De werken van Vondel. Deel 6. Vondels Vergilius-vertalingen


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Zesde deel: Vondels Vergilius-vertalingen. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1932  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 130]

Dafnis.
Vijfde Herderskout.aant.

Inhoudt.

1 Menalkas en Mopsus, beide herders, beklagen den doot van Dafnis, den Siciliaenschenr. 1 2 herder, by Merkuur geteelt, door Pan in zangkunst onderwezen; en d'een zingt zijn graf-2 3 schrift, d'ander zijn vergodinge. Men vint'er die by Dafnis Cesar, den Oppergezaghsman,3-4 4 meenen verstaen te worden, die onlangs eer de Poeet dit dichte, op het hof, met drieen- 5 twintigh wonden getaistert lagh. Zommigen duiden hem op Quintilius Varus, die in5 6 Duitschlant met drie keurbenden neergeleit wert. Zommigen nemen het liever op Flakkus6 7 Maro, Virgilius broeder, van wien noch dit paer wijdtbekende vaerzen, hoewel onzeker7 8 wieze dichtte, voorhanden zijn:
 
Ghy, die op Dafnis naem hier Flakkus lijck beschreit,
10
Verheft uw' broeder zelf tot aen d'onsterflijkheit.
11 Zommigen leggen het op Salonijn uit, wiens geboorteliet hy in den voorgaenden11 12 Herderskout zong; doch nu zingt hy de vergodinge van dien zelven overleden.12
 
Menalck, met Mopsus, hier op Dafnis dootbaer weent:
 
Zy voeren hem om hoogh, in 't midden van de Goden,
15
En bidden, dat hy 't volck van daer zijn gunst verleent,
 
Voor offerwijn en melck, zijn Godtheit aengeboden.

Menalkas. Mopsus.

17 Men. Mopsus, dewijl wy, beide even konstigh, ghy meester op de fluit, 18 ick in 't zingen, wel op malkander passen; waerom gaen wy hier niet neder-r. 18 19 zitten onder deze olmen en hazelaers, door een geplant?

20 Mo. Menalkas, ghy zijt ouder: 't is billijck dat ick u volge; het zy wy ons20 21 nederzetten in de schaduwe van het bevende loof, waer in de westen wint21 22 speelt, of liever in een hol: zie eens, hoe de wilde wijngert dat hol hier en22 23 daer met druiven belommert.

24 Me. Amyntas magh alleen u op ons bergen tarten.24

25 Mo. En of hy Febus zelf met zingen wou verdooven?25

26 Me. Nu Mopsus, hef eerst aen, het zy ghy zingen wilt van Fyllis vry-26-27 27 aedje, of van schutter Alkons lof, met schieten ingeleit, of van Kodrus

[p. 131]

Dafnis.
Vijfde Herderskout.

[De sage van Daphnis luidt in 't kort als volgt: Daphnis, de schoonste van alle herders, was geboren op Sicilië onder laurierbomen (= δάφνη), als zoon van Hermes (Mercurius) en een nimf. Terwijl hij zijn vee hoedde, speelde hij bekoorlike liederen op de syrinx en werd de lieveling der nimfen. Volgens sommigen verbrak hij de eed van trouw, aan één harer gezworen, voor een andere geliefde en vond nu jammerlik de dood. Zijn lijden is een geliefd thema der bucoliese poëzie geworden. - In Vergilius' Vde Ecloga zingen Menalcas en Mopsus, nadat ze eerst enkele vriendelikheden hebben gewisseld, een beurtzang - ieder 24 verzen - ter ere van Daphnis. Mopsus wijdt een klaaglied aan zijn dood, Menalcas bezingt zijn apotheose. Ook deze Ecloga is reeds sedert de oudheid allegories opgevat. Servius zag er in Julius Caesar's verheerliking en vermeldt dat anderen aan Quintilius Varus dachten. Suetonius wil in Daphnis Vergilius' broeder Flaccus zien. De mening, dat onder Daphnis Caesar moet worden verstaan, vindt nog verdedigers; zij zien in de tekst zelf meer of minder duidelike toespelingen (bv. de passage over de nieuwe vorm van Bacchus-verering, die door Caesar in Rome zou zijn ingevoerd). Maar de meeste bizonderheden laten zich ook buiten alle allegorie om verklaren: Vergilius vond ze bij Theocritus; terwijl de allegoriese opvatting ook hier aanleiding geeft tot allerlei moeilikheden. Aan het slot (zie de prozatekst, r. 91-93) schijnt Vergilius zich met Menalcas te vereenzelvigen, maar daarmee is niet bewezen, dat hem reeds van de aanvang af deze identiteit voor ogen stond.]

Menalkas. Mopsus.

 
Me. Dewijl wy, Mopsus, beide in kunst al even eêl,vs. 1
 
Gy meester op de fluit, ick op mijn' zang en keel,
 
Op een slaen, waerom niet gezeten op die kanten,3
 
Daerze olm en hazelaer dus door elckandre plantten.
5
Mo. Menalk, gy overtreftme in jaeren, dus is 't reên5
 
Dat ick u volg'? het zy wy zitten dicht by een
 
In schaduw van dit loof, en bladen, die dus leven,7
 
Terwijl de westenwint zoo koel daer in komt zweven;
 
Of liever in een hol. ay zie hoe daer in 't wilt9
10
De wijnranck 't hol bedeckt met druiven, zoet en milt.
 
Me. Amint daege u alleen op ons geberght daer boven.11
 
Mo. En of hy Febus zelf met zingen wou verdooven?12
 
Me. Nu Mopsus, hef eerst aen; 't zy u behaege een wijs
 
Van Filis vryerye, of Alkons lof en prijs,
[p. 132]

28 krackeel: hef aen: Tityr zal ondertusschen de grazende bocken hoeden.

29 Mo. Ick wil u liever deze vaerzen laten hooren, die ick korts op de groene29 30 schors van beuckeboomen schreef, en by beurte zong en tureluurde: zegh30 31 dan dat Amyntas tegens my zinge.

32 Me. Gelijck de taeje willegeboom voor den blonden olijf; gelijck de32 33 lage lavenderbloem voor den rooden roozelaer moet wijcken; zoo verre33 34 moet, mijns oordeels, Amyntas voor u wijcken.

35 Mo. Genoegh, mijn zoon, hou op: wy zijn alree by 't hol. De Veltgodinnen35 36 beweenden Dafnis, die zoo deerlijck om hals geraeckte: ghy hazelaers en36-37 37 vlieten kost dit van de Veltgodinnen getuigen, toen de moeder, op haer 38 zoons droevigh lijck vallende, over d'ongenade der Goden en starren 39 kermde. Och Dafnis, geene herders drenckten, toen ghy boven d'aerde39-40 40 stont, hun zatte ossen in den koelen stroom: het vee proefde niet eenen 41 druppel nats, nochte zette zijnen mont eens aen het gras. O Dafnis, woeste 42 bergen en bosschen weten te zeggen, hoe oock de Libyaensche leeuwen 43 om uwe doot steenden. Dafnis leerde ons Armeniaensche tigers voor den43 44 wagen spannen: Dafnis leerde ons de reien, Bacchus ter eere, aenvoeren, 45 en taeje wijngertstocken met zachte wijngertbladen bevlechten. Gelijck45 46 wijngert de boomen, en druiven den wijngert; gelijck stieren de kudden, 47 en het gewas de vette ackers vercieren; zoo verciert ghy alleen uwe lants-47 48 lieden. Sedert de doot ons van u beroofde, verliet zelf Pales, zelf Apollo48 49 de weiden. Daer wy dickwils goet koren in de vore zaeiden, quam niet dan49 50 onkruit en stroo en stoppel op: en daer zachte fiolen en roode tyloozen50 51 stonden, wiessen niet dan scherpe distels en dorens. O Herders, bestroit51 52 den wech met loof: beschaduwt de bronnen met meien: Dafnis is wel zulck52

[p. 133]
15
Met schieten ingelegt: of zing 't krackeeligh woeden
 
Van Kodrus. hef eerst aen: terwijl zal Tityr hoeden16
 
De dertle bocken, die gaen grazen aen dien oort.17
 
Mo. 'k Wil liever datge my de vaerzen zingen hoort,
 
Die 'k in de groene schors van beuckebomen prente,
20
En tuureluurde, en zong by beurt, naer mijn gewente.20
 
Zegh dat Amynt my dan met zang tarte, als 't betaemt.21
 
Me. Gelijck de blonde olijf de taeie wilgh beschaemt,
 
En laegh levender voor den roozelaer moet strijcken,23
 
Zoo verre moet Amynt, mijns oordeels, voor u wijcken.
25
Mo. Genoegh, mijn zoon, dit 's 't hol, dat ons tot zingen noodt.
 
De Veltgodinnen droef beweenden Dafnis doot,
 
Die deerlijck raeckte om hals. gy hazelaers, aen 't schreien:
 
Gy vlieten tuight dit van der Veltgodinnen reien,28
 
Als d'eige moeder 't lijck van haeren zoon omermt,
30
En over d'ongena der Goôn en starren kermt.
 
Geen herders drenckten, toen, ô Dafnis, hoogh van waerde,
 
Uw nat bekreeten lijck bedruckt stont boven d'aerde,
 
Hun zatte stieren in den koelen waterstroom:
 
Geen kudde proefde nat, noch zette, uit rouw en schroom,34
35
Den mont eens aen het gras. ô Dafnis, woestijnyen,35
 
Geberghte, en bosschen zelfs getuighden van het lyen
 
Des Libyaenschen leeus, om u met rou belaên:
 
Want Dafnis leerde ons eerst Armeensche tigers slaen
 
En spannen onder 't juck, voor wagen, en voor raden.39
40
De zelve Dafnis leerde ons wijngertstock met bladen
 
Bevlechten, en, dien Godt ter eere, met geschrey41
 
Aenvoeren op het feest den struickelenden rey.42
 
Als wijngaert het geboomt, de druiven wijngert, stieren43
 
De kudden, het gewas de vette landen cieren,
45
Aldus verciertge alleen uw lantsliên door uw deught.45
 
Toen d'onvermurwde doot ons dus met ongeneught46
 
Van u berooven quam, verliet Apol de weiden,
 
En Pales zelf het lant: daer wy, voor uw verscheiden,
 
Zoo dick met vruchtbaer graen bezaeiden vore en klont,
50
Quam niet dan stoppel, stroo, en onkruit uit den gront.
 
Daer eerst fioolen en tyloozen weeligh wiessen,
 
Quam niet dan doren op, en distel, scherp als spiessen.
 
O herders, overstroit den wegh met loof, en bladt:
 
Beschaduwt bron by bron met meien, fier en prat:54
[p. 134]

53 een staetsi waerdigh. Gaet stelt hem een graf met dit grafschrift toe: Ick53 54 Dafnis hier in de bosschen, en ten hemel toe vermaert, was een herder 55 van het schoone vee, en zelf schooner dan het vee.

56 Me. O goddelijcke dichter, uw dicht bekomt ons zoo wel, gelijck de56 57 slaep in 't gras het afgeslaefde hart; gelijck een zoete en springende water-57 58 beeck, by heeten zonneschijn, het dorstige hart verquickt: en gy fluit niet58-60 59 alleen, maer zingt zoo wel als uw meester. Geluckige knaep, ghy zult nu 60 neffens hem zitten. Evenwel willen wy u wederom loven, naer ons beste 61 vermogen, en uwen Dafnis tot aen den hemel verheffen: wy willen Dafnis 62 tot aen den hemel toe loven: Dafnis beminde ons mede.

63 Mo. Kunnen wy wel iet grooters dan zulck een gave verwerven? Oock63 64 was dees knaep al prijzens waerdigh, en Stimichon prees ons al overlang64 65 die dichten aen.65

66 Me. De blancke Dafnis ziet (het geen hy ongewoon was) de poort des66 67 hemels met verwonderinge aen, en wolcken en starren onder zijn voeten67 68 drijven: weshalve bosschen en beemden, Herdersgoden en herders en 69 Boschgodinnen lustigh en vrolijck zijn. De wolf beloert geen schaep, nochte 70 men spant geene netten om harten te vangen: d'oprechte Dafnis is met70 71 vrede gedient. D'ongeschore kruinen der bergen juichen zelfs van blyschap,71 72 dat het aen den hemel klinckt: klippen en boomgaerden zelfs wedergalmen72 73 nu op dit gezangk: O Menalkas, hy is een Godt, ja een Godt. O Dafnis, 74 begenadigh en zegen uw volck. Zie daer staen vier altaren, twee voor u, en 75 twee voor Febus. Ick zal u jaerlijcks twee kannen opdragen, die van versche 76 melck schuimen, en twee bekers met vetten olijfoli: en eerst de gasten met76 77 eenen rustigen dronck wijns by den haert verheugen, zoo het winter is; des77 78 zomers, onder het groen. Ick zal Ariusischen wijn, als nieuwen nektar, in78 79 schalen schencken. Dametas en de Lyktische Egon zullen voor my opzingen:79

[p. 135]
55
De brave Dafnis is die staetsi dubbel waerdigh.55
 
Stelt hem een graf toe, met dit grafschrift, kloeck en aerdigh:56
 
Ick Dafnis, in het bosch vermaert tot 's hemels stê,
 
Behoede 't schoone vee, was schooner dan het vee.
 
Me. O goddelijck poeet, uw dicht verzacht ons smarten,
60
Bekomt, gelijck de slaep in 't gras, vermoeide harten;
 
Gelijck een koele bron en springaêr 't hart verquickt61
 
Dat in de heete zon bykans van dorst verstickt.
 
Gy handelt niet alleen de fluit, een lust te hooren,63
 
Maer zingt zoo lieflijck als uw meester in onze ooren.
65
O zegenrijcke knaep, ga zet u neffens hem:
 
Wy willen, naer ons maght u loven met ons stem,65-66
 
En uwen Dafnis hoogh ja hemelhoogh doen rijzen,
 
Hem, die ons minde, luidt tot aen den hemel prijzen.
 
Mo. O kan men grooter gaef verwerven van een' vrient!
70
Dees knaep hadde oock dien lof en prijs met recht verdient:
 
En Stimichon heeft lang dat dicht ons aengeprezen.
 
Me. De blancke Dafnis ziet [het geene hy voor dezen
 
Niet was gewoon] de poort des blijden hemels aen,
 
En star, en wolcken, die beneên hem ommegaen;74
75
Dies bosch, en beemt, en Goôn van herderen en wouden
 
Nu blijde en vrolijck zijn. de wolf, in toom gehouden,
 
Beloert geen schaep. men spant geen netten voor het hart.
 
d'Oprechte Dafnis mint de vrede, vry van smart:
 
Zelf d'ongeschore kruin der bergen, reede aen 't danssen79
80
Van blyschap, wort gehoort tot aen des hemels transsen.80
 
Zelf klip en boomgaert weckt een' weêrgalm op dien toon.
 
Menalck, hy is een godt, een godt op 's hemels troon.Vers 82
 
Nu begenadigh toch, ô Dafnis, die u eeren.83
 
Daer staen vier outers, twee die wy voor u stoffeeren,84
85
En twee voor Febus. 'k zal u jaerlijx, als een schult,85
 
Twee kannen wijden, die met melck en room gevult
 
Noch schuimen, versch van melck, en u twee bekers schencken
 
Met oli van olijf, en eerst de gasten wencken,88
 
En toevenze aen den haert, indien het winter is,89
90
Met eenen verschen dronck van puickwijn, klaer en frisch;
 
Des zomers onder 't groen. als nieuwe neckterstraelen
 
Wort wijn van Chius u vereert in goude schaelen.92
 
De Lyktische Egon zingt voor my en voor Dameet.
[p. 136]

80 Alfesibeus zal, gelijck de Saters, danssen. Aldus zullen wy u eeuwigh vieren,80 81 wanneer wy de Veltgodinnen onze beloften, naer de gewoonte, betalen,81 82 en d'ackers door offerhanden zuiveren. Zoo lang het wilde zwijn op 't ge-82 83 berghte, de visch in 't water zal leven, de honighbye den tijm, de springk-83 84 haen den dauw uitzuigen; zoo lang zal men van uwen naem en faem en lof 85 gewagen. D'ackerman zal u jaerlijcks, gelijck aen Bacchus en Ceres, zijn 86 beloften betalen; ghy hem oock aen zijn belofte verplichten.86

87 Mo. Wat, ay, wat zal ick u voor dat gezangk schencken? Want geen 88 koelte uit den zuiden, geen strant, waer tegens de baren aenslaen, nochte 89 geene beeck, die door dalen en steenrotsen heneruischt, verquicken mijn 90 hart zoo zeer.

91 Me. Eerst zal ick u deze brosse scherleipijp schencken, die ons leerde:91 92 Korydon was op den schoonen Alexis verslingert: die zelve pijp leerde 93 ons: wiens vee is dit? behoort het Melibeus toe?

94 Mo. En ghy Menalkas, aenvaert dezen herdersstaf, dien ick noit Anti- 95 genes overliet, hoe dickwils hy my badt, en al verdiende hy elcks gunst:95 96 de staf is schoon van koperen beslagh, en eenparigh van quasten.96

[p. 137]
 
Alfesibeüs danst als Saters, dat hy zweet.
95
Dus vieren wy uw feest kerckplechtigh al ons leven,95
 
Als wy 't beloofde goet aen d'ackergodtheên geven,96
 
En d'ackers zuiveren met heiligh offervier.
 
Zoo lang het wilde zwijn op 't hoogh geberghte hier,
 
De visch in 't water leeft, de krekel dau zal zuigen,
100
De honighby den tijm, zoo lange zal men tuigen
 
Van uwen naem en faem en eer, by elck gevoedt.101
 
De lantman brengt u, jaer op jaer, 't beloofde goet,
 
Gelijck aen Bacchus, en vrou Ceres, die wy minden.
 
Gy zult hem oock aen zijn belofte en eedt verbinden.104
105
Mo. Wat schenck, wat schenck ick best u voor dat schoone liet!
 
Want geene zuider koelte, of strant, daer 't schuim op ziedt,
 
En ruischt; geen beeck, die door de daelen, krom, als stricken,
 
Gevlochten, heene ruischt, kan zoo mijn hart verquicken.107-8
 
Me. Ick schenck u dan eerst dees scherleypijp, kranck en bros.109
110
Zy leerde ons: Koridon verslingerde te los110
 
Op zijnen jongen knaep Alexis, schoon te wonder,111
 
En dees scherleypijp leerde ons aertigh in 't byzonder:112
 
Wiens vee is dit, behoort het Melibeüs toe?
 
Mo. En gy, Menalk, aenvaert dien herdersstaf in 't goe,114
115
Dien ick Antigenes noit over woude laeten,
 
Hoe dickwijl hy my badt: en schoon hy, boven maeten,
 
Elx gunst verdiende. aenschou dien staf, zoo net en vast
 
Van koperen beslagh, eenpaerigh oock van quast.