auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | | |
[Gedichten]

Schloss Romanon-Graf Stetske
Paulus en Barnabas in Lystra, naar de schilderij van Pieter Lastman
| | | | | |
Lastmans Offerstaetsi van Listren.
aen Ioannes Six.aant.*
Wat dunckt u, kunstgeleerde SIX? vs. 1
Wie had de Schikkunst oit zoo fix 2
Als Lastman, waert de Tekenkroon
t'Ontfangen voor Sint Pauwels troon, 4
5
Toen hy zyn wonderwerck van Lystren
Zoo versch vertoonde, als beurde 't gistren? 6
Dit tuight uw hemelsch tafereel,
Daer onze Apelles zyn tooneel 8
En gront met zulck een kennis bouwt, 9
10
En zoo deze Offerstaetsi houdt, 10
Dat zelf de geest van Rome en Griecken 11
Noit hooger zweefde met zyn wiecken.
Met welck een' zwaey en staetigheit 13
En Priesterlycke majesteit
15
Verschynt al 't heidensch Priesterdom
Voor d'oude stadt, zoo vierigh om 16
Te wieroocken voor Kristus Boden, 17
Hier aengebêen voor Griecksche Goden!
Men acht dat hier in menschenschyn 19
20
Merkuur en Dondergodt Iupyn
Verschynen, om den Iongeling,
Die flus op krucken sprong en hing, 22
| | | |
Te heelen, zonder kunst van kruiden.
Dat stuck verbaest veel duizent luiden. 24
25
De Kreupel tuight dees wonderdaet, 25
Daer hy op zyne beenen staet;
De kruck voor zyne voeten leit;
d'Uitheemsche luistert wat hem zeit 28
De buurvrouw, die den lamgeboren
30
Gekent heeft menigh jaer te voren.
Hoe schoon verschiet die lange ry, 31
Van verre flaeuw, en dichter by
Al stercker, voor 's aenschouwers oogh!
Hoe deist die poort, en kerck, zoo hoogh 34
35
En ront gebouwt, Iupyn ter eere,
Op datze ons noch de Bouwkunst leere! 36
Hoe stemt de strael van ons gezicht
Met elcks hoegrootheit, en met licht 37-39
En schaduw van een ieder zaeck!
40
Hielt vrouw Natuur om heur vermaeck
Voorheen de hant aen eenigh Schilder, 40-41
Zoo doet zy 't hier, en nergens milder.
Een ryckdom en verscheidenheit
Van toestel nadert, en geleit 44
45
Bekranste en witte stieren vast 45
Naar d'offerplaets, op 's Priesters last,
Op veêl, tamboer, en lier, en fluiten, 47
Langs 't ryck bestroide padt naer buiten.
Hier blaecken fackels, hel en klaer.
50
Hier rieckt de wieroockkandelaer.
Hier glinstren wieroockvat, lampet, 51
En goude schotel, op dien tredt. 52
De byl, en bloetpan op het slaghten
Van vee en offerhande wachten.
55
Wie kan u zingen hoe vernoeght, 55
Hier d'eene personaedje voeght 56
| | | |
By d'ander; en hoe elcks gelaet 57
En ampt, gelyck een zangers maet, 58
Zyn' plicht bewaert? hoe kleene en grooten 59
60
Hier treên, als op een' galm van noten? 60
Zoo stuit ten leste d'ommegang,
Daer 't outer wacht, en al te lang
Verlangde naer den offerwyn.
Nu wil d'Aertspriester van Iupyn,
65
In 't wit, bekranst met eicke blaren,
Der zichtbren Goden eer bewaeren. 66
Maer zie om hoogh hoe 't heiligh paer,
Met woorden, handen en gebaer,
Van zulck een gruweloffer yst,
70
En Offermans, en schaeren wyst 70
Naer Godt, wiens eere altaren passen.
Zy roepen: wy zyn stof en asschen.
Ghy zultze stracks van boven neêr
Zien springen, Godts en IESUS eer
75
Beschutten, en van harteleet
En rouw verscheuren elck zyn kleet, 73-76
Op dat men bloet noch wynkelck storte, 77
En daetlyck d'Offerstaetsi schorte. 78
Wat waer 't een jammer, zoo 't geschreeuw
80
Van een' oproerigen Hebreeuw
Den drang van Griecken holp op ruy, 81
Om met een steene hagelbuy
Te pletteren, te slaen met vuisten
De Kruisgezanten des Gekruisten. 79-8484
85
Dat ons Sint Pauwels staf behoe.
Men wyde hem 't altaerstuck toe, 86
Daer Lastman, om zyn kunst befaemt,
Den dienst der afgoôn noch beschaemt 88
Met zyne Kristgewyde verven. 89
90
Hy leve onsterflyck na zyn sterven.
|
*Van of vóór 1648. Afgedrukt volgens de tekst van het handschrift, in het bezit der Weduwe van wijlen Jhr. Dr. J.P. Six te Amsterdam. ( Unger: Bibliographie, blz. 223).
Pieter Lastman (1583-1639), Amsterdams schilder, die in Italië zijn smaak naar de antieken gevormd had, leermeester van Rembrandt (zie Oud-Holland IV, 1886, blz. 2-19), bezielde Vondel tot dit gedicht door zijn schilderij, gesigneerd Pietro Lastman fecit Anno 1614, dat ook Rembrandt inspireerde om daarnaar een tekening te maken. Zie Kurt Freise, Pieter Lastman, Sein Leben und seine Kunst (Kunstwissenschaftliche Studien, Band V), Leipzig 1911, blz. 68-69. Het stelde voor het wonderwerck van Lystren (vs. 5), nl. het verhaal van Handelingen 14, 8-18; het optrekken van de priesters van Jupiter en de scharen van Lystren, die aan Barnabas en Paulus wilden offeren, in de waan dat Jupiter en Mercurius op aarde waren neergedaald.
vs. 1kunstgeleerde: die verstand hebt van kunst.
2had ... fix: beheerste ( fix: handig, bekwaam; oorspr. stevig); de Schikkunst: de ‘ordonnantie’, de compositie.
4voor Sint Pauwels troon: omdat hij in dit schilderij de apostel Paulus geëerd had.
6versch: fris, levendig; beurde: gebeurde.
8onze Apelles: Lastman, zo genoemd naar de beroemde Griekse schilder.
9gront: hiermee is waarschijnlik de perspektivies opgebouwde achtergrond van het tafereel bedoeld.
10Offerstaetsi: plechtige optocht naar het offer.
11zelf: zelfs; Griecken: Griekenland.
16vierigh: vurig verlangend (in de uitgave van 1650: vol yvers).
19menschenschyn: menselike gedaante.
24verbaest: doet versteld staan.
25Hier begint de beschrijving van de schilderij; tuight: geeft getuigenis van, verhaalt.
28d'Uitheemsche: de vreemdeling (in het bijbelverhaal niet genoemd). Op het voorplan van de schilderij stonden een groot aantal figuren, met levendige kleuren van hun kleding een schilderachtig geheel vormend.
31verschiet: dit slaat weer op het perspektief, gelijk uit de volgende verzen blijkt.
34deist: wijkt terug. Op de achtergrond vertoonde zich een ruïne met poort en een tempel, met ronde toren.
36Waaraan onze bouwmeesters hun plannen kunnen ontlenen.
37-39De figuren zijn juist zo groot geschilderd en zo belicht, dat ze voor ons oog ( de strael van ons gezicht) als 't ware zich levend vertonen ( stemt met: komt overeen met).
40-41Hielt de hant aen: verleende steun, hielp; om heur vermaeck: om er zelf van te genieten.
44toestel: al wat bij de ‘offerstaetsi’ behoort.
51lampet: kan waaruit men water schenkt.
52op dien tredt: onder het gaan.
55De uitgave van 1650 heeft de variant: Een kenner ziet hier, heel vernoeght.
56voeght: zich harmonies aansluit.
58ampt: taak; gelyck een zangers maet: in volkomen harmonie.
59Zijn' plicht bewaert: zijn taak vervult.
60op een' galm van noten: op de maat van de muziek.
66bewaeren: handhaven, d.w.z. hun eer bewijzen. De variant van 1650 geeft: ‘d'Apostels eeren op d'altaren’.
73-76Zo levendig is de schilderij, dat de toeschouwer zich reeds voorstelt wat weldra zal gebeuren ( Handelingen 14, 14).
77wynkelck storte: een plengoffer brenge met wijn.
81drang: drom, schare; holp op ruy: ophitste, in beroering bracht ( rui: oproer; Ned. Wdb. XIII, 1625).
79-84Dit slaat op Handelingen 14, 19, de steniging van Paulus, door de scharen, overreed door de Joden van Antiochië en Iconium.
84Kruisgezanten: apostelen, gezonden om het geloof te verkondigen.
86altaerstuck: de schilderij die op een altaar zou passen.
88beschaemt: de schande aantoont van.
89Kristgewyde verven: zijn kleuren, zijn schildering, aan de dienst van Christus gewijd.
|
|