auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Zesde deel: Vondels Vergilius-vertalingen. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1932
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
Dafnis.
Vijfde Herderskout.aant.
| |
Inhoudt.
1 Menalkas en Mopsus, beide herders, beklagen den doot van Dafnis, den Siciliaenschenr. 1 2 herder, by Merkuur geteelt, door Pan in zangkunst onderwezen; en d'een zingt zijn graf-2 3 schrift, d'ander zijn vergodinge. Men vint'er die by Dafnis Cesar, den Oppergezaghsman,3-4 4 meenen verstaen te worden, die onlangs eer de Poeet dit dichte, op het hof, met drieen- 5 twintigh wonden getaistert lagh. Zommigen duiden hem op Quintilius Varus, die in5 6 Duitschlant met drie keurbenden neergeleit wert. Zommigen nemen het liever op Flakkus6 7 Maro, Virgilius broeder, van wien noch dit paer wijdtbekende vaerzen, hoewel onzeker7 8 wieze dichtte, voorhanden zijn:
Ghy, die op Dafnis naem hier Flakkus lijck beschreit,
10
Verheft uw' broeder zelf tot aen d'onsterflijkheit.
11 Zommigen leggen het op Salonijn uit, wiens geboorteliet hy in den voorgaenden11 12 Herderskout zong; doch nu zingt hy de vergodinge van dien zelven overleden.12
Menalck, met Mopsus, hier op Dafnis dootbaer weent:
Zy voeren hem om hoogh, in 't midden van de Goden,
15
En bidden, dat hy 't volck van daer zijn gunst verleent,
Voor offerwijn en melck, zijn Godtheit aengeboden.
| |
Menalkas. Mopsus.
17 Men. Mopsus, dewijl wy, beide even konstigh, ghy meester op de fluit, 18 ick in 't zingen, wel op malkander passen; waerom gaen wy hier niet neder-r. 18 19 zitten onder deze olmen en hazelaers, door een geplant?
20 Mo. Menalkas, ghy zijt ouder: 't is billijck dat ick u volge; het zy wy ons20 21 nederzetten in de schaduwe van het bevende loof, waer in de westen wint21 22 speelt, of liever in een hol: zie eens, hoe de wilde wijngert dat hol hier en22 23 daer met druiven belommert.
24 Me. Amyntas magh alleen u op ons bergen tarten.24
25 Mo. En of hy Febus zelf met zingen wou verdooven?25
26 Me. Nu Mopsus, hef eerst aen, het zy ghy zingen wilt van Fyllis vry-26-27 27 aedje, of van schutter Alkons lof, met schieten ingeleit, of van Kodrus
| | | |
| |
Dafnis.
Vijfde Herderskout.
[De sage van Daphnis luidt in 't kort als volgt: Daphnis, de schoonste van alle herders, was geboren op Sicilië onder laurierbomen (= δάφνη), als zoon van Hermes (Mercurius) en een nimf. Terwijl hij zijn vee hoedde, speelde hij bekoorlike liederen op de syrinx en werd de lieveling der nimfen. Volgens sommigen verbrak hij de eed van trouw, aan één harer gezworen, voor een andere geliefde en vond nu jammerlik de dood. Zijn lijden is een geliefd thema der bucoliese poëzie geworden. - In Vergilius' Vde Ecloga zingen Menalcas en Mopsus, nadat ze eerst enkele vriendelikheden hebben gewisseld, een beurtzang - ieder 24 verzen - ter ere van Daphnis. Mopsus wijdt een klaaglied aan zijn dood, Menalcas bezingt zijn apotheose. Ook deze Ecloga is reeds sedert de oudheid allegories opgevat. Servius zag er in Julius Caesar's verheerliking en vermeldt dat anderen aan Quintilius Varus dachten. Suetonius wil in Daphnis Vergilius' broeder Flaccus zien. De mening, dat onder Daphnis Caesar moet worden verstaan, vindt nog verdedigers; zij zien in de tekst zelf meer of minder duidelike toespelingen (bv. de passage over de nieuwe vorm van Bacchus-verering, die door Caesar in Rome zou zijn ingevoerd). Maar de meeste bizonderheden laten zich ook buiten alle allegorie om verklaren: Vergilius vond ze bij Theocritus; terwijl de allegoriese opvatting ook hier aanleiding geeft tot allerlei moeilikheden. Aan het slot (zie de prozatekst, r. 91-93) schijnt Vergilius zich met Menalcas te vereenzelvigen, maar daarmee is niet bewezen, dat hem reeds van de aanvang af deze identiteit voor ogen stond.]
| |
Menalkas. Mopsus.
Me. Dewijl wy, Mopsus, beide in kunst al even eêl, vs. 1
Gy meester op de fluit, ick op mijn' zang en keel,
Op een slaen, waerom niet gezeten op die kanten, 3
Daerze olm en hazelaer dus door elckandre plantten.
5
Mo. Menalk, gy overtreftme in jaeren, dus is 't reên 5
Dat ick u volg'? het zy wy zitten dicht by een
In schaduw van dit loof, en bladen, die dus leven, 7
Terwijl de westenwint zoo koel daer in komt zweven;
Of liever in een hol. ay zie hoe daer in 't wilt 9
10
De wijnranck 't hol bedeckt met druiven, zoet en milt.
Me. Amint daege u alleen op ons geberght daer boven. 11
Mo. En of hy Febus zelf met zingen wou verdooven? 12
Me. Nu Mopsus, hef eerst aen; 't zy u behaege een wijs
Van Filis vryerye, of Alkons lof en prijs,
| | | |
28 krackeel: hef aen: Tityr zal ondertusschen de grazende bocken hoeden.
29 Mo. Ick wil u liever deze vaerzen laten hooren, die ick korts op de groene29 30 schors van beuckeboomen schreef, en by beurte zong en tureluurde: zegh30 31 dan dat Amyntas tegens my zinge.
32 Me. Gelijck de taeje willegeboom voor den blonden olijf; gelijck de32 33 lage lavenderbloem voor den rooden roozelaer moet wijcken; zoo verre33 34 moet, mijns oordeels, Amyntas voor u wijcken.
35 Mo. Genoegh, mijn zoon, hou op: wy zijn alree by 't hol. De Veltgodinnen35 36 beweenden Dafnis, die zoo deerlijck om hals geraeckte: ghy hazelaers en36-37 37 vlieten kost dit van de Veltgodinnen getuigen, toen de moeder, op haer 38 zoons droevigh lijck vallende, over d'ongenade der Goden en starren 39 kermde. Och Dafnis, geene herders drenckten, toen ghy boven d'aerde39-40 40 stont, hun zatte ossen in den koelen stroom: het vee proefde niet eenen 41 druppel nats, nochte zette zijnen mont eens aen het gras. O Dafnis, woeste 42 bergen en bosschen weten te zeggen, hoe oock de Libyaensche leeuwen 43 om uwe doot steenden. Dafnis leerde ons Armeniaensche tigers voor den43 44 wagen spannen: Dafnis leerde ons de reien, Bacchus ter eere, aenvoeren, 45 en taeje wijngertstocken met zachte wijngertbladen bevlechten. Gelijck45 46 wijngert de boomen, en druiven den wijngert; gelijck stieren de kudden, 47 en het gewas de vette ackers vercieren; zoo verciert ghy alleen uwe lants-47 48 lieden. Sedert de doot ons van u beroofde, verliet zelf Pales, zelf Apollo48 49 de weiden. Daer wy dickwils goet koren in de vore zaeiden, quam niet dan49 50 onkruit en stroo en stoppel op: en daer zachte fiolen en roode tyloozen50 51 stonden, wiessen niet dan scherpe distels en dorens. O Herders, bestroit51 52 den wech met loof: beschaduwt de bronnen met meien: Dafnis is wel zulck52
| | | |
15
Met schieten ingelegt: of zing 't krackeeligh woeden
Van Kodrus. hef eerst aen: terwijl zal Tityr hoeden 16
De dertle bocken, die gaen grazen aen dien oort. 17
Mo. 'k Wil liever datge my de vaerzen zingen hoort,
Die 'k in de groene schors van beuckebomen prente,
20
En tuureluurde, en zong by beurt, naer mijn gewente. 20
Zegh dat Amynt my dan met zang tarte, als 't betaemt. 21
Me. Gelijck de blonde olijf de taeie wilgh beschaemt,
En laegh levender voor den roozelaer moet strijcken, 23
Zoo verre moet Amynt, mijns oordeels, voor u wijcken.
25
Mo. Genoegh, mijn zoon, dit 's 't hol, dat ons tot zingen noodt.
De Veltgodinnen droef beweenden Dafnis doot,
Die deerlijck raeckte om hals. gy hazelaers, aen 't schreien:
Gy vlieten tuight dit van der Veltgodinnen reien, 28
Als d'eige moeder 't lijck van haeren zoon omermt,
30
En over d'ongena der Goôn en starren kermt.
Geen herders drenckten, toen, ô Dafnis, hoogh van waerde,
Uw nat bekreeten lijck bedruckt stont boven d'aerde,
Hun zatte stieren in den koelen waterstroom:
Geen kudde proefde nat, noch zette, uit rouw en schroom, 34
35
Den mont eens aen het gras. ô Dafnis, woestijnyen, 35
Geberghte, en bosschen zelfs getuighden van het lyen
Des Libyaenschen leeus, om u met rou belaên:
Want Dafnis leerde ons eerst Armeensche tigers slaen
En spannen onder 't juck, voor wagen, en voor raden. 39
40
De zelve Dafnis leerde ons wijngertstock met bladen
Bevlechten, en, dien Godt ter eere, met geschrey 41
Aenvoeren op het feest den struickelenden rey. 42
Als wijngaert het geboomt, de druiven wijngert, stieren 43
De kudden, het gewas de vette landen cieren,
45
Aldus verciertge alleen uw lantsliên door uw deught. 45
Toen d'onvermurwde doot ons dus met ongeneught 46
Van u berooven quam, verliet Apol de weiden,
En Pales zelf het lant: daer wy, voor uw verscheiden,
Zoo dick met vruchtbaer graen bezaeiden vore en klont,
50
Quam niet dan stoppel, stroo, en onkruit uit den gront.
Daer eerst fioolen en tyloozen weeligh wiessen,
Quam niet dan doren op, en distel, scherp als spiessen.
O herders, overstroit den wegh met loof, en bladt:
Beschaduwt bron by bron met meien, fier en prat: 54
| | | |
53 een staetsi waerdigh. Gaet stelt hem een graf met dit grafschrift toe: Ick53 54 Dafnis hier in de bosschen, en ten hemel toe vermaert, was een herder 55 van het schoone vee, en zelf schooner dan het vee.
56 Me. O goddelijcke dichter, uw dicht bekomt ons zoo wel, gelijck de56 57 slaep in 't gras het afgeslaefde hart; gelijck een zoete en springende water-57 58 beeck, by heeten zonneschijn, het dorstige hart verquickt: en gy fluit niet58-60 59 alleen, maer zingt zoo wel als uw meester. Geluckige knaep, ghy zult nu 60 neffens hem zitten. Evenwel willen wy u wederom loven, naer ons beste 61 vermogen, en uwen Dafnis tot aen den hemel verheffen: wy willen Dafnis 62 tot aen den hemel toe loven: Dafnis beminde ons mede.
63 Mo. Kunnen wy wel iet grooters dan zulck een gave verwerven? Oock63 64 was dees knaep al prijzens waerdigh, en Stimichon prees ons al overlang64 65 die dichten aen.65
66 Me. De blancke Dafnis ziet (het geen hy ongewoon was) de poort des66 67 hemels met verwonderinge aen, en wolcken en starren onder zijn voeten67 68 drijven: weshalve bosschen en beemden, Herdersgoden en herders en 69 Boschgodinnen lustigh en vrolijck zijn. De wolf beloert geen schaep, nochte 70 men spant geene netten om harten te vangen: d'oprechte Dafnis is met70 71 vrede gedient. D'ongeschore kruinen der bergen juichen zelfs van blyschap,71 72 dat het aen den hemel klinckt: klippen en boomgaerden zelfs wedergalmen72 73 nu op dit gezangk: O Menalkas, hy is een Godt, ja een Godt. O Dafnis, 74 begenadigh en zegen uw volck. Zie daer staen vier altaren, twee voor u, en 75 twee voor Febus. Ick zal u jaerlijcks twee kannen opdragen, die van versche 76 melck schuimen, en twee bekers met vetten olijfoli: en eerst de gasten met76 77 eenen rustigen dronck wijns by den haert verheugen, zoo het winter is; des77 78 zomers, onder het groen. Ick zal Ariusischen wijn, als nieuwen nektar, in78 79 schalen schencken. Dametas en de Lyktische Egon zullen voor my opzingen:79
| | | |
55
De brave Dafnis is die staetsi dubbel waerdigh. 55
Stelt hem een graf toe, met dit grafschrift, kloeck en aerdigh: 56
Ick Dafnis, in het bosch vermaert tot 's hemels stê,
Behoede 't schoone vee, was schooner dan het vee.
Me. O goddelijck poeet, uw dicht verzacht ons smarten,
60
Bekomt, gelijck de slaep in 't gras, vermoeide harten;
Gelijck een koele bron en springaêr 't hart verquickt 61
Dat in de heete zon bykans van dorst verstickt.
Gy handelt niet alleen de fluit, een lust te hooren, 63
Maer zingt zoo lieflijck als uw meester in onze ooren.
65
O zegenrijcke knaep, ga zet u neffens hem:
Wy willen, naer ons maght u loven met ons stem, 65-66
En uwen Dafnis hoogh ja hemelhoogh doen rijzen,
Hem, die ons minde, luidt tot aen den hemel prijzen.
Mo. O kan men grooter gaef verwerven van een' vrient!
70
Dees knaep hadde oock dien lof en prijs met recht verdient:
En Stimichon heeft lang dat dicht ons aengeprezen.
Me. De blancke Dafnis ziet [het geene hy voor dezen
Niet was gewoon] de poort des blijden hemels aen,
En star, en wolcken, die beneên hem ommegaen; 74
75
Dies bosch, en beemt, en Goôn van herderen en wouden
Nu blijde en vrolijck zijn. de wolf, in toom gehouden,
Beloert geen schaep. men spant geen netten voor het hart.
d'Oprechte Dafnis mint de vrede, vry van smart:
Zelf d'ongeschore kruin der bergen, reede aen 't danssen 79
80
Van blyschap, wort gehoort tot aen des hemels transsen. 80
Zelf klip en boomgaert weckt een' weêrgalm op dien toon.
Menalck, hy is een godt, een godt op 's hemels troon. Vers 82
Nu begenadigh toch, ô Dafnis, die u eeren. 83
Daer staen vier outers, twee die wy voor u stoffeeren, 84
85
En twee voor Febus. 'k zal u jaerlijx, als een schult, 85
Twee kannen wijden, die met melck en room gevult
Noch schuimen, versch van melck, en u twee bekers schencken
Met oli van olijf, en eerst de gasten wencken, 88
En toevenze aen den haert, indien het winter is, 89
90
Met eenen verschen dronck van puickwijn, klaer en frisch;
Des zomers onder 't groen. als nieuwe neckterstraelen
Wort wijn van Chius u vereert in goude schaelen. 92
De Lyktische Egon zingt voor my en voor Dameet.
| | | |
80 Alfesibeus zal, gelijck de Saters, danssen. Aldus zullen wy u eeuwigh vieren,80 81 wanneer wy de Veltgodinnen onze beloften, naer de gewoonte, betalen,81 82 en d'ackers door offerhanden zuiveren. Zoo lang het wilde zwijn op 't ge-82 83 berghte, de visch in 't water zal leven, de honighbye den tijm, de springk-83 84 haen den dauw uitzuigen; zoo lang zal men van uwen naem en faem en lof 85 gewagen. D'ackerman zal u jaerlijcks, gelijck aen Bacchus en Ceres, zijn 86 beloften betalen; ghy hem oock aen zijn belofte verplichten.86
87 Mo. Wat, ay, wat zal ick u voor dat gezangk schencken? Want geen 88 koelte uit den zuiden, geen strant, waer tegens de baren aenslaen, nochte 89 geene beeck, die door dalen en steenrotsen heneruischt, verquicken mijn 90 hart zoo zeer.
91 Me. Eerst zal ick u deze brosse scherleipijp schencken, die ons leerde:91 92 Korydon was op den schoonen Alexis verslingert: die zelve pijp leerde 93 ons: wiens vee is dit? behoort het Melibeus toe?
94 Mo. En ghy Menalkas, aenvaert dezen herdersstaf, dien ick noit Anti- 95 genes overliet, hoe dickwils hy my badt, en al verdiende hy elcks gunst:95 96 de staf is schoon van koperen beslagh, en eenparigh van quasten.96
| | | |
Alfesibeüs danst als Saters, dat hy zweet.
95
Dus vieren wy uw feest kerckplechtigh al ons leven, 95
Als wy 't beloofde goet aen d'ackergodtheên geven, 96
En d'ackers zuiveren met heiligh offervier.
Zoo lang het wilde zwijn op 't hoogh geberghte hier,
De visch in 't water leeft, de krekel dau zal zuigen,
100
De honighby den tijm, zoo lange zal men tuigen
Van uwen naem en faem en eer, by elck gevoedt. 101
De lantman brengt u, jaer op jaer, 't beloofde goet,
Gelijck aen Bacchus, en vrou Ceres, die wy minden.
Gy zult hem oock aen zijn belofte en eedt verbinden. 104
105
Mo. Wat schenck, wat schenck ick best u voor dat schoone liet!
Want geene zuider koelte, of strant, daer 't schuim op ziedt,
En ruischt; geen beeck, die door de daelen, krom, als stricken,
Gevlochten, heene ruischt, kan zoo mijn hart verquicken. 107-8
Me. Ick schenck u dan eerst dees scherleypijp, kranck en bros. 109
110
Zy leerde ons: Koridon verslingerde te los 110
Op zijnen jongen knaep Alexis, schoon te wonder, 111
En dees scherleypijp leerde ons aertigh in 't byzonder: 112
Wiens vee is dit, behoort het Melibeüs toe?
Mo. En gy, Menalk, aenvaert dien herdersstaf in 't goe, 114
115
Dien ick Antigenes noit over woude laeten,
Hoe dickwijl hy my badt: en schoon hy, boven maeten,
Elx gunst verdiende. aenschou dien staf, zoo net en vast
Van koperen beslagh, eenpaerigh oock van quast.
|
r. 1beklagen: weeklagen over.
2by: door; zingt zijn grafschrift: wijdt hem een lijkzang.
3-4die by Dafnis Cesar.... meenen verstaen te worden (Lat. constr.): die meenen dat met D. Caesar bedoeld wordt: Oppergezaghsman: vert. van imperator; onlangs eer: niet lang voor.... (namelik in 44 v. Chr.); op het hof: in de curia, het senaatsgebouw op het Forum.
5Quintilius Varus: de Rom. bevelhebber die in het Teutoburgerwoud door de Germanen werd verslagen (9 na Chr.) en zich in wanhoop in zijn zwaard stortte.
6keurbende: legioen; neergeleit: verslagen; nemen het op: laten het slaan op.
11Salonijn: Saloninus, zie 4de Herderskout, Inhoudt.
12de vergodinge van dien zelven overleden: de apotheose van hem na zijn overlijden.
r. 18op: bij (Lat. quoniam convenimus: daar wij hier samenkwamen. Vondel heeft convenimus als praesens (met ĕ) in plaats van als perfectum (met ē) opgevat).
20ouder: de oudere, de oudste; volge: aan uw verzoek gehoor geeft.
21de westen wint: Lat. zephyrus.
22hol: grot (versta: zijn schaarse trossen over de grot heen laat hangen).
24Amyntas: een herder; tarten: wedijveren met. Vondels Lat. tekst heeft certet, de mod. edities certat.
25Versta: geen wonder, daar hij zelfs Apollo de zangprijs zou betwisten; verdooven: in luister overtreffen.
26-27Phyllis, Alcon en Codrus zijn herdersnamen; Vergilius bedoelt er waaarschijnlik geen historiese of mythiese personen mee, maar de commentatoren hebben ze er wel achter gezocht; vandaar bij Vondel het woord schutter, dat niet in de Latijnse tekst staat, maar stamt uit de commentaar van Servius; ingeleit: behaald; Kodrus krackeel, een minder juiste vert.; Lat.: jurgia Codri: een smaaldicht op Codrus.
3Op een slaen: bij elkaar passen (zie de aant. bij de proza-vertaling); op die kanten: in die buurt, op die plaats daar.
5't is reên: 't is billik.
7leven: zich bewegen, wuiven.
9in 't wilt, als nadere bepaling bij wijnranck te denken; zie de prozatekst.
11daege: mag het opnemen tegen.
12Zie de aantekening bij de prozatekst.
30schreef.... op: kerfde.... in (noteerde); en by beurte zong en tureluurde: (noteerde) terwijl ik om en om zong en floot (de Lat. tekst kan ook enigszins anders worden opgevat).
33laag: Lat. humilis = nederig.
35De meeste moderne uitg. van Verg. laten Mopsus eerst invallen bij: De Veltgodinnen, Latijn nymphae.
36-37ghy.... getuigen als tussenzin op te vatten; kost: kondt.
39-40toen ghy boven d'aerde stont: zo lang uw lijk onbegraven was (Lat. alleen: illis diebus); zatte ossen: verzadigde ossen (pastos boves); pastos is hier een epitheton zonder veel betekenis, beter weer te geven door goed verzorgd.
43Armeniaensche tigers: Bacchus zou Indië hebben bedwongen en in triomftocht op een wagen door getemde tijgers getrokken, zijn teruggekeerd; Daphnis was een tweede Bacchus (zie ook r. 44-45), hij voerde bij de landlieden de eredienst van B. in.
45bedoeld is de thyrsus, een Bacchusstaf, een der gewone attributen bij Bacchusfeesten.
47zoo verciert ghy..., versta: zo zijt (waart) gij het enig sieraad (al het sieraad) van de uwen.
48Pales: een herdersgodin; zoals Apollo als herdersgod werd vereerd.
49Daer: waar; goet koren (Lat. hordea grandia: dikke gerstekorrels); quam niet.... op; volgens de Lat. bron: groeit nu onvruchtbare dolik (lolium) en wilde haver).
50... roode tyloozen...: Lat. (pro) purpureo narcisso.
51wiessen, versta wassen (surgit).
52.... met loof: om Daphnis te eren ( loof misschien op te vatten als: bloemen en blâren); mei: bebladerde tak of boom; in 't Westvlaams ook benaming voor de berk, zie Ndl. Wdb. i.v. mei, kol. 453-54 (Lat.: inducite fontibus umbras: belommert de bronnen, vergelijk Negende Herderskout, regel 26).
17oort: vroeger gewoonlik manl.
20gewente: gewoonte (zie verder de aant. bij de prozatekst).
23laegh levender: de nederige lavendel.
28Versta: gij, vlieten kunt dit getuigen (bevestigen) van de in (droevige) rei dansende nimfen.
34rouw en schroom: eerbiedige droefheid.
35woestijny, ongewone contaminatievorm van woestijn en woestenij.
39wagen, en.... raden: wagen (hendiadys).
41dien Godt: Bacchus (hier niet genoemd, maar min of meer aangeduid in de in vs. 40 beschreven thyrsus); geschrey: luide kreten.
42struickelend: in Bacchantiese opgewondenheid dansend.
45alleen: zie de aant. bij de prozavert.
46met ongeneught: tot onze droefheid.
54fier en prat (synoniemen): fris en welig.
53stelt... toe: maak, richt op.
57het afgeslaefde hart: de vermoeide mens (fessis).
58-60en ghy fluit.... uw meester: en gij evenaart uw meester Daphnis niet alleen op de fluit, maar...; ghy zult nu neffens hem zitten ( tu nunc eris alter ab illo = gij zult nu de eerste zijn na hem, nl. Daphnis); loven staat niet in de Latijnse tekst; versta: niettemin wil ik, naar mijn beste vermogen, op mijn beurt u mijn lied zingen.
63zulck een gave: nl. het door Menalkas beloofde lied.
64dees knaep: Daphnis; al: volkomen, in alle opzichten.
65die dichten: uw lofzangen ( Stimichon wordt overigens niet door Verg. genoemd).
66blanck: blinkend wit ( candidus, epitheton van goden en vergode mensen).
het geen hy ongewoon was: de poort (die hij nooit te voren zag).
67verwonderinge: bewonderende verbazing.
70harten: herten; oprecht: rechtschapen, braaf.
71gedient zijn met: houden van; vgl. Vierde Herderskout; ook deze regels doen denken aan het gulden tijdvak; ongeschore: (dus) met bossen bedekt.
72dat.... klinckt: dat het tegen de hemel weerkaatst.
76eerst, Latijn in primis: vooral.
78Ariusisch: van het voorgebergte Ariusium, aan de Noordkust van 't eiland Chios; in deze en de voorafgaande regels zegt Men., hoe hij Daphnis op zijn feesten zal eren en vieren met wijn.
79in schalen schencken, versta: uit schalen plengen; Dametas wordt ook in de voorafg. Eclogae (II en III) genoemd; Lyktisch, van Lyctos, een stad op Creta.
55staetsi: plechtig eerbetoon; luisterrijke uitvaart.
56kloeck en aerdigh: zinrijk en gepast.
61springaêr (springader): watersprank.
63handelt: hanteert, bespeelt.
65-66Zie de aant. bij de prozatekst.
74ommegaen: hun gang aan de hemel voltrekken.
80wort gehoort; versta: hun blijdschap, hun blijde vreugde wordt gehoord.
Vers 82vermeldt de weergalm, de echo, die door rotsen en boomgaarden weerkaatst wordt.
83begenadighen: zijn zegeningen uitstorten.
84stoffeeren: van offergaven voorzien.
85als een schult: als vrome plicht, plichtmatig.
88eerst: zie de aant. bij de prozatekst; wencken: vriendelik uitnodigen, opwekken te komen.
92Chius: 't eiland Chios.
TEKSTKRITIEK: In de uitgave van 1659 is springkhaen, r. 83, veranderd in krekel (vgl. de aant. bij r. 83).
80Alphesibaeus: zo heet ook een der zangers uit de VIIIste Ecl.; de Saters: mythologiese wezens met horens en bokspoten, behoren tot Bacchus' stoet; eeuwigh: tot in eeuwigheid.
81naer de gewoonte: op de jaarlikse feesten, hier: op het elk jaar gevierde oogstfeest; betalen: vervullen.
82(en wanneer wij) d'ackers door offerhanden zuiveren, cum lustrabimus agros = wanneer wij om onze akkers de omgang houden, het feest der Ambarvalia (zie Derde Herderskout, r. 79).
83de springkhaen, Lat. cicadae: de krekels; zie de vertaling in verzen; volgens de dichters leefden de krekels van dauw.
86verplichten: verbinden (namelik door zijn gebeden te verhoren).
91Eerst: vóórdat gij mij iets geeft.
scherleipijp: fluit van pijpkruid; leerde: de melodie ingaf (voor de liederen die volgen, zie Ecl. II en III).
96eenparigh van quasten: met knoesten op gelijke afstand.
95kerckplichtigh: met de vereiste godsdienstige plechtigheid.
96't beloofde goet: de beloofde offers; zie de aantekening bij de prozatekst.
101by elck gevoedt: door ieder in ere gehouden, aangekweekt
104hem: de landman; zie de aant. bij de prozatekst.
107-8krom, als stricken, gevlochten: kronkelend als linten.
111schoon te wonder: verwonderlik schoon.
114aenvaert.... in 't goe: wees zo goed.... aan te nemen.
|
|