|
|
|
| |
| | | |
IV. Rhijnvis Feith als woordvoerder der Sentimentaliteit.
In de geschiedenis onzer letterkunde staat
Rhijnvis Feith, en terecht, bekend als de
voornaamste vertegenwoordiger, de woordvoerder der sentimenteele richting uit
het laatste gedeelte der achttiende eeuw. Die richting was de meest radicale
reactie tegen het rationalisme, niet alleen op kunstgebied, maar ook op ieder
ander gebied, met name op dat van godsdienst en zedelijkheid; en bij
Feith is zij het op dat laatste gebied zeker niet minder dan in de
kunst.
In hare overdrijving verviel de sentimentaliteit tot eene
soortgelijke fout, als waarin ook de onbeperkte verstandelijkheid was
vervallen. Was aanvankelijk de rationalistische kunstrichting uitgegaan van het
voortreffelijk beginsel, dat niets schoon verdient te heeten, dan wat uiting is
van waar (d.i. natuurlijk) voelen en helder (d.i. logisch) denken, zij was er
bij hare overdreven neiging tot critiek al spoedig toe gekomen, alle kunst aan
natuur en rede alleen te toetsen en de hoogste schoonheid te zien in hetgeen
het meest algemeen waar en natuurlijk werd geacht. De sentimenteele richting
nu, tegen die verstandsdwingelandij in opstand gekomen, begon met het
schoonheidsgevoel tot rechter te maken in plaats van de al te nuchtere rede,
maar, niet in staat zonder behulp der rede het ware karakter van dat
schoonheidsgevoel te leeren kennen, verviel zij in de dwaasheid, alles mooi te
vinden, wat maar van gevoel getuigde, hoe onzinnig dat gevoel soms ook mocht
wezen, en hoe weinig verwantschap het ook mocht hebben met het zuiver
aesthetisch gevoel. Had het rationalisme gevaar geloopen, de kunst aan de
wetenschap, de schoonheid aan de waarheid ondergeschikt te maken, de
sentimentaliteit maakte van schoonheid, liefde, vriendschap, deugd en
godsdienst, kortom van al wat eer gevoeld dan begrepen wordt, zulk een
wonderlijk mengsel, dat de arme schoonheid daarbij wel het kind van de rekening
moest worden; en ondanks al zijn talent heeft bij ons Feith daartoe
ijverig het zijne gedaan.
Rhijnvis Feith
1) werd 7 Februari 1753 te
Zwolle geboren, waar zijn vader Mr. Pieter Feith ontvanger van
convooien en licenten | | | | was: een ambt waarin zijn zoon hem later als
adjunct bijstond. Voor zijne opvoeding had hij ook veel te danken aan zijne
vrome moeder, Elsabé Spaar, en aan den conrector der Latijnsche school
te Harderwijk, Knoop, die hem ook liefde voor de dichtkunst inboezemde en hem
reeds op zijn dertiende jaar de noodige kennis had ingeprent om eene
hoogeschool te bezoeken; maar ofschoon hij daarvoor toen nog te jong was, werd
hij toch zóó vroeg te Leiden student, dat hij daar
reeds in 1770, dus op zeventienjarigen leeftijd, in de rechten kon promoveeren.
Dat eene zoo snelle ontwikkeling, waarbij eigen werkzaamheid hem het meest, de
school hem weinig en het leven hem niets zal geleerd hebben, grooten invloed
zal gehad hebben op de vorming van een zoo eigenaardig karakter als het zijne,
kan nauwelijks worden betwijfeld.
Naar Zwolle teruggekeerd, ging hij daar reeds in 1772
een huwelijk aan met Okje Groeneveld, met wie hij veertig jaar in gelukkigen
echt verbonden is geweest en die hem stamvader maakte van een talrijk geslacht,
dat anders gevaar had geloopen uit te sterven met hem of zijn vader, wiens
eenig overgebleven kind hij was. Rijk met aardsche goederen gezegend, miste hij
den prikkel om een geregelden maatschappelijken werkkring van beteekenis te
zoeken, die hem zou hebben gedwongen in de practijk al zijne krachten in te
spannen. Hij wijdde die krachten nu met toenemenden lust aan de verdere
ontginning, verbetering en verfraaiïng van het, later ook door hem
bezongen, landgoed Boschwijk ten Westen van Zwolle,
waarvan hij reeds in 1781 door erfenis eigenaar werd.
Zoo iemand, dan had hij rust en vrijen tijd om zich aan kunst en
wetenschap te wijden. Toch is er geen ouder gedicht van hem bekend, dan de
dichtmatige voordracht over ‘De Vergankelijkheid van het Heelal en
de Voortreffelijkheid van het Verstand’, door hem in 1777
gehouden in eene Zwolsche sociëteit en slechts schijnbaar een
rationalistisch betoog, maar inderdaad alleen eene verheerlijking van het
verstand, dat zich in dienst stelt van de deugd ter bevordering van het
‘Heil der Maatschappij.’ | | | |
In ruimeren kring werd hij eerst als dichter erkend, toen het
Leidsche dichtgenootschap zijn lierzang in alexandrijnen ‘Het heil van
den vrede’ met goud bekroonde in hetzelfde jaar 1779, waarin hij ook,
evenals Van Alphen, het tweede eeuwfeest der Unie in een gedicht
herdacht. Op zijne eerste bekroning volgden er later nog vele andere, tot in
1790 toe; en de meest verdiende was zeker die van 1785, waarbij zijne beide
lofdichten op De Ruiter met goud en zilver werden bekroond. Van deze behoort de
strophische lierzang tot het beste, wat hij geschreven heeft, ook als uiting
van zijne democratische overtuiging, dat geen roem waarde heeft, dan dien men
aan ‘zich zelv', alleen zich zelv' verpligt’ is, geen adel, dan die
‘uit deugd geteelt’ is.
1) Aan die Dichtgenootschappen dankte hij het ook, dat
hij in aanraking kwam en vriendschap sloot met
De Lannoy, met
Bilderdijk en vooral met
Jan de Kruyff Junior, levenslang een zijner
boezemvrienden. Dankbaarheid voor vriendschap en roem, hem door de
Dichtgenootschappen verschaft, was de oorzaak, dat hij, ofschoon
vooraantredende in de rij der poëziehervormers, toch nooit de
Dichtgenootschappen als zoodanig heeft aangevallen, maar in 1791 zelfs het
zilveren feest van het Leidsche genootschap ‘Kunst wordt door arbeid
verkreegenrsquo; met een lierzang heeft helpen vieren. De roem, door hem weldra
bij alle Dichtgenootschappen van beteekenis verworven, vuurde bij hem eene
eerzucht aan, die later eerst verflauwde tot eene zich slechts nu en dan
schuchter openbarende ijdelheid, maar die hij, met zijn in den grond bescheiden
karakter, onder den invloed van zijne godsdienstige overtuiging in zijn
ouderdom geheel heeft leeren overwinnen.
In denzelfden tijd, maar onafhankelijk van
Van Alphen, met wien het, ondanks onderlinge
waardeering, bij hem nooit tot vriendschappelijke toenadering is gekomen, zal
Feith te Leiden als student, maar in anderen
kring dan Van Alphen, kennis hebben gemaakt met de Duitsche
litteratuur. In elk geval getuigen reeds de eerste lierdichten, die hij
schreef, van Duitschen invloed, zooals het gedicht ‘Aan
Cefise’ (van 1777), waarin de blozende koontjes en purperen
lippen van Cefise, hoe gevoelig hij voor die schoonheid ook was, hem aanleiding
gaven, haar een doodshoofd voor te leggen, dat de ver- | | | | gankelijkheid der zinnelijke schoonheid predikt tegenover de deugd, die eerst in
staat is de schoone vrouw tot een engel te maken.
De Cefise van dit gedicht was misschien Feith's eigen jonge
vrouw, maar zij kan ook evengoed een wezen der verbeelding geweest zijn,
toegesproken op den toon van Wieland (in diens eerste periode van ingebeelde
vroomheid en koud gevoel), dien Feith ook aannam in zijn wat later
gedicht ‘Aan ongelukkige gelieven’, dat hij in volle oprechtheid
zelf zeer aandoenlijk schijnt gevonden te hebben, ofschoon de raad, dien hij
aan deze ‘wreedgescheiden lievelingen’ geeft, om ‘op een
eenzaam kerkhof’ onder het licht van de ‘bleeke, kuische
maan’ en bij ‘het treurig lied des van gevoel en liefde stervenden
tortels’ voor ‘hun ziel de kalmte weer te vinden’, wel alleen
door verbeeldingszieken zal zijn gevolgd.
Toen
Feith in 1779 zijn gedicht
‘Werther aan Ismeene’ schreef, stond hij blijkbaar
onder de bekoring van ‘Die Leiden des jungen
Werthers’, waarmee
Goethe in 1774 een zoo verbazenden indruk op zijne
landgenooten had gemaakt. Het afscheid echter, dat Werther hier van Ismeene,
zooals bij Goethe meermalen van Lotte, neemt, is zóó
hartstochtloos en een zóó beredeneerd gevolg van een
braaf-heidsgevoel, waarvan de verklaring niet in het gedicht zelf, maar alleen
door bijgedachte aan de verhoudingen in Goethe's roman te vinden is, dat ons de
overspanning van Goethe's Werther nog natuurlijk toeschijnt bij de tranenrijke
bezadigdheid van zijn door Feith geschapen naamgenoot.
Beter ging het Feith af, wanneer hij, zooals hij een paar
jaar later deed, in zijne lierzangen: ‘Aan God’,
‘Aan den mensch’, ‘De
Nacht’ en ‘De Vriendschap’,
Klopstock volgde, dien hij in 1778 persoonlijk had leeren
kennen en boven alle dichters bewonderde. Toch waren het meer de denkbeelden en
uitdrukkingen, die hij van hem overnam, dan het eigenaardige zijner
poëzie, dat vooral ook in den metrischen vorm bestaat, zonder het rijm,
waarvan Feith in deze oden nog geen afstand heeft kunnen doen. Zelfs
deed hij dat nog niet in de onvoltooide reeks van twaalf oden in keurigen
versvorm, die hij in 1787, met typische etsjes van R. Vinkeles naar D.J. van
der Laan, uitgaf onder den titel
Fanny, een fragment en waar overigens alles, tot
zelfs de titelnaam, aan Klopstock doet denken. Aan Selinde, voor wie 's
dichters ‘gewaarwordingen en beeldtenissen’ meer dan
‘idealen’, voor wie zij ‘de natuur’ zelf waren, droeg
Feith den bundel in proza op, aan Julia, die door haar voorbeeld | | | | ‘zijn ziel uit den strik der wufte zinvermaken gered had’,
in verzen, aan zijne vrouw in werkelijkheid.
Aan
Van Alphen ontleende hij zijn motto
‘Godsdienst in verbond met Liefde en Deugd’ en daarmee meteen den
grondtoon zijner oden, die met elkaar de innerlijk doorvoelde geschiedenis
zijner liefde, d.i. de liefde van Eduard tot Fanny, uitmaken. In den aanvang
was die liefde grootendeels van zinnelijke natuur, eene liefde tot ‘het
schoon, dat eens de worm verteert’. Haar bijzijn kon hij niet ontberen;
zonder haar had zelfs de teedre maan haar toover-kracht, het eenzaam boschje
alle bekoring voor hem verloren. Het denkbeeld, dat hij haar eens zou kunnen
verliezen, folterde hem, en zóó levendig stelde hij zich die ramp
voor, dat hij zich geheel verplaatste in den gemoedstoestand, waarin hij, van
haar gescheiden, zou verkeeren. Dan zou hij in wanhoop alleen naar den Dood
uitzien, maar neen: God zou hem redden. ‘De zwarte treurnacht dreef
voorbij,’ want door Gods gunst ontwaakte in hem het besef, dat hij alleen
Fanny's stoflijk deel miste, maar nog ‘altijd geheel haar ziel’
bezat, de zuster van zijne ziel. Nu was hij verzoend met den dood en zou hij
ook geene met dood dreigende koorts vreezen, maar, ‘rijp voor
d'eeuwigheid’, rustig kunnen sterven, wetend, dat na korte scheiding de
minnende zielen elkaar in een eeuwig leven zouden weerzien en dat Fanny,
neergeknield bij zijn graf, de wereld niet eenzaam zou vinden, omdat ook bij
haar liefde en deugd één geworden waren. Zoo geheel onzinnelijk,
zoo bovenaardsch is hier de liefde geworden, dat zij zelfs den engelen in den
hemel den uitroep moet ontlokt hebben: ‘och God, wat zijn die menschen
braaf!’
Zoo bovenaardsch was een jaar of vijf vroeger de liefde nog niet bij
Feith, toen hij het eerst eene bij ons nieuwe dichtsoort, de romance,
invoerde, ook uit Duitschland, waar zij in de laatste jaren zeer geliefd was
geworden, ofschoon haar oorsprong, zoowel als haar naam, bij de Romaansche
volken te zoeken is. In Frankrijk toch had de bekende schrijver van de
‘Mémoires de l'ancienne chevalerie’ (1759),
La Curne de Sainte-Palaye, een groot aantal
mid-deleeuwsche Fransche liederen verzameld, die hij verwerkte in zijne, eerst
in 1774 door
Millot uitgegeven ‘Histoire littéraire
des Troubadours’ III dln. Die door hem opnieuw bekend geworden
troubadours-sproken en zangen wekten lust tot navolging, met name bij
F.A. de Paradis de Moncrif, die echter een comischen tint
gaf aan zijne eigene bewerkingen van middeleeuwsche verhalen, aan zijne | | | | kortere volksliederen en zijne twee langere, later bij ons door
Tollens zoo verdienstelijk vertaalde romances:
‘Les constantes amours d'Alix et d'Alexis’ en
‘Les infortunes inouies de la tant belle honnête et
renommée comtesse de Saulx’.
1)
Zij hebben met het volkslied een zekeren galgenhumor gemeen, die ook bij het
tragische den dwazen kant opmerkt. Iets dergelijks treffen wij aan in de vele
romances, waarmee reeds in de zeventiende eeuw
Luis de Gongora zijne overigens al te gekunstelde
poëzie had afgewisseld, en beider romances had nu in 1756 Gleim door
vertaling en navolging naar Duitschland overgebracht, waar zij door velen
werden nagemaakt, ook door
Bürger in zijn vroegeren tijd
2), bv.
met zijn in 1794 bij ons door
Bilderdijk vertaald ‘Die Weiber von
Weinsberg’ en zijn ‘Frau Schnips,’ in
1784 bij ons door
Betje Wolff als ‘Vrouw
Snaversnel’ overgebracht
3).
Intusschen was men ook in Engeland, en vooral in
Schotland, bezig geweest, Oud-Engelsche en Gaelische balladen te
verzamelen, en voor zulk een bundel ‘Reliques of Ancient English
Poetry’, (van 1765) wist bisschop
Thomas Percy eerst in zijn eigen land en spoedig ook
daarbuiten groote bewondering te wekken. Deze bestond deels uit middeleeuwsche
liederen of fragmenten, deels uit gemoderniseerde of zelfs door Percy geheel
nieuw gemaakte balladen en wisselde den comischen trant van Moncrif af met den
ernstigen, vaak diep weemoedigen romantischen toon, die meer en meer begon te
pakken. In Duitschland hield
Herder er in 1773 een plei-dooi voor in zijne
briefwisseling ‘Ueber Ossian und die Lieder alter Völker,’
spoedig (in 1778) gevolgd door zijn bundel ‘Stimmen der
Völker’: eene verzameling van door hem uit verschillende talen
overgebrachte middeleeuwsche liederen en verhalen. Weder was het
Bürger, die, onder Herder's invloed, ook in
Duitschland voor oorspronkelijke romances in dezen toon reeds in 1773 het
voorbeeld gaf met zijne woest-romantische ‘Lenore’
(in 1798 bij ons door Vrouwe
K.W. Bilderdijk, maar wat al te vrij,
overgebracht) en | | | | spoedig wemelde het nu ook in Duitschland van
liederen en balladen in dezen trant.
Met de beide romances van
Moncrif bekend en op de oude volksliederen, vooral die
der Schotten, opmerkzaam gemaakt door Herder's briefwisseling van 1773, die hij
echter te onrechte aan Goethe toeschreef, wenschte
Feith niets zoozeer, als ‘dat wij ook
iets in dit vak deeden’, en om te beginnen maakte hij zelf reeds in 1782
twee van die ‘naïve verhaalen van ééne aandoenlijke
daad’, zooals zijne definitie van dergelijke gedichten luidt, waarbij hij
meende, dat vooral gelet moest worden op ‘de hoogste eenvoudigheid van
zeden en de meest naïve en zinlijke uitdrukking’. Dat zegt hij in
zijn brief ‘over de romance’, voorkomend in het eerste deel zijner
‘Brieven over verscheide onderwerpen’ van 1784, waarin hij als
eigen proeven ook voor het eerst zijne beide romances uitgaf, die later ook
afzonderlijk uitkwamen, ‘naar den besten smaak op muziek gebracht door
C.F. Ruppe’. Zij zijn getiteld ‘Alrik en Aspasia’ en
‘Colma’
1).
De eerste, in vierregelige rijmstrophen, is, evenals Moncrif's
‘Alix et Alexis’, de geschiedenis van een lang afwezig gebleven
minnaar, die onherkend door zijne vroegere geliefde tot haar terugkeert en dan
met verrukking bemerkt, dat ook bij haar de oude liefde nog niet is
uitgebluscht. Bij Feith echter keert de ridder in pelgrimsgewaad uit
het Heilige Land terug, terwijl zijne Aspasia ‘op een koelen avondstond
heidebloempjes plukte en op ieder bloempje een traantje wierp’, dat
spoedig gedroogd is, wanneer de pelgrim haar, wel wat oud en leelijk geworden,
trouwe Alrik blijkt te zijn en een huwelijk het blijeindend slot der
geschiedenis wordt, terwijl Moncrif op tragi-comischen trant vertelt, dat de
trouwe Alexis, als Armenisch koopman verkleed, bij zijne terugkomst Alix haars
ondanks gehuwd vindt en bij het droevig afscheid, at hij daarom van haar moet
nemen, door haar jaloerschen echtgenoot wordt betrapt en tegelijk met zijne
onschuldige geliefde wordt doorstooten. Bij Feith kon een bevredigend
slot voor de bloedige vergissing der Fransche romance in de plaats treden en
was dus de grappige raad aan doljaloersche mannen, om niet al te gauw het
ergste te denken, waarmee | | | | Moncrif besluit, overbodig geworden. Voor
volkshumor had Feith geen gevoel.
De tweede romance, in rijmlooze strophen van zes versregels, is,
zooals hij zegt, ‘in den noordschen smaak’ en verhaalt de korte
spookachtige geschiedenis van een ander meisje, dat ‘'s winters in haar
hut, terwijl de avondstormen huilen, bij een dwarrelend lampje’ ook haar
minnaar verbeidt; maar ‘holoogig en spraakloos, met beenige kaaken en
lippen van lood’ keert haar Edwin terug; doch ook zóó sluit
zij hem in de armen. Opeens echter verdwijnt als een nevel dat doodenbeeld, en
wetend wat haar noodlot is, ijlt zij naar buiten en zich op den grafheuvel
werpend, waarin haar voorgeslacht rust, verbleekt en verstijft zij ‘en 't
roosje brak af.’ Later schreef
Feith nog twee romances: ‘Karel en
Lotje,’ de geschiedenis van een trouwloos minnaar, en de aan het
Hoogduitsch ontleende ‘Agnes’.
Was Feith bij ons ontegenzeglijk de eerste, die romances
schreef en uitgaf, de gedachte daaraan was toch ook reeds bij anderen
opgekomen. Kort vóór Feith's romances het licht zagen,
had
S.F.J. Rau zijne romance ‘Ewald en
Elize’ gedicht, in wedijver met zijn vriend
Bellamy, wiens
‘Roosje’ door hem zelf echter meer als eene
vertelling, dan als eene eigenlijke romance werd beschouwd. Nog in hetzelfde
jaar als Feith's romances werden zij gedrukt. Spoedig kwam ook
Bilderdijk, ofschoon Feith's romances
bespottend, er nu toe, deze dichtsoort, en wel met aangroeiende ingenomenheid,
te beoefenen, en velen volgden, o.a. ook de vurige secretaris der Maatschappij
tot Nut van 't Algemeen
Martinus Nieuwenhuyzen, die ons met zijne romance
‘Elza’ naar den tijd van Claudius Civilis verplaatst
1). Geen van de nu genoemden
beschouwde zich echter als leerling van Feith, maar wél was
dat, en wel bepaald als roman-cedichter, zijn jongere vriend
Antonie Christiaan Wijnand Staring.
Deze werd 24 Januari 1767 te Gendringen geboren.
‘Ik ben uit 'Geldersch bloed’, legde hij den speerruiter van
Maarten van Rossem in den mond, omdat hij ook zelf daarop trotsch was. Te
Harderwijk studeerde hij van 1783 tot 1787 (schoon met tegenzin)
in de rechten, waarin hij 23 Mei 1787 nog op jeugdigen leeftijd promoveerde.
Met | | | |
Feith had hij verder nog gemeen, dat hij een groot deel
van zijn leven op zijn landgoed doorbracht, namelijk het riddergoed de
Wildenborch bij Lochem, waar hij zich met uitstekend
gevolg op heide-ontginning en boschbouw toelegde en zich rustig aan zijn gezin
en aan studie en letteren wijden kon.
Nog als student, in 1786, gaf hij onder den titel
Mijne eerste Proeven in de Poëzij een
veertiental gedichten uit, die weinig indruk maakten en, ofschoon de critiek
zijne ‘vuurige verbeeldingskragt’ en ‘vloeyenden
rymtrant’ prees, toch onrijpe vruchten genoemd werden, met meer dan te
veel ‘van het hedendaagsche sentimenteele’, waaraan men den
leerling van
Feith kon herkennen. Deze had hem dan ook, minstens sedert
1784, welwillend aangemoedigd als een veel belovend jong dichter en van goeden
raad gediend. Vreemd was het dan ook niet, dat er in den bundel ook drie
romances voorkwamen, nl. ‘Emma en Adolph’,
‘Ada en Reimond’ (bewerking van
Goldsmith's ‘The Hermit’) en
‘Maria’, van welke de laatste niet meer en beide
andere alleen veel gewijzigd herdrukt werden.
Na van 1787 tot 1789 in Göttingen physica en
chemie gestudeerd te hebben en daar zijne ingenomenheid met de letteren nog te
hebben aangekweekt, gaf
Staring in 1791 een tweede bundeltje
Dicht-oeffening uit, waarin het sentimenteele
reeds minder overheerscht, dan in het eerste. Het bevat nog twee romances:
‘De Zwarte vrouw van Wildenborch’, de eerste zijner
Geldersche romances (in 1793 het slot geworden der romance
‘Lenore’) en ‘Hoop verloren, trouw
bewaard’, eene Harderwijksche vertelling, waarin de dichttrant
van
Cats is nagebootst. Blijkbaar bleef Feith, al
hield Staring ook langzamerhand op als dichter zijn geestverwant te
zijn, diens romances waardeeren, want nog in 1793 nam hij eene derde veel
uitvoeriger Geldersche romance in twee zangen, ‘Wichard van
Pont’ gaarne van hem in zijne ‘Bydragen’ op. Wij
zullen er hier niet verder over uitweiden, omdat Staring eerst veel
later na lange oefening die hoogte heeft bereikt, die hem met minachting op de
poëzie zijner jeugd deed neerzien en hem tot een der meest geliefde
dichters van de negentiende eeuw heeft gemaakt, juist ook in het vak van
romance en vertelling, dat niemand beter dan hij in onze letterkunde
vertegenwoordigt.
Feith was niet alleen dichter. In 1783 trad hij ook als
dichterlijk prozaschrijver op. Het eerste, wat hij reeds eenigen tijd te
voren | | | | geschreven had, waren vier kleine stukjes:
‘Themire’, ‘Alpin’,
‘Selinde’ en ‘De
Hermiet’. Ook zij kenmerken zich als iets nieuws door een toen in
Duitschland, vooral door
Gessner's invloed, veel geschreven ‘poëtisch
proza’, dat zich van het gewone onderscheidde door grootere beeldrijkheid
en vooral ook door eene gezwollen gevoelsuitgalming in eene van gewoon
Nederlandsch afwijkende taal, die men eene eeuw later, toen die schrijftrant
weer in gebruik kwam, een tijd lang artisten-idioom zou gaan noemen. 't Is de
taal, waarin zeurt wie niet zingen kan of zich de moeite van zingen niet wil
geven, de taal der wrevelig en wee makende weekelijkheid, die meestal noch hare
pen, noch haar gevoel weet te beheerschen en de kracht mist om aan
bastaardkunstwerk den strengen dichtvorm te geven, ofschoon deze al dat water
zou hebben gekristalliseerd en in zijne metrische afwijking van den vorm der
meer bezadigde omgangstaal ook alleen harmonisch past bij de zoo weinig
alledaagsche woorden en stijlvormen van de zich in beelden en klanken
verlustigende kunstdrift.
Vergeeflijk echter was het gebruik van dat poëtisch proza bij
Feith en zijne geestverwanten, omdat zij leefden in een tijd, waarin
aan dien streng-conventioneelen dichtvorm zooveel waarde werd gehecht, dat
zelfs het meest prozaïsche en er dus het minst bij passende in dien vorm
den schijn van poëzie aannam en als zoodanig ook wel geprezen werd. Het
poëtisch proza is als reactie daartegen zeer goed te verklaren en tot op
zekere hoogte ook te verontschuldigen. Bovendien zal ontstaan en opgang van dat
proza ook verklaard kunnen worden uit den invloed der Oudtestamentische
bijbelboeken, waarvan de dichterlijkheid, vooral op voorgang van Herder, toen
juist zoo gewaardeerd begon te worden, maar die toch slechts door enkelen
anders dan in prozavertaling werden gelezen. Eveneens zal het van invloed
geweest zijn, dat Ossian's poëzie het eerst was bekend geworden in den
Engelschen prozavorm, waarin Macpherson haar had uitgegeven, en des ondanks zoo
gereedelijk als poëzie werd erkend.
Zoo is dan ook Feith's
‘Alpin’ duidelijk geschreven onder den invloed van
‘The songs of Selma’ van
Ossian. Daarentegen is
‘Themire’, de roerende geschiedenis eener onschuldig
verleide, op aarde door den beul ter dood gebrachte (onopzettelijke)
kindermoordenares, die bij het Laatste Oordeel wordt vrijgesproken, terwijl
Alcestes, haar baatzuchtig verleider, ter helle wordt verwezen, eene blijkbare
navolging van
Wieland's ‘Melinde’. | | | |
Hier is het niet vooral het beeldrijke der taal, dat er een ongewoon
karakter aan geeft, maar het onafgebroken snikken van het gevoel, waarmee men
ook wel reeds bij ons kennis had kunnen maken door de tranenrijke
tooneelstukken. Aan een van deze ‘Le comte de Comminge ou les
amants malheureux’ van
Baculard d'Arnaud (ook bij ons reeds in 1773 vertaald)
herinnert dan ook levendig ‘De Hermiet.’ Daarin
vertelt Feith, dat de jonge Valcour, hopeloos neerslachtig omdat hij
zijne zielsvriendin moet missen, avonden achtereen doorbrengt bij eene
graftombe op zijn landgoed, totdat eens op een nacht hem daar een hermiet
aantreft, die hem troost aanbrengt door het verhaal van de rampen, die hem zelf
getroffen hadden: eerst de dood zijner afgodisch door hem beminde echtgenoote,
daarna ook van zijn eenig dochtertje, dat aan zijne zijde getroffen werd door
een bliksemstraal, die Gods grootheid verkondigde, waaraan een worm als de
mensch zich niet alleen gedwee moet onderwerpen, maar waarvoor hij, alle
aardsche lief en leed vergetend, in aanbidding moet neerzinken om weer waarlijk
gelukkig te worden. Juist toch om hem zoo gelukkig te maken, had God uit liefde
hem zijne aardsche afgoden ontnomen. Dat had hij nu ingezien en deed hij ook
Valcour inzien.
De invloed van
Baculard d' Arnaud, met wiens ‘Comte de
Comminge’
Feith reeds van zijn veertiende jaar af had
gedweept, verraadt zich ook in de
Julia van 1783
1), waarachter bij de uitgave de besproken kortere verhalen als
mengelwerken zijn gedrukt. Dezen bundel droeg hij op aan zijne ons onbekende en
misschien slechts gefingeerde vriendin Sophie, omdat zij, ‘in haar donker
prieël aan den oever van den Rhijn’, met hem en anderen over de
liefde rede-neerend, zijne zijde had gekozen, ten gevolge waarvan hij dan juist
voor haar zijne ‘Julia’ schreef, die hij ook alleen uitgaf om
‘haar te gehoorzamen’. Den naam zijner heldin schijnt hij ontleend
te hebben aan
Rousseau's ‘Julie ou la Nouvelle
Héloïse’, waarvan men telkens eenigen invloed op
Feith kan bespeuren, al is hij zeker niet in allen deele Rousseau's
geestverwant. Een eigenlijke roman is de ‘Julia’ allerminst.
Feith zelf noemt haar ‘een eenvoudig tafereel van twee tedere
harten, die oprecht beminnen’, in den toen | | | | door Richardson in
de mode gebrachten en ook door Goethe in zijn ‘Werther’ gevolgden
briefvorm, waarin hier Eduard zijn hart uitstort, meestal aan zijn vriend
Alcestes, maar soms ook aan Julia zelf, die hem dan beantwoordt.
Als verhaal is de inhoud er van spoedig verteld. Op eene eenzame
wandeling in het bosch vindt de teergevoelige naar wederliefde smachtende
Eduard de schoone Julia, ‘als een engel neergeknield voor den
Ongeschapenen’ en biddend om een vriend voor haar hart. Op eens hebben
hunne gelijkgestemde harten elkaar begrepen en het duurt nu niet lang, of
tedere omhelzingen volgen. Had Julia geen ‘wreeden vader’ gehad,
dan zou hunne liefde spoedig tot een huwelijk hebben kunnen leiden. Nu moet
Julia aan Eduard mededeelen, dat zij ‘den oorsprong van haar leven’
niet ongehoorzaam mag zijn. Toch blijven zij samenkomsten houden, maar, onder
het somber vooruitzicht, dat ‘nooit spelende wichtjes hun knieën
omarmen zullen,’ het eerst in een huiveringwekkenden grafkelder, waar
zij, op doodkisten gezeten, over de onsterfelijkheid spreken; maar later weder
bij avond op eene zodenbank in het bosch, waar de omhelzingen hen in zulk eene
verrukking brengen, dat, had Julia niet op het uiterste oogenblik het woord
‘onsterfelijkheid’ uitgesproken, het met hare onschuld gedaan zou
geweest zijn. Dankbaar, dat zij aan het gevaar der zinnen ontkomen zijn,
schrijft Julia nu aan Eduard, dat zij zich niet nogmaals aan hetzelfde gevaar
moeten blootstellen en dat hij zich naar elders moet begeven; maar bij het
afscheid en in de brieven, vol uitroepingsteekens en gedachtestreepjes, die zij
elkaar vervolgens toezenden, betuigen zij elkaar onder tranen, hoe
droef-gelukkig zij zich gevoelen in de reine liefde - op een afstand - die hen
nu voor eeuwig verbindt. Daarin worden zij nog versterkt door de tegenstelling
tot den rampzaligen Werther, dien Eduard aantreft, zijne smart in versregels op
een rots neerschrijvend, maar die van liefdesmart wegkwijnt en sterft, omdat
hij eene engel bemint, zoo voortreffelijk, dat niemand hare liefde waard is,
ook hij zelf niet. Door al die bespiegelingen allengs en met eenige moeite
opgevoerd tot eene liefde, die alleen op de schoone ziel en niet meer op het
schoone lichaam gericht is, ontvangt Eduard opeens de blijde tijding, dat
Julia's vader ten slotte in hunne echtverbintenis heeft toegestemd. In
opgewondenheid, schoon met een akelig voorgevoel, snelt hij naar Julia's
woonplaats, maar het eerste, wat hij daar ziet, is eene lijkstatie: Julia wordt
begraven. ‘Beurte- | | | | lings loeiende van weedom en stom van
smart,’ smeekt hij ook te mogen sterven; maar de kalmte keert terug in
zijne ziel. ‘Digt bij het kerkhof, daar zijne Julia sluimert’,
koopt hij ‘een Gothiesch gebouw’ en daar brengt hij, soms in een
tot doodkist uitgeholden denneboom, zijn verder leven als kluizenaar door. Met
eene prozaode aan de maan, die de reine liefdestemming vertolkt, waarin hij nu
verkeert, eindigt dit merkwaardig geschrift.
Niet zonder aarzeling gaf
Feith het uit. Hij vreesde daarmee ‘eene
dwaasheid te begaan.’ Wie immers in de achttiende eeuw, vraagt hij, zou
iets gevoelen voor ‘eene liefde, die zonder deugd niet bestaat’?
‘Men zal lagchen,’ zegt hij, ‘en het zal met mij gedaan
zijn.’ Feith vergiste zich. Zijn verhaal was in veler oogen niet
zoozeer belachelijk, als wel ergerlijk. De omhelzing op de zodenbank in het
bosch was zóó meesleepend geschilderd, meende men, dat zij jonge
mannen en jonge meisjes in vervoering zou brengen, zonder dat zij nog bijtijds
aan de onsterflijkheid zouden denken. Het boek was gevaarlijk, zeide men, en
Feith had het toch juist zoo geheel anders bedoeld.
Om den verkeerden indruk weg te nemen, dien hij zijns ondanks
gemaakt had, en ook omdat men zijn ‘Julia’ te veel eene
gevoels-uitstorting (te ‘sentimenteel’ zegt hij) gevonden had en te
weinig een verhaal, gaf hij in 1785 een tweede, en naar hij verzekerde laatste,
werkje uit in denzelfden geest, maar met tegemoetkoming aan de gemaakte
aanmerkingen, namelijk zijn
Ferdinand en Constantia in twee deelen
1), inderdaad meer een
roman, ofschoon ook in briefvorm. Dat de brieven daarin door Ferdinand
meerendeels gericht zijn aan een vriend Willem, waaraan ook Goethe's Werther de
zijne richtte, bewijst onder meer opnieuw den invloed van dien roman op
Feith
2), al wilde hij ook niet als Goethe zijn roman met een zelfmoord
eindigen en evenmin met een droevig slot als in Miller's ‘Siegwart, Eine
Klostergeschichte’, die, in 1776 verschenen, bij ons in | | | | 1779
vertaald en blijkbaar ook reeds bij hem bekend was.
1)
Ditmaal gaf hij voor zijn roman de voorkeur aan eene blijmoedige, weinig
sentimenteele ontknooping.
Ferdinand, zoo is de korte inhoud, meent door Constantia, zijne
verloofde, bedrogen te zijn, en ongeschikt voor alles, dwaalt hij troosteloos
rond, zonder zich van zijne liefde tot de trouwlooze te kunnen bevrijden. Zoo
komt hij op een dorpje, waar hij kennis maakt met den predikant, wiens dochter
Cecilia zijne vertrouwelinge wordt en hem tracht te troosten; maar
langzamerhand gaat haar medegevoel in zijne liefdesmart in tedere liefde voor
hem over. Wetende, dat hij hare liefde niet kan beantwoorden, kwijnt zij
langzaam weg, en Ferdinand, die de oorzaak van haar lijden eerst vermoedt,
later uit haar eigen mond verneemt, heeft diep medelijden met haar en verwijt
zich zelf, haar zijns ondanks zoo ongelukkig te hebben gemaakt. Een oogenblik
komt er, waarop hij zijne liefde voor Constantia schijnt overwonnen te hebben
en in staat is, ten einde Cecilia's leven te redden, haar zijne hand aan te
bieden, die zij nochtans afwijst; maar als hij vernomen heeft, dat een snood
medeminnaar de onschuldige Constantia bij hem verdacht heeft gemaakt, herkrijgt
zijne oude liefde hare vroegere kracht, en ijlings spoedt hij zich nu naar
Constantia, doch, hoewel zij hem altijd was blijven liefhebben, zijne
verdenking heeft haar zoo diep gegriefd, dat zij hem ongetroost wegzendt. Nu
naar het dorpje, waar Cecilia woont, terugkeerende, komt hij daar juist aan op
het oogenblik, dat de arme Cecilia, uit onbevredigbare liefde voor hem
gestorven, naar het graf wordt gedragen. Hij beschouwt zichzelf als de oorzaak
van haar dood en de wanhoop maakt zich meester van zijn hart. Maandenlang
tracht hij die te bekampen. Eenigen troost vindt hij bij het lezen van Ossian's
en Young's poëzie en ook van Shakespeare's Hamlet, maar eindelijk toch
bezwijkt hij in den bangen strijd. Hij begeeft zich naar het graf van Cecilia
en heeft daar de haan van het | | | | pistool al overgehaald om een einde te
maken aan een leven, dat reeds twee vrouwen ongelukkig heeft gemaakt, als
opeens Constantia, wier gloeiende liefde over haar beleedigd eergevoel had
gezegevierd en haar had voortgedreven om haar Ferdinand overal te zoeken, hem
van zijne wanhoopsdaad terughoudt en met hem het gewenschte huwelijk sluit, dat
door Cecilia's vader wordt ingezegend.
In dezen roman, waarin gevoelsontboezeming en deugdsverheerlijking
wat meer binnen de perken blijven, is Cecilia de persoon, die de meeste
belangstelling bij ons wekt, en die in hare teder-onschuldige liefde, waarvan
het besef eerst langzaam tot haar doordringt, zeer verdienstelijk is
geschilderd, zij het ook niet geheel zonder de kleuren van Goethe's palet. Het
tooneel b.v., waarin zij voor Ferdinand Feith's lied ‘wreedgescheiden
lievelingen’ zingt, is, hoe ook tot in het bespottelijke overgevoelig,
met veel kunst en ook niet zonder waarheid geteekend, en zoo ook dat, waarin
zij in alle eerlijke oprechtheid hare liefde aan Ferdinand bekent.
In denzelfden tijd als zijn ‘Ferdinand en
Constantia’ gaf
Feith ook nog eene vrije navolging van
Lavater's ‘Geheimes Tagebuch von einem
Beobachter seines selbst’ (van 1771-73)
1), maar
in wat anderen geest. Hij noemde het
Dagboek mijner goede werken in rekening gebragt bij God tegen
den dag der algemeene vergelding; maar die goede werken zijn fictie
en dienen alleen om de leer te verkondigen, dat geen mensch in staat is,
volkomen goede werken te verrichten, tenzij een zuiver godsdienstig gevoel van
dankbaarheid aan God ze hem ingaf. De twee bundels
Zedelijke Verhalen, die nog in 1788-89 door
Feith werden uitgegeven, bevatten alleen vertalingen. Meerendeels zijn
het zeer sentimenteele liefdesgeschiedenissen, die zich in het bijzonder ten
doel stellen, te doen uitkomen, hoe dikwijls de hardheid der heerschende
rechts- en zedenleer met de gevoelsmoraal in strijd komt, zoodat misdadigers
vaak veeleer medelijden verdienen dan straf.
Oorspronkelijk werk, tot op zekere hoogte althans, zijn daarentegen
weer Feith's treurspelen, vier in getal, waarmee hij in 1784 optrad,
toen hij zijn
Thirsa of de zege van den godsdienst
2) uitgaf. De ‘Thirsa
und ihre Söhne’ (1778) van
A.H. Niemeyer had hem zeker het onderwerp aan de hand
gedaan: het moedig gedrag van Thirsa tegenover Antiochus Epiphanes, die reeds
zes harer zonen | | | | heeft gedood, maar haar te vergeefs tracht te
bewegen, Jedidia, den zevenden, haar alleen nog overgebleven zoon, tot
verzaking van den godsdienst zijner vaderen aan te sporen, ofschoon zij de
terechtstelling van dien zevenden slechts een oogenblik overleeft. Toch is het
Duitsche stuk Feith's eigenlijk voorbeeld niet geweest. Meer schijnt
hij, blijkens de toevoeging op den titel, ‘of de zege van den
godsdienst’, te danken te hebben aan een stuk met geheel ander onderwerp:
‘Euphémie ou le triomphe de la religion’
(1769) van
Baculard d'Arnaud, dat hij in zijn voorbericht ook
aanhaalt; maar nog een tweede stuk, dat hij kende, heeft die toevoeging op den
titel: ‘Lady Johanna Gray oder der Triumph der
Religion’ (1758) van
Wieland, waarvan hij zelfs in 1785 eene vrije bewerking
begon, die echter eerst in 1791 is voltooid en uitgegeven onder den titel
Lady Johanna Gray. Ofschoon hij Wieland's
treurspel bij deze bewerking ‘meer gevolgd heeft, dan hij eerst van
gedachten was,’ is zijn stuk er toch eer eene navolging dan eene
vertaling van te noemen, daar hij ook veel heeft weggelaten of door eigen
vinding heeft vervangen, met de bedoeling het stuk te verbeteren, zooals o.a.
door in het karakter van den Hertog van Northumberland de heerschzucht meer dan
Wieland gedaan had tot het eind vol te houden.
Zijn levendigste, treffendste en daardoor meest bekende stuk is de
Ines de Castro van 1793, waarin nog eens weer de
droeve geschiedenis van de ongelukkige Portugeesche koningsvrouw uit
Camoëns' ‘Lusiade’ ten tooneele is gebracht
1). Hij heeft er echter een oorspronkelijk treurspel van gemaakt
door er twee onhistorische personen in te voegen: Alvaro die zich wreken wil op
Don Pedro, 's konings zoon en in 't geheim met Ines gehuwd, en de Spaansche
Infante, die, afgunstig op Ines' geluk, zelf koningin van Portugal hoopt te
worden. Zij zijn het, die den dood van Ines bewerken, ofschoon het ten slotte
een schandelijke sluipmoord is, waardoor zij het leven verliest. Feith
aarzelt wel niet te erkennen, dat de zegepraal der misdaad onaangenaam moet
aandoen, maar zoo iets is in de werkelijke maatschappij toch ook niet ongewoon,
meent hij, en daardoor heeft hij aan zijn treurspel een pessimistisch karakter
gegeven en is dus zijne ontknooping geene katharsis in Aristotelischen geest.
Wel daarentegen heeft het stuk in den tijd, waarin het ontstond, machtig op het
gevoel moeten werken, en vooral bij het stervenstoo- | | | | neel aan het eind
den toeschouwers een stroom van tranen moeten ontlokken, wat in later tijd weer
- zooals alle overdrijving - der spotzucht voedsel gaf.
Feith's vierde stuk,
C. Mucius Cordus of de Verlossing van Rome, was
reeds in 1794 geschreven en voor den druk gereed, maar verscheen eerst te
gelijk met de Omwenteling, waarvan het den geest weergeeft en is dan ook door
den dichter ‘aan zijn vrije medeburgeren’ gewijd. Er wordt in
vertoond, hoe de republikeinsche Romein Mucius Cordus Rome's vrijheid redt door
Porsenna, den vorst van Clusium in Etrurië, die Rome belegert om daardoor
het door de aristocratie gewenschte gezag van het koningsgeslacht der Tarquinii
te herstellen, bewondering in te boezemen voor den heldenmoed, waarmee hij als
's konings gevangene met woord en daad van zijne vrijheidsliefde getuigt.
Geestverwant van hem is zijne geliefde Claudia, die alzoo te staan komt
tegenover haar eigen vader Appius Claudius, den hoofdvertegenwoordiger der
aristocratische partij te Rome, die zich zelf doorsteekt als zijne plannen
verijdeld zijn.
Dat in deze treurspelen innige gevoelsuiting meer treft dan
dramatische kunstvaardigheid, was van Feith te verwachten. Toch heeft
met name ‘Ines de Castro’ daardoor op het tooneel
wel indruk gemaakt; maar als vertegenwoordigers van iets nieuws kunnen zij niet
worden beschouwd, al heeft Feith ook ijverig de theorie van het
treurspel, ook aan de hand der nieuwste aesthetische schrijvers, bestudeerd
1). Zijne stukken gelijken op die van
Voltaire, schoon Feith met eenheid van tijd en
plaats in theorie onvoorwaardelijk gebroken heeft; maar indeeling in vijf
bedrijven en in tooneelen behield hij en zelfs den alexandrijn met het rijm,
waardoor hij zijne stukken van de burgerlijke treurspelen wilde onderscheiden,
evenals door de grootheid der heldenkarakters, die hij bovenal najoeg.
De alexandrijn, dien hij zich als versvorm voor zijne treurspelen
koos, zou in denzelfden tijd ook voor andere poëzie het meest geliefde
metrum voor hem worden en later blijven. Hij ontnam er den
achttiendeëeuwschen dreun aan door opzettelijk beoogde verscheidenheid van
rust en heeft geene versmaat zoo goed weten te beheerschen, als deze. Hij gaf
er een bovenal zachtvloeiend en wel- | | | | luidend karakter aan, dat zijne
alexandrijnen kenmerkend van andere, bv. van die van
Bilderdijk, onderscheidt en door zijne geheele school is
overgenomen.
Wij vinden het reeds in zijn leerdicht in vier zangen,
Het Graf
1), van 1792, door hem
vooral geschreven onder den invloed van
Young's ‘Night Thoughts’,
zooals hij aan het slot zelf erkent door Young aldus toe te spreken:
‘Mijn ziel was met uw lied en met uw deugd vertrouwd; zij rees, door u
ontvlamd, op vleuglen van gedachten en leerde aan uwe zij' het nietig stof
verachten. Nog gloeit ze op uw gezicht van teedre erkentenis.’ Bovendien
echter noemt hij daar
Milton en
Gellert, en, als wijsgeer, aan wien hij veel te danken
had,
Leibnitz. Ook vertoont Feith's stijl in dit
gedicht soms eenige verwantschap met dien van
Cats, van wiens volledige werken hij in 1790 eene nieuwe
uitgave had bezorgd.
Wij zullen
Feith hier niet in zijne grafbespiegelingen
volgen, maar alleen opmerken, dat hij met dit dichtwerk zijne eerste, eigenlijk
sentimenteele, periode van kunsthervorming afsloot en tegelijk eene tweede
begon, waarvan het karakter reeds in de vorige was voorbereid, zijne
didactische periode, geheel gewijd aan de bevordering van godsdienst en deugd,
zelfs wanneer hij daarvoor later nog meermalen den lyrischen vorm koos. Had hij
vroeger nog smalend beweerd, ‘dat men de minste genie noodig heeft, om in
het leerdicht uit te munten,’ nu kwam hij in zijn Voorbericht in verzet
tegen ‘onze kunstrechters, die zich van dag tot dag meer aan al te
algemeene uitspraaken en bepaalingen schuldig maaken’, en die al in
goeden ernst vragen, ‘of het Leerdicht tot de Poëzij behoore.’
Naar zijne overtuiging nu is het ‘vatbaar voor alle de schoonheden van de
Poëzij: de Genie heeft geen grenspaal; geen onderwerp is zo afgetrokken,
dat een waar dichter het niet zou kunnen verzinnelijken.’ Voor dat
verzinnelijken, waarin, volgens hem, het wezen der poëzie bestaat, is
overigens niet uitsluitend ‘beeldspraak’ noodig: het wordt bereikt,
zegt hij, met de ‘korte ineengedrongenheid van groote | | | | opeengestapelde denkbeelden, door een juist gekozen maat en zin-,
kracht- en harmonij-bevorderend rijm ondersteund,’ zooals hij dan bewijst
door de verzen van.... Voltaire!
|
1)Eene vrij volledige uitgaaf van Feith's
werken gaf Joh. Immerzeel in Rhijnvis Feith, Dicht- en Prozaïsche
Werken, Rott. 1824 XI dln., aangevuld met III dln., Zwolle 1825. Voor
Feith's leven en werken zie men o.a.: Gedenk-zuil voor Rhijnvis Feith,
Leeuw. 1825, waarin voorkomen: eene lofrede op Feith door Mr. M.C. van Hall,
Mr. Rhijnvis Feith geschetst uit zijne gemeenzame brieven door W.H. Warnsinck,
en zestien rouwzangen op zijn dood; Rh. Feith, Genealogie, van de familie
Feith, 's-Grav., 1924, waarin ook eene biographie; J. Winkler Prins, Mr.
Rhijnvis Feith in Vaderl. Letteroefeningen, 1876; J.A.F.L. van Heeckeren,
I ets over Feith in ‘Taal en Letteren’ IV (1894). bl. 145
vlgg., 193 vlgg., 249 vlgg.;J. Koopmans, Rhijnvis Feith in ‘De
Beweging’ 1908, bl. 1 vlgg. en 129 vlgg. en vooral: H.G. ten Bruggencate,
Mr. Rhijnvis Feith. Een bijdrage tot de kennis van zijn werken en
persoonlijkheid, Wageningen 1911.
1)Feith's ‘Lierzang op de Ruyter’
werd in vertaling van P.F.L. von Eichstorff opgenomen in de ‘Deutsche
Blumenlese aus niederl. Dichtern’, Namur 1826, p. 100-105. Daar vindt men
van Von Eichstorff ook eene ‘Abhandlung über die niederl.
Poësie’.
1)Feith liet die ook afdrukken in zijne
‘Brieven over verscheide onderwerpen’, V (1790), bl. 56-64.
2)Zie daarover Paul Holzhausen, Ballade und
Romanze von ihrem ersten Auftreten in der deutschen Kunstdichtung bis zu ihrer
Ausbildung durch Bürger, Halle 1882 (ook vermeerderd herdrukt in de
‘‘Zeitschrift für deutsche Philologie’, XV).
3)Zelve echter noemde Betje Wolff het gevolgd
naar de bij Percy voorkomende Engelsche ballade ‘The Wanton Wive of
Bath’, die inderdaad Bürger's voorbeeld was geweest!
1)In bijzonderheden vindt men ‘de
eerste romancen in ons land en de verhandelingen er over’, vooreerst die
van Feith, maar ook die van Bellamy, Rau, Nieuwenhuyzen en Staring behandeld op
bl. 42-100 van A. Zijderveld, De Romance-poëzie in Noord-Nederland van
1780 tot 1830, Amst. 1915.
1)Zij is opgenomen in de ‘Mengeldichten
van het Amst. Dicht- en Letter-oefenend Genootschap: Wij streven naar de
volmaaktheid’, z-j. (omstreeks 1790).
1)Feith's ‘Julia’ is vertaald in
het Fransch en Duitsch, als ‘Julie par Rhynvis Feith, suivie de quelques
autres morceaux du même auteur, trad. du Hollandais par H.J.
Janssen’, 2 éd. Paris (1796); en ‘Julie von Rhynvis Feith.
Nebst einigen andern Aufsätzen des nemlichen Verfassers'’, Mannheim
1797.
1)Ook deze roman is in het Fransch vertaald,
als ‘Ferdinand et Constance par Rhynvis Feith, traduit du Hollandais par
H.J. Janssen’, 2 éd. Paris (1796).
2)Op Feith's prozaromans werd ongetwijfeld
groote invloed geoefend door Goethe's ‘Werther’, waarover men zie
Appell, Werther und seine Zeit, 3 Aufl. Oldenb. 1882 en H.M. Richter,
Aus der Messias- und Werther- Zeit, Wien 1882. De groote invloed, door
Goethe's ‘Werther’ over het algemeen ook in ons land geoefend, is
behandeld door Karl Menne, Goethe's Werther in der niederl. Literatur in
‘Breslauer Beiträge zur Literaturgeschichte’ VI (Leipzig
1905).
1)Over den invloed der sentimenteele. romans
van Goethe, Miller en anderen in het algemeen zie men Rob. Prutz, Der
Göttinger Dichterbund, Leipzig 1841, Kamprath, Das
Siegwart-Fieber, Wien 1877 en Kraeger, Johann Martin Miller Bremen
1893; maar Ten Bruggencate heeft toch het eerst duidelijk aangewezen, dat meer
dan door Goethe en Miller invloed op Feith is geoefend door Baculard d'Arnaud's
novellenbundel ‘Epreuves du sentiment’ en diens drama's ‘Le
comte de Comminge ou les amants malheureux’, ‘Euphémic ou le
triomphe de la religion’ en ‘Fayel’. Dat Feith verder nog in
't bijzonder den invloed onderging van Rousseau, Young, Sterne, Richardson,
Ossian, Herder, Klopstock, Wieland, Lavater en Gellert, is bewezen door Ten
Bruggencate, Mr. Rhijnvis Feith, Wageningen 1911, bl. 175-222.
1)Zie daarover boven, bl. 44 vlg.
2)In het Fransch werd de ‘Thirsa’
uitg. door Aug. Clavareau, Brux. 1830.
1)Over de stof van Feith's ‘Ines de
Castro’ zie men A.S. Kok in ‘Noord en Zuid’ XVI (1893), bl.
555-559.
1)Zie zijne Verhandeling over het treurspel in
de ‘Bydragen ter bevordering der schoone kunsten en wetenschappen’
I-III, 1793-96, bl. 1-58, 209-258 en 411-452. Hij volgde daarbij, schoon met
afwijkingen, Batteux en stemde in hoofdzaak met Voltaire overeen, voor zoover
althans eenige theorie hem helder voor den geest stond, wat van hem ook niet te
verwachten was.
1)Dit gedicht is vertaald in het Hoogduitsch
als ‘Das Grab, ein didaktisches Gedicht von R. Feith und zwey Oden von J.
Kinker, frei aus dem Holländischen übersetzt von P.F.L. von
Eichstorff’, Zutphen 1821 en in het Fransch als ‘Le Tombeau,
poème en IV chants, suivie de quelques (17) poésies diverses par
Aug. Clavareau’, Brux. 1827 (2éd. 1829). Eene Hebreeuwsche
vertaling van ‘Het Graf’ gaf G.J. Polak in ‘Gedichten en
Redevoeringen in de Hebreeuwsche taal’, 1836.
|
|