auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | | | |
Lucifer
Bewerkt door Lr. B.H. Molkenboer O.P.aant.
Van 1654. Afgedrukt naar de eerste uitgave te Amsterdam, bij Abraham de Wees, den bekenden boekverkooper op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament (Unger, Bibliogr. nr. 515) en dus waarschijnlijk gedrukt bij de Wees' gewonen drukker Dominicus vander Stichel (Unger, ib. blz. 89).
Het motto 'Praecipitemque immani turbine adegit' is ontleend aan Virgilius' Aeneïs, VI, 594, in Vondels vertaling: ‘d'Almaghtige Vader.... dreef hem met eenen vreesselijcken dwarrelwint, dat hij tuimelde’.
De titelprent, die de eerste uitgaven siert, werd blijkbaar ontworpen op Vondels tekst (en niet andersom), waarvan ze, wat de ontknooping der tragedie betreft, een synthetische illustratie geeft (zie vs. 1746-74, 1849-1936). Zoowel de halvemaanvorm van Lucifers benden als het driekantig heir van Michaël zijn aangeduid. Buiten het organisch verband van deze legerscharen zien we Michaël met zijn schubbig pantser (vs. 1737) en schittrend harrenas (1901), den gloet des blixems in de hant (1752) en den diamanten schilt (1910); en daaronder Lucifer, die van zijn wagen (1782), met Leeuw en feilen Draeck bespannen (1784, 1918), de heirbijl in de vuist, de scheemrende rondas (1788) met helm en hooft (1915) naar beneden valt. Ook het aanhangsel van het treurspel: de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs (vs. 2020-2184) is onderaan afgebeeld.
De prent, die ongesigneerd bleef, is waarschijnlijk ontworpen en gesneden door Salomon Saverij (Savry), die ook de titelprenten van Vondels Amsteldamsche Hecuba (Deel 2, blz. 532) en van Palamades (ib. blz. 617) graveerde. Deze Salomon (1594-1664) behoorde tot het uitgebreide kunstenaarsgeslacht van Doopsgezinde Z.-Nederlandsche afkomst, dat den dichter ook na zijn bekeering bleef vereeren. Het Schouwburghoofd Jan Vos, die een raren ‘dans van Engelen’ als naspel van Lucifer ontwierp (Unger, 1654-55, blz. 266), schreef op de titelprent een soort reklame-gedicht, opgenomen in Apollo's Harp van 1658. Zie verder: Lucifer in Zwolsche Herdrukken (1928) blz. 143.
| |
| | | |
J.V. Vondels Lucifer.
Treurspel.
PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT.
t'Amsterdam,
Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament, in 't jaer 1654.

| | | | | | | |
| |
Den onverwinnelycksten Vorst en Heere, Den Heere Ferdinandus Den Derden,
Gekoren Roomschen Keizer, Altyt Vermeerder des Rycks.*
1 Gelyck de Goddelycke Majesteit in een ongenaeckbaer licht gezeten is; 2 zoo zit oock de weereltsche Mogentheit, die haer licht uit Godt schept, enr. 2 3 de Godtheit afbeelt, in haren glans verheerlyckt: maer gelyck de Godtheit,3-4 4 of liever opperste Goetheit, den allerminsten en ootmoedigen, met den toe- 5 gangk tot haren troon, begenadight; zoo gewaerdight de tydelycke Mogent- 6 heit oock den allerkleensten dat hy zich eerbiedigh voor hare voeten ver- 7 nedere. Op deze hoop verstout zich myne Zanggodin, van verre, aen uwe7 8 Keizerlycke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, wiens styl wel8 9 ryckelyck de deftigheit en statigheit vereischt, waer van de Poëet spreeckt:9
10
Omne genus scripti gravitate Tragaedia vincit;
Hoe hoogh men drave in styl, en toon,
Het Treurspel spant alleen de kroon;
13 Doch wat aen de vereischte hooghdraventheit des styls ontbreeckt, dat zal1313-14 14 de tooneelstof, titel, en naem, en doorluchtigheit des persoons vergoeden, 15 die hier, ten spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen, zyn treurtooneel,15-16
| | | |
16 den hemel, bekleet, waer uit hy, die zich vermat aen Godts zyde te zitten, 17 en Gode gelyck te worden, verstooten, en rechtvaerdighlyck ter eeuwige 18 duisternisse verdoemt wert. Op dit rampzalige voorbeelt van Lucifer, den 19 Aertsëngel, en eerst heerlycksten boven alle Engelen, volghden sedert, by- 20 kans alle eeuwen door, de wederspannige geweldenaers, waer van oude en20-21 21 jonge historien getuigen, en toonen hoe gewelt, doortraptheit, en listige 22 aenslagen der ongerechtigen, met glimp en schyn van wettigheit vermomt, 23 ydel en krachteloos zyn, zoo lang Godts Voorzienigheit de geheilighde 24 Maghten en Stammen hanthaeft, tot rust en veiligheit van allerhande Staten,24 25 die, zonder een wettigh Opperhooft, in geene burgerlycke gemeenschap 26 kunnen bestaen: waerom Godts Orakel zelf, den menschelycken geslachte26 27 ten beste, deze Mogentheit, als zyn eige, in eenen adem, bevestight, ge-27-29 28 biedende Gode en den Keizer elck hun recht te geven. Christenryck door- 29 gaends, gelyck een schip in de wilde zee, aen alle kanten, en tegenwoordigh 30 van Turck en Tarter, bestormt, en in noot van schipbreucke, vereischt ten30 31 hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom, om den alge-31 32 meenen erfvyant des Christen naems te stuiten, en den Rycksbodem en zyne32 33 grenzen, tegens den inbreuck der woeste volcken, te veiligen, en te stercken;33 34 waerom Godt te dancken is, dat het hem beliefde 't Gezagh en de Kroon des 35 H. Roomschen Rycks, voor 's Vaders overlyden, op den jongsten Rycksdagh, 36 in den zone, FERDINANDUS DEN VIERDEN, te verzekeren; een36 37 zegen, waerop zoo vele volcken moet dragen, en de tooneeltrompet van3737-39 38 onze Nederduitsche Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoogh-38 39 duitschlant, den overwonnen Lucifer, in Michaëls triomfstaetsi ommevoert.
UWE KEIZERLYCKE
MAJESTEITS
allerootmoedighste dienaer
J.V. VONDEL.
| | | |
| |
Op de Afbeeldinge van Keizerlycke Majesteit, Ferdinandus den Derden;
Toen Joachimus Sandrart van Stockou my, uyt Weenen in Oostenryck, zijn Majesteits afbeeldinge, met haer loofwerck en cieraden, vereerde.*
Deus nobis haec otia fecit.
De Zon van Oostenryck verheft haer schoone stralen, vs. 1
Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elx oogh, 2
Dewylze, in haren troon gestegen hemelhoogh, 3
Zich niet ontziet zoo laegh op ons gezicht te dalen. 4
5
De derde FERDINAND, geschapen tot regeeren,
Gelyck een tweede August, en Vader van de pais, 6
Zyn' Zoon de hierbaen wyst naer 't hemelsche palais, 7
En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
Gezegent is het Ryck, gezegent zyn de volcken,
10
Daer zyn voorzienigheit genadigh 't oogh op houdt, 10
En hem de Weeghschael wort van 't heiligh Recht betrout.
Een Arent broght zyn zwaert en scepter uit de wolcken. 12
Een kroon verciert het hooft, ter heerschappy gewyt:
Dit Hooft verciert de Kroon, en schept een' gulden tyt. 14
| | | |
| |
Berecht aen alle Kunstgenooten, en Begunstigers der Tooneelspelen.
1 Hier wort u, om uwen kunst-yver weder t'ontsteken, en uwen geestr. 1 2 teffens te stichten, en te verquicken, het heiligh treurtooneel, dat den hemel 3 afbeelt, opgeschoven. De groote Aertsengelen, Lucifer, en Michaël, elck3 4 met hunne aenhangelingen van wederzyde gesterckt, komen de stellaedje4-5 5 stoffeeren, en hun rollen spelen. Het tooneel en de personaedjen zyn zeker 6 zoodanigh, en zoo heerlyck, datze eenen heerlycker styl vereischen, en6 7 hooger laerzen dan ick haer weet aen te trecken. Niemant, die de spraeck77-8 8 van d'onfeilbare orakelen des goddelycken Geests verstaet, zal oordeelen 9 dat wy een gedichtsel van Salmoneus bybrengen, die midden in Elis, Jupyn,9 10 op zynen wagen en metale brugh, braveerende, en met een brandende10 11 fackel den blixem en donder nabootsende, van den donder geslagen wert: 12 nochte wy vernieuwen hier geen gryze fabel van den Reuzenstryt, onder12 13 wiens schorsse de Poëzy haere toehoorders reuckelooze verwaentheit, en13 14 godtlooze kerckschenderyen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boe- 15 zemen; namelyck, dat lucht, en winden, in den hollen buick en het zwavel- 16 achtige ingewant der aerde, besloten, by wylen ademtoght zoeckende, met 17 gewelt van geborste steenrotsen, smoock, en roock, en vlammen, en aerdt-17 18 bevingen, en schrickelyck geluit, uitbersten, en hemelhoogh opgestegen, 19 in het neêrstorten, den gront van lant en zee met assche en steenen be-19-20 20 stulpen, en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval
| | | |
21 des Aertsengels, en zynen aenhang, Izaïas, en Ezechiël; by den Euangelist, 22 Christus, het allerwaerachtighste orakel, ons met eene stem uit den hemel22 23 bevolen te hooren; en endelyck Judas Thaddeus, zyn getrouwe Apostel; 24 welcker spreucken waerdigh zyn in eeuwigh diamant, en waerdiger in onze 25 harten geprint te worden. Izaïas roept: O Lucifer, die vroegh opgingt, hoe25 26 zytghe ter aerde geploft? die de volcken quetste, in uw harte spraeckt: Ick wil 27 in den hemel stygen, mynen stoel boven Godts gestarnte verheffen, op den 28 bergh des verhondts aen de noortzyde zitten. Ick wil boven de hooge wolcken 29 steigeren, den Allerhooghsten gelyck worden: maer ghy zult ter helle toe, in 30 den poel des afgronts, vernedert worden. Godt spreeckt door Ezechiël aldus:30 31 Ghy zyt een uitgedruckte gelyckenis, vol wysheit, en volkomen schoon. Ghy 32 waert, in de weelde van Godts paradys, bekleet met allerhande kostelycke 33 steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, 34 en karbonkel, en smaragden: gout was uw cieraet. Op den dagh uwer schep- 35 pinge waren uwe schalmeien vaerdigh. Ghy breide u uit, gelyck een beschadu- 36 wende Cherubyn, en ick zette u op Godts bergh. Ghy wandelde midden onder 37 de blakende steenen. Ghy waert volschapen in uwen tredt, van den dage uwer 38 scheppinge aen, tot dat men u op boosheit betrapte. Beide deze spreucken 39 zyn, naer den letterlycken zin, d'een van den Koning van Babilon, d'ander 40 van den Koning van Tyrus te verstaen, die, by Lucifer, in hunne heerlyck- 41 heit en hooghmoet, geleken, bestraft en gedreight worden. JESUS Christus 42 ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daer hy zeght: Ick zagh42-3 43 den Satan, gelyck eenen blixem, uit den hemel vallen, en Thaddeus ontvout 44 den afval der Engelen, en hun misdaet, en de straf daer op gevolght, zonder 45 eenige bewimpelinge, beknopt op deze wyze: Doch hy beeft de Engelen, 46 die hunne hoogheit niet bewaerden, maer hun behuizinge verlieten, met eeuwige46 47 banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Godts bewaert. Wy47 48 stuiten dan met deze goude spreucken, en inzonderheit met Judas Thaddeus, 49 leerling en afgezant des hemelschen Leeraers, en Konings aller Koningen,49 50 gelyck op eenen diamanten schilt, alle de pylen der ongeloovigen, die de 51 zekerheit van der Geesten afval zouden durven in twyfel trecken. Behalve 52 dit onderstut ons ten overvloet doorgaends d'eendraghtige en eerwaer-52
| | | |
53 dighste aeloutheit der godtvruchtige Outvaderen, die in den gront dezer53 54 geschiedenisse overeenstemmen: doch om de Kunstgenooten niet op te 55 houden, zullenwe ons met drie plaetsen genoegen; d'eerste getrocken uit55 56 den heiligen Cypriaen, Bisschop en Martelaer te Karthago, daer hy schrijft:56 57 Hy, die te vore door een Engelsche Majesteit ondersteunt, Gode aengenaem57 58 en waert was, borst, toen hy den mensch naer Godts beelt geschapen zagh,58 59 door eenen boosaerdigen naeryver uit, hem door ingeven van dien naeryver59 60 niet eer ten val brengende, voor dat by zelf door dien naeryver ter neêr gestort 61 lagh, gevangen eer hy ving, bedorven was eer hy hem bedorf; terwyl hy, van61 62 Nydigheit aengeprickelt, den mensche van de genade der onsterfelyckheit, hem 63 geschoncken, beroofde, en zelf oock verloor het gene hy te vore hadde. De 64 groote Gregorius bestelt ons de tweede spreuck: Dees afvallige Engel, ge-64-65 65 schapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te blincken, is door zyn 66 hoovaerdy zulx ter neder gestort, dat hy nu de heerschappye der stantvastige66 67 Engelen onderworpen blyft. Het derde en leste bewys scheppen wy uit de 68 predikatien van den honighvloeienden Bernardus: Schuwt de hoovaerdy:68 69 ick bidde u schuwtze toch. d'oirsprong van alle overtredinge is hoovaerdy, die 70 Lucifer zelf, klaerder dan alle starren uitblinckende, met een eeuwige duister- 71 nisse heeft verdonckert. zy heeft niet alleen eenen Engel, maer den oppersten 72 van alle Engelen in eenen Duivel verandert. De Hoovaerdy en Nydigheit, 73 twee oirzaecken of aenstokers van dezen afgrysselycken brant van twee- 74 draght en oorloge hebben wy uitgedruckt, onder het gespan van twee be-75 75 starnde dieren, den Leeuw, en den Draeck, die voor Lucifers oorloghswagen 76 gespannen, hem tegens Godt en Michaël aenvoeren; aengezien deze dieren 77 twee zinnebeelden van deze hooftgebreken verstrecken: want de Leeuw, 78 der dieren Koning, gemoedight door zyne krachten, acht uit verwaentheit78 79 niemant boven zich zelven; en de Nydigheit quetst met hare tong den 80 benyden van verre, gelyck de Draeck, met het schieten van zyn vergift, 81 zynen vyant van verre quetst. Sint Augustyn, deze twee hooftgebreken81 82 Lucifer toe-eigenende, maelt ons den aert der zelve levendigh af, en zeit
| | | |
83 dat de Hoovaerdy is een liefde tot zyn eige grootsheit; maer de Nydigheit83 84 een haetster van een anders geluck: waer uit klaer genoegh blyckt wat hier 85 uit geboren wort: want een iegelyck, zeit hy, die zyn eige grootsheit bemint, 86 benyt zyns gelycken, naerdienze met hem gelyckstaen; of benyt zynen 87 minder, op dat die hem niet gelyck werde; of die grooter zyn dan hy, om 88 datze boven hem staen. Nu dewyl de dieren zelf van verdoemde Geesten 89 misbruickt en bezeten worden, gelyck in den aenvang de Paradysslang, en89 90 in de heileeuwe de zwynskudden, die met een groot gedruis in zee stortten;90 91 en dewyl de gestarnten aen den hemel zelfs by dieren afgetekent, oock by91 92 de Profeten gedacht worden; gelyck de Pleiades of Zevenstar, en Arcturus,92-4 93 Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weeligheit en leerzaemheit der 94 tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige Geesten zich op ons tooneel 95 hier mede wapenen, en verweeren: want den helschen gedroghten niets95 96 eigener is dan slimme treken, en het misbruick der schepselen, en ele-96 97 menten, tot afbreuck van d'eere en den naem des Allerhooghsten, zoo 98 verre hy dit gehengt. Sint Jan, in zyne Openbaringe, beelt de hemelsche98 99 geheimenissen, en den stryt in den hemel, door den Draeck uit, wiens staert 100 nasleepte het derde deel der starren, by de Godtgeleerden op d'afvallige100 101 Engelen geduit; waerom men in Poëzye de gebloemde wyze van spreken101 102 niet al te neuswys behoort te ziften, nochte naer de scherpzinnigheit der102 103 schoollessen te regelen. Oock moeten wy onderscheiden de tweederhande 104 personaedjen, die dit tooneel betreden, namelyck quaetwillige en goede 105 Engelen, die een ieder hun eige rol speelen; gelyck Cicero en de voeghe-105 106 lyckheit zelf ons elcke persoonaedje, naer heuren staet en aert, leeren 107 uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wy geensins dat heilige stof den 108 tooneeldichter nauwer verbint, en intoomt dan weereltsche historien, of108 109 Heidensche verziersels; onaengezien d'oude en befaemde hantvest der109 110 Poëzye, by Horatius Flakkus, in zyne Dichtkunste, met deze vaerzen uit-110 111 gedruckt:
De Schilder en Poëet ontfingen beide een maght 112
Van alles te bestaen wat elck zich dienstigh acht.
114 Doch hier dient inzonderheit aengetekent hoe wy, om den naeryver der 115 hooghmoedige en nydige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de 116 geheimenis van het toekomende menschworden des Woorts, door den
| | | |
117 Aertsëngel Gabriël, Gezant en Geheimenistolck der Godtheit, eenighzins117 118 ontdecken; hier in [onder verbeteringe] volgende, niet het gevoelen der118-19 119 meesten, maer zommiger Godtgeleerden, naerdien dit ons treurtafereel 120 rycker stof en luister byzet; zonder dat wy evenwel, in dit punt, noch in 121 andere omstandigheden van oirzaken, tyt, plaetse, en wyze [waer van wy 122 ons dienden, om dit Treurspel krachtiger, heerlycker, gevoeghelycker en 123 leerzamer uit te voeren;] de rechtzinnige waerheit opzettelyck willen in123 124 het licht staen, of iet, naer ons eige vonden, en goetduncken, vast stellen. 125 Sint Pauwels, Godts geheimenisschryver aen de Hebreen, verheft zelf,125125-35 126 benydenswaerdigh genoegh, tot afbreuck van het Ryck der logenen en 127 verleidende Geesten, de heerlyckheit, maght en Godtheit van het mensch- 128 geworden Woort, door zyn uitstekentheit boven alle Engelen, in naem, in 129 zoonschap, en erfgenaemschap, in het aenbidden der Engelen, in zyne129 130 zalvinge, in zyne verheffinge aen Godts rechte hant, in de eeuwigheit zyner 131 heerschappye, als een Koning over de toekomende weerelt, en de oirzaeck 132 en het einde aller dingen, en een gekroont Hooft der menschen en Engelen, 133 zyne aenbidders, Godts boden, en geesten, gezonden ten dienst der men- 134 schen, erfgenamen der zaligheit, welcker natuur Godts Zoon, de Engelen134-35 135 voorbygaende, in het bloet van Abraham aenneemt. By gelegenheit van 136 deze onschult achte ick niet ongerymt hier ter loop iet aen te roeren tot136-37 137 onschult van tooneel en tooneeldichteren, die Bybelstof voorstellen, naer- 138 dienze by wylen opspraeck onderworpen zyn; gelyck trouwen's menschen138 139 zinnelyckheit verscheiden is, en d'ongelycke getempertheit der herssenen139 140 veroirzaeckt dat d'een treck tot een zelve zaeck heeft, die den anderen 141 tegens het hart steeckt. Alle eerlycke kunsten en oefeningen hebben hare141 142 be-yveraers, en tegenwryters, oock hun recht gebruick, en misbruick. De142 143 heilige treurspeldichters hebben, onder de oude Hebreen, tot hun voor-143
| | | |
144 beelt den Poëet Ezechiël, die den uittoght der twalef Stammen uit Egypten144 145 in Griex nagelaten heeft; onder d'eerwaerdige Outvaders hebben zy het 146 groote licht uit den Oosten, Gregorius Nazianzener, die zelf den Gekruisten146-47 147 Verlosser in Griecksche tooneelvaerzen uitbeelde; gelyck wy noch van147-48 148 wylen den Koningklycken Gezant, Hugo de Groot, dat groote licht der 149 geleertheit en vromicheit onzer eeuwe, sint Gregorius spoor naerstrevende, 150 voor zyn treurspel van den Gekruisten, in Latyn beschreven, en dien on- 151 vergangklyken en stichtigen arbeit eer en danckbaerheit schuldigh blyven. 152 Onder d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard152 153 Baker, Lucifer en al den handel der oproerige Geesten, oock vry breet in153-54 154 't rymeloos uitgestreken. Wel is waer dat de Vaders der oude Kercke de 155 gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kercke keerden,155 156 en het tooneelspel van dien tyt heftigh bestreden: maer let men 'er wel op,156 157 de tyt en reden van dien was heel anders gelegen. De weerelt lagh toen157 158 noch diep, op vele plaetsen, in Heidensche afgoderye verzoncken. De gront 159 des Christendoms was noch onbestorven, en de tooneelspelen werden159 160 Cybele, der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere ge-160 161 speelt, en gehouden voor een verdienstigh middel om hier door lantplagen161 162 van den hals des volcks af te keeren. Sint Augustyn getuight, hoe de162 163 Heidensche Aertspriester, een bedienaer van Numaes instellingen en af-163 164 godendienst, te Rome, ter oirzaecke van een zware pest, de tooneelspeelen 165 eerst instelde, en door zyn gezagh bekrachtighde. Scaliger zelf bekent datze,165
| | | |
166 om de gezontheit des volx te verwerven, door ingeven van de Sibille inge-166 167 stelt waren; in voegen dat dit spelen eigentlyck streckte tot een krachtigh167 168 voedtsel van de blinde afgoderye des Heidendoms, en verheffinge der af- 169 goden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroien den eersten kruishelden,169 170 en de gedurigh worstelende Kercke op zoo veel zweet en bloet stont, maer 171 nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europe laet. Dat dan de H. Out-171-72 172 vaders die tooneelen hierom, en te gelyck om het bederf der zeden, en 173 andere openbare en schaemtelooze misbruicken van naeckte jongelingen, 174 vrouwen en maeghden en andere vuilicheden bestraften, was noodigh en 175 loflyck, gelyck het in dien gevalle noch zoude zyn. Dit nu overgeslagen,175 176 laet ons het nut en den oirbaer van stichtelycke en vermakelycke spelen niet176 177 te licht wechworpen. Heilige en eerlycke voorbeelden dienen ten spiegel,177 178 om deught en Godtvruchtigheit t'omhelzen; gebreken, en d'elenden, daer 179 aen gehecht, te schuwen. Het wit en ooghmerck der wettige Treurspelen179 180 is de menschen te vermorwen door schrick, en medoogen. Scholieren, en180 181 opluickende jongkheit worden door spelen, in talen, welsprekentheit, wijs- 182 heit, tucht, en goede zeden, en manieren, geoefent, en dit zet in de teere 183 gemoeden en zinnen, een ploy van voeghelyckheit en geschicktheit, die183 184 hun, tot in den ouderdom toe, byblyven, en aenhangen: ja het gebeurt by 185 wylen dat overvliegende vernuften, by geene gemeine middelen te buigen,185 186 noch te verzetten, door spitsvondigheden en hooghdravenden tooneelstyl186 187 geraeckt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrocken worden: gelyck een 188 edele luitsnaer geluit geeft, en antwoort, zoo dra heur weêrgade, van de 189 zelve nature en aert, en op eenen gelycken toon, en andere luit gespannen, 190 getokkelt wort van een geestige hant, die, al speelende, den tuimelgeest190 191 uit eenen bezeten en verstockten Saul dryven kan. De historien der eerste191 192 Kercke bezegelen dit met de gedenckwaerdige voorbeelden van Genesius192-93 193 en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den Schouburgh, door den H. Geest
| | | |
194 verlicht, en bekeert; terwylze, onder het spelen, den Christenschen Godts- 195 dienst willende beschimpen, overtuight wierden van de waerheit, dieze 196 geleert hadden, uit hun deftige speelrollen, doorgaends beter gestoffeert196 197 met pit van wysheit dan laffe redenen, uren lang in den wint gestroit, en197 198 eer verdrietigh dan leerzaem. Men worpt ons, ten opzichte van Bybelstoffe, 199 voor, dat men geen spel met heilige zaecken behoorde te spelen; en zeker 200 dit zou wat schyns hebben in onze tale, die juist het woort van Spel mede 201 brengt: maer wie slechts een woort of anderhalf Griecks kan uitstamelen, 202 weet wel dat dit woort by Griecken en Latynen geen gebruick heeft in dien202 203 zin: want Τραγῳδία is een koppelwoort, en betekent eigentlyck Bockezang,203 204 naer der herderen wedgezangen, ingestelt om met zingen eenen Bock te 205 winnen, uit welcke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, 206 hunnen oirsprong namen: en wil men ons immers dus ongenadigh knuf-206 207 felen om het woort Spel, waer blyvenwe dan met orgelspel, Davids harp- 208 en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, by208-09 209 verscheidenheit van Onroomschen, in hunne vergaderingen ingevoert? 210 Wie dan dit onderscheit vat, zal wel, het misbruick der tooneelkunste be- 211 bestraffende, het rechtmatigh gebruick niet ongenadigh vallen, en dezen211 212 heerlycken ja Goddelycken vont, een eerlycke uitspanninge, en honigh-212 213 zoete verquickinge van 's levens moeielyckheden, de jeught, en kunstbe- 214 minnende burgerye niet misgunnen; op dat wy, hier door gemoedight,214 215 Lucifer met meer yvers ten Treurtooneele voeren, daer hy, endelyck, van 216 Godts blixem getroffen, ter helle stort, ten klaren spiegel van alle ondanck-216 217 bare staetzuchtigen, die zich stoutelyck tegens de geheilighde Maghten, 218 en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.
| | | |
| |
Inhoudt.
1 Lucifer, d'Aertsengel, opperste, en doorluchtighste boven alle Engelen, 2 hoovaerdigh en staetzuchtigh, uit blinde liefde tot zyn eige, benyde Godtsr. 2 3 onbepaelde grootheit, oock den mensch, naer Godts beelt geschapen, en in 4 het weeligh Paradys met de heerschappye des aerdtbodems begiftight. Hy 5 benyde Godt en den mensch te meer, toen Gabriël, Godts Herout, alle55-6 6 Engelen voor dienstbare Geesten verklaerde, en de geheimenissen van Godts 7 toekomende menschworden hun ontdeckte; waer door het Engelsdom voor-7 8 bygegaen, de waerachtige menschelycke natuur, met de Godtheitvereenight, 9 een gelycke maght en Majesteit te verwachten stont: waerom de hoovaer- 10 dige en nydige Geest, poogende zich zelven Gode gelyck te stellen, en den 11 mensch buiten den hemel te houden, door zyne medestanders, ontelbare 12 Engelen oprockende, wapende, en tegens Michaël, 's hemels Veltheer, en12 13 zyne heirkrachten, onaengezien Rafaëls waerschuwinge, aenvoerde; en af-13 14 gestreden, na de neêrlaegh, uit wraecke den eersten mensch, en in hem alle14 15 zyne nakomelingen, ten val broght, en hy zelf met zyne weêrspannelingen ter helle gestort, en eeuwigh verdoemt wert.15
Het tooneel is in den hemel.*
|
*Ferdinandus den Derden: keizer Ferdinand III, (1608-1657), in 1636 als koning van Hongarije en Bohemen tot Roomsch koning gekozen, volgde in 1637 zijn vader Ferdinand II als keizer op. Vondel had voor dezen katholieken vorst een vaak uitgesproken vereering (vgl. Zegezang van G. van Vinckenroy, vs. 118; Brief aen B. Nieuhusius, vs. 10-20), vooral omdat zijn bevordering van den Vrede van Munster den dichter de hoop gaf, dat alle Christenvorsten zich onder den keizer tegen de Turken zouden vereenigen, gelijk uit regel 28-33 van deze Opdracht en uit den Brief aan Nihusius duidelijk blijkt. Met die bedoeling droeg Vondel zijn Lucifer, een spiegel voor heerschzuchtige vorsten, den keizer op. Het verdient opmerking, dat 's dichters ideëele opvatting van de historische zending der Duitsche keizers den politieken droom van Dante zeer nabij komt. - Roomschen Keizer: Roomsch keizer, nl. keizer van het H. Roomsche Rijk, zooals de middeleeuwsche, maar in Vondels tijd allang verbleekte titel nog altijd luidde. - Altyt Vermeerder des Rycks: dit was de beteekenis van den middeleeuwschen keizerstitel ‘Semper Augustus’; het H. Roomsche Rijk werd nl. onder de opperheerschappij van den keizer steeds met de nieuw bekeerde volkeren uitgebreid (augeri).
r. 2weereltsche Mogentheit: wereldlijke macht; die haer licht uit Godt schept: vgl. Rom. XIII, 1.
3-4Godtheit.... Goetheit: Vondel verklaart in Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst I, 44 uitdrukkelijk, dat ‘God’ is afgeleid van ‘goed’, waarmee hij etymologisch de juistheid der scholastieke definitie meende te demonstreeren: ‘Deus est summum bonum’: (God is het opperste Goed).
8op te offeren: op te dragen.
9de Poeët: nl. Ovidius in Tristia II, 381; vgl. dit citaat in Jeptha's Berecht en in Faëton, vs. 646.
13hooghdraventheit: in Vondels tijd met gunstige beteekenis: verhevenheid.
13-14Vgl. deze gedachte met Altaergeh. I, 31-35.
15-16staetzuchtigen: naar hooger staat begeerigen, heerschzuchtigen, hoogmoedigen; zyn treurtooneel, den hemel, bekleet: op zijn treurtooneel, dat de hemel voorstelt, de hoofdrol speelt.
20-21oude en jonge historien: Vondel doelt op de voorbeelden van opstand, hem zoowel uit de mythologische en historische Oudheid als uit den Bijbel en de latere geschiedenis, ook die van zijn eigen tijd, bekend. In hoever hij speciaal aan den opstand van den Zwijger tegen Philips, van Cromwell tegen Karel I, van Wallenstein tegen Ferdinand III gedacht heeft, valt niet te zeggen, maar wie met Jonckbloet, Van Lennep of Cramer in Lucifer een ‘politieke allegorie’ zoekt, doet Vondels universeele typologie zwaar te kort; vgl. mijn inleiding op Lucifer in Zwolsche Herdrukken, 6e druk, Zwolle, 1928; en toonen: die toonen.
24geheilighde Maghten en Stammen: de koninklijke dynastieën, die door algemeene erkenning en erfopvolging eenmaal in hun macht bevestigd zijn.
26Godts Orakel: Christus.
27-29Mogentheit: macht van heerschappij; als zyn eige: evenals zijn eigen macht; gebiedende enz.: vgl. Matth. XXII, 21; Christenryck: de christelijke volken, het Christendom; doorgaends: altijd doorgaande, voortdurend; tegenwoordigh: in deze tijden; sinds eeuwen bedreigden de Turken Europa, waartegen tal van groote geesten hadden gewaarschuwd en waartegen ook V. herhaaldelijk zijn stem verhief.
30Turck en Tarter: niet alleen om 't stafrijm, maar ook om hun politieken band gewoonlijk samen genoemd; Tarters of Tartaren, bewoners van de Krim, waren bovendien voor Vondel de samenvatting van alle barbaarschheid.
31eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom: zoo spitst Vondel zijn gedachte toe over de eenheid der christelijke vorsten, in een gebed aan Jezus Christus van 1644 afgebeden (vgl. Dl. 3, blz. 419).
32erfvyant des Christen naems: hij die van geslacht op geslacht de vijand van het Christendom is.
36Ferdinandus den Vierden; Ferdinand Maria werd in 1653 als Roomsch koning aangewezen, maar stierf in 't jaar zelf van deze Opdracht, 9 Juli 1654.
37-39Uit deze regels blijkt wel, dat Vondel de definitieve overwinning van de overal opdringende opstandigheid, nabeeld van Lucifers verzet tegen God, van een versterkt keizerdom verwacht.
38Hooghduitschlant: de landen waar het Hoogduitsch gesproken wordt, in tegenstelling met het Nederduitsch, het Nederlandsch.
*Het opschrift: De vriendschap van Vondel en Sandrart bleef bestaan toen de laatste in 1645 uit Amsterdam naar 't erfgoed van zijn vrouw in Stockau (bij Ingolstadt) verhuisd was. (Zie Vondels Klaghte bij 't vertrek, dit Deel, verderop). Juist onder de bewerking van Lucifer, in de tweede helft van 1653, vereerde de in zijn tijd beroemde schilder den dichter met de ‘Afbeeldinge’, waar dit sonnet op doelt, en misschien is de barok-allegorische verheerlijking van de keizersfamilie, die Vondel bewonderd moet hebben, voor hem een aanleiding te meer geweest, om zijn treurspel aan Ferdinand III op te dragen. Want daar nergens opgave van een afzonderlijk portret van den keizer door Sandrart te ontdekken valt, moet het sonnet de apotheose gelden, die door den schilder ‘des hohen Hauses von Oesterreich Triumph’ genoemd werd en welke door hem was opgezet volgens een uitvoerig 'Reskript von Kayserlicher Hand' zelf. Het schilderstuk, waarop de keizer, de keizerin en de twee prinsen Ferdinand en Leopold onder godengestalten waren voorgesteld, bestaat niet meer, maar bleef bekend door de kolossale gravure, welke Frans van den Steen (Antw. 1604-Weenen 1672) ervan sneed met 't onderschrift: ‘Jovi Austriaco pacificoque chari caelites deae diique sui grati veniunt litantque. Joachimo de Sandrart à Stochaw invent. et pinxit. Francesco de Steen S.C.M. sculp. sculpsit’. (Zie: P. Kutter: Joachim von Sandrart, Strassburg, 1907). De weergave van Sandrarts naam door Vondel duidt er op, dat de dichter een prent van deze kopersnee uit Weenen kadoo kreeg. - Deus enz.: Dit motto, uit Virgilius' Bucolica I, 6 (‘Een Godt holp ons aen deze gerustheit’ in Vondels vertaling) lag den dichter na aan 't hart (zie Oranje May-lied Str. V, en het titelblad der Verovering van Grol) en doelt hier op den zin van de ‘Afbeeldinge’, welke Ferdinand III als vredevorst voorstelt.
vs. 1De Zon van Oostenryck: de keizer.
2schaduwen van kunst: afschaduwing door de kunst, kunstrijke afbeelding.
3Dewylze: terwijl zij; in haren troon enz.: in het toppunt der glorie.
4op ons gezicht: voor ons gezicht.
6een tweede August: keizer Augustus' regeering werd gekenmerkt door een algemeenen vrede; Vader van de pais: kweeker van den vrede; zoo heet, in vergelijking met Augustus, keizer Ferdinand, omdat hij den vrede van Munster, onder zijn regeering in 1648 gesloten, bevorderd had.
7Versta: de keizer gaat zijn zoon in een christelijk leven voor.
12Een Arent: het symbool van het keizerrijk, op Sandrarts schilderij aangebracht.
14gulden tyt: tijd voor voorspoed door vrede.
r. 1kunst-yver: yver voor de kunst.
3opgeschoven: opengeschoven of op zij geschoven; het rolgordijn was in Vondels tijd niet bekend.
4-5de stellaedje stoffeeren: het tooneel bekleeden of bezetten.
6heerlyckheerlycker: in de oude beteekenis van seigneurial, vgl. heerlijk jachtrecht, en zie vs. 1575.
7hooger laerzen: de hooge tooneellaarzen of brozen (cothurni) vergrootten in het oud-klassieke drama de gestalten der spelenden en werden in de Renaissance-taal het zinnebeeld van de tooneelkunst.
7-8de spraeck van enz.: de taal van de H. Schrift.
9gedichtsel: verdichtsel, fabel; Salmoneus: de mythe van dezen koning van Elis, die voor Jupiter tonans wilde spelen, maar door den beleedigden god werd vermorzeld, kende Vondel vooral uit Virgilius ( Aeneïs VI, 585-v.v.; vgl. Homerus Odyss. XI, 236) en zij was hem zoozeer de heidensche parallel van de Geschiedenis van Lucifer, dat hij, toen de Lucifer van het tooneel geweerd werd, zijn Salmoneus schreef, om het dure scenario, voor het verboden drama vervaardigd, te kunnen benutten; zie Salmoneus verderop in dit Deel.
12nochte: evenmin: geen: beter ware na nochte: een; den Reuzenstryt: den strijd der Giganten, die den Olymp bestormden maar ook werden verslagen, verhaalt Ovidius ( Herscheppinge I, 177-v.v., V, 437-v.v.). Vondel die dezen strijd herhaaldelijk heeft behandeld ( Maeghdenbrieven, St. Aeght, vs. 89-v.v.; Altaergeh. III, 1203) ziet er hier een spiegelbeeld van Lucifers opstand in, wat hij in vs. 1941-61 van het treurspel (vgl. Hersch. V, 445) toespitst.
13schorsse: bekleeding: reuckelooze: roekelooze.
19-20bestulpen: bedekken; Onder de Profeten: hier geeft Vondel de hoofdbronnen der dramatische stof aan.
TEKSTKRITIEK: In r. 23 na hooren volgt in latere uitgaven: Sint Peter de Prins der Apostelen. - In r. 43 achter vallen hebben de latere uitgaven: Oock Sint Peter, zeggende: God heeft d'Engelen, die zondighden, niet verschoont, maer, met de koorden der helle afgeruckt, in den afgront overgelevert, om gepijnight en ten oordeele bewaert te worden [vgl. II Petr. II, 4]. - In r. 48 achter inzonderheit staat later: met Sint Peter en Judas Thaddeus, afgezanten des Konings aller Koningen.
22ons met eene stem enz.: Matth. XVII, 5.
25geprint: gedrukt; Izaïas roept enz.: Is. XIV 12-15; vgl. Lucifer vs. 569. Deze en de volgende Bijbelteksten heeft Vondel blijkbaar zelf uit de Vulgaat vertaald.
30Ezechiël: Ezech.. XXVIII, 12-15; vgl. Luc. vs. 1475-81.
42-3Ick zagh enz.: Luc. X, 18; Thaddeus: Brief van Judas, vs. 6.
46behuizinge: ‘domicilium’ in de Vulgaat, ‘woontent’ in de Statenvertaling; bedoeld is de plaats waarin God hen gesteld had.
47des grooten Godts: de Vulgaat heeft: ‘magni diei’ (des grooten dags), maar bij Petavius, door Vondel zeker voor zijn treurspel bestudeerd (cfr. mijne inleiding van Lucifer in de Zwolsche Herdrukken, 1928, blz. XLII) staat één keer: ‘magni Dei’.
52doorgaends: doorloopend.
TEKSTKRITIEK: In r. 62 van de eerste uitgave staat sterfelyckheit in plaats van onsterfelyckheit.
53Outvaderen: oudste christelijke schrijvers, waaronder Vondel ook nog den twaalf-d'eeuwschen heiligen Bernardus rekent.
56Cypriaen: geb. ± 200, gest. 258; de aangehaalde tekst is uit Liber de Zelo et Livore cap. IV, bij Petavius, ed. Barri-Ducis, MDCCCLXVIII, tom. IV, blz. 168; (Migne P.L. IV, kol. 640).
57Engelsche: zooals gewoonlijk bij Vondel voor Engelachtige.
58toen hy den mensch enz.: dit motief van jalouzie van de Engelen op den mensch, dat den val der Engelen nà de schepping van Adam en Eva plaatst, maar dat niet door alle Theologen gedeeld wordt, zal Vondel in zijn drama aanscherpen met Gabriëls boodschap van de menschwording van het Eeuwig Woord, vgl. Lucifer, vs. 221-v.v.
59naeryver: naijver; hem: den mensch.
61bedorf: bedierf, verdierf.
64-65De Groote Gregorius bestelt enz.: de H. Gregorius de Groote, Paus en Kerkvader († 604); zie Moralium Lib. IV, cap. XIII, bij Petavius, blz. 177 (Migne, P.L. LXXV, kol. 646). Na de afgunst geeft V. nu in dezen en den volgenden tekst den hoogmoed als den grond van den afval der Engelen aan; bestelt: doet aan de hand.
68den honigh vloeienden Bernardus: de H. Bernard van Clairvaux (1091-1153), bijgenaamd Doctor Mellifluus; zie Sermo I de Adventu, bij Petavius, blz. 177 (Migne, P.L.: CLXXXIII, kol. 36).
75den Leeuw, en den Draeck: vgl. Lucifer vss. 1784, 1889, 1918, 2159.
78gemoedight: aangemoedigd.
81Sint Augustyn: Bisschop van Hippo en Kerkvader (354-430); zie De Genesi ad Litteram, Lib. XI, cap. XIV, bij Petavius, blz. 169 (Migne, P.L.: XXXIV, kol. 436).
83grootsheit: ‘amor excellentiae propriae’, grootsheit is hier dus: uitschittering.
89de Paradysslang: Gen. III, 4-v.v.
90de heileeuwe: de tijd van Christus, vgl. Altaergeh. I, 1018; de zwynskudden enz.: zie Matth. VIII, 30-32.
91by dieren afgetekent: door dieren voorgesteld; sterrebeelden onder diergestalten; oock by: zelfs door.
92-4gedacht: herdacht; Pleiades: zie Job XXXVIII, 31; Arcturus, en Orion: samen bij Job IX, 2 en Amos V, 18; Lucifer: als sterrebeeld, o.a.: Ps. CIX, 3; II Petr. I, 19; de weeligheit en leerzaemheit der tooneelpoëzye: het drama vergt in Vondels opvatting een vruchtbare fantazie om te beter te kunnen leeren.
95hier mede: nl. met de dierengestalten van leeuw en draak, zie r. 75.
96treken: streken of trekken.
98Sint Jan: Openb. XII, 4.
101gebloemde: overdrachtelijke.
102scherpzinnigheit: spitsvondigheid.
105Cicero: Vondel heeft minder het oog op een bepaalden tekst dan op den inhoud van De Inventione, Lib. II; voeghelyckheit: gepastheid.
108nauwer verbint: meer aan banden legt.
109verziersels: verdichtsels; onaengezien: ondanks; hantvest: vrijbrief, recht.
112De Schilder enz.: uit de Ars Poetica van Horatius ( Epist. II, 3) ‘Pictoribus atque poetis quidlibet audendi semper fuit aequa potestas’.
117Gezant: letterlijke vertaling van ἄγγελος, engel; Geheimenistolck: verkondiger van Gods ondoorgrondelijke (geheime) raadsbesluiten.
118-19ontdecken: openbaren; onder verbeteringe: naar mijn beste weten; niet het gevoelen der meesten, maer zommiger Godtgeleerden: Bij Petavius, die uitvoerig de meeningen der oudste chr. schrijvers over het motief van den val der Engelen weergeeft ( De Angelis, Lib. III, cap. II, nr. X, ed. cit. blz. 169) had Vondel dit gelezen: ‘Er zijn er, die meenen, dat de duivel door afgunst geprikkeld werd en het onverdragelijk vond(invidia commotus iniquo animo tulisse), toen hij van God vernomen had, dat de menschelijke natuur tot het deelgenootschap van de Godheid zou worden aangenomen. Maar dit wordt door geen enkel gezag van de Schrift of van de oude Vaders gedekt, en het lijkt mij ook niet waarschijnlijk, dat dit mysterie zoo lang te voren aan de Engelen zou zijn geopenbaard’; naerdien: omdat.
123de rechtzinnige waerheit: de leer der kath. Kerk.
125Sint Pauwels, Godts geheimenisschryver: de H. Paulus, schrijver over de goddelijke geheimenissen (wel met toespeling op I Cor. IV, I).
125-35Vondel bedoelt, dat S. Paulus in Hebr. I, 4-13 hem voorging met de verhevenheid van het menschgeworden Woord bòven de Engelen uit te meten. Deze verheffing doet afbreuck aan het Ryck der logenen (de Hel) en aan de verleidende Geesten (de gevallen Engelen) en is daarom voor hen benydenswaerdigh genoegh, d.i. een sterke prikkel tot afgunst, door den dichter in zijn drama (vs. 390-405) meesterlijk op de spits gedreven.
129der Engelen: door de Engelen.
134-35de Engelen voorbygaende: ziehier de reden tot afgunst met zooveel woorden uitgedrukt, vergelijk Luc. vs. 469-70; in het bloet van Abraham: Abraham was de stamvader van het geslacht, waaruit Christus geboren werd.
136-37onschult: rechtvaardiging.
139zinnelyckheit: zin, voorkeur; getempertheit: elders bij Vondel temper: aanleg.
142tegenwryters: tegenstanders; recht: goed, juist.
143De heilige treurspeldichters: de dichters van treurspelen met een heilig, een bijbelsch onderwerp.
144Ezechiël: Joodsch-Grieksch dichter uit de 2e eeuw na Chr. Zijn door Vondel bedoelde tragedie ᾽Εξαγωγή is alleen in fragmenten bewaard, die in 1598 en 1606 werden uitgegeven en in 1609 door Fréderic Morel in Lat. verzen vertaald.
146-47Gregorius Nazianzener: de H. Gregorius van Nazianze, bijgenaamd de Theoloog (329-90); zelf: zelfs; den Gekruisten Verlosser in Griecksche tooneelvaerzen: Χριστὸς πάσχων τραγῳδια (De lijdende Christus, Treurspel). Vondel zal wel geweten hebben, dat de hem bekende auteurs Baronius, Bellarminus, Vossius en Rivetus het vaderschap van dit uitvoerig drama aan Gregorius Nazianzer ontzegden (zie Migne, P.G. XXXVIII, kol. 133-338); maar Grotius, die het had nagevolgd met zijn Christus Patiens (Monachii MDCXXVII), schreef het in de Voorrede van dit spel uitdrukkelijk aan den genoemden heilige toe en dit gaf voor Vondel blijkbaar den doorslag.
152Richard Baker: een Engelsch edelman en schrijver (1568-1645), die in een tienjarige gevangenschap velerlei Meditations schreef op de Psalmen, het Onze Vader en een Apologie for Laymen's Writing in Divinity, with a short Meditation upon the fall of Lucifer (1641), maar het is twijfelachtig of Vondel op deze spitsvondige overpeinzingen doelt (zie: G. Kalff in Oud-Holland, XII [1894], blz. 22-v.v.).
153-54al den handel: het heele proces; vry breet in 't rymeloos uitgestreken: breedvoerig in proza uitgesponnen. Deze tamme kritiek op Baker's eindeloos langdradige overpeinzingen is niet onjuist.
155gekristende: christelijke.
156het tooneelspel van dien tyt heftigh bestreden: Bossuet toont dit in zijn Maximes et Réflections sur la Comédie (1694) uitvoerig aan vooral met citaten uit S. Augustinus, Ambrosius en Joh. Chrysostomus.
157de tyt en reden van dien: de tijd en de opvattingen van dien tijd.
159noch onbestorven: nog niet bezonken.
160Cybele: de geïmporteerde Phrygische godin, dochter van hemel en aarde, vrouw van Saturnus en vereerd onder de namen Rhea, Vesta, en Μεγαλη Ματηρ (Magna Mater), waarnaar ook haar jaarfeesten Megalesia (12 April) heetten, die met optochten en voorstellingen gevierd werden; der gedroomde Goden moeder: òfwel: moeder der gedroomde goden, òfwel: aan de gedroomde godenmoeder; ‘Mater deorum’, ook een der namen van Cybele, vergelijk Peter en Pauwels, vs. 752.
161verdienstigh: verdienstelijk.
162Sint Augustyn getuight: nl. in De Civitate Dei I, 32: ‘Ingravescente pestilentia ludi scenici auctoritate Pontificum Romae primitus instituti sunt’ (bij een toenemende pest zijn de tooneelspelen te Rome het eerst [r. 165 eerst] op gezag van de hoogepriesters ingesteld).
163Numa: Numa Pompilius, de legendarische insteller van den Romeinschen godendienst, vgl. Peter en Pauwels, vs. 915, 927.
165Scaliger zelf: Scaliger zelfs; Julius Caesar Scaliger (1484-1585) schreef in zijn Poetices, I, 37: ‘(Ludi) scenici... pro bona populi valetudine Sibyllae jussa instaurati’ (de tooneelspelen zijn op bevel van een Sibylle voor de gezondheid van het volk ingesteld).
166Sibille: waarzeggende priesteres van Apollo.
171-72nu lang: die nu lang, nl. de in r. 169 genoemde gruwel; voetstappen: sporen; Dat dan de H. Outvaders enz.: Bossuet, die in zijn bij r. 156 aangehaald werk al te radikaal het tooneel bestreed, zou Vondel hier geantwoord hebben: ‘C'est lire trop négligemment les passages des Pères que d'assurer, comme vous faites, qu'ils ne blâment, dans les spectacles de leur temps, que l'idolâtrie et les scandaleuses et manifestes impudicités... leurs raisons portent plus loin. Ils blâment dans les jeux et dans les théâtres l'inutilité, les passions excitées, la vanité’ enz. ( Oeuvres Complètes, Paris, 1856, II, blz. 863).
175overgeslagen: overwogen.
176het nut en den oirbaer: tautologie, want oorbaar, oorbaarheid is òok nut; stichtelycke en vermakelycke spelen: treur- en blijspelen.
177wechworpen: verwerpen; eerlycke: eerbare.
179wit en ooghmerck: weer tautologie, want ooghmerck is óok wit, doelwit; wettige: zedelijk goede.
180vermorwen: vermurwen; Scholieren enz.: dit gaf zelfs de strenge Bossuet toe, l.c. blz. 910.
185overvliegende vernuften: buitengewoon begaafden; by geene gemeine middelen te buigen: niet voor gewone argumenten zwichtend.
186spitsvondigheden: fraaie, pittige gezegden.
190geestige: begaafde, vaardige; den tuimelgeest: wargeest, booze bui.
191uit eenen bezeten..... Saul: toespeling op David, die door harpspel den van een boozen geest bezeten Saul wilde kalmeeren, vgl. 1 Kon, XVIII, 10.
192-93Genesius en Ardaleo: Baronius verhaalt in zijn Ann. Eccl. op 't jaar 303, nr. 118, dat eerst de tooneelspeler Genesius, daarna zijn kollega Ardaleon voor Diokletiaan in een komedie de geheimen des Christenen bespotten, maar door Gods genade getroffen plotseling hun rol in ernst namen en als martelaren stierven (feestdag van St. Genesius 23 Augustus, van St. Ardaleon 14 April). De geschiedenis van den eerste is door Henri Ghéon gedramatiseerd in Le Comédien et la Grâce (Paris, 1925).
196deftige: indrukwekkende; doorgaends: doorloopend.
197laffe redenen: onbeduidende praat; uren lang enz.: Ds. P. Leupenius, die Vondel om zijn spelling bestreed, gaf deze uitlatingen in zijn Naaberecht (Unger 1654-55, blz. 271) valsch weer, door te verzinnen, dat Vondel van den eenen kant er mee op zijn eigen 'lompe verdichtselen' doelde, van den anderen kant op de ‘Preedikingen van Gods Dienaaren’, terwijl Vondel alleen zegt, dat Genesius en Ardaleo door hun indrukwekkende christen-rollen vol zin en wijsheid bekeerd werden.
202dit woort: nl. spel; geen gebruik heeft in dien zin: niet in dien zin van spel gebruikt wordt; Τραγῳδια: tragoedia, treurspel,
203koppelwoort: gekoppeld, samengesteld woord; Bockezang: τραγ-ῳδία τραγος is bok; ῷδὴ: gezang.
206immers: dan; knuffelen: frekwentatiet van knuiven of kluiven; beknabbelen, beknibbelen.
208-09spel van tien snaren: het tiensnarig psalter van Ps. XXXII, 2 (in Vondels Harpzang vs. 6: galm van vijf paer snaeren); by verscheidenheit van Onroomschen, in hunne vergaderingen: door allerlei niet-Katholieken in hun kerkelijke diensten.
212vont: vondst, uitvinding; eerlycke: eerzame.
214gemoedight: bemoedigd.
216ten klaren spiegel enz: uitdrukkelijk geeft Vondel nogmaals het zedelijk doel van zijn treurspel aan, om zijn tegenstanders te ontwapenen.
r. 2staetzuchtigh: afgeleid van staetzucht, herhaaldelijk door Vondel en vooral ook in Lucifer gebruikt (vs. 1323, 1326. 1329, 1535, 1540, 1688, 1962, 2008), beteekent: zuchtig, begeerig naar hoogen staat, stand, is dus 't zelfde als eerzuchtig, heerschzuchtig, hoovaardig; zijn eige: zich zelf.
5Herout: gebodenaf kondiger.
5-6alle Engelen voor dienstbare Geesten verklaarde: vgl. Hebr. I, 14.
7ontdeckte: openbaarde; het Engelsdom: de natuur en de wereld der Engelen.
14afgestreden: overwonnen, vgl. afvechten in vs. 1831.
*Het tooneel is in den hemel: Volgens het wereldstelsel van Ptolomaeus, in de Oudheid en gedurende de Middeleeuwen gehuldigd en door Vondel, die na Copernicus, Galileï en Tycho Brahé beter wist, om het dichterlijk suggestieve ervan voor zijn drama's vastgehouden, ligt de Hemel, de verblijfplaats van God en de Engelen, in de oneindigheid buiten de negen sferen of bogen, die koncentrisch de aarde, als middelpunt van het Heelal, omringen. Toch zijn, als het stuk begint, de Engelen nog niet tot de eigenlijke innerlijke Godskennis, waarin het formeele van de hemelsche genieting gelegen is (vgl. Joan. XVII, 3), tot de aanschouwing van aanschijn tot aanschijn (I Cor. XIII. 12), die zij immers door de proef van hun onderworpenheid aan God verdienen moeten, toegelaten, zooals vooral uit den Reizang van het 1e Bedrijf duidelijk blijkt. Overigens stemt Vondels hemelbouw overeen met dien van Cicero ( Somnium Scipionis), van Dante ( Divina Commedia), van Du Bartas (Aanteekeningen bij La Sepmaine) enz.
|
|