtige Schole
der gemelde Koopstede.
t' Amsterdam,
By Iohan en Cornelis Blaev,
CIƆ IƆ C XXXIX.

| | | |

Sic ivit nostram grandis Medicea per Vrbem, Sceptrorum Mater suspicienda trium.
Maria de Medicis, kopergravure van S. Savry naar de schilderij door G. Honthorst (zie blz. 636, r. 466-vlgg.). Het onderschrift betekent: Zo trok de grote Medicea, eerbiedwaardige Moeder van drie Scepterdragers, door onze Stad.
| | | |
| |
v. Baerle's beschrijving der feestelikheden1).
[Toe-eigening aan de Burgemeesters].aant.
1 Het geen God in den hemel is, dat is de Vorst op der aerde. God is niemants beeld, 2 om dat hy van niemant zijn' oirsprong heeft. De Vorst is Gods beeld, om dat hy van hem 3 voortgekomen is... Gods maght is onbepaelt, om datze goddelijck is. Des Vorsten maght 4 is bepaelt, om datze menschelijck is. God is boven de wetten, om dat hy d' eenige 5 wetgever is. De Vorst is aen de wetten gebonden, die God en de Reden hem voor- 6 schrijven.... [De mensen] meenen eenen God op d'aerde te zien, zoo menighmael 7 zy het doorluchtigh aenschijn des Vorsten mogen aenschouwen... Ick zal het bewijs 8 hier van niet verre haelen. Onlangs quam in deze uwe Stadt de allerdoorluchtighste 9 Koningin, Maria de Medicis, beroemt van wegen haer geslacht, heerschappye, 10 huwelijck, haerer kinderen scepters en aengehuwde kroonen. Deze hebt ghy met triomf 11 ingehaelt, zoo van Stads wegen, als uit eige byzondere genegentheid. De burgers, zoo 12 uit last, als uit zich zelven, vlogen van alle kanten te zaemen, om haer te verwellekomen, 13 gelijck ofze een nieuwe Starre hadden zien rijzen... Ghy beweest eere aen een Vorstin, 14 die, na uw eigen oordeel, veel meer verdient hadde.
15 [Daarna zinspeelt de schrijver op de voorrechten, die de Stad de voorouderen der 16 Koningin moet dankweten en spreekt, als van een erkentenisoffer van het] 17 ...heerlijck toestel van Triomfbogen en Poorten, hier en daer opgerecht, en Ver- 18 tooningen van spelen, en opbod der gansche Schutterye, [waarmeê de Koningin ont- 19 vangen werd.]
20 Nu [in dit boeck] konnen oock, dieze niet gezien hebben, deze Schouwspelen, en 21 toeloop van volck op uwe kosten [Burgemeesters!] en door uwe mildaedigheid zien en 22 hooren. In dit boeck komt nu de Koningin als tot henlieden, en zy, die te voren uwe 23 poorte inreed, word nu hier, door schrijver, en kunst van plaetsnijder, gezien en begroet.
24 [Na zijn opdracht gaat de schrijver in zijn boek-zelf, aantonen, dat] zoo groot een 25 Vrouw wel waerdigh was in zoo groot een Stadt onthaelt te worden... De Koningin, 26 om met de aeloude poeten te spreecken,
Ontfing van Thetis groote Heeren 27
Tot zwagers, die de zee regeeren. 28
Allengskens van een laege vest
30
En kleen gebied dus hoogh gewassen,
Zoo datze nu des hemels assen 31
Bereicken kan, en Oost en West.
Moedigh op de Goôn, haer zoonen, 33
Al verciert met Koningskroonen,
35
Die te zijner tijd om hoogh
Zullen cieren 's hemels boogh.
| | | |
De Amsterdamse burgemeesters Antoon Oetgens, Albreght Koenraeds Burgh, Peter Hasselaer en Abraham Boom, de gastheren van Maria de Medicis, met (staande) advocaat Cornelis van Davelaer, heer van Petten, hoofd der ruiterij, die de ‘allerchristelikste Koningin’ begeleidde door de stad.
Prent van Suijderhoeff naar Th. Keyser.
| | | |
Komt billijck lof en danck om haer lieftallige aerd, 37
Om dat de vreemden daer, als in hun land, verkeeren;
Om dat wy wijd en zijd ons geven op de vaert,
40
En tot in d'yszee toe in 't noorden gaen laveeren,
Ontdecken onbeschroomt de veergelege landen,
Ons eertijds tot een' schrick; dat wy den dorst verslaen 42
Met bruizenden Oront, en schuimenden Rodaen, 43
En zijn, gelijck een volck, verknocht door eendraghts banden. 44
45 ... De Stadt Amsterdam oordeelde haeren schuldigen plicht te wezen met eerbiedinge45 46 te onthaelen de Nicht des Keizers Maximiliaen, van wien zy eertijds de Keizerlijcke Kroon 47 op haer wapen ontfing... En hoewel de Raed deze eere niet en bewees aen zijn eige 48 Princesse en Landsvrouwe, zoo heeft hy nochtans dit haere Majesteit ten gevalle willen 49 doen, als gesprooten zijnde uit het oude en vermaerde geslacht der eige Heeren en 50 Vorsten van deze landen: waer by noch komt, dat ons te stade komen de gunsten en 51 genade van den grootmaghtighsten Koning van Vranckrijck, Lvidewyck de XIII, 52 den Rechtvaerdige, handhaever van onzen Staet; en wy geduurighlijck genieten 53 de vruchten van 't geluckigh verbond, eertijds met zijnen Heer Vader opgerecht...53
54 [Na de inleiding verhaalt de schrijver, hoe de Koningin de reis genomen heeft.]
55 Den lesten dagh van Oeghstmaend reisde Zy [her] waert, vergezelschapt met haere 56 Hoogheid Amelia, gemaelin des Princen van Oranje; Mauritia, dochter des Princen 57 van Portugael; Florens van Pallant, Graeve van Kulenburgh; Iohan Wolphard, Heere 58 van Brederode, Vianen &c. de weduwe des Heeren van Potles, Brederoos zuster, en 59 zijn oudste dochter; Ioan van Kerckhoven, gezeit Poliander, Heere van Heenvliet, 60 Houtvester van Holland, en Ruart van Putten, en meer anderen edelen...
61 [Te Haarlem ging de Pensionaris van Amsterdam, Willem Boreel, Heer in Duinbeeck, 62 de Koningin te gemoet. Burgemeesteren hadden gaarne gezien, dat H.M. verder de 63 reis te water had willen afleggen - als zo eigenaardig Hollands; maar de voorkeur 64 werd aan de tocht ‘te wagen’ gegeven. Uitvoerig worden de ruiters en de paarden 65 der Erewacht beschreven.]
66 Hun geweer waren degens, en pistolen. Witte veders zwaeiden boven op hunne 67 hoeden. Het waren uitgeleze paerden, kleen en verheven van kop, met wackere en 68 glinsterende oogen; kort van ooren, dun van hals by den kop, breed van borst, wel 69 gedrongen, breed en ruigh van voeten. Eenigen waren kastaniebruin, eenigen zwart, 70 eenigen schimmel, en van verscheiden hair. De moedigheid van zommige paerden kon70 71 men zien aen de zwarte voeten, het grijs en gekrult hair, en de roode vlecken om 't lijf. 72 Zommige kleppers waren schoon geteeckent met een kol of star in 't voorhoofd. Eenigen72 73 hadden vier witte voeten, eenigen twee, zommigen eenen witten, of rechten of slincken 74 voet. Men zagh uit het wenden ter wederzijden, datze wel ter hand, uit den draf, datze74 75 braef en wel afgerecht; aen het mennen, datze wel na den toom luisterden, en zacht75-76 76 van mond waren. Als zy geluid van trommelen of trompetten hoorden stondenze niet 77 stil: zy beeten op hun gebit, en schuimbeckten; staecken de ooren op, en schrabden 78 op de aerde met hun voeten. Zy hielden in 't gaen hunnen pas, en gaven met brieschen 79 te kennen, datze hun meesters verstonden, en dat met zulck een deftigheid, als ofze door79 80 een heimelijck ingeven wisten, datze de Koningklijcke Majesteit zouden geleiden...
| | | |
81 [De rede van de Heer van Davelaer is door Vondel aldus ‘uit het Fransch in 82 Duitsch vertaelt’:]
83 ‘Allerdoorlvchtighste Princes,
84 Hier zietghe de Ruiterye der Stad Amsterdam, die door last en bevel van mijn Heeren 85 den Burgemeesteren en Regeerderen dezer Stede, uit een zonderlinge genegentheid,85 86 die zy toedraegen uwe Majesteit, om haere onvergelijckelijcke waerdigheid, en over- 87 groote verdiensten, haer in haere Majesteits aenkomste in dezen oord, en vrydom van 88 Amsterdam te gemoet gaet, tot een bewijs en staeltje van de algemeene vreughd, die 89 hier binnen is; daer een yeder zich verheughd, dat het Uwe Majesteit geliefde, boven 90 alle andere weldaeden alree bewezen, zich te vernederen, om deze Stad te beschijnen 91 met de Zon van haere Grootheid. Wy draegen dan uwer Majesteit op alle die diensten, 92 die wy vermogen, haer zeer ootmoedigh biddende, dat haer gelieve zich door dezen 93 troep te laeten geleiden binnen onze wallen, ter plaetze, die men van ouds plagh in te 94 ruimen voor den Princen, en groote Personagien, die deze Stad bezoecken; alwaer zy 95 zal bevinden, dat dees onze schuldige en ootmoedige plicht, die wy haer bewijzen, niet95 96 en is dan een kleene proef en gering teecken van grooter danckbaerheid, die nochtans96 97 niet en kan opwegen de grootheid van uwe Majesteit, en der zelver weldaeden, waer 98 door deze Stad aen haer verknocht is.’
99 De Koningin de Heeren Burgemeesteren bedanckende, ontfing deze beleefde reden 100 der burgerruitery met een goede genegentheid...100
101 De gansche Stad vierde; en niemant sloegh een hand aen zijn werck: noch yemant101 102 hoe oud hy was, en hoe veel hy oock te doen hadde, en hoe qualijck hy uit moght,102 103 kon het huis houden...
104 Ontrent ten vijf uuren na middagh verscheen de Keizerlijcke en Koningklijcke Starre 105 van Medicis, en quam binnen de Koopstad Amsterdam, geleit van de ruiterye, die 106 altoos voortrock.
107 Daer op loste men over al de Stad het grof geschut... De groote klocken luiden, 108 van gemeene blyschap, zoo luide, dat het over het geheele land klonck, en de kleene 109 klocxkens speelden zeer liefelijck onder het juichen van 't gemeene volck.
110 [Verwelkoming door Andries Bicker, oud-Burgemeester, Kolonel van de Stad, en 111 andere Heeren, aan de Haarlemmer poort.]
112 Daer de Middeldam (Vijgendam) begint rees een triomfboogh, heerlijck en fraey om 113 aen te zien, daer een scheepken, of de Kogge, boven op stond, gelijck op het oud zegel 114 van Amsterdam staet van wiens mast een roode zijde vlagge waeide. In het hol van 't 115 scheepken vertoonden zich twee Hollandsche Graeven, gewapent na de oude wet...115
116 De eerste Vertooning om hoogh op de triomfpoort was de bruiloft van den 117 allerchristelijcksten en onverwinnelijcksten Koning Henrick de IV, Koning van 118 Vranckrijck en Navarre, en van de allerchristelijckste Koninginne Maria de Medicis 119 [omgeven van andere figuren.]
| |
Op de Vertooning des huwelijcx van
Henrick de IV, en Maria de Medicis.aant.
120
Hier trouwt 't Hetrurisch bloed de hand die 't lemmer past, 120
En 't stijght door huwelijck op 's weerelds hooghste toppen;
En Henrick aen haer zijde, al blanck geharrenast,
| | | |
Verwacht uit haeren schoot gekroonde Koningskoppen.
Ay zie, 't is Herkules, 't is Pallas, die hier staet.
125
Hy stut met dapperheid de Rijcken, zy met raed.
126 [Hier volgt, bij v. Baerle en Vondel, een vernuftige speling op het getal zeven, waartoe 127 een ereboog te Avignon, bij 't huwelik van Henri IV, de auteur aanleiding gaf. Daarop 128 wordt meêgedeeld de rede, waarmeê de Voorzitter van 't Parlement van Provence, 129 de welsprekende Guillaume du Vair (1556-1621), de Koningin, bij haar aankomst 130 te Marseille begroet had. Hierna de beschrijving, die de ‘grote Thuanus’ van de 131 eerste voltrekking der ondertrouw te Florence, door de Kardinaal Aldobrandini, geeft. 132 Te Lyon werd daarna het huwelik gesloten, waarbij tot de Gezanten behoorde ‘Karel 133 Ligni, graef van Arenbergh, uit den naem der Aertshartogen, Albreght en Isabel.’
134 Van de Middeldam reed de Koningin] ‘door de volckrijcke en neeringachtige134-140 135 Warmoesstraet, daer de huizen zeer dier, en de wooningen eng en kleen vallen. 136 Daer woonen door malkanderen goudsmeden, juweliers, koperslagers, maeldeniers,136 137 Neurenburgiers, balansmaeckers, zwaerdveegers, tinnegieters, linnewinkels, goude137 138 zijde en wolle lakenkoopers, zijde en passementkramers, wijnkoopers, pluimeciers,138 139 hoedekramers, lintverkoopers, kruideniers, droogisten, aptekers, en ander slagh van 140 ambachten en winckeliers zonder end.’
aant.141 [Daarop reed de Koningin door de Niezel en ‘trock den Fluweelen burghwal langs,141 142 tot voor de oude Doelestraat’. Op de Varkenssluis stond weêr een ‘triomfpoort’, met 143 een voorstelling van de Koningin, op een zegewagen, ‘in de gedaente van Berecynthia, 144 der Heidensche Goden moeder’, getrokken door leeuwen. Zij zat daar omringd o.a. door 145 haar zoons, Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, en Gaston, Hertog van Orleans, en 146 haar drie dochters: Henriette Marie, Koningin van Groot-Brittanje, Isabella, Koningin 147 van Spanje, en Christine, Groot-Hertogin van Savoye. De char is omstuwd van de 148 4 werelddelen, en op de voorsteven van een koggeschip begroet haar Amsterdam, 149 een allerliefste figuur. Op een banderol leest men ‘dit halve vers van Maro’: LAETA 150 DEÛM PARTV: Blijde Moeder van de Goden]. ‘Men speelde met Latijnsche vaerzen 151 op Berecynthia, der Goden Moeder; en op de Koningin, der Koningen en Hartogen151 152 Moeder: het welck aldus vertaelt is:
Als eertijds Berecynth, zoo wijd befaemt door 't baeren
Van zoo veel Goden, reed door Phrygiaensche steên; 153-154
155
Koom zoo, ter goeder uur, gezegent ingevaeren 155
De poort van Amsterdam, tot blyschap van 't gemeen,
O groote Koningin, sla overal uw oogen.
Mijn kercken, mijn gebouw en torens trots van stand,
| | | |
Triomfpoort op de Varkenssluis, met een voorstelling van de koningin op een zegewagen, in de gedaante van Berecynthia, der Heidense Goden moeder, getrokken door leeuwen.
(Zie de beschrijving op blz. 625 r. 144-vlgg).
Kopergravure van S. Savry naar een tekening van Cl. L. Moyaert.
| | | |
De twee voorgaende dagen stond het land, op' dezen dagh het water haere
Majesteit ten dienst... Toen gingen twee sluizen recht tegens over malkanderen open. De Koningin quam door de eene, de Grimmenesse sluis genaemt, in den Amstel, [het Rokin]. (Zie verder blz. 631 r. 287-vlgg.).
Kopergravure vak S. Savry naar een tekening van S. de Vlieger.
| | | |
Mijn havens dicht bezet, getuigen mijn vermogen. 159
160
Ick zwerf den aerdboôm om, te water en te land.
De beide weerelden my haer schenckagien stieren, 161
En d'oude, en nieuwe word hier op haer prijs gestelt. 162
Vw Grootvaêr schonck my eer, om mijnen schild te cieren, 163
Zijn Keizerlijcke Kroon. nu wensch ick 't hooghgemeld
165
Geschenck met danckbaerheid zijn Nichte te vergelden; 165
Te toonen, dat zijn deughd noch in mijn harte staet. 166
Zoo stond ick in de gunst van dezen Held der helden,
Vw Man; zoo koomt uw Zoon my jaerlijx noch te baet. 168
Nadien ghy nu (dat 's meer) zelfs Goden hebt gedraegen, 169
170
Vergeefme, indien ick poogh hun Moeder te behaegen.
171 [Daarop rijdt de Koningin naar het ‘Prinssen hof’, het tegenwoordige Stadhuis.] ‘Hier 172 onthiel zich de Koningin, geduurende haer verblijf, en haere Hoogheid, de Princes 173 van Oranje dicht hier by, ten huize van eenen voornaemen koopman Elias Trip genoemt, 174 dat ruim en wel gestoffeert was [niet te verwarren met het latere Trippenhuis].
175 Op een troongestoelte ‘op de groote zael’ ontving de Koningin de Burgemeesters 176 en Pensionaris Boreel sprak haar nogmaals toe ‘in 't Fransch’. De Koningin ‘antwoorde 177 minnelijck’; daarop gingen de Burgemeesters ‘haere Hoogheid Amelia, gemaelin des177 178 Princen van Oranjen, trouwe reisgenoot der Koninginne, verwellekomen en begroeten’. 179 [Alle avonden liet men de Koningin het wachtwoord geven voor de ‘ruitery en 180 schuttery’: ‘de eerste avond’ was het woord Maria. Daarop volgt een beschrijving 181 van de tocht der Koningin, als zij de merkwaardigheden ging bezichtigen.]
| |
Op het OostIndisch huis.aant.
Fortuin trock over zee, en ging nae 't Oosten bruizen, 182
En hiel in Indien ten lange leste stand;
Daer was zy wellekoom in der Molucken huizen,
185
By Memnons Koningen, verbonden hand aen hand. 185
De Dageraed ontsloot zijn kamers voor ons kielen. 186
Daer werden Hollanders van Mooren wel onthaelt. 187
't Was niet genoegh, dat zy in Neerland 't veld behielen;
Zy zeilden 't aerdrijck om, zoo wijd de zonne straelt:
190
Vermaeckt, om dat de zon getuighde van hun daeden, 190
Zoo verre en zoo uitheemsch. Ons Holland streckt een schuur
Voor 't Indiaensch gewas. Het Noorden heeft geladen
Al 't geen het Oosten teelt. al wat het hemelsch vuur
Des zomers koockt en braed, bewaert, in dit geweste,
| | | |
195
De kille Wintervorst, die vier uit peper kaeuwt. 195
Arabien geeft ons zijn wieroockvat ten beste.
De handel met den Pers tot noch niet verflaeuwt.
Hy mangelt zijne zijde, en zijn kottoene waren. 198
Het groote Java deelt ons zijne schatten meê,
200
En China 't porcelein. wy Amsterdammers vaeren
Al waer de Ganges loost zijn wateren in zee:
Al waer de winst ons voert, na alle zeen en kusten.
Gewinzucht liet tot noch geen havens onbezocht.
Wy deelen met den Taegh de zee en 't land, en rusten
205
Ten oorloogh tegens een, die alles overmoght. 204-205
Wie twijffelt, sla maer 't oogh op schanssen, steên en wijcken:
Ick wijs hem andre steên, een ander Vaderland,
Daer andre starren zijn. Zoo wisselt men met Rijcken: 208
Zoo koopt de weereld zich, en streckt 't verkochte pand: 209
210
Aldus word d'oegst, gemaeit op wijd verspreide gronden,
Heel Indien in een Oost Indischhuis gevonden.
211 [De auteur neemt aanleiding uit het bezoek, dat de Koningin brengt aan het O.I. 212 Huis, (hoek Hoogstraat en Kloveniersburgwal), mee te delen, dat] ‘'er van de Bewind- 213 hebbers, op de groote zael, een aenzienelijck bancket was aengerecht, niet alleen tot 215 een leckerny voor de tong, maer oock welrieckende, en aengenaem in 't oogh...
216 De oude hielen voor een leckerny den paeuw van Samos, het Ionisch hazelhoen, 217 de kraenen van Melica, de geitkens van Ambracia, den tonijn van Chalcedonien, den 218 steur van Rhodus, de scharren van Cilicien, Lucrijnsche oesters, hommen van lampreien, 219 den barm van Marsilien, papegaeistongen. Hier waren zulcke leckernyen niet; maer 220 de vruchten en 't gewas van Persiaenen, Arabiers, Molucken, Iaponesen, en Chineesen, 221 aengerecht in groote en ruime porceleine lampetschotels, die, op een lange tafel in orden 222 gestelt, om haer vreemdigheid, de Koningin vermaeckten. Daer was opgedischt ronde en 223 lange peper, schoon om aen te zien, foeli, en driederhande slagh van noten muscaten, 224 eenige in haere bolster, eenige bekleed met foeli, en eenige geconfijt; die alle te kennen 225 gaven hoe vruchtbaer d'eilanden van de Molucken zijn. Het pijpkanneel, en de Cassia,225 226 kruiswijs op een gehoopt, getuighden, datze van 't Oosten herquamen. Daer waren 227 schotels vol nagelen, vol massen ruwe en ongewrochte Persiaensche en Chineesche zijde.227 228 De Borax bekoorde de oogen door haer wittigheid, en de Benzoin den neus door zijnen 229 reuck en geur. Muskeliaet, Styrax, sandelhout, indigo, en meer andere verwen lagen229 230 in byzondere schotels. Oock was 'er, onder dit ooghbancket, Draeckenbloed, en230 231 koecxkens uit sap van foeli, en Gutta Gamba, zoo geel als goud, uitmuntende onder231 232 de andere gerechten. Het wieroock, en de Myrrhe van Saba, eertijds van de Heidenen
| | | |
233 den Goden geoffert, dienden hier voor reuckoffer aen de Godin van Vranckrijck. 234 Cubeba, Rhabarber, suicker, en salpeter, waer van men het ysselijck bussekruid maeckt,234 235 lagen elck op hunne plaets. Oock diende men haer voor lack, en wasch dat van de byen 236 komt, kostelijcken oly van macis, noten muscaten, en gekonfijte en ongekonfijte gengber.236
237 De oogen van Medicis verdwaelden; en zy beelde zich in, ziende en aentastende 238 't uitheemsche en ongewoone bancket, datze by den Indiaenen, Molucken, Persiaenen, 239 Arabiers, Iaponesen, en Chinesen te gast was. By deze gerechten moght niet haelen 240 de dagelijcksche spijze van Faisanten, levers van meeuwbraessems, patrijzen, zult en240 241 wild verkens vleesch, en wat uitgezochte leckernyen meer kiesche tongen, om hun 242 keel te vernoegen, weeten op te zoecken....
| |
Op het gerecht der Oost-Indische koopmanschappen, voor 's Konings Moeder aengerecht.aant.
Des Konings Moeder stond gelijck voor 't hoofd geslaegen, 243
Om d'ongemeene spijze, en proefde met haer' mond
245
Het Indiaensch bancket, daer zy den disch zagh draegen 245
Het edele gewas van 's aerdrijx Morgenstond, 246
De vrucht des Arabiers, de Persiaensche waren.
Zy proeft met grooten smaeck welrieckend pijpkanneel,
't Verquickende gerecht, dat Oostersche ackers baeren.
250
Zy rieckt de vruchtbaerheid van 's weerelds ander deel,
Het wierroock, balssem, myrrhe, als heilige offergiften, 251
Een yeder op zijn plaets. het een haer oogh behaeght,
Het ander smaeckt de tong. wie zal partyen schiften? 253
Hier pleiten Reuck en Smaeck, terwijl men rieckt en knaeght. 254
255
Men at op Thetis feest noch noit dees leckernyen. 255
Jupijn wert noit genood op diergelijck bancket;
Noch Caesar, toen hy quam het Capitool op ryen
Met zegenrijcken roof, van 's vyands bloed besmet. 258
De weereld, mompelde een, die Griecken Kosmos heeten,
260
Nood Cosmvs dochter dus op haer bancket ten eeten. 260
261 [Na de maaltijd werd de Koningin ‘van Burgemeesteren alom door de Stad gevoert.’]
262 Daer zaghze de gebouwen op ingeheide masten en paelen staen, en hoogh uit het 263 moerasch opgetrocken, zoo dat deze Stad, gelijck Venetien, op het water scheen te 264 drijven... Zy stond verbaest toenze de Keizers graft zagh, wiens weerga, zoo men
| | | |
265 vreemdelingen gelooven magh, in geheel Europe niet te vinden is... Onderwegen 266 reedze langs de kaeien, daer de schepen leggen, die op Londen, Roanen, Rochel, 267 Hamburgh, Lubeck, Handwerpen, Harlingen, en veel andere plaetzen vaeren...
268 ...Het WestIndisch huis... Dit huis zend de Nassausche veldoversten, soldaeten, 269 wapens, vlooten van oorlooghsschepen met geluck en voorspoed in d'andre weereld, 270 den ouden onbekent: heeft oock door een stout bestaen de stadt sint Salvadoor verovert,270 271 's vyands schepen verbrant en geplondert, over Olinda en zijn kasteelen getriomfeert,271 272 en byna de heele kust van Brezijl vermeestert...
273 ...Het Stadhuis, in zich zelven naeuw en kleen van begrip, leit zijn vesten en wallen 274 ruim en wijd uit; de Raed, door wiens bestier men wijd en zijd zeilt, woont benaeuwt...
275 De oude historischrijvers verhaelen van zeven gebouwen, die men voor wonderen 276 hiel: namelijck den tempel van Diane t' Ephesen, het graf van den Koning Mausool, 277 het koperen zonnebeeld te Rhodes, het beeld van den Olympischen Iupijn, het hof 278 van Cyrus, der Meden koning, de muuren van Babel, en de naelden en spitsgebouwen278 279 van Egypten: maer 's Konings Moeder.... scheen [deze] heele Stad een wonder.... 280 onder hout, boven steen.... zoo dat men met recht van haer magh zeggen:
Keer om de Stadt, z'is bosch van onder, en gebouwt
Op boomen, onlangs noch gehaelt in 't Noordsche woud.
aant.aant.283 [Nu volgt de beschrijving van hetgeen Vrijdags gezien werd.]
284 De twee voorgaende dagen stond het land, op dezen dagh het water haere Majesteit 285 ten dienst... Toen gingen twee sluizen recht tegens over malkanderen open. De 286 Koningin quam door de eene, de Grimmenesse sluis genaemt, in den Amstel, [het Rokin], 287 en ziet, uit de andere, de Ossesluis geheeten, quam, onder het vaeren, na het schutten, 288 Neptuin al bruizende haere Majesteit tegen... Merkuur... zat in de Kogge achter hem. 289 Hy had, na zijn gewoonte, eenen hoed met vleugelen op, en in de rechte hand den 290 slangenstaf, waermede
Hy geesten, doodsch van verf, uit Plutoos jammerpoel 291
Verdaghvaert, of hen drijft na 's afgronds duistren stoel. 292
aant.293 Ter zijde van de Kogge quamen uit houte kassen met het halve lijf uitkijcken vier 294 watergodinnen... uitbeeldende Europe, Asien, America, en Africa... Voor op liet zich 295 zien een schoone Maeghd, Amsterdam uitbeeldende, die, eerbiedigh neigende, de 296 Koningin met deze vaerzen verwellekomde:
Met welck een offerhand zal ick den hemel dancken,
Dat my bezoecken koomt de grootste Koningin,
Die bei de Weerelden beschaduwt met haer rancken, 299
300
En my een Voorspraeck streckte, en trouwe Noodvriendin, 300
By Vader en bij Zoon, in haere heerschappye.
Weest overwellekoom, gezegende Marye.
| | | |
| |
Op Neptun, Merkuur, en d'Amsterdamsche
Maeghd, die de Koningin op het Rockin ontmoeten en begroeten.aant.
De Zeegod, grijs van kop en kin, en straf van oogen,
Die met zijn spitze vorck opborrelt uit den vloed, 304
305
En in een vloocke schulp van monsters word getogen, 305
Daer waternymfen vast hem strecken tot een' stoet; 306
Merkuur, des koopmans God, beleider van den handel, 307
Die met zijn gladde tong nu koopt, en dan verkoopt,
En wispeltuur in gunst, en licht van aerd en wandel, 309
310
Veroirzaeckt, dat de winst nu stand houd, dan verloopt;
En deze schoone Maeghd, die met een nedrigh wezen 311
Zich neight eerbiedighlijck; dees Godheên algelijck
Verwellekomen hier de schoone, d'uitgelezen,
Onsterflijcke Godin van 't Fransche koningkrijck.
315
Zy storten over haer een' algemeenen zegen.
De Zeevooghd draeght haer op 't gezagh der gansche zee,
Van alle wateren, en hobbelende wegen; 317
Zoo veer van Sein, of Theems, of Spanjens veerste ree 318
De scepters van haer wijd gevreesde kindren reicken.
320
Der Goden Taelman wijd zijn Stadt dees Koningin, 320
En haere Lelien, tot een gehoorzaem teicken: 321
Maer d'Amsterdamsche Maeghd, ons stroom en Zeeheldin,
Van zee en handelgod gestut, vernedert bloode 323
Deez Koopgoôn voor Marie, en haer alleen voor Gode. 324
325 Van hier voer de sloep, waer in de Koningin zat, na de Noordzy van 't eiland, (dat325-28 326 met een wonderlijcke snelheid anderhalve mijl van de Stad uit de veenen gehaelt, op het 327 water dreef, gelijck een ander Delos, of Samos, of klipachtigh Neritos, waer op weder 328 nieuwe triomfbogen stonden, in eenen nacht gebouwt), daer men eerst vertoonde het 329 trouwen van François van Medicis en Ioanna van Oostenryck, Vader en Moeder van 330 Maria de Medicis.
331 [Hierop weidt de schrijver uit over de genealogische betrekkingen zijner heldin, in- 332 zonderheid tot de Pausen Leo X en Clemens VII en Keizer Karel V.]
| | | |
| |
Op het huwelijck van Francois van Medicis, Groot Hartogh van Toskanen, en Ioanna van Oostenryck, Keizer Ferdinands Dochter.aant.
François, Toskaensche Vorst, hier treed ghy op 't tooneel,
Met d'eer van Oostenryck, Ioanna, uw verkoren.
335
Hier trouwt uw halve ziel noch eens haer ander deel,
Waer uit Hartogen en regeerders zijn geboren.
Door huwelijcken rijst de Zon van Medicis,
En steeckt haer starren aen, die straelen van zich schieten, 338
Haer heldre starren, daer Maria een van is,
340
Die door de gunst van God, die elck niet magh genieten,
Geen blijde Moeder wordt zoo menighmael zy baert,
't En zy van Koningen. dat 's baeren; dat 's beklijven: 341-342
Dat 's 't aerdrijck geregeert, door haer geslacht en aerd.
Dat heet door hijlicken de koningkrijcken stijven. 344
345 De gordijnen toegeschoven, en de vertooning verandert zijnde, zoo quam Keizer 346 Maximiliaen, in zijn keizerlijck gewaed, voor den dagh, beschenckende Amsterdam in 347 tegenwoordigheid der Keurvorsten met de Keizerlijcke Kroon....
| |
Op de schenckagie der Keizerlijcke Wapenkroon.aant.
O Amstelers, die wijd te water en te land,
Verkoopt, en koopt, en wint, en winnen doet veel andren,
350
En stutte 's oorlooghs last, het zy oock van wat kant,
En hoe veel vyanden my druckten met malkandren; 351
't Zy my Venetien, of Vlaendren dreighde uit haet,
En Brugh zijn' eigen Vorst en Landsheer hiel gevangen; 353
Aenvaerd ons goude Kroon, der Keizren hoofdcieraed,
355
En wil die, tot een loon van uwe deughd, ontfangen,
Dat zy in 't midden sta by leeuwen rood van goud,
Voor den nakomeling, om met die eer te proncken.
Ghy triomfeert ter zee met vlugh en zeilbaer hout. 358
| | | |
Ons Keizerlijcke Kroon zy u uit gunst geschoncken.
360
Te lande blinckt mijn Kroon, en word alom gevreest:
Maer uwe Schildkroon blinckt te water allermeest.
362 Aen de Zuidzijde van het eiland werd in vijf vertoningen vertoond ‘de staet van 363 Vranckrijck’, eerst de ellendige toestand onder Henrick de III:... terwijl de heilheilige 364 wetten van Themis onder 't gerammel der wapenen zwegen
365
Verliet Astrea op het lest
Na d'andre Godheen 't aerdsch gewest.
367 Daarna (nl. in de drie laatste vertoningen) de bloeiende staat onder Henrick de IV.
| |
Op de Vertooningen van den Rijcxkloot van Vranckrijck, onder Henrick de III gescheurt, door Henrick de IV geheelt en herstelt.aant.
Als Vranckrijck jammerlijck den Rijcxkloot ziet gereeten 368
Door Burgerlijcken krijgh, en 't land gedeelt in twee,
370
De Vorsten handgemeen, en hart op hart gebeeten, 370
Den Koning zelf vermoort; doet dit haer harte wee; 371
Om dat de Kloot des Rijcx met kracht leit afgesmeeten 372
Van zulcke schouderen, waer op zich elck verliet,
En d'assen uit den naef geheven: dies bekreeten 374
375
In dien benaeuwden schijn het na den hemel ziet, 375
En smeeckt Jupijn om hulp, en al de groote Goden,
En wacht van boven troost, in dien vervallen Staet.
Pomoon, en Bromius, en Ceres weghgevloden, 378
En van het zwaerd verdruckt, en Venus, bloot van raed, 379
380
Met d'andre Godheen staen bedruckt aen Vranckrijx zijde.
De Goôn erbarmen zich om die verlege schaer, 381
Verdaghvaerden Borbon, dat hy hen al bevrijde, 382
En op zijn schouders neem den last van 't Rijxgevaer. 383
Tritoon met Mavors helpt den Held, op Vranckrijx bede, 384
385
Waer hy door hun beleit de vyanden verstoort;
Zoo word het Rijck geheelt door lang gewenschten vrede.
Navarre, sterck van hals, den Rijxkloot onderschoort, 387
| | | |
Zet d'assen in de naef met kracht: zoo word herboren 388
De rust van 't oude Rijck: zoo bloeien alle steên,
390
De kercken, en het land weêr heerlijck, als te voren.
De Vreê keert wederom. Astrea gaet bekleên 391
Haer' troon en eersten Staet. gevlughte Goden keeren 392
Uit hunne ballingschap in 't voorige bezit.
Dit word u hier vertoont. dit wil Alcides leeren, 394
395
Daer hy 't gerabraeckt land weer zet in zijn gelidt, 395
En heelt 't gespliste Rijck, gelijck dees stommen spreecken. 396
Met recht word Henrick dan by Hercules geleecken.
398 De gordijnen geschoven zijnde, ging men van de Vertooningen na het Watersteecken, 399 of tornoispel te water. Het voorgaende zagh men met een bedaertheid, maer dit met 400 vreughd aen....
401 [De strijd had plaats aan de Zuidzijde van 't drijvend eiland, nabij de Doelensluis.]
402 Thien maetroozen, borsten die tegens weer en wind mogen, al in linne kleeren,402 403 met roode mutsen op 't hoofd, daer een weitse haneveer op stack, waren partyen van 404 dezen waterstrijd... Hun geweer was een boom, of een steeckstock, dien zy voor de404 405 borst hielden, en waer mede d' een en d' ander zijnen vyand, die hem in de schuit, met 406 maght van armen snellijck voortgeroeit, tegens quam vaeren, met groote kracht op de406 407 borst stiet... zomtijds stieten ze even starck, en plompten beide, over hals over hoofd, 408 in 't water: zomtijds raeckte'r een over boord, en d'ander hiel, als een triomfeerder, 409 stand: zomtijds staeckenze mis, en bleven beide staen: en dit spel en endighde niet 410 voor datze alle, zoo overwinners als verwonnen, in 't water gelegen hadden. Al wie 411 dezen scheepstrijd aenzagh most 'er om lachen, dat het schaterde, en 't geluid daer van 412 ten hemel klonck; zoo was al het volck hier mede vermaeckt. En 's Konings Moeder, hoe 413 stemmigh zy oock was, kon zich qualijck van lachen onthouden...413
414 ...tegens den avond [roeide men], in aller yl, door sint Anthonis sluis... na het Y toe... 415 nu een groot en wijd water geworden, overmits de Zuider zee de oevers ter weder- 416 zijden van langer hand afspoelde...416
aant.417 Hier zagh de Koningin een ruime plaets, de Wael geheeten... daer de schepen 418 's winters, buiten gevaer van onweer, winterlaegh houden, en veiligh leggen tot op418 419 het voorjaer. Ter zijden af is een groote werf, daer geweldige schepen, voor de Oost 420 Indische Compagnie, of nieuw gebouwt, of gekalfaet worden. Toen Medicis, hier 421 langs vaerende, haere oogen derwaert sloegh, zaghze een groot schip, dat eerst afge- 422 loopen was, waer mede men waeren en koopmanschappen uit OostIndien haelt... 423 's Konings Moeder van Burgemeesteren gebeden, datze het schip, 't welck op een verre 424 reis ging; zou gelieven eenen naem te geven, zoo vereerde zy het met den naem van 425 Maria de Medicis, en wenschte het met eenen behoude reis: Dat magh nu zeggen:
Maria is mijn naem, mijn toenaem Medicis.
Het streck tot gunst, is 't niet tot mijn behoudenis. 427
428 ....Terwijl de Koningin noch op het water was, werden overal in de Stad kortouwen428 429 en metaele stucken afgebrand: en haere Majesteit zagh geen grooter wonder, dan de429
| | | |
430 schepen, om datze Amsterdam als eigen zijn, en nergens zoo groot een menighte by 431 malkanderen gezien word...
432 Terwijl de Raed, Burgemeesters, en burgers de Koningin aldus onthaelden, zwegen 433 de poëten niet, die met Latijnsche, Italiaensche, Fransche, en Neerlandsche dichten,433 434 de groote Moeder der Koningen verwellekomden en onthaelden: welcke gedichten, 435 voor en na uitkomende, de heele Stad door, de Boeckwinckels vervulden, en de lezers 436 vermaeckten. De Ioden zelfs, om mede hunne genegentheid te toonen, broghten, op 437 de tafel der Koninginne, eenige gerechten van ongeheven brood op hunne wijze ge-437 438 maeckt. Terwijl de Koningin haer middaghmael hiel, was 'er zulck een toeloop van 439 menschen op het hof, dat de gansche Stad scheen by beurten uit en in te gaen, als of 440 hun eige Princes of Landsvrouw tegenwoordigh waer. Oock dient niet gezwegen, hoe 441 in al deze toestelling van triomfbogen op te rechten, vertooningen te doen, tooneelen441 442 te openen, en in der yl een drijvende eiland, tot verwondering van alle menschen, op442 443 het water te spreien, uitgemunt heeft de overvliegende geest, het vernuft, de wacker-443 444 heid, en arbeid van den wel ervaeren arts Samuel Koster, en Ioan Victorijn Rechts-444 445 geleerde, die oock tot deze vertooningen en onthaelingen geestigh en rustigh het445 446 zijne dede.
447 Saterdaghs was 'er zonderling niet te doen, en het genoeghelijcke gewoel van drie447 448 dagen over zijnde, raeckte de burger wat in rust. Na den middagh ging de Koningin 449 al stillekens, zonder veel gewagh te maecken, haeren stoet hier en daer verzonden449 450 hebbende, zitten, niet in de koningklijcke en gewoone, maer slechter karros, en gevoert450 451 door straeten en stegen, ging in verscheide winckels naerstigh vraegen na den prijs 452 van waren en porceleinen, en bejegende de winckeliers vriendelijck, bood en dong na 453 koopers wijze, hiel spraeck met geringe lieden, en nam 't niet euvel dat men haer juist 454 na haere waerdigheid niet antwoorde. Dus gelietze zich by de burgers als een koopwijf,454 455 en niet als een Koningin...
aant.456 Vit die zelve edelmoedige beleeftheid sproot het, dat zy haere schildery, hoewelze456 457 noode zit om zich te laeten uitschilderen, den weledelen grootachtbaeren Burge- 458 meesteren van Amsterdam beloofde, en de zelve van den uitmuntenden schilder 459 Hondhorst, in 's Graevenhaegh gedaen, hun tot een eeuwige gedachtenisse van haer 460 zelve geschoncken en toegeeigent heeft: en men is van meening die schildery op het 461 Raedhuis te hangen by den onverwinnelijcksten Keizer, Karel de V, haren oudoom, 462 met dit schrift daer onder:
De groote Medicis, een Moeder van drie kroonen,
Quam dus, ter goeder uur, zich in ons Stadt vertoonen. 464
465 ...De ‘zeventien van de OostIndische Compagnie ...vereerden haere Majesteit in 466 alle nedrigheid eenige fraeyigheden van porceleinen, en kostelijcke Iaponsche kisten,466 467 kunstigh met lack, goud, en parlemoer ingeleit.
468 De Prinssen, en die, om hun hooge Majesteit, maght hebben misdaedigen t' ontslaen,468 469 pleegen t' hunner aenkomste genade te bewijzen aen de genen, die daer om bidden. 470 Dit dede oock de Koningin, en verbad, voor de vierschaer van Amsterdam, eenen470 471 die in lijfs gevaer was, om dat hy buiten zijn meening, met het worpen van eenen471 472 steen, eenen manslaght begaen hadde.
| | | |
473 Des Zondaghs maeckten zich de Koningin, vastelijck voorgenomen hebbende te 474 vertrecken, tot de reize gereed... De Pensionaris Wilhelm Boreel dede weder het 475 woord in Fransche taele aldus:
476 Allerdoorlvchtighste Koningin,
477 Het Huis, dat uwe Majesteit hier ziet, is van ouds her de plaets waer in onze goede 478 Prinssen, uwe voorouders, hier ter Stede plachten te verblijven. Wy beelden ons in, 479 dat wy hen noch tegenwoordigh aenschouwen in uw Koningklijck aenschijn. Onder 480 anderen Keizer Maximiliaen, uw Overgrootvader: dien 't geliefde ons byzonderlijck 481 te vereeren met het vercieren van Stads wapen met de Keizerlijcke Kroon boven op, 482 nu honderd vijftigh jaeren geleden. Laet toe, Mevrouw, dat wy noch heden mogen 483 erkennen deze Koningklijcke weldaed in uwe Majesteits persoon: de welcke, gelijckze 484 zich verwaerdighde ons te bezoecken, en zich te verheugen over den tegenwoordigen 485 voorspoed en aenwas dezer Stede, oock zal gelieven goed te vinden, dat wy, door het 486 aenschouwen dezer Keizerlijcke Kroone, als door een tweede Iris, of regenboogh, ons486 487 verzekeren mogen, dat uwe Majesteit voor altijd deze Stad, haere zaken, en handel, 488 zal beschermen door haere Koningklijcke gunst en genade...
489 Toen de Pensionaris ophieldt, [antwoordde] de Koningin met een minnelijck en 490 vriendelijck gelaet...
491 De Burgemeesters ‘naemen oock oorlof van haere Hoogheid de Princes van Oranje, 492 en offerden haer in 't breede en met behoorlijcke eerbiedinge zich, en hunne, en hunner 493 burgeren dienst op.’ Hetzelfde kornet ruiterij deed de Koningin uitgeleide ‘ontrent 494 negen uuren’. De aanvoerder, de Heer van Petten, ‘nam het leste afscheid, niet verre494 495 buiten de Stadt... Zy haeren wegh vorderende, trock door Haerlem, en quam tegens 496 den avond te Leiden: daer zy, met groote eere van den grootachtbaeren Raed, Burge- 497 meesteren, en burgerye ingehaelt zijnde, vernachtede, en des anderen daeghs behouden 498 en gezond in 's Graevenhaege quam. Het is gedenck en verwonderenswaerdigh, dat op 499 den zelven dagh, als Maria de Medicis uit Amsterdam scheide, Luydewyck de 500 allerchristelijckste Koning van Vranckrijck, door de geboorte van den Dolfijn verkregen 501 heeft den zeer gewenschten naem van Vader; zijne gemaelin, de Koningin, den naem 502 van Moeder; en M. de Medicis den naem van Grootmoeder. Toen die groote vrouw 503 uit deze Stad vertrock, quam ter weereld 't allerdoorluchtighste kind, en d' erfgenaem 504 van geheel Vranckrijck.
| |
Op de geboorte des Dolfijns, gevallen juist ten zelven dage, en op die uure, toen Maria de Medicis uit Amsterdam vertrock.aant.+
505
Gelijck de starren staêgh verrijzen, weder daelen,
Veranderen van beurt door op en ondergaen,
En nu in d'een, en dan in d'andre weereld straelen;
Aleveneens, terwijl de Koningklijcke raên 508
Ontvoeren Amsterdam de Starre van Florenssen, 509
| | | |
510
Verschijnt'er aen de Sein een Zon, een ander Licht,
En d' Erfgenaem des Rijx, tot heil en troost der menschen,
Geboren juist dien dagh, toen wy het aengezicht
De Majesteit en glans van Medicis verloren:
Op d'uur, dat Amsterdam betreurde haer vertreck,
515
Was 't hooghtijd te Parijs, daer een Dolfyn geboren 515
Gansch Vranckrijck juichen deed met opgeheven neck.
Leef lang, Mariaes neef: dat Hollanders en Vrancken 517
Van uwe Lelien gezegent, u bedancken. 518
| |
Op het Corporaalschap des Heeren van Swieten, op de Doelen, geschildert door Sandrart.aant.aant.*
De Vaan van Swieten wacht om Medices t'onthalen; vs. 1
Maar voor zoo groot een ziel valt Dam en merckt te kleen,
En 't oogh der burgery te swack voor zulcke stralen.
Die Zon van Kristenrijck is vleesch, noch vel, noch been:
5
Vergeef het dan Sandrart, dat hy haar maalt van steen. 5
|
1)Op het voorbeeld van J.A. Alberdingk Thijm in zijn Vondel-uitgave, nemen we hier niet de gehele prozatekst op van Vondel's vertaling der Medicea Hospes van Kasper van Baerle, wel enige voor zijn prozastijl typerende gedeelten, ter omlijsting van de verzen. - Dat het proza inderdaad Vondel's vertaling is, werd in 1889 reeds vermoed door Alberdingk Thijm, maar later door Sterck afdoende bewezen, op grond van een getuigenis van Barlaeus in een Brief aan Hooft (zie Oorkonden over Vondel en zijn kring, blz. 128 vgl.: Een groot prozawerk van Vondel).
31des hemels assen: de top van de hemel.
33Moedigh: trots; de Goôn: regerende vorsten, als aardse goden.
37Komt: komt toe; lieftallige: vriendelike.
43Oront: de Orontes, een rivier in Syrie; Rodaen: de Rhône.
45eerbiedinge: eerbetoon.
53In 1608 werd een verbond met Frankrijk gesloten tegen Spanje (zie Gedenkstukken van Oldenbarnevelt III, blz. 161-vlg.)
70moedigheid: vurigheid, als paarden van edel ras. Elders spreekt Vondel van kleppers, brieschende van moedigheit ( Ned. Wdb. IX, 944).
72kol of star: ronde witte plek op het voorhoofd.
74wel ter hand: volgzaam ( Ned. Wdb. V, 1835)
75-76braef: kloek; zacht van mond: gemakkelik te besturen.
79deftigheid: statige sierlikheid.
85zonderlinge: biezondere.
95schuldige: verschuldigde.
100met een goede genegentheid: vriendelik en welwillend.
101vierde: was in feestelike stemming, maakt er een feestdag van.
102hoe qualijck hy uit moght: hoe moeielik hem het uitgaan viel (door ziekte of gebreken).
120Hetrurisch: Etrurië is het tegenwoordige Toscane, waarover de Medicis gezag voerden; 't lemmer: het zwaard.
134-140Het Latijn van Barlaeus heeft hier: ‘Itum per populosam & densam mercantium officinis Oletariam plateam, ubi aedium precia immensa, spacia angustissima. Mixti habitant aurifices, annularii, automatarii, aerarii, gemmarii, scriniarii, coroplathi, quique Noricas merces distrahunt, culcitrarii, lapicidae, armorum politores, scandularii, statuarii, stannarii, thoracopaei, linarii, sericarii, vestiarii, oenopolae, pelliones, pileones, limbularii, aromatarii, pharmacopaei, cerarii, aliaque opificum & propolarum genera infinita.’ ( fol. 21-22).
136maeldeniers: in West-Vlaanderen is malienier of maljenier nog bekend voor ambachtslieden die met de hamer werken, zoals de timmerman, de smid, de kuiper, de gareelmaker. Het is afgeleid van malie: hamer (De Bo: vgl. Ned. Wdb. IX, 148).
137Neurenburgier: koopman in Nürnberger waren ( Ned. Wdb. IX, 1889); zwaerdveegers: wapensmeden.
138pluimeciers: zij die veren opmaken of verkopen: uit Frans: plumassier. Halma's woordenboek vermeldt ook voor het Nederlands van zijn tijd pluimassier.
141de Niezel is ontstaan uit: den Liesdel.
151Berecynthia: een der namen voor Cybele, de moeder der Goden, vereerd op de berg Berecynthos in Phrygië.
153-154befaemt door 't baeren Van zoo veel Goden: vertaling van het halve vers van Vergilius: ‘Laeta Deûm partu’. dat op de erepoort te lezen stond.
155ter goeder uur: als welkome gast; ingevaeren: binnengereden.
161stieren: Vlaamse vorm van sturen.
162op haer prijs gestelt: schatplichtig gemaakt (?)
163Vw Grootvaêr: Maximiliaan van Oostenrijk, van wie Maria de Medicis afstamde door haar moeder Johanna, dochter van Keizer Ferdinand I; eer: eertijds.
168koomt te baet: helpt, steunt.
177minnelijck: vriendelik.
182bruizen: over zee varen.
185Memnons Koningen: de vorsten van het Oosten.
186De Dageraed: het Oosten; kamers: schatkamers.
187Mooren: inlanders; onthaelt: ontvangen.
190Vermaeckt: met nieuwe kracht bezield.
195die vier uit peper kaeuwt: die zich de mond met peper verwarmt.
198mangelt: ruilt; kottoene: oudere vorm van katoenen (naar Fr. coton).
204-205met den Taegh: met Spanjaarden en Portugezen; rusten ten oorloogh: maken krijgstoerustingen; een: iemand, nml. de Spaanse koning; alles overmoght: machtiger was dan alle anderen.
208wisselt men: drijft men handel.
209In 't Latijn staat: Totaque se vendens machina, rursus emit. Dus: zo doet de wereld inkopen, terwijl het verkochte als pand daarvoor dient.
225Cassia: struik of boom waarvan de blaren als geneesmiddel of koffiesurrogaat gebruikt worden.
227ongewrocht: onbewerkt.
229Styrax: een balsem, als reukwerk en als geneesmiddel tegen schurft gebruikt.
230ooghbancket: een lust voor het oog; Draeckenbloed: bloedrode palmenharst.
231Gutta Gamba: sap uit de twijgen der Uncaria Gambir, voor betelkauwen gebruikt.
234Cubeba: een pepersoort, als luxe-specerij gebruikt om de eetlust op te wekken.
236oly van macis: macisolie wordt gewonnen uit de zaadmantel van de muskaatnoot.
240meeuwbraessem: dit woord ontbreekt in het Ned. Wdb. en bij Van Dale; zult is pastei van varkenskop, z.g. ‘hoofdkaas’.
243gelijck voor 't hoofd geslaegen: als verbijsterd.
245bancket: lekkere spijzen; den disch (Datief).
246Morgenstond: het Oosten.
251heilige offergiften: herinnering aan de gaven van de Drie Koningen.
253partyen schiften: het geschil tussen de strijdenden (nml. oog en tong) beslechten (vgl. vs. 254).
255Thetis feest: de bruiloft van Peleus en Thetis, waar veel goden aanzaten bij het feestmaal.
258roof: buit; besmet (niet in ongunstige zin): gevlekt.
260Cosmus: Cosmo de Medicis, de vader van Maria (woordspeling met Kosmos).
270bestaen: onderneming; sint Salvadoor: de stad Bahia de San Salvador, hoofdpunt van het Portugees gezag in Brazilië, werd in 1623 door de Hollanders genomen, waarbij de vice-admiraal Piet Heyn zich buitengewoon onderscheidde.
271Olinda: vroegere hoofdstad van de Braziliaanse staat Pernambuco.
278naelden en spitsgebouwen: obelisken en pyramiden.
291doodsch van verf: doodsbleek (van angst); Plutoos jammerpoel: de Styx.
292Verdaghvaert: oproept; stoel: troon, nml. van Pluto, de god van de duistere onderwereld ( afgrond).
299rancken: afstammelingen.
300Noodvriendin: vriendin in de nood (vgl. noodhelper).
304opborrelt: uit het borrelende water te voorschijn komt.
305vloocke: hol, gebogen (vgl. De Taalgids VI, 10).
317hobbelende: over heuvels en bergen gaande.
318Haar zoon regeerde in Frankrijk, haar dochters in Engeland en Spanje.
320Der Goden Taelman: Mercurius, als bode en tolk der goden.
321haere Lelien: in het Franse wapen.
323vernedert: doet buigen; bloode: nederig.
324en haer alleen voor Gode: hierbij past eigenlik niet als subjekt: d'Amsterdamsche Maeghd. De bedoeling is dat Maria zich alleen buigt (vernedert) voor God.
325-28Deze tussen () geplaatste, zwierige, tussenzin komt in de oorspronkelike uitgave enige bladzijden vroeger voor, waar wordt beschreven: Een eiland op den Amstel, met triomfbogen daer op, toegestelt door onzen spitsvondigen D. Samuel Koster. Over het aandeel van Coster aan deze vertoningen schrijft Hooft in een brief aan Barlaeus ( Brieven deel II, blz. 262). Zie de bredere aantekening achterin dit deel.
338steeckt haer starren aen: brengt haar luister over op afstammelingen.
341-342Telkens als zij baart wordt zij de gelukkige moeder van (toekomstige) koningen; beklijven: duurzaam worden, zich handhaven door het voortbrengen van koningen (vlg. vs. 344).
344hijlicken: Noord-Hollandse vorm naast huweliken; stijven: nieuwe kracht verlenen.
351druckten: in het nauw brachten.
353Brugh: in 1486 werd Maximiliaan in het oproerige Brugge gevangen gehouden.
358zeilbaer hout: zeilschepen zeilbaer: geschikt om te zeilen, of (naar analogie van vruchtbaar) zeilen dragend.
368Rijcxkloot: gouden bol, met kruis of kroon, zinnebeeld der wereldheerschappij of der vorstelike macht (vgl. Ned. Wdb. XIII, 299 op rijksappel) ; gereeten: verscheurd.
370hart op hart gebeeten: naaste verwanten verbitterd in strijd.
371Den Koning zelf vermoort: Hendrik III, gevallen door de hand van Jacques Clement.
372afgesmeeten: neergeworpen.
374d'assen uit den naef geheven: de wagen (van staat) daardoor onbruikbaar gemaakt; bekreeten: betraand, bedroefd.
375In dien benaeuwden schijn: in die treurige omstandigheden; het: slaat terug op harte (371).
378Pomoon: goden van de fruitteelt; Bromius: bijnaam van Bacchus, de god van de wijnbouw; Ceres: godin van het graanbouw.
379bloot van raed: radeloos.
382Verdaghvaerden: roepen voor zich; Borbon: Hendrik IV.
383den last van 't Rijxgevaer: de taak om de gevaren van het Rijk af te weren.
384Tritoon: zeegod van lagere rang; Mavors: Mars.
388Vgl. vs. 374: maakt dat de wagen weer op gang komt.
391Astrea: godin van de vrede; bekleên: innemen, bezetten.
392gevlughte Goden: slaat terug op vs. 378: het land wordt weer bebouwd.
394Alcides: Hercules, hier koning Hendrik IV (vs. 397).
395in zijn gelidt: in het lid.
396dees stommen: deze zwijgende personages (in de ‘stomme’ vertoning).
402borsten: flinke jonge mannen.
404boom: schippersboom, om schuiten voort te duwen.
406maght van armen: een aantal roeiers.
416van langer hand: langzamerhand.
418winterlaegh: winterverblijf.
427Als ik (aan die naam) mijn behoud niet dank, dan diene het tenminste als aanbeveling.
428kortouwen: scheepskanonnen.
429afgebrand: schoten gelost uit.
433Italiaensche: het Italiaanse welkomstgedicht was van Maria Tesselschade. Zie de tekst in de Aantekeningen achterin dit deel.
437ongeheven: niet gerezen.
441toestelling: organisatie.
442tot verwondering van: de bewondering wekkend van.
443overvliegende: uitmuntende.
444Samuel Koster: zie de noot bij r. 325-328.
445geestigh: vindingrijk; rustigh: krachtig, energiek.
447zonderling niet: niets biezonders.
449zonder veel gewagh te maecken: zonder er ruchtbaarheid aan te geven; stoet: gevolg; verzonden: weggezonden.
450slechter: eenvoudigere, van mindere soort.
454gelietze zich: gedroeg ze zich.
456beleeftheid: vriendelikheid, welwillendheid; haere schildery: haax geschilderd portret.
464ter goeder uur: als een welkome gast.
468ontslaen: gratie verlenen.
471in lijfs gevaer: in gevaar om terechtgesteld te worden; buiten zijn meening: zonder opzet.
486een tweede Iris: de schr. zal hier gedacht hebben aan Isis als de hemelse bode.
494Alberdingk Thijm maakt hier de leuke opmerking: ‘De aanvoerder, de roomsche Heer van Petten, die, waarschijnlijk, even als de Koningin, reeds by een Vroegmisjen geassisteerd had’.
+In 't opschrift: Dolfijn: in de 17de eeuw gebruikelike vernederlandsing van dauphin: kroonprins.
508raên: raden (raderen): karos.
509de Starre van Florenssen: Maria de Medicis.
515hooghtijd: feest; een Dolfyn: de latere Lodewijk XIV.
518bedancken: dankbaar zijn.
*Van 1639. Afgedrukt volgens de tekst in Vondels Verscheide Gedichten 1644, blz. 337.
De schuttersvendels van de kolonel Cornelis Bicker, heer van Swieten, hadden de erewacht gevormd bij het bezoek van Maria de Medicis aan Amsterdam. De officieren lieten zich door Joachim Sandrart schilderen, geschaard om de marmeren buste der koningin, die op een tafel geplaatst is, waarvan een papieren rol, met Vondels verzen, afhangt. Deze schilderij bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam. - Corporaalschap: erewacht.
vs. 1De Vaan: het vendel.
5van steen: van marmer (de bovengenoemde marmeren buste).
|
|