De werken van Vondel. Deel 10. 1663-1674


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1937  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 29]

Vondels werken
Tiende deel

[p. 31]

J.V. Vondels
Faeton Of Reuckeloze Stoutheit.
Treurspel.aant.*

PRIMITIAE JUVENIS MISERAE.

 

t'AMSTERDAM,

Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't nieuwe Testament. 1663.



illustratie

[p. 32]

FAËTON

BEWERKT DOOR DR. H.W.E. MOLLER

 

FAËTON wordt hier afgedrukt volgens de eerste uitgave: t'Amsterdam. Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't nieuwe Testament. 1663. Vignet Putje. (Unger. Bibliographie van Vondels werken, nr. 666.)

Het titelblad hiervoor is gezet zoals in de oorspronkelike uitgave.

[p. 33]

Aen De tooneelbegunstigers.

1 Janus Dousa, Huigh de Groot, Peter Schrijver, Peter Bokenbergh,1 2 Bernart Furmer, Ubbo Emming, en alle edele vernuften, die den oir-2 3 sprong van de Nederlanden en de kentekens der geslete oudtheit op- 4 spoorden, getuigen hoe de heilige Willebrort in deze landen, met de 5 fackel van zijne leeringe, aen de zon der waerheit ontsteecken, den 6 nacht der Heidensche afgoderye verdreef, en den verduisterden harten 7 met het hemelsche licht toelichte, verlichte en Christende. Niemant 8 zal hierom dencken dat ick, met Faëton ten treurtooneele te voeren, 9 het Heidendom weder wil invoeren, neen geensins; maer alleen, tot 10 verbeteringe der zeden, tooneelwijs ontvouwen deze schoone fabel, by10 11 Ovidius heldendichtswijs, overheerlijck en leerlijck, inzonderheit ten11 12 spiegel van reuckelooze stouten, uitgebreit. De melckachtige tong van12 13 den heiligen Lactantius, de zielen, niet door den Heidenschen melck-1313-14 14 wegh naer Jupijns hof, maer door Christus Jesus, den wegh des 15 heils, naer het beloofde vaderlant, daer honigh en melck vloeit, en het 16 palais van Godt den vader wijzende, zeght: Dichters verzierden16

[p. 34]

17 geene geschiedenissen, maer overbloemden de geschiedenissen met17 18 eene zekere verwe: naerdien een dichters ampt hier in vereischt 19 waerachtige geschiedenissen, in eene andere gedaente van ter zijde,19 20 met eenigh voeghelijck cieraet over te voeren: want d'oude fabelen20 21 der Egyptenaren en Griecken begrijpen in zich de kennis der geschie- 22 denissen, natuure, en zeden, welcke dryderhande kennis, onder het22 23 overkunstigh tapijtwerck van Faëtons fabel, d'allerheerlijckste van 24 Nazoos herscheppinge, gebloemt en overschaduwt wort, om, gelijck24 25 Horatius zeght, het oirbaer met den honigh van vermaeckelijckheit25 26 liefelijck te mengen, te maetigen, en ruwe en onbesleepe zinnen te scha-26 27 ven en te wetten. My gedenckt dat van wijlen de doorgeleerde heer27 28 Vossius tegens my zeide: Indien mijne pen Ovidius Herscheppinge28 29 op het papier ontvoude, het zoude blijcken dat noit geleerder boeck 30 dan Ovidius Herscheppinge aen den dagh quam. Het kan hierom 31 niet ongerijmt schijnen, dat my luste treurtooneelwijs te bespiegelen dit31 32 voorbeelt van Faëton, waerin de bovengemelde dryderhande kennis 33 uitschijnt. Aldus houden de historikundigen dat Faëton een zeker 34 konings zoon was, die, te wagen langs Padus oever, den stroom der34 35 Celten, rydende, in dien stroom quam te storten, en van zijne zusteren 36 zoo jammerlijck beklaeght wert, datze, verstockt en stom van rouwe36 37 zittende, in popelierboomen scheenen te veranderen. Plutarchus zeght37 38 in Pyrrus, dat d'eerste koning der Thesproten en Molossen, na den38 39 weereltvloet, Faëton hiet, by Luciaen, in zyn gespreck van het starre-39 40 kijcken, hierom den zoon der zonne geacht, wien de zonnewagen wert40 41 toegestaen, naerdien hy d'eerste van allen, den loop der zonne naer- 42 spoorde. Natuurkundigen zeggen, dat Faëton de zoon van de Zonne en

[p. 35]

43 Klymene genoemt wort, naerdien hy, volgens zijnen naem in het Griex,43 44 brant en hitte betekent, die uit de zonne spruit. Klymene bediet het wa-44 45 ter. Wanneer nu de Zon de dampen ontsteeckt, dan openbaert zich de 46 hitte, omtrent den herfst bykans onverdraeghzaem, en die, na het uit-46 47 bersten van blixem en donder, door den slaghregen verkoelt: waerom 48 gezeght wort, dat Jupiter Faëton uit den wagen klonck. Staetkondigen48 49 en zedevormers leeraeren door Faëtons fabel, dat de heerschappy van49 50 hooge staeten alleen aen wijzen en voorzichtigen, en niet aen wulpen50 51 en onbeslepene harssens, te betrouwen staet: naerdien aen het wel en51 52 qualijck regeeren het heil en onheil des volx hangt. De goddelijcke 53 Plato moght hierom met recht zeggen: Wy zullen de moeders en 54 voesters vermaenen den jongen knaepen uitgeleze fabelen te ver- 55 tellen, en hunne gemoeden naerstiger met Fabelen dan met handen 56 te fatsoeneeren. Wat nu deze de tooneelwijze belangt, dit treurspel is 57 niet eenvoudigh en doorgaens eenen zelven toon van droefheit houdende,57 58 maer ingewickelt, dat is ongelijck van toon. Blyschap en droefheit58 59 steecken op elckandere af. De hartstoghten liefde en gramschap, hoop 60 en wanhoop, woelen en barnen heftigh door d'onderlinge bloetverwant- 61 schap van ouderen en kinderen, den noot by hemel aerde en zee geleden,61 62 en den schrickelijcken overgangk van geluck in ongeluck, maghtigh onver-62 63 zetbaere gemoeden schrick en medoogen in te boezemen. Het zoude my 64 lusten dit breeder t'ontvouwen, maer de schouburgh schuift de gordynen 65 open, en Klymene met haere kinderen, voor Febus hof, te voorschijn ko-65 66 mende, gebietme te zwijgen, en aendachtigh toe te luisteren.

[p. 36]

Inhoudt.

1 Faëton, Febus en Klymenes zoon, van oom Epafus, Jupijns en Isis zoon, geterght1 2 en beschimpt, over d'onkunde aen zijnen vader, hem van Klymene (zoo de schimper2 3 uitstroide) toegeleght; bidt de moeder datze hem toch zijnen rechten vader toone, het 4 welck zy belooft. Hier op trecktze met den zoone en haere dry dochteren, Faetuze,4 5 Lampetie, en Febe, uit Ethiopie door Oostindie, naer Febus hof en den opgangk der5 6 zonne, daer Febus haer en de kinders wellekomt, Faëton verzekert dat hy zijn eygen vader 7 is, en, tot een onderpant van dien, met eenen hoogen eedt zweert den zoon te schencken7 8 wat hy op zynen vader zal begeeren. Faëton eischt reuckeloos den zonnewagen eenen8 9 dagh te mogen regeeren, het welck Febus hem ongaerne, doch door den hoogen eedt 10 verbonden, ten leste inwillight. Faëton stijght hier op vrolijck te wagen, ruckt voort, 11 en, onbedreven in het mennen der zonnepaerden, verbystert, mist de rechte heirbaen, 12 en helpt de paerden, ten bederve der weerelt, aen 't hollen. Jupiter wert hierom van 13 Juno en den Hemelraet gedwongen dien brant te blusschen, en treft den reuckeloozen13 14 wagenaer, dat hy in den Padus [sedert den Eridaen naer hem genoemt] nederplompt,14 15 daer de moeder en gezusters met Cycnus, het begraven lijck beklagen, en Klymene15-16 16 haere dochters in popelierboomen, Cycnus in eene zwaen ziet veranderen. Febus, in 17 zijnen rouwe van de Goden beklaegt, en treurigh, laet zich endelijck troosten, en gaet 18 heene, om den gerabraeckten zonnewagen te herstellen, en weder te regeeren.

19 Het treurtooneel is Febus hof. Het treurspel begint met den opgangk, en endight 20 met den ondergangk, en de lijckstaetsie van Faëton.

[p. 37]

De treurspeelders.

KLYMENE, Faëtons moeder.+

FAËTON, Febus en Klymenes zoon.

ZONNELINGEN. Febus en Klymenes Dochters.+

REY van UUREN.+

FEBUS.

JUNO.+

DE HEMELRAET.+

DE FAEM.+

JUPITER.