|
|
|
| |
XLVI. Verhouding van dicht- en schilderkunst.
Den 20sten October 1653 werd er op den St.-Jorisdoelen te
Amsterdam een merkwaardige maaltijd gehouden door ‘schilders, poëten
en liefhebbers der zelf der konsten’, ter viering van ‘de
vereenigingh van Apelles en Apollo’
1).
In eene zaal die door Cor- | | | | nelis Brizé, schilder van
stillevens en schijnbedriegers en kastelein van den Schouwburg, met festoenen
versierd was, werd daar toen
Joost van Vondel begroet door Apollo, die hem
als zijn grooten zoon den lauwerkrans op de slapen drukte, en toen de grijze
dichter daar ‘de wellekomstfluyt in drie teugen’ had uitgedronken,
werd daarmee het huwelijk van dicht- en schilderkunst beschouwd als voorgoed
gesloten te zijn. De karmozijnverver Thomas Asselijn, die later zulk
eene rol van beteekenis als tooneeldichter zou spelen, maar nu eerst in zijne
opkomst was, had de berijmde toespraken gemaakt, die daar werden uitgesproken
met een gezang en een sonnet ter eere van Vondel en gedichtjes op de
vier daar opgehangen festoenen.
In dien schilderkring paste Vondel volkomen, want toen hij
in de volgende maand ‘aen de kunstgenooten van Sint Lukas t'
Amsterdam’ als tegenbeleefdheid zijne prozavertaling van
Horatius' Lierzangen en Dichtkunst opdroeg, die hij
reeds ‘eenige jaren voor tydverdryf en oefeninge’ met hulp van
Mostart en Victoryn had gemaakt, sprak hij het nog eens duidelijk uit, hoe nauw
hij zich als dichter aan de schilders verwant gevoelde. ‘Van
Plutarchus’, zeide hij, en eigenlijk had hij ‘van Simonides’
moeten zeggen, ‘heeft elck nu in den mont, dat schildery stomme
Poëzy, de Poëzy spreeckende schildery is: want de Schilder beelt
zijne gedachten met streken en verwen, de Dichter zijne bespiegelingen met
woorden uit, en hare muzijk zweeft, met hooge, middelbare en lage, droeve en
blijde, statige en dertele klancken op de pennen des Dichters, en volght scherp
met hare galmen zijnen geest en vernuftige vonden, de ziel der
zangkunste’.
Als tooneeldichter vooral was hij zich zijne nauwe betrekking tot de
schilders bewust, niet alleen omdat hunne hulp hem, en anderen tooneeldichters
met hem, zoozeer te stade kwam bij het invoegen van levende, maar ook dikwijls
geschilderde, vertooningen in hunne stukken, maar ook omdat hij er steeds op
uit was met woorden te schilderen, wat zij met kleuren op het paneel tooverden.
Van een tooneel uit zijn treurspel ‘Gebroeders’ stelde hij zich
voor, hoe het zich zou voordoen, als het door Rubens op doek gebracht was, en
zoo schreef hij dan in de opdracht van dat stuk: ‘hier word ick belust,
om door Rubens, de glori der penseelen onzer eeuwe, een heerlijck en
koningklijck tafereel als een treurtooneel te stoffeeren. Hij valt aen het
teeckenen, ordineeren en schilderen, | | | | nocht zijn wackere geest rust
eer het werkstuck voltoit zy. David zit 'er zwaermoedigh op den hoogen troon.
Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge, dorre en dorstige
landouw quijnen. Boven in 't gewelf van 't prachtige marmeren en cederen hof
zwieren zommige Engelkens, die, naer de gewoone zinrijckheid des
allervernuftighsten Schilders, elck om strijd bezigh zijn, om net uit te
beelden, 't geen ter zaecke dient. 't Een schijnt het vonnis der Gebroederen
uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander geeft met een geslote
waterspuit te kennen dat de hemel gesloten zy’, en zoo gaat hij voort met
allerlei andere zinnebeeldige engeltjes te teekenen, om dan aldus te vervolgen:
‘Sauls verweze nakomelingen staen voor den rechterstoel en zien zeer
deerlijck.... terwijl de Gabaoners met wraeckgierige en gloeiende aengezichten,
aen d'eene zijde, op hun recht dringen, en aen d'andre zijde hem benaeuwen het
misbaer en de traenen der allerbedruckste Michol; waernevens de stockoude
weduwe, al bevende met de rechte hand op haer stoxken en met de slincke op de
rechte schouder van hare kamenier leunende, met een lachende aenschijn meld,
dat ze, van rouwe aen 't mijmeren geslaegen, niet weet wat ze zeit’. Om
zoo nauwkeurig een denkbeeldig schilderstuk van
Rubens met woorden te kunnen afmalen, moet
Vondel wel goed in het karakter van Rubens' kunst zijn
doorgedrongen.
Meer dan eens ook heeft het zien van eene schilderij
Vondel, naar zijne eigene verklaring, tot het
dichten van een treurspel opgewekt. In de opdracht van den ‘Joseph
in Dothan’ zeide hij: ‘Josephs verkoopinge schoot ons in
den zin door het tafereel van Jan Pinas, hangende, neffens meer kunstige
stucken van Peter Lastman, ten huise van den hooghgeleerden en ervaren Dokter
Robbert Verhoeven, daer de bloedige rock den vader vertoont wordt, gelijck wy
in 't sluiten van dit werck ten naesten by met woorden des schilders verwen,
teeckeningen en hartstoghten pooghden na te volgen’; en ‘toen hy
den opstant tegens de Romainen en de doorluchtige daeden der Batavieren in de
kunstige printen van [A.] Tempeest (door Otto Vaenius gegraveerd, 1611-12)
bespiegelde en onder andere afbeeldingen den Romainschen stadthouder op den
stoel zagh zitten, daer Julius Paulus in zyn bloet geverft lagh, en Nicolaes
Burgerhart geketent naer Rome gevoert wiert, ontvonckte hem een yver om
levendigh te ververschen den treurhandel der [Batavische] Gebroeders’,
zooals hij dan ook in 1663 deed. | | | |
Reeds een jaar nadat de schilders hem op hun St.-Lucasfeest hadden
bekranst, had hij gelegenheid, hun een kort lied toe te zingen ter
‘Inwydinge der Schilderkunste’, de ‘tiende Zang-godin’,
die hij ‘met d'andre negen Parnas-godinnen’ te gemoet trad, om op
zijne beurt haar de kroon toe te reiken, want toen werd er door de schilders
opnieuw feest gevierd.
In verschillende groote steden van ons land waren de schilders in
een St.-Lucasgild vereenigd, waar zij, naar hunne gezellige natuur, eene bent
vormden en school maakten, zoodat men bv. bij ons van eene Haarlemsche, eene
Leidsche, eene Delftsch-Rotterdamsche, eene Dordsche school kan spreken. Te
Utrecht werd reeds in 1611 een afzonderlijk schilderscollege
gesticht; maar bij de ouderwetsche inrichting der gilden werd de schilderkunst
elders nog lang als een ambacht beschouwd: de kunstschilder werd er niet
onderscheiden van den huisschilder en niet alleen met den beeldhouwer, maar ook
met den glazenmaker (die oudtijds trouwens ook glasschilderijen vervaardigde)
en den blauwverver, en niet zelden ook met den boekbinder en boekdrukker
(zooals te Amsterdam nog tot 1662 toe) onder het patronaat van St. Lucas in
één gildeverband gebracht. Dat nu begon den schilders, voor wie
de kunst wat hoogers dan ambacht was, te verdrieten en zij wenschten zich
overal omstreeks het midden der zeventiende eeuw tot afzonderlijke
broederschappen te vereenigen, waartoe zij ook wel aansluiting bij de
beoefenaars van andere kunsten zochten. Zoo was in 1642 te
Dordrecht eene broederschap van schilders gesticht en zou in 1656
te 's-Gravenhage het genootschap Pictura, in 1668 te
Antwerpen de Kunstacademie verrijzen.
Iets dergelijks nu beproefden, onder bescherming van den
burgemeester Joan Huydecoper van Maarseveen, ook te Amsterdam een viertal
kunstvrienden en schilders, Marten Kretser, B. van der Elst, Nicolaes van Helt
Stocade en J. Meurs. Zij stichtten eene ‘broederschap der
Schilderkunst’ en vierden die stichting 21 October 1654 met eene
allegorische voorstelling van Pallas, Apollo en Merkurius, weder door
Thomas Asselijn gedicht. Niet onverdienstelijk wordt in deze
samenspraak de schitterende bloei van Amsterdam beschreven, waar alles getuigt
van weelde en welvaart, en waar ‘de Konst-godin, die door haar verwen
geen van alle konsten wyckt, aan haar wydt-beroemde penceel de bouw- en | | | | beeld-konst paart en ook de heilge Poëzy’, zoodat men nu
wèl reden heeft om voor deze zusterkunsten ‘een vaste bandt van
eeuw'ge maagschappy’ te maken en ‘jaarelyks haar jaargety’ te
vieren.
De ziel dezer broederschap was blijkbaar de kunstbeschermer Marten
Kretser
1), die ook drie jaar lang schouwburgregent is
geweest. Hij had, als ‘Minnaer van de konst, Mecenas van doorluchte
geesten’, een schilderijenkabinet bijeengebracht, waarin de beste
Hollandsche en Vlaamsche, en ook Italiaansche, meesters vertegenwoordigd waren
en dat wij vrij goed kunnen leeren kennen uit een uitvoerig gedicht, waarin
Lambert van den Bos in 1650 dit
‘Konstkabinet van Marten Kretzer’ beschreef. Tot
zijne kunstschatten behoorde o.a. ook eene ‘Ste Marie Magdalene door
Titiaen geschildert’, waarop
Vondel een gedicht maakte. Dat inderdaad Kretser
tot het oprichten van deze broederschap den stoot had gegeven en dat daarmee
ook een verbond van dicht- en schilderkunst bedoeld werd, blijkt duidelijk uit
een uitvoerig dichtwerk van
Jan Vos, getiteld ‘Strydt tusschen
de Doodt en Natuur of Zeege der Schilderkunst’, waarin op het
eind deze merkwaardige verzen voorkomen, bij wijze van eene voorspelling in het
verleden: zoodra Amsterdam
‘De gaffel zwaaien zal van alle zeen,
Zal 't grimmelen van Schilders en Poëeten:
Deez' zullen in dit hooft der watersteen
Een broederschap, door Kretsers raadt, oprechten
Om u op 't jaargety ten dienst te staan.
Briezé zal, tot sieraadt, festonnen vlechten
Van speel- en bou- en wapentuigh, en blaan
Van lauwren offeren op uw altaaren.
Zoo wordt uw Faam behoedt voor ondergang.
Apollo zal hier met Apelles paaren,
De Dichtkunst met haar dochter Maatgezang.
Hier ziet men Rembrandt, Flink, de Wit, Stokade,
Daar Van der Helst, de Koningen, Quillien,
Van Loo, Verhulst, Savooy, Van Zijl, wiens daade'
In 't kleen zoo groot zijn, dat de Doodt moet vlien.
Men ziet 'er Bronkhorst, Kalf en Bol uitmunten,
En Graat en Blom, en die penseel en plet
Veel waarder schatten dan de heldre punten
Van dierbaar diamant in goudt gezet.’
Men ziet hier meteen, wie destijds in
Amsterdam voor de eerste schilders doorgingen of, zooals
Quellinus en Verhulst, toen ge- | | | | vierde beeldhouwers waren; en men
vindt hier Rembrandt in de allereerste plaats genoemd. Vos heeft, als verver en
glazenmaker van beroep, zeker op den naam van schilder geene aanspraak gemaakt
en was dus niet schilder en dichter te gelijk, zooals er vroeger zoovelen
geweest waren. In dezen tijd neemt hun aantal wel af, maar toch kennen wij als
zoodanig nog
Heinrick Bloemaert
1),
Samuel van Hoogstraten
2),
Joost van Geel
3),
Gerbrandt van den Eeckhout
4),
Willem Schellinks
5),
Pieter Verhoek, den ‘geestrycken
Poëet en Schilder’
Pieter des Ruelles
6), op wiens ‘ontydigen
Doodt’ (1658) een lang gedicht werd gemaakt door
Frederik Verloo, den Kamper burgemeester
Bernhard Vollenhove
7) (broeder
van den predikant
Johannes), die tevens schilder was en als
dichter o.a. in 1661 een treurspel ‘De broedermoord te
Tranziane’ (dramatiseering van een Indisch verhaal) dichtte, en
eindelijk
Hieronymus Sweerts en diens gelijknamigen, in
1629 geboren zoon, die geen schilder was, maar boekdrukker te Amsterdam en voor
wien, zooals zijn vriend Schellincks zeide, ‘Minerva zijn vaders
konstpenseel tot een pen versneed’. Van hem gaf zijn zoon Cornelis (ook
dichter als hij) in 1697, even na zijn dood, ‘Alle
Gedichten’ te Amsterdam uit
8). Het vermakelijk werk, dat ook
tegenwoordig nog van hem bekend bleef, is zijne verzameling
Koddige en ernstige opschriften op luyffens, wagens,
enz.’, Amst. by Jeroen Jeroensen (zooals hij zijn naam in 't
Nederlandsch schreef), 1698 IV dln. (ook 1731-32 en 1846). Dat de Zeeuwsche
schilder en etser
Philip
| | | |
Angel
1) volgens een zijner lofdichters
‘met sang als met pinseelen wist te schilderen en de herten te
stelen’, kunnen wij alleen op gezag van dien lofdichter aannemen, maar
toch verdient wel even vermeld te worden, dat wij van hem een niet onaardig
prozawerkje bezitten, getiteld
Lof der Schilder-konst (Leyden 1642); door hem
bij het St.-Lucasfeest (18 Oct.) 1641 op eene bijeenkomst van het Leidsche
schildersgild voorgedragen.
Ook zij versterkten den band, die dichters en schilders aan elkaar
verbond, en Kretser's broederschap zou ook een hopeloos ondernemen geweest
zijn, indien niet reeds sinds lang schilders en dichters met elkaar in
vriendschapsbetrekking hadden gestaan. Doch niet alleen bij de dichters, ook
over het algemeen in de zeventiende eeuw vonden onze schilders groote
waardeering. Hunne tijdgenooten zagen het evengoed in, als wij, dat ook zij hun
tijd tot eene gouden eeuw hebben gemaakt. Ook bij onze beste dichters vloeit
het daarom over van lof op hunne werken, al maakte persoonlijke bekendheid eene
bijna goddelijke vereering, als sommige schilders bij het nageslacht gevonden
hebben, natuurlijk onmogelijk, terwijl het van den anderen kant dikwijls meer
vriendschap dan vereering was, die hun een lofdicht deed schrijven.
Zoo bv. toonde
Geeraardt Brandt voor het keurig portret van
Susanna van Baerle, waarop ook Vondel een dichterlijk bijschrift
schreef, zijn dank aan den schilder Geeraerdt Pietersz. van Syl door hem in
1651 de door hem bijeengebrachte ‘Verscheyde Nederduytsche
Gedichten’ op te dragen, met een brief ter inleiding, waarin hij
o.a. schreef: ‘De Poësy, die sulck een groote gemeenschap met Uw
schilderkunst heeft, dat d'eene dikwils met woorden schildert en d'ander met
verwen spreekt, geeft my nu gelegentheyt om uw E. gedichten voor schildery en
woorden voor verwen aen te bieden’.
Een gedicht van Brandt ‘Op d'afbeelding van
Rozemond door den beroemden schilder G. Flink’ verheerlijkte een
tweede portret zijner Susanna. ‘Hier ging’, schreef de dichter van
Govert Flinck, ‘hier ging zyn kunst zo ver die reiken kon, en geen Apel
noch groote Titiaan heeft grooter kracht met zyn penseel gedaan.’ | | | | Het portret van Brandt zelf werd eerst geteekend door Jan
Lievens: een portret waarop hij het bekende bijschrift maakte: ‘Wiens
schaduw viel hier neer, wat meent gy, dat ge ziet? Ay, vraag het Brandt niet,
want hy kent zich zelf nog niet’. Daarna, toen hij predikant te Amsterdam
was geworden en ‘aan 't Y te lichten poogde,’ werd het door Michiel
van Musscher geschilderd. Eene kopergravure van Pieter van Gunst naar dat
portret versiert het derde deel zijner ‘Historie der
Reformatie’ (1704) en ook de volledige uitgave zijner
‘Poëzy’ van 1725.
Een vijfde met
Brandt bevriende schilder was Adriaen Backer,
voor wien hij een bruiloftsdicht maakte, toen hij in 1669 met Eliza Colyn in
het huwelijk trad. Hij prees hem daarin om ‘het voeglyk t' zamen voegen
van beelden, zodat het keurigste oog genoegen moest scheppen uit de schikking
van zyn geest’, en vooral legde hij er nadruk op, dat de schilder dat
geleerd had ‘te Rome, 't school der grootste kunstenaren, daer zich de
kunst vertoont op doek en muur, metaal en steen’, en waar men, zich
vermeiende ‘in eenen beemt van Rafelsche taaffreelen, de kunstige
natuur’ leerde volgen. Brandt's vriendschap tot Adriaen Backer
gaf hem in 't zelfde jaar ook nog twee korte lofdichten in de pen: op een
portret, dat hij van den predikant der Remonstranten Barth. Praevostius had
geschilderd, en op een historiestuk van hem, voorstellende ‘'t Gerecht
van Hertog Karel van Borgonje’. Ook bij
Jan Vos treffen wij eenige gedichten op
schilderwerken van Backer aan, zooals op twee portretten van een echtpaar, dat
zich (zonderling genoeg!) als Jason en Medea had laten afbeelden, op een
‘Sint Jan den Dooper’ en op ‘Een slaepende Harderin, die van
Chimon gezien wordt’, in bezit van Abraham van Bassen en
zóó mooi, dat zij ‘niet door 't groot penseel, maar door
Natuur geschaapen’ scheen om, zelfs slapende, den aanschouwer in liefde
te doen ontgloeien.
De rijken en aanzienlijken onder onze dichters konden tegelijk ook
als Maecenas optreden. Zoo b.v.
Jacob Westerbaen, van wien wij reeds opgemerkt
hebben, dat hij op Ockenburg eene geheele portrettengalerij bezat:
‘een opperlyst van menschen sonder handen en sonder onderlyf’,
zooals hij zegt: ‘kunst van Miereveld en Ravesteyn den Ouwen’. Dat
Michiel van Miereveld in zijn tijd, d.i. tot zijn sterfjaar 1641, de meest
gevierde portretschilder was, is bekend. Reeds vermeldden wij, dat hij in
1629 | | | | het eerste en beste portret van
Hooft schilderde; van
Hugo de Groot maakte hij in 1631 een portret en
van
Cats twee portretten (beide nu in het
Rijksmuseum), het eerste (ook door Willem Delff in koper gesneden) in 1634, het
tweede in 1639. Het portret, dat ons Cats in 1655 voorstelt en de
uitgaaf zijner werken van dat jaar versiert, is naar Adriaen van de Venne door
M. Mosyn gegraveerd. Nog werd er van Cats een portret geschilderd door
Jan Antonisz. van Ravesteyn, dien wij zoo even naast Miereveld als vermaard
portretschilder van dien tijd vermeld zagen, en die als zoodanig ook genoemd
wordt door Huygens, als deze van een kladschilderij zegt, dat het
‘van Mierevelds pinceel niet, noch van Ravesteins palett’ is.
Toch maakte
Huygens tusschen beiden wel onderscheid en
stelde hij van beiden Miereveld verreweg het hoogst. Deze had dan ook in 1624
zijn portret geschilderd, dat, door Willem Delff in koper gesneden, zijne
‘Ledige Uren’ versiert. Weinige jaren later
schilderde Jan Lievens hem, en in 1632 Anthonie van Dyck. In 1657 teekende zijn
zoon Christiaan zijn portret, dat, gegraveerd door Cornelis de Visscher, met
zijne ‘Korenbloemen’ uitkwam, terwijl eene gravure
van Abraham Blooteling gedaan werd naar een portret, dat zijn vriend Caspar
Netscher in 1672 van hem schilderde en dat nu in het Rijksmuseum te zien is.
Vandaar misschien ook, dat Huygens op Netscher in 1684 niet minder dan
acht Latijnsche en Nederlandsche grafschriften gemaakt heeft.
Bijzonder was Huygens ook ingenomen met den
‘uytnemenden bloemschilder Daniël Seghers’, die zelfs met een
portret van Willem III (nu in het Mauritshuis), naar zijne gewoonte in een
festoen van rozen en oranjebloesem, zijn schoorsteen versierde. Hij heeft dan
ook meer dan één Latijnsch of Nederlandsch gedicht tot hem
gericht, zooals ook Jan Vos deed, en Vondel, die hem een bij
noemde, ‘honiglekkerny en geur uit allerhande bloemen zuighend’,
maar bovendien in hem gewaardeerd zal hebben, dat ook hij tot de bekeerlingen
der Katholieke kerk behoorde.
Huygens
1)
zelf ook was in de kunst niet geheel onervaren, zooals het oudste portret
bewijst dat wij van hem bezitten, in 1622 door hem zelf geteekend. In 1611 had
hij gedurende drie maanden teekenles gekregen van Hendrick Hondius, terwijl
zijn | | | | bloedverwant Jacob Hoefnagel hem met waterverf leerde
schilderen en zijn vriend Brosterhuysen hem bij het etsen behulpzaam
was. Vreemd is het daarom ook niet, dat Frederik Hendrik, toen hij zijne
jachthuizen te Honselaarsdijk en Rijswijk met schilderwerk (meest
familieportretten) versieren liet, en later Amalia van Solms, toen zij de
Oranjezaal of het Huis-ten-Bosch door Jacob van Campen liet bouwen en tot een
kunsttempel en mausoleum voor haar overleden echtgenoot maakte, daarbij aan
Huygens opdroegen, met de schilders in briefwisseling te treden. Zoo
bezitten wij dan ook nog b.v. zijne correspondentie met Rembrandt en Geeraerdt
van Honthorst, en ook met Vlaamsche schilders, zooals Rubens, Jordaens,
Gonzales Coques en Adriaen van Utrecht.
Vlamingen hebben daarom ook vooral een groot aandeel gehad aan de
versiering van de Oranjezaal, en wel Jacob Jordaens in 't bijzonder, wiens
kolossale allegorie van Frederik Hendrik's roemrijke daden er het veelbewonderd
meesterstuk is. Ook elders in ons land stond Jordaens (trouwens naast Rubens,
Van Dyck en Theodoor van Thulden) in hoog aanzien om het forsche realisme, dat
al zijne werken, zelfs zijne allegorieën, voor den zeventiende-eeuwer zoo
aantrekkelijk maakte, en misschien ten deele ook, omdat hij aan zijn kunstroem
het voorrecht dankte, als protestant te Antwerpen te mogen blijven wonen en
werken. Ook voor het Amsterdamsch stadhuis heeft Jordaens in 1661 vier
schilderstukken geleverd. Hij werd daartoe vooral uitgenoodigd, omdat hij,
evenals de meeste Vlamingen, zich meer dan de Hollandsche schilders op
decoratieve kunst had toegelegd. Op twee van deze schilderijen, die tafereelen
uit den Bataafschen opstand voorstellen, heeft
Jan Vos een bijschrift gemaakt, evenals op het
derde, dat Simson als Filistijnendooder te zien geeft; doch het vierde, waarop
het gevecht van David en Goliath is afgebeeld, schijnt niet door Jan
Vos bezongen te zijn.
Welke schilders in de zalen der Amsterdamsche patriciërs door
hunne schilderijen het meest vertegenwoordigd en onder hen het meest in eere
waren, kunnen wij het best te weten komen door Jan Vos, die steeds
bereid was, de kunstschatten zijner Maecenassen te bezingen, maar die daarin
toch vrij goed overeenstemde met
Vondel, ofschoon deze bij voorkeur zijne lier
besnaarde voor de werken van die schilders, met wie hij persoonlijk bevriend
was.
Voor Vondel is Pieter Lastman (reeds in 1633 overleden)
nog | | | | lang de groote schilder gebleven: ‘de Apelles onzer
eeuw’, zooals hij zegt, wiens voorstelling (in 1614) van de
‘Offerstaetsie te Lystren’ aan Paulus en Barnabas gebracht, toen
(namelijk in 1657) in bezit van Jan Six, nu op Graaf Stetzki's slot Romanow,
door hem als een ongeëvenaard meesterstuk tot in kleine bijzonderheden in
verzen werd geschilderd.
Oudaen maakte in 1657 een gedicht op
‘Lastmans Offerstryd tusschen Pylades en Orestes’
(toen in bezit van Reinier van der Wolf), dat hij ‘een weerga’
noemde van de door Vondel bezongen schilderij. Omstreeks denzelfden tijd bezat
Marten Kretser van hem een ‘Pyramus en Thisbe’, ‘door
ongemeene weelde van konst en verw op 't treurigh gloeyende paneel
uytgebeeld’, zooals Lambert van den Bos zegt, die ook het
‘toover-swieren’ bewonderde in een ‘Vrouwken van
Sarepta’, door Lastman geschilderd en ook in Kretser's Konstkabinet naast
een ‘Eng'len bootschap’ van Pynas te bewonderen.
Van Rembrandt's medeleerling bij Lastman, Jan Lievens of Livius van
Leiden, zooals Vondel hem soms noemt, bezat Kretser ‘menigh
Landtschap: in leven selver boven 't leven, wanneer men 't op sijn schoonste
siet’, zegt Van den Bos, die evenzeer over eene ‘Maria
Magdalena’ van Lievens in Kretser's verzameling verrukt was. Vol
bewondering voor Lievens waren ook
Vondel en
Jan Vos. Diens ‘Fabius Maximus’ in
de burgemeesterskamer op het nieuwe stadhuis werd door beiden in verzen
geprezen, en door Vos alleen eene ‘Opwekking van Lazarus’ en een
‘Christus in 't graf’, door hem geschilderd. Verder vereerden zij
eenstemmig Rembrandt's leerlingen Philips Koninck, Ferdinand Bol en Govert
Flinck.
Van Philips Koninck bezong Vondel eene Allegorie van den
vrede, een ‘Orestes en Pylades’, een ‘Triomf van
Bacchus’, en zelfs tweemaal eene ‘Slapende Venus’. Voor
Ferdinand Bol waren Vondel en Vos beiden vol lof over ‘het
heerlijk stuk’, de verpersoonlijking van 's Lands Regeering, waarmee de
Zeeraad door hem de kajuit van het Admiraliteitsjacht had laten versieren, en
ook voor het schoorsteenstuk, waarop Mozes, de wet aan het volk vertoonend, is
voorgesteld in de schepenkamer van het stadhuis, nu de troonzaal in het paleis,
waar deze schilderij nu achter den troon verborgen is, en voor een ander stuk
op het stadhuis, dat de onverschrokkenheid van Fabricius tegenover Pyrrhus'
olifant afbeeldt. Vondel maakte ook nog een gedicht op een stuk | | | | van Bol in het Admiraliteitsgebouw, ‘het gestrenge krygsrecht
van Titus Manlius Torquatus’ voorstellend, en Jan Vos op een
allegorisch schoorsteenstuk van hem in het vorstelijk verblijf van Hendrik
Trip.
Aan Govert Flinck wijdde
Vondel een bruiloftsdicht bij zijn tweede
huwelijk met Sofia van der Hoeven in 1656, twee bijschriften bij zijn portret
en een grafschrift bij zijn vroegen dood in 1660. Hij roemde hem als den
schilder van ‘'t levensgroote leven’, zooals ook Paolo Veronese dat
op doek bracht, ‘met kracht en majesteit, door vrou Natuur tot schilderen
gedreven’. Van die Natuur week hij, volgens Vondel, nooit af:
‘altijt volgde hij het leven en de waerheit, 't zy hy Maurits maelde in
het blanke harrenas, of met zijnen Keurvorst praelde, of, vol yvers, bezig was
om 't Stadhuis en Aemstelheeren door den Roomschen Curius zuinigheit en trouw
te leeren’. Aan dat laatste stuk wijdde hij, evenals
Jan Vos, nog een afzonderlijk bijschrift; en
zoo wedijverde hij ook met Vos in het prijzen van een ‘Venus en Cupido
met gebroken boogpees’, door Flinck geschilderd voor Joan Huydecoper en
nu nog in Teylers museum te zien. Vos en
Brandt beiden maakten een bijschrift op zijn
schilderstuk ‘Salomons gebed’ in de Raadkamer van het stadhuis,
waarop de allegorische voorstelling der Hemelsche wijsheid of Sophia de trekken
van Flinck's vrouw vertoonde, en Vos schreef er ook nog een op een
‘Christus’, waarvoor Flinck een Jood tot model genomen had, toen
hij hem voor Joris de Wijze schilderde, en op eene ‘Venus’, die de
schilder in eene ‘Maria Magdalena’ omschiep, op een ‘Doop van
den Moorschen Kamerling’, op eene ‘Stervende Lucretia’ in
Huydecoper's lusthof Goudesteyn, en op nog meer andere stukken; maar toen
Flinck het corporaalschap van Joan Huydecoper afbeeldde, dat in 1648 den
gesloten vrede met een schuttersfeest vierde, werd het gedichtje dat Vos er bij
schreef, op de schilderij zelf opgenomen, waar men het nog, in het Rijksmuseum,
kan trachten te lezen.
Nog bekender dan dit fraaie schuttersstuk is de
‘Schuttersmaaltijd’ van Bartholomeus van der Helst
1), bij dezelfde gelegenheid
geschilderd. Op den voorgrond ziet men daar eene trom liggen met een blad
papier daarop geschilderd, dat de bekende versregels van Jan Vos te
lezen geeft: | | | |
‘Belloone walgt van bloedt, ja Mars vervloeckt het
daveren
Van 't zwangere metaal; en 't zwaardt bemint de schee:
Dies biedt de dappre Wits aan d'eedele van Waveren
Op 't eeuwige verbondt de Hooren van de Vree’.
Later heeft Vos, die gaarne zijne bijschriften met een soort van
spreuk besloot, daar nog deze regels bijgevoegd:
‘Zoo vlecht de strijdbre leeuw zyn lauwren met olyven,
Wie dat de vree bevecht begeert ook vry te blyven’.
Nog een derde schuttersstuk (evenals de beide andere in het
Rijksmuseum) vertoont een vijfregelig dichtje, en wel van
Vondel, namelijk het stuk, waarop Joachim
Sandrart een marmeren borstbeeld van Maria de Medicis geschilderd heeft,
omgeven door het corporaalschap van Cornelis Bicker, heer van Swieten, dat haar
bij haar bezoek aan Amsterdam in 1638 tot eerewacht had verstrekt. Met
Sandrart, den Frankforter schilder, die zich tijdelijk in Amsterdam vestigde en
daar grooten opgang maakte, was Vondel bijzonder bevriend, waartoe
gemeenschappelijk kerkgeloof misschien bijdroeg; maar vooral ook zal
Vondel hem bewonderd hebben als geleerd schilder, die de kunstregelen
volkomen kende en ook wist toe te passen, zooals men het best kan zien uit het
groote en belangrijke werk, dat hij in 1675-79 uitgaf, ‘Deutsche Academie
der edlen Bau- Bild- und Malereikunste’. Opmerkelijk is dan ook, dat
Vondel in een bijschrift op de afbeelding, die Sandrart van zich zelf
gemaakt had, van hem, die een ‘verciersel der Y- en Amstelstadt’
was geworden, niet alleen roemde, dat ‘Natuur hem 't penseel gaf’,
maar ook, dat ‘de Tiber hem schilderlessen had gegeven’, iets wat
bij Vondel blijkbaar even zwaar woog als bij velen zijner
tijdgenooten.
Als huisvriend van
Sandrart heeft Vondel ook gedichten gemaakt op
verschillende kunstwerken, die hij bezat, marmeren beelden, teekeningen, zooals
van Giulio Romano, en ook schilderijen van Rafaël en Paolo Veronese.
Verscheidene werken van Sandrart zelf ook heeft hij bezongen: behalve
verschillende portretten, een groot altaarstuk dat St. Sebastiaan voorstelde en
voor den keurvorst van Beieren bestemd was, eene ‘Maria Magdalena’,
de allegorieën van Dag en Nacht en de aardige ‘Verbeeldingen der
twaalf maanden’, die zich nu in het slot Schleissheim bij München
bevinden, maar waarvan de gravures met Latijnsche bijschriften van
Barlaeus in 1645 het licht hebben
gezien. | | | |
Toen Sandrart omstreeks 1646 Amsterdam weer verliet en als
hofschilder naar Beieren terugkeerde, deed Vondel hem uitgeleide met
eene dichterlijke klacht. ‘Wie scheit de blyde Poëzye en schoone
Schilder-kunst, twee susters soet van aert!’ riep hij daarin uit:
‘Wie scheit de kunst van kunst, soo minnelijck gepaert, wie scheit
penseel en pen, de verwen en de woorden!’ Toch wilde hij Sandrart
‘syn fortuin en soo veel grooter eer’ niet misgunnen en wenschte
hij hem ‘een engel als schilt en leitsman op de reis toe,’ opdat
hij ‘Bajere met kunst en schilderyen mocht kleeden’; en dat heeft
Sandrart niet alleen gedaan, maar hij heeft Vondel ook later de
bewijzen gegeven van zijn voortdurenden werklust en zijne vriendschap te
gelijk, toen hij hem uit Weenen het door hem vervaardigde portret van keizer
Ferdinand III toezond, dat Vondel daarop ook bezong. Een
‘Ulysses en Nausikaa’, waarmee Sandrart den schoorsteen in het huis
van Joan Huydecoper versierde (nu in het Rijksmuseum), werd door
Jan Vos in een gedichtje beschreven.
Een ander gevierd schilder was destijds de Nijmegenaar Nicolaes van
Helt Stocade, die, na hofschilder van Lodewijk XIII van Frankrijk geweest te
zijn, omstreeks 1650 naar Amsterdam overkwam. Zijne graanuitdeeling door Jozef,
op de tresory van het stadhuis, werd zoowel door Vondel als door
Vos van bijschriften voorzien, en evenzoo eene ‘Roomsche Clelia,
de gijzeling ontzwemmend’. Alle zinnebeelden, waarmee hij de zolderingen
versierde van de beide paleizen, die de gebroeders Louys en Hendrik Trip in
1662 voor zich op den Kloveniersburgwal te Amsterdam door Justus en Philips
Vingboons lieten bouwen en die nu het bekende Trippenhuis uitmaken, beschreef
en verheerlijkte Jan Vos in eene geheele reeks van zesregelige
puntdichtjes, die alle door eene kernachtige spreuk aan het einde gekenmerkt
zijn
1).
Zoo zou ik kunnen voortgaan met nog tal van bijschriften van beide
dichters te vermelden op schilderijen van minder op den voorgrond tredende
meesters, zooals bv. een op ‘De bocht van de Heerengracht’ van
Geeraert Berkheyde (nu in het Museum-Six), door
Vondel nog in 1672 gedicht; of
Vondel's lofdichten op twee groote naaktschilderingen van Dirck
Bleecker, den hoog- | | | | gewaardeerden hofschilder van Prins Willem II,
namelijk eene ‘Danaë (voor den Heere van Halteren geschilderd) en
eene ‘Triomfeerende Venus’ (voor Prins Willem II), beide in staat
‘een Godt te bekooren’ en, zooals de dichter zegt, niet te
verachten door de vrouw, omdat haar man haar nog hartstochtelijker zou
omhelzen, wanneer hij vooraf door ‘de deugt en netheid van 't
penseel’ was ‘aengeterght van gloet’; maar ook aan een
catalogus, zooals ik al druk bezig ben, er een van de door Vondel en
Vos bezongen schilderijen te maken, moet een einde komen.
Ging ik er mee voort, dan zou men zien, dat onder een zestigtal
namen van schilders, die er op zouden voorkomen, toch enkele van de beroemdste,
bv. Jan Steen en Adriaan van Ostade, Gerard Dou en Paulus Potter, Dirk en Frans
Hals zouden ontbreken. Alleen een zoon van den laatste, Jan Hals, zou er onder
zijn bentnaam ‘Joan den Esel’ vertegenwoordigd zijn door een
lofdicht van
Vondel (van 1665) op een ‘Homerus’,
dien Willem Spieringh te Delft bezat. Men moet dan ook niet vergeten, dat de
lofdichters Amsterdammers waren en dus daar gemaakte of althans daar geziene
schilderstukken bezongen, zoodat wij dan ook met geheel andere schilders kennis
maken in eene reeks van lofdichten van
Oudaen op het schilderijenkabinet van Johanna
Volkaerts (in 1646), o.a. op eene ‘Opwekking van Lazarus’ door A.
Willaerts, een ‘Brand buiten Haerlem’ door Hans Boulenger, een
‘Storm op zee’ door Johannes Porcellis en een
‘Boere-keuken’ door Hendrick Maertensz. Sorgh. Op eene copie door
Sorgh van een oud portret van Hubert Duifhuis gemaakt (nu in het Rijksmuseum)
is nog een vierregelig bijschriftje van Oudaen te lezen. Trouwens ook
te Amsterdam kon men toen met schilderstukken van den Rotterdammer Sorgh kennis
maken. Tobias van Domselaer toch bezat van hem een ‘Jupiter en Merkuur in
de wooning van Philemon en Baucis’, waarop Jan Vos, vriend en
medeschouwburgregent van Van Domselaer, een gedichtje maakte.
In
Samuel Ampzing's ‘Beschryvinge ende
Lof der stad Haerlem’ (1628) ontbreken de namen niet van Frans en
Dirk Hals, ‘gebroeders in de konst, gebroeders in het bloed, van eener
konsten min en moeder opgevoed’, en wordt van den eerste geroemd, dat hij
zoo ‘wacker de luyden naer het leven schilderde’, terwijl van den
ander de ‘suyv're beeldekens’ geprezen worden. In
Ampzing's gedicht worden, behalve allerlei vroegere Haarlemsche | | | | schilders, die de dichter hoofdzakelijk uit
Van Mander's ‘Schilderboeck’
kende, nog verscheidene jongere geprezen, o.a. Heyndrick Gerritsz. Pot, van
wien het ‘wonder’ heet, ‘wat hy doet in dese onse
dagen’, Karel de Hooch, van wien men ‘ruwynen kon sien naer 't
leven afgebeeld’, Jacob Pynas, Pieter Claeszen, Pieter de Molijn en vele
anderen. Johannes Porcellis wordt er vermeld als ‘de grootste konstenaer
in schepen’, Willem Claesz. Heda als beroemd door zijne
‘banketten’, zooals Hans Boulenger door zijne
‘bloemen’. De naam van Pieter Jansz. Saenredam kon er reeds hierom
niet verzwegen worden, omdat hij aan Ampzing ‘in zyn werk getrou
de hand bood’ door er teekeningen voor te maken, in koper gesneden door
Jan van den Velde, den vermaarden calligraaf, die ook als zoodanig door
Ampzing wordt geroemd
1).
Ook Salomon van Ruysdael wordt er geprezen, omdat hij ‘goed in
landschap’ was ‘en beeldekens daerby’, maar ontbreekt het aan
lofdichten op Jacob van Ruysdael en Meindert Hobbema, dan is het, omdat
landschappen of minder in tel waren, of althans zich minder leenden tot eene
poëtische beschrijving, zooals mythologische voorstellingen en
historiestukken. Ook bloemstukken (behalve die van Daniël Seghers) en
stillevens werden maar zelden met lofdichtjes vereerd.
Jan Vos schreef er een op de ‘Bloemen
door [Willem] van Aalst geschildert’ ‘met een glans, die nimmer zou
verflensen’ en die daarom de rozen, door de natuur voortgebracht, nog
overtroffen;
Oudaen vermeldde Maria van Oosterwijk,
‘die keur'ge Schilderesse van veld- en bloemgewas’, die ‘yder
plant-ontwerp wel op 't papier bewaarde’, zoodat zij ‘in hare
kunst-stukken t'samen voegde’, wat in verschillende jaargetijden bloeide;
en
Vondel dichtte een schertsend
‘Raetsel’ tot lof van ‘Sint Lukas Kalf’,
d.i. Willem Kalff, den kunstvaardigen schilder van ‘stilstaende
dingen’, zooals ‘banketten, dischgerecht en brief, limoen, citroen
en glas en schael, cieraet en overdaet en prael’. Van Jan Baptist Weenix
bezat Marten Kretser een ‘wonderstuck’, vechtende ooievaars
voorstellend, dat zijn vriend
Lambert van den Bos aanleiding gaf om uit te
roepen, | | | | dat hij met zijn ‘tooverend penseel Romen self kwam
braveeren, als had vóór hem nooyt konst geweest’.
Te Zwolle vond de ‘ridder’ Gerard Terborch de Jonge
1), o.a. toen hij in 1654 bruidegom was, zijn lofdichter in den
penneconstenaar
Joost Roldanus (wiens portret hij ook
schilderde); en hij werd ook bezongen, maar nog meer zijne zuster Gesina, die
ook eene verdienstelijke schilderes was, door
Hendrik Jordis, haar geliefde, die menig
gedichtje op haar gemaakt heeft, die verder, o.a. in 1651 ‘den Sweetsen
Admiraal Wrangel’ in verzen vierde, en ook afzonderlijk in druk uitgaf
‘Stockholms Parnas ofte Inwijdingh van de Konincklijcke
Schouwburg’ (Amst. 1667).
Bij portretten was het natuurlijk in de eerste plaats of zelfs wel
uitsluitend te doen om den afgebeelden persoon te prijzen; doch wie in dien
tijd de gevierde portretschilders waren, kunnen wij in elk geval uit die
lofdichten en bijschriften leeren. In den kring van
Vondel en
Vos stond ongetwijfeld Jan Lievens als
portretschilder bovenaan. Vos zelf werd door hem geteekend. Een ander
portret sneed later Karel Dujardin van hem in koper. Voor beide afbeeldingen
maakte hij een bijschrift. Niet veel minder aanzien dan Lievens genoot ook
Bartholomeus van der Helst, die er zelfs in geslaagd was, den roem van zijn
talentvollen leermeester Nicolaes Elias te verduisteren, en op wiens portretten
wij vele bijschriften van Vos bezitten, geen enkel echter van
Vondel, geen althans waarbij hij met name genoemd wordt. De schilders,
op wier portretten Vondel (evenals ook Jan Vos) verscheidene
gedichtjes heeft gemaakt, zijn, behalve Lievens, nog Joachim Sandrart, Govert
Flinck, Philips Koninck en Karel van Mander de Jonge, die alle vijf tot zijne
vrienden mogen gerekend worden, daar zij ook hem zelf hebben afgebeeld
2).
Het oudste portret, dat wij van
Vondel kennen, is in 1641 door Sandrart
geteekend omstreeks denzelfden tijd, toen hij ook
Coster en
Hooft,
Vossius en
Barlaeus afbeeldde. Eene koper- | | | | gravure daarnaar van Theodoor Matham versiert den eersten druk van
Vondel's ‘Verscheide
Gedichten’ van 1644 met een bijschrift van den dichter zelf. Voor
den tweeden druk van 1650 vindt men eene gravure naar een portret, door Jan
Lievens geteekend, die Vondel vroeger ook reeds geëtst had, en
van wien misschien ook de geschilderde beeltenis van 1660 is, die wij nog op de
Amsterdamsche Universiteit kunnen zien in de kamer der letterkundige faculteit.
Govert Flick schilderde Vondel in 1653, toen de dichter ‘een
ring van zesmael ellef jaeren’ sloot en reeds zijn ‘hooft
besneeuwt’ zag. Het portret werd ten geschenke gezonden aan den
Directeur-generaal Gerard Hulft in Oost-Indië, met een begeleidend gedicht
van Vondel, waaruit groote genegenheid en profetische bezorgdheid
spreekt.
Toen Vondel in 1657 eene reis naar Denemarken
maakte, sloot hij daar ook vriendschap met den hofschilder Karel van Mander,
den kleinzoon van den bekenden dichter, en deze ‘wiens penseel zoo rijck
begaeft op 's grootvaers spoor en baen ten hemel draefde’, schilderde hem
toen als zeventigjarige. Uit dankbaarheid daarvoor maakte hij een lofdicht op
den ouden Van Mander en op portretten van verschillende Denen, door zijn jongen
vriend geschilderd. Met eenige andere gedichten samen gaf hij deze uit in een
kleinen bundel, getiteld ‘De Parnas aen de
Belt’.
Van hetzelfde jaar 1657 is Vondel's meest bekende portret,
waarop wij hem zien, zooals Cornelis de Visscher ‘met kryt en kunstigh
yzer syn ouderdom in koper levende afbeeldde’; en daarop volgen nog
verscheidene portretten van Philips Koninck, die hem ‘in 't kleen’
ook reeds in 1656 had geschilderd, terwijl hij Koning Davids ‘snaren en
heiligh harpgezang en trant vast volgde’. Hij ‘telde vijf en
seventigh, toen Koning hem dus levendigh te voorschijn braght op zyn
panneel’, dichtte Vondel in 1662, en daarna schilderde of
teekende hij hem nog vele malen, o.a. in 1665 en 1674 (beide in het
Rijksmuseum) en zelfs nog later. Zooals hij er in 1671 uitzag, vinden wij hem
vóór de uitgave zijner ‘Poëzy’
van 1682 door Hendrik Bary gegraveerd met een bijschrift van
Brandt.
Zoo heeft dan de schilderkunst, die Vondel zoo hoog
vereerde en in menig keurig gedicht verheerlijkt heeft, zich ook te zijnen
opzichte niet onbetuigd gelaten, en kunnen wij ons nu den grooten dichter
voorstellen, zooals hij zich in verschillende tijdperken van zijn leven
vertoonde.
|
1)De verzen, waarmee Thomas Asselijn 20 Oct.
1653 op het St.-Lucasfeest Vondel huldigde, zijn opgenomen achter de tweede
uitgaaf van ‘Broederschap der Schilderkunst, ingewydt door Schilders
Beeldthouwers en desselfs begunstigers op den 21 van Wynmaent 1654 op St.-Joris
Doelen te Amsterdam’, waarmee Asselijn in 1654 aan de stichting van die
nieuwe Broederschap grooter luister bijzette. Een nieuwen druk van die tweede
uitgaaf bezorgde A. de Jager, Asselijn's Werken, Gron. 1878 bl. 1-22.
Dat deze huldiging van Vondel niet in 1653, maar in 1654 plaats vond en samen
viel met de stichting der Broederschap in dat jaar, betoogde J.F.M. Sterck,
Hoofdstukken over Vondel en zijn kring, Amst. 1923, bl. 57 vlg.
1)Over Marten Kretser (geb. 1598 † 1
Dec. 1669) en over het lofdicht op het ‘Konstkabinet van Marten
Kretzer’ door Lambert van den Bos, Amst. 1650, zie men J.H.W. Unger, Oud
Holland II bl. 111-119.
1)Zie Ontwikkelingsgang III bl.
157.
2)Zie boven, bl. 115 vlg.
4)Voor Gerbrandt van den Eeckhout (geb. 19
Aug. 1621 † 29 Sept. 1674), leerling van Rembrandt, zie men J. Immerzeel
Jzn., De levens en werken der Holl. en Vlaamsche Kunstschilders, enz. I
(Amst. 1842) bl. 216 vlg.
5)Zie Ontwikkelingsgang III bl. 524
vlg.
6)Van Pieter des Ruelles kent men gedichtjes
uit het liedboekje Amsterdamsch Vreughdestroom I bl. 40, II bl. 112
vlg., 119 vlg. Een lang gedicht op zijn dood van Frederik Verloo vindt men in
d' Amstelsche Zanggodin, Amst. 1660.
7)Voor Bernhard Vollenhove (geb. 17 Sept.
1633 † 1694) zie men J. Nanninga Uitterdijk in Archief voor Ned.
Kunstgeschiedenis, II (1879), bl. 276; G.P. Rouffaer, Oud Holland V, bl.
295-306 en H.J.A. Ruys, Oud Holland XXXV (1917), bl. 160-168.
8)Ten deele vindt men deze gedichten reeds in
Klioos Kraam II (1657) en Hollandsche Parnas I (1660), waarin ook gedichten van
zijne bijzondere vrienden Gerbrandt van den Eeckhout, Willem Schellincks en
David Questiers zijn opgenomen.
1)Zie P.J. Frederiks, Philip Angel's Lof
der schilderkunst, in Oud-Holland VI (1888), bl. 113-122. Hij werd te
Middelburg Sept. 1616 geboren, was eerst als schilder beurtelings te Haarlem en
te Leiden gevestigd, ging in 1645 naar Indië (ook naar Perzië),
vanwaar hij in 1665 terugkeerde, en wel naar Middelburg, waar hij in October
1683 voor het laatst vermeld wordt.
1)Voor ‘Constantijn Huygens en de
Schilderkunst’ zie men H.J. Eymael, Oud Holland XIV bl. 185-198.
1)Voor Van der Helst zie men J.J. de Gelder,
Bartholomeus van der Helst, Rott. 1921.
1)Zie Jan Vos, Alle
Gedichten, Amst. 1726 I bl. 380-387. Van de negentien daar bezongen
plafondvakken zijn nog slechts over de negen aan de zoldering van de
Receptiezaal en één van de Bilderdijkkamer (herhaald in de
Bestuurskamer) Zie H.A. van Goch, Het Trippenhuis, Amst. 1922, bl. 55
vlg., 63 vlg.
1)Jan van den Velde (geb. 1561 † 1623)
gaf uit: Spieghel der Schrijfkunste’, 1605 en ‘Exemplaer-boec.
Inhoudende allerhande Gheschriften, zeer bequaem ende dienstelijk voor de
Jonckhheydt ende allen Lief-hebbers der Pennen’ Anno 1607. Gedruckt bij
Henric Meurs, Schrijfmeester tot Amsterdam.’ Voor hem en vele latere
schoonschrijvers zie men P.H. van Gestel en G.C.F. van der Laan, Schrijven
en Schrijfonderwijs, Gron. 1909.
1)Zie E.W. Moes in Oud Holland IV (1886) blz.
149-162.
2)Eene, trouwens nog lang niet volledige,
lijst der vele portretten, die er van Vondel bestaan, vindt men in den
‘Catalogus der Vondel-tentoonstelling, gehouden in Febr. 1879 in Arti et
Amicitiae te Amsterdam’, Amst. 1879 bl. 1-9 Vgl. nog J.F.M. Sterck,
Oorkonden over Vondel en zijn kring, Bussum 1918 bl. 287-290. Dat een
portret in herderskleeding, door Hendrik Gerritsz. Pot geschilderd, te onrechte
voor een portret van Vondel in het kostuum van Adelaert in de
‘Leeuwendalers’ gehouden is, zie men bij J.F.M. Sterck,
Hoofdstukken over Vondel en zijn kring, Amst. 1923, bl.
78-82.
|
|