|
|
|
| |
XVII. Bilderdijk aan het hof.
Met stille berusting had men hier 's Keizers broeder, Koning
Lodewijk Bonaparte, ontvangen, toen deze 15 Juni 1806 in Den Haag zijne intrede
deed en plaats nam op den troon, zonder dat de kroningspraal hem door zijn
machtigen broeder werd gegund. Geene jubelzangen begroetten hem: hij zou ze
immers toch niet hebben verstaan, evenmin als hij de klaagzangen begreep, die
sommige dichters over de komst van den Franschen prins hadden aangeheven.
Toch zouden de vier jaren van zijn koningschap een tijdperk van
opgewekt letterkundig leven worden, ook door zijne bescherming en aanmoediging,
want hij was een kunstlievend man en hij wilde | | | | bovenal Hollander
zijn en dus ook de Hollandsche kunst bevorderen. Door te toonen, dat hij het
minachtte, gouverneur eener Fransche provincie te wezen, en er prijs op stelde
te regeeren over een onafhanklijken staat, voorzoover hem dat althans mooglijk
was streelde hij het nationaliteitsgevoel zijner nieuwe onderdanen, die - zij
mochten dan republikeinen of orangisten zijn - voor het meerendeel de eerlijke
en welgemeende vriendschap, waarmee hij hun tegemoet trad, aanvaardden en hem
al spoedig ook in zijne goede eigenschappen leerden waardeeren. Had de Keizer
het kunnen gedoogen, dan zou hij wel in staat geweest zijn, hier een duurzaam
koningschap te vestigen, steunende op de genegenheid van een volk, dat met
ontveinsden tegenzin en wantrouwen zijne komst tegemoet had gezien.
Tot de eersten, die voor zich en hun volk goede verwachting van hem
koesterden, en ook op hem een gunstigen indruk maakten, behoorde, wat misschien
niemand had kunnen vermoeden,
Willem Bilderdijk, die eenmaal voor den
Oranjevorst eene koningskroon had gewenscht, maar deze nu aan den Bonaparte
niet misgunde, omdat hij in den grond misschien nog meer monarchaal dan
oranjegezind was. Hij was trouwens lang niet de eenige Oranjeman, dien de
nieuwe koning aan zich wist te verbinden, ten spijt van den Keizer en tot
ergernis van eenige volbloed republikeinen, zooals b.v. Wiselius, die
zijn weerzin om in aanraking te komen met een vleier van ‘den heer
Lodewijk Bonaparte’, zooals Bilderdijk z.i. was, eerst
langzamerhand heeft kunnen overwinnen door de herhaalde en voorzichtige
bemoeiingen van zijne beide boezemvrienden, de professoren Jan Valckenaer en
Theodorus van Kooten, ook republikeinen, maar toch bereid, de verdiensten
zoowel van Koning Lodewijk, als van Bilderdijk te erkennen.
Na een paar maal bij Koning Lodewijk op audientie geweest te zijn en
op diens verlangen in eene memorie den toestand van letteren en wetenschappen
in ons land uiteengezet te hebben, kreeg Bilderdijk verlof, zijne twee
deelen ‘Nieuwe Mengelingen’ aan den Koning op te
dragen. Hij deed dat 10 October 1806 natuurlijk in het Fransch, ofschoon het
eerste deel reeds tijdens zijn verblijf in Brunswijk met eene uitvoerige
voorrede ‘aan den lezer’ was afgedrukt. De oorspronkelijke en
vertaalde gedichten, die in deze beide deelen voorkomen, dagteekenen dan ook
alle uit den tijd zijner ballingschap. | | | |
Dat het den dichter niet ontbrak aan vaardigheid om zich mondeling
en schriftelijk in het Fransch te uiten, blijkt ook hieruit, dat hij eene
enkele maal een Fransch versje heeft geschreven, zooals in dezen tijd een
‘Hommage au Roi’, waarin hij, na de ellende van het land als gevolg
van tweedracht en anarchie te hebben betreurd, zich ten slotte aldus tot den
Koning richt: ‘Sire, vous paraissez, le bonheur va renaître: tout
un peuple à genoux vous demande la loi; le Batave est surpris et
d'adorer un maître, et d'être libre enfin sous le pouvoir d'un
Roi.’
Daarmee was hij reeds hofpoëet geworden, maar hij zou dat al
spoedig nog beslister zijn, toen hij in October 1806 zich door 's Konings
secretaris, den dichter Dupré, liet overhalen, ‘Napoleon’ in
eene ode te bezingen, die Dupré beloofd had in Fransche verzen te zullen
vertalen, wat echter niet gebeurd is, omdat, naar Bilderdijk meende,
het Fransch te zwak was om ‘de stoute uitdrukkingen van onze taal weer te
geven’.
Het was de tweede maal, dat Bilderdijk een gedicht wijdde
aan den Keizer, dien hij twee jaar te voren, bij zijne troonsbestijging, een
‘onmensch’ had genoemd en nu in Pindarischen stijl verheerlijkte
als den Febus, die met zijn ‘wraakboog den gruwbren Python’ der
Omwenteling had geveld, of als een Fenix, ‘na duizend jaar uit grooten
Karels heilige asch’ verrezen. Hij roemde hem als den onweerstaanbaren
krijgsheld, zegevierend over Nijl en Kidon, over Donau, Po en Tyber, over Oder
en Oostzee, waar nu overal ‘de Keizersvlag’ wapperde, terwijl het
op zijne stem ‘vorstenkroonen regent’ en ‘'t Noodlot hem van
de hand vliegt’. Inderdaad, met recht mocht hij zeggen bij het
aanschouwen van Napoleon's wonderdaden: ‘Hier valt de veder der Historie
de grijze Fabel in den schoot.’
Dat 's Keizers verbijsterende grootheid den voor al wat grootsch is
zoo ontvankelijken dichter in vervoering bracht, is te begrijpen, maar dat die
dichter juist een Nederlander, juist Bilderdijk moest wezen, en dat
hij zoo schreef juist op het oogenblik, waarop hij zijne intrede zou doen aan
het hof van Koning Lodewijk, dat konden velen niet begrijpen, zonder tegelijk
te veroordeelen. Men wist bij de uitgave van de ode nog niet, dat aanvankelijk
eene slotstrophe Bilderdijk's hulde tot eene voorwaardelijke maakte.
Is 't heil der aard uw hoofdbedoelen’, zeide hij daarin tot Napoleon,
‘welaan, ontvang mijn hulde dan’; maar vriendenraad bewoog hem,
die | | | | strophe te vervangen door eene andere, die ten slotte toch ook
weer werd geschrapt, en zoo werd Bilderdijk's hulde dan toch
onvoorwaardelijk aangeboden in een tijd, waarop aan Koning Lodewijk zijns
broeders lof nog welgevallig kon zijn. Kort daarop werd Bilderdijk
door den Koning als zijn officiëel leermeester in de Nederlandsche taal
aangenomen en weldra ook aan de Kon. bibliotheek aangesteld op een zeer
voldoend salaris zonder veel verplichting, daar 's Konings ijver om
Nederlandsch te leeren al spoedig bekoelde.
In 1807 wijdde
Bilderdijk in zijn gedicht
‘Zegefeest’ nog eens een loflied aan Napoleon, toen
deze de Pruisen, aan wie Bilderdijk eenmaal het herstel van den
Stadhouder had gedankt, overwonnen en tot den vernederenden vrede van Tilsit
gedwongen had. Ook aan 's Konings huiselijk lief en leed nam hij, voor zoover
dat althans oorbaar was, deel o.a. met twee gedichten: ‘Aan den
Koning’, waarin de dood van 's Konings oudste zoontje, Prins
Karel Napoleon, in Mei 1807 overleden, werd betreurd en tevens het voortbestaan
van Nederland met het optreden van Lodewijk als koning dankbaar werd
vereenzelvigd; en een ‘Vreugdezang’ in 1808, toen
den Koning weder een zoon geboren was, de latere Keizer Napoleon III, wien hij
eene schitterende toekomst voorspelde, wanneer eenmaal ‘Englands Luipaard
in den grond zou bijten’ en dan ‘Frankrijks Arend, Hollands Leeuw
eeuw aan eeuw het aardryk zou beheerschen.’
Mocht men misschien ook toen reeds om die gelegenheidsvoorspelling
hebben geglimlacht, ja zelfs hebben getwijfeld aan 's Konings vreugde over de
geboorte van dien jongen prins, het kind van Hortense de Beauharnais, die het
Nederlandsche hof en haar echtgenoot ontweken was, Bilderdijk's
vereering van den Koning zelf kon toen reeds algemeenen weerklank vinden, want
deze had kort na het aanvaarden van zijne regeering de gelegenheid gehad en ook
aangegrepen om het hart zijner onderdanen te winnen door zijne welgemeende
deelneming en persoonlijke hulp bij Leidens ramp van 12 Januari 1807, toen aan
het Rapenburg een kruitschip gesprongen was, een deel der stad tot
‘ruïne’ was gemaakt en vele Leidenaars, waaronder ook de
hoogleeraren Adriaan Kluit en Jan Luzac, en een zoontje van Van der
Palm jammerlijk om het leven gekomen waren.
Over de vele dichterlijke ontboezemingen, treur-, troost- en
lierzangen, bij gelegenheid van deze ramp in druk verschenen, wenschen | | | | wij niet uit te weiden, en alleen het ‘Dichterlyk
tafereel der stad Leyden’ van
R.H. Arntzenius te vermelden, omdat
Bilderdijk dat bespottelijk maakte door er
allerlei critische versregels tusschen te voegen, zooals hij dat vroeger wel
meer, b.v. ook met
Feith's eerste romance, had gedaan. Kwam deze parodie
alleen in handschrift in omloop, samen met een historisch prozawerk van
Siegenbeek werd van Bilderdijk in 1808
een uitvoerig gedicht op ‘Leydens ramp’ gedrukt, en
gaarne zou hij ook met anderen hebben bijgedragen om geldelijken steun te
verleenen aan zoovelen als door de ramp van al het hunne beroofd waren, indien
hij niet, als altijd, zelf geldgebrek had gehad. Toch deed hij wat hij kon, en
het bleek in dit geval veel te zijn, door voor die slachtoffers de opbrengst te
bestemmen van een groot dichtwerk, dat hij in November 1806 had voltooid en in
het begin van 1807 uitgaf. Dat dichtwerk was een zijner meesterwerken:
De ziekte der geleerden
1).
In dit werk scheen Bilderdijk een geheel nieuw onderwerp
behandeld, naast ‘het platgetreden pad’ een nieuwen weg naar den
Parnas gevonden te hebben, doch inderdaad was dat het geval niet. Zelf sprak
hij van het Latijnsche gedicht ‘Neuropathia’ van
Fleming, waarvan hij zich flauwelijk herinnerde, het als
kind van zes of zeven jaar te hebben gelezen, en waarvan hij zeide, ‘dat
meer dan één Amsterdamsch dichter daar eene vertaling van
ondernam, waarvan echter geene het licht heeft gezien’. Dat was eene
misleidende halve waarheid. Het gedicht van Fleming was door
Bilderdijk's eigen vader in Nederlandsche verzen vertaald.
Ongetwijfeld heeft hij het ook nog op lateren leeftijd in handschrift gelezen
en behoort het tot de bronnen van zijn eigen dichtwerk. Verder is aangetoond,
dat Bilderdijk zijne medische kennis grootendeels uit de werken van
Tissot, Ramazzini en anderen geput heeft en dus de oorspronkelijkheid zijner
medische beschouwingen, waafrop hij zich beroemde, slechts schijnvertoon was
2). | | | |
Bilderdijk diende gaarne - en dat kunstje is nog lang niet
verouderd - de denkbeelden van voorgangers in nieuwen vorm als iets nieuws van
eigen vinding voor. Autodidact op het gebied der geneeskunde noemde hij zich
zelf, en hij was het ook in dien zin, dat hij nooit deze wetenschap grondig in
wording en ontwikkeling had bestudeerd, maar zich uit het toevallig gelezene
een eigen (natuurlijk gebrekkig) geheel had gevormd, zonder zich de herkomst
zijner kennis te kunnen of te willen herinneren. Die kennis was zeker
voldoende, ja meer dan voldoende voor den dichter om er mee te schitteren en te
verblinden, maar wetenschappelijke kennis was het niet, en wat van hem op
medisch gebied geldt, geldt eveneens van hem voor de vele andere vakken van
kennis, waarin hij, vooral ook door zijne meesterachtige critiek op anderen,
den indruk maakte van doorkneed te zijn. In eigen oog was hij dat ook, en
vandaar dat hij als geniaal autodidact niet schroomde, in ieder vak als
gezaghebbend leermeester op te treden en op medisch gebied zelfs de praktijk
uit te oefenen.
Hier echter hebben wij vooral met
Bilderdijk als dichter te maken, en dan moet
reeds dadelijk erkend worden, dat ‘de ziekte der geleerden’ nog
nooit te voren ergens in een kunstvorm als deze onder iemands oogen was
gebracht en dat het dichtwerk in zoover ook geheel oorspronkelijk is, als het
van het begin tot het einde een zuiver persoonlijk karakter draagt, ja
misschien meer dan eenig ander kunstwerk van hem tot een levend beeld van zijne
persoonlijkheid is gegroeid. Leerdicht in den vorm, is het een episch-lierdicht
in oorsprong. Tot ‘de geleerden’ rekende Bilderdijk zich
in de aller-eerste plaats, en onder hunne ‘ziekte’ leed hij bijna
levenslang: zij behoorde tot zijn bestaan, en bij al de ellende, die zij hem
berokkende, verwekte zij toch ook bij hem een eigenaardig lustgevoel, waardoor
het hem mogelijk, ja zelfs behoefte was, die ziekte aan te grijpen als
belangwekkend motief van eene woordschepping, hoog uitklinkend boven het
alledaagsche gejammer van den gewonen zenuwlijder.
Toen Bilderdijk dit dichtwerk schiep, had hij juist zijn
tiende | | | | kind ten grave gedragen. Alles ging bij hem in 't groot.
‘Onmatig uit den aart’ was hij, ook naar zijn eigen getuigenis, en
‘zoodanig was toen bij hem het geweld eener rustelooze
verbeeldingskracht, wier behoefte alle andere in zich meesleepte’, dat
hij met het als in één vaag van werkzaamheid scheppen van dit
dichtstuk, met de uitbeelding van ‘hetgeen hij nooit sterker en in al
zijnen omvang gevoeld had dan toen, alle ander gevoel in dit eenig
verzwolg’. Zoo ‘vloten dan de zes zangen’, waarin het
verdeeld is, ‘uit zijne pen’, zonder vooraf bepaald plan, naar 't
schijnt, zoodat, wie gebrekkige samenstelling er aan verweet, alleen ongelijk
had, omdat hij er iets anders dan een reusachtig lierdicht in zag, want dat is
het.
De eerste zang is niet meer dan eene inleiding: een snerpende
wanhoopskreet over verkwiste levenskracht, een lofzang op de pijn, die den
verkwister waarschuwt, vóór hij zich geheel heeft uitgeput, en
die zelve herstelt, wat anders reddeloos verloren zou gaan, daar immers, naar
hij beweert, ‘ziekte heelingskracht en geen verderving is’. De
tweede zang is eene verheerlijking der ontleedkunst, die de werking der klieren
verklaart en overprikkeling en vermoeienis, ook der hersenen, als uitputting
der vochten leert kennen. In den derden zang treden als levende monsters, die
aan Dante's hel doen denken, de lichaams- en zielekwalen op, zooals de dichter
ze bij eigen ervaring kende, ook juist als dichter, als slachtoffer van de
dronkenschap der verbeelding. Maar diezelfde dichterlijke verbeelding stelde
den onder zijne kwalen schier bezwijkenden dichter in den vierden zang ook de
heerlijkheid der gezondheid voor oogen, den toestand van evenwicht, door
voldoende slaap en ademhaling, spijs en drank, lichaams- en gemoedsbeweging tot
stand gebracht. Met den vijfden en zesden zang verdiept de dichter zich meer in
't bijzonder in de verscheidenheid der ziektebeelden en de middelen ter
genezing, vooral door rust en onthouding, maar ook door verzachtende en
pijnstillende natuurkrachten en allermeest door de wondere geneeskracht der
natuur zelf.
Nu en dan wordt een toepasselijk verhaal uit de oude mythologie ter
afwisseling ingevoegd, zooals van Pan, die zich verschroeit aan het hem nog
onbekende vuur, of van Pelias' dochters, die, met tooverkunst het onmooglijke
beproevend, de verjeugdiging van haar grijzen vader, juist daardoor zijn
ontijdigen dood bewerken; maar in die verhalen bestaat de hoofdverdienste van
het dichtstuk niet. Die bestaat allermeest in hetgeen Bilderdijk
daarin van het zelf | | | | doorleefde in eigen verbeeldingsvorm zijn
lezers voortooverde en in de bewonderenswaardige beheersching der taal, die het
hem mooglijk maakte, het potjeslatijn der pharmacognosie en de kunsttermen der
anatomie door omschrijving of nieuw gevonden woorden in zuiver Nederlandsche
verrassende dichtertaal om te scheppen.
Met dit gedicht had
Bilderdijk zijne stelling bewezen, dat niets
ondichterlijk is voor den waren dichter, ofschoon deze toch iemand als
Bilderdijk moest wezen, om een onderwerp als de ziekte der geleerden tot
poëzie te maken. Geene critiek, geene bestrijding van zijne medische
theorieën hebben dan ook kunnen beletten, dat na de uitgave van dit
kunstwerk Bilderdijk door zijne kunstgenooten als de eerste dichter
van hun tijd is beschouwd, die als een reus boven allen uitstak.
Een paar andere groote dichtwerken, die van hem in 1808 het licht
zagen, konden zijn roem niet vergrooten, alleen handhaven. Het waren
vertalingen: vooreerst van
Kallimachus lofzangen, zes in getal, samen
uitgegeven met de vertaling van 26 epigrammen en van ‘Het hair van
Berenice’ naar het Latijn van
Catullus; en ten tweede van
Pope's ‘Essay on man’ onder den
titel
De Mensch reeds in 1804 gemaakt. Bij de vertaling
van het laatste werk had Bilderdijk zich nog veel grooter vrijheid
veroorloofd, dan ooit te voren hij het vertalen, zoodat men dan ook allerminst
in staat is, Pope's werk te leeren kennen uit de bewerking van
Bilderdijk, die ook zoo weinig zijn geestverwant was.
Veel beter was in dat opzicht de vertaling, die er reeds in 1797
onder den titel ‘Proeve over den mensch’ van gegeven
was door
Pieter van Winter
1),
den zoon van
N.S. van Winter en koopman te
Amsterdam, waar hij in 1745 geboren werd en 23 April 1807
overleed. In eene aanteekening bij zijne bewerking doelde Bilderdijk
blijkbaar in 't bijzonder op deze vertaling, toen hij van vroegere vertalingen
beweerde, dat daarin ‘de onkunde der navolgers in hetgeen een gewone
koopmanstaalkennis te boven gaat op het allerjammerlijkst aan den dag
komt’. Deze minachtende uitlating kon Van Winter, die een jaar
te voren overleden was, niet meer grieven | | | | maar zij grieft ons, als
wij bedenken, dat het juist Van Winter geweest was, die aan
Bilderdijk, bij zijne terugkomst in zijn vaderland, eene aanzienlijke
geldsom geschonken had, om wat ruimer te kunnen leven. Dergelijke geschenken
aanvaardde Bilderdijk alsof zij hem van rechtswege toekwamen, en dat
had hij ten aanzien van Van Winter ook reeds bij diens leven getoond
door eene ongunstige beoordeeling te laten drukken van diens, toch zeker niet
al te slechte ‘Proeve eener nieuwe overzetting van den
Eneas’, die onvoltooid bleef, nadat van 1804 tot 1806 vier boeken
verschenen waren.
Bilderdijk was in dezen tijd onuitputtelijk in
het voortbrengen van nieuwe dichtstukken. In 1808 verraste hij de kunstwereld
met drie treurspelen, waarop in 1809 nog de vertaling van
Corneille's ‘Cinna’ volgde.
Wij komen er later op terug en hebben nu nog van 1808 de beide deelen
‘Najaarsbladen’ te vermelden. Ook daarin komen
zoowel oorspronkelijke gedichten als vertalingen voor. Onder de laatste
behoorden ook ‘Ulysses hellevaart’ en
‘Ulysses t'huisreis’, twee boeken van de Odyssee,
waarmee hij, evenals wat vroeger en wat later met twee boeken van de Ilias, te
vergeefs beproefde ‘de eenvoudigheid'’ van
Homerus in Nederlandsche verzen ‘over te
storten’. Hij zag zelf zeer goed in, dat ‘het nooit Homerus werd,
hoe hij 't ook aanlegde’, en was dan ook veel te persoonlijk dichter om
te kunnen meevoelen met eene gemeenschapspoëzie als die van het
Oudgrieksche epos. Daarentegen slaagde hij uitmuntend in het bevallig en
geestig weergeven van
Barlaeus' Latijnsche gedichten op Tesselschade, die in
zijne ‘Najaarsbladen’ voorkomen.
Van de oorspronkelijke gedichten, die daarin zijn opgenomen, mag de
‘Dichthulde aan Amsterdam’ evenmin onvermeld
blijven, als ‘Mijne Geboortsbestemming’, die beide
onder zijne volledige dichtwerken in de omvangrijke rubriek ‘dichterlijke
zelfbeschrijving’ zijn geplaatst en als zoodanig voor de kennis van zijne
persoonlijkheid van groot belang zijn. Vooral is dat het laatste: een brokje
eigen levensbeschrijving, waarin op levendig schertsenden trant, maar met een
bitter sarcastischen grondtoon, het thema wordt uitgewerkt, dat al zijne
levensomstandigheden als 't ware hadden samengespannen tot zijn ondergang en
dat, nu eindelijk een grootmoedig koning was opgestaan om hem ‘te redden,
te behouden’, die redding niet meer mooglijk was. ‘Vergeefs, het is
te laat’ was de wanhoopskreet, waarmee het gedicht besluit. | | | |
Zóó schreef
Bilderdijk op het toppunt van zijn roem, erkend
als de eerste dichter van zijn volk, bewonderd en beweldadigd door den Koning,
die al zijne nukken verdroeg en wiens eenig Nederlandsch rijmpje
‘Mijnheer Bilderdijk de glorie van zijn rijk’ noemde. Van
staatsambten had hij een afkeer, en toch wenschte hij eene eervolle positie,
zonder regelmatige arbeidsverplichting. Zij werd hem gegeven. Hij was arm. Een
pensioen werd er aan verbonden, dat in enkele jaren tot zes duizend gulden
opklom. Klaagde hij over de erbarmelijke woningen, die hij achtereenvolgens te
Leiden, te 's-Gravenhage, te Katwijk
(waarover hij in zijn dichtstuk ‘Mijn
Buitenverblijf’ jammerde), opnieuw te Leiden, te
Baarn en eindelijk te Amsterdam betrok, de Koning
schonk hem te Utrecht een huis in eigendom en nam dat tegen
schadeloosstelling weer terug, toen hij verklaarde, niets erger te vinden dan
grondeigenaar te zijn.
Voor studie alleen achtte hij zich geschikt, en de Koning benoemde
ook hem in Mei 1808 tot een der eerste leden der tweede klasse van het toen
gestichte ‘Koninklijk Instituut van wetenschappen, letterkunde en schoone
kunsten’. Met hem werden uit de dichters ook
Jeronimo de Bosch,
Meerman en
Loots, en wat later ook
Jan Hinlopen,
J.W. Bussingh,
D.J. van Lennep en
M.C. van Hall benoemd, maar dat hij onder de
leden ook
Jan Scharp,
Paulus van Hemert en
Rhijnvis Feith zou aantreffen, ergerde hem. Met
hen meende hij niet te kunnen samenwerken. Men had hem alleen doen benoemen om
hem te kwellen, zeide hij, en hij verzocht den Koning, zijne benoeming weer in
te trekken. Deze wist hem echter tot andere gedachten te brengen, en inderdaad
heeft hij tot de werkzaamste leden van het Instituut behoord.
Feith was zoo zachtmoedig, zich met hem te
willen verzoenen, en nog altijd ziet men tegenwoordig in de zaal van het
Trippenhuis, waar de Kon. Akademie van Wetenschappen, opvolgster van het Kon.
Instituut, vergadert, als pendanten hun beider beeltenis: dat van
Feith door W.B. van der Kooy, dat van Bilderdijk (in 1810)
door Ch. Hodges geschilderd. Van Febr. 1809 tot Febr. 1811 bekleedde hij door
de keus zijner medeleden zelfs den voorzitterszetel der tweede klasse van het
Instituut.
Al die roem, getemperd trouwens door beleedigingen en aanvallen van
zijne vele vijanden, kon Bilderdijk evenwel niet gelukkig maken. Dat
hij van jongs af een zenuwzwakke was, wiens kwaal met de jaren bedenkelijk
toenam, zal nu niet licht meer door iemand be- | | | | twijfeld worden, want
alle kenteekenen van neurasthenie komen in den loop zijner zeegeschiedenis voor
den dag
1). Zelf gevoelde hij zich
voortdurend ziek, en zag hij telkens den dood, of, erger nog, kindschheid of
krankzinnigheid tegemoet. Op vijftigjarigen leeftijd hield hij zich voor
afgeleefd. Bij herhaling klaagde hij in brieven en verzen over
oververmoeidheid, verzwakking van geheugen, besluiteloosheid of gemis aan
energie, over verschrikkelijke hoofdpijnen en slapeloosheid. Toen hij in rijn
gedicht ‘Mijmering’ zich afvroeg: ‘leef ik dan
in daad en waarheid of is alles schijnbedrog?’ was dat geene
rhetorisch-wijsgeerige vraag, maar de uit eigen gemoedstoestand opgewelde
twijfeluitroep van iemand, die in zenuwoverprikkeling op het punt is, het
duidelijk besef van zijn zelfbewustzijn te verliezen: een toestand, waarin
Bilderdijk dikwijls verkeerde en waarin zijn
dichtleven voor hem de eenige realiteit scheen te zijn.
Zou hij misschien tot de werkelijkheid hebben kunnen terugkeeren als
één levenswensch van hem vervuld was geworden? Als hij aan eene
onzer hoogescholen tot hoogleeraar benoemd was? Wij zouden dat met durven
verzekeren, want terwijl hij niets vuriger wenschte vreesde hij zelf tevens,
dat daartoe de beste tijd reeds voorbij en hij niet meer dan eene schaduw van
zich zelf was. Misschien griefde hem de niet-benoeming meer, dan hij de
aanstelling zelf begeerde. In elk geval zal de niet-benoeming wel de ondergrond
van zijne meer en meer in eene chronische klaagzucht ontaardende ontstemdheid
geweest zijn.
Dat alles echter belette hem niet, ingespannen te blijven studeeren
en schier overmatig te dichten. Van zijne gedichten uit dezen tijd (1809) valt
in de eerste plaats te vermelden de verheven en welluidende cantate voor het
derde verjaarfeest van ‘'s Konings komst tot den
throon’, een lyrisch kunstwerk vol afwisseling. Zijne vrouw
voegde er een klein gedichtje aan toe, geheel in den geest van haar echtgenoot
waarin Koning Lodewijk als een Godsgeschenk aan Nederland wordt verheerlijkt en
stoutweg van 's Konings toen reeds wankelenden troon wordt beweerd:‘ God
stelde, onwrikbaar vast, dien zetel in ons midden’, en waarin ook deze
merkwaardige, blijkbaar zijdelings op Napoleon doelende, versregels voorkomen:
‘Het bloed moge om den stoel van Wareldheerschers vloeien, Zyn' throon
om- | | | | vloeit geen traan dan die der dankbaarheid’. Toen nog in
hetzelfde jaar watersnood Gelderland teisterde, gaf zij onder den titel
De Overstrooming ook nog een Treurzang uit, die
eigenlijk een beschrijvend verhaal is, en eene Romance in twee zangen, waarvan
de eerste uit eene idyllische samenspraak bestaat.
Het jaar 1809 zou aan
Bilderdijk ook een
‘Wapenkreet’ ontlokken, toen in Augustus een
Engelsch leger onder Lord Chatham op Walcheren geland was, zich onmiddellijk
van Middelburg, Veere, het fort Bath en veertien dagen later ook van Vlissingen
had meester gemaakt, waarop spoedig de bezetting van geheel Zeeland door de
Engelschen volgde en Antwerpen werd bedreigd. Dat de dichter de staatkunde van
den Koning niet kende of in elk geval niet diende met het gedicht, waarin de
Engelschen o.a. ‘barbaren, duizendwerf barbaarscher dan barbaren’
genoemd werden, blijkt wel hieruit, dat het op last der Regeering als ‘te
beleedigend tegen Engeland werd opgehaald’. Zeker was het ook niet in den
geest zijner land-genooten, die dezen inval niet ongaarne schijnen gezien te
hebben en voor wie het eene teleurstelling zal geweest zijn, toen reeds in
September tot een langzaam terugtrekken besloten werd, zoodat nog
vóór het eind van het jaar geheel Zeeland weer door de Engelschen
was ontruimd.
De bezetting van het door den vijand verlaten fort Bath op 4
September door Generaal Cort Heyligers was dus geen schitterend wapenfeit en
alleen van belang, omdat Nederlandsche troepen bij die bezetting den Franschen
vóór geweest waren. Toch heeft Bilderdijk in zijn
gedicht
Bath hernomen het feit bezongen als eene
heldendaad van troepen, die inderdaad van het wegtrekken des vijands nog niets
wisten en toch, ‘door nevels uit het West’ gedekt, durfden
voortrukken ‘op 't smal onzichtbaar pad, van stroomen overdolven, van
zeeschuim overspat’, want ‘ja’, zegt hij van dat nageslacht
der onverschrokken Watergeuzen, ‘ja, laat uw baren schuimen, o groots
doorwaadde vloed! Uw zilv'ren waterpluimen versieren hun den hoed. Ziedaar den
echten veder, die Hollands krijgslien past: de lauwer buigt zich neder, waar
dese zeepluim wast!'
Een ander gedicht, ‘De Scheldbewoner’,
dat op denzelfden inval betrekking heeft, verdient slechts voorbijgaande
vermelding, maar opmerkelijk is nog Bilderdijk's gedicht
‘Aan den Koning’ uit het begin van 1810, waarin hij
den Koning smeekt, terug te keeren naar zijn land, waar zijne kinderen
smachtend uitzien naar zijne terug- | | | | komst, zooals kinderen verlangend
den afwezigen vader verbeiden. Misschien wist hij niet, dat de Koning daartoe
niet bij machte was, daar hij te Parijs meer dan drie maanden als gevangen
gehouden werd door den Keizer, die, verstoord over den inval in Zeeland en over
het gevaar, dat Antwerpen had bedreigd, hem zóó tot troonsafstand
wilde dwingen of althans tot het afstaan van het geheele Zuiden van zijn
koninkrijk. Toen Lodewijk eindelijk, na zware offers gebracht te hebben, in
April kon terugkeeren, was het slechts voor korten tijd.
Intusschen ging
Bilderdijk voort met ook andere gedichten te
schrijven, dan die op den Koning of op de tijdsomstandigheden betrekking
hadden. In 1809 droeg hij in Felix Meritis een (eerst in 1811 uitgegeven) groot
lierdicht,
De kunst der poëzy, voor, dat ongetwijfeld
tot zijne beste dichtwerken behoort en tevens eene aesthetische
geloofsbelijdenis is, zooals slechts een dichter als Bilderdijk er
eene kon afleggen
1). Eene
kenschetsing en verheerlijking der poëzie van
Homerus is er de aanloop tot een vernietigenden en
tegelijk bezielenden aanval op de aesthetische theorieën der wijsgeeren en
kunstrechters, die wanen, dat zij kunnen leeren, wat het wezen der dichtkunst
is en hoe de dichter zou moeten dichten. Eenmaal, in den tijd der
Dichtgenootschappen, was ook Bilderdijk zelf als kunstrechter opgetreden,
zooals hij in herinnering brengt, maar die tijden waren voorbij, die vijl was
afgesleten. Maakten de latere wijsgeerige theoristen het nu beter dan de
vorige? Neen, zij weerspraken elkaar, zich bewegend op een gebied, waarop het
verstand machteloos is en slechts twijfel kan wekken. Gelukkig had hij ook dien
twijfel overwonnen, en van dat oogenblik af was de dichtkunst voor hem
‘geen spel meer der verbeelding’, maar een omvademen, een met
zielsgevoel in zich opnemen van het heelal. Toen, zegt hij, ‘toen kende
ik 't leven eerst en wist, dat ik 't genoot, en 'k ademde in mijn zang mijn
eigen boezem uit’. Nu is de bron der poëzie voor hem het gevoel:
‘gevoelen is dichten’. ‘Geen verbeelding, geen geweld van
ijdel klankgejoel, geen vinding van vernuft, geen smaakloos letterpluizen, geen
dweepzucht’ is de dichtkunst, doch ‘teer gevoel, dat niet in woeste
wieling heromzwiert, maar 't gemoed steeds uitstort in bezieling; zich
meedeelt, zich verliest in 't voorwerp, dat men zingt, en | | | | geen
gevergden toon zich ooit van 't harte dringt’. Dichten is ook geen
schilderen naar 't voorbeeld der natuur, zooals Aristoteles leerde. 't Is de
uiting der natuur zelf. De psycholoog moge ‘des menschen ziel
bespien’, om te weten te komen, wat er in den dichter omging, toen hij in
bezieling zijne verzen uitstortte, maar hij kan daarmee evenmin vinden, hoe dat
geschieden moet en zal, als de natuurvorscher aan de natuur hare wetten kan
voorschrijven. In het machtig gevoelen ligt 's dichters kunstkracht. Bezit hij
die, dan zal, als hij zingt, zijn zang waarheid zijn, eene hemelsche waarheid,
waarbij vergeleken 's wijsgeers wijsheid niet meer is dan schijn.
Toen
Bilderdijk dezen lierzang niet met den lof van
Pindarus of welken lierdichter der Oudheid ook aanving, maar zich vol
bewondering het beeld van den grooten heldenzanger der Grieken voor oogen
stelde, was dat niet vreemd. Dat beeld bezielde hem juist in dezen tijd meer
dan iets anders, want ook hij had het aangedurfd, een epos te schrijven. Hij
wilde op zijne, dat is oorspronkelijke, wijze ‘den ondergang van d'
eersten wareldgrond’ zingen na een strijd van heroën, grootscher dan
de Grieksche en Trojaansche godentelgen.
Met stoute verbeelding schiep hij zich zulke heroën, die in den
oertijd van het menschelijk geslacht, vóór den zondvloed, de
wereld zouden hebben bevolkt. Hij dacht zich den hemel bevolkt met Engelen, de
hel met Duivelen, den hof Eden met Paradijsgeesten, het talrijk kroost van Adam
en Eva, geboren vóór hun val en dus onschuldig en onsterfelijk en
daarom ook niet met hunne ouders uit het paradijs verdreven. En buiten dat
paradijs woont op aarde niet alleen het overmoedig volk der Kaïnieten,
maar leven ook de verbasterde nakomelingen van Seth, en dan bovendien nog, naar
zijne voorstelling, een reuzengeslacht, voortgesproten uit de omhelzing van
menschenkinderen door Paradijsgeesten, die uit begeerte naar de menschen den
lusthof hadden verlaten
1). En die Reuzen schildert hij nu als de den Olympus bestormende
Titans en Giganten af, met bovenmenschelijke, maar ruwe kracht strijdend tegen
de wel zwakkere, maar daarentegen veel talrijker menschenzonen. | | | |
Argostan, de vorst der Kaïnieten, wordt in een twist met zijne
eigene, door helgeesten tot bijgeloovige dweepzucht vervoerde, onderdanen
gedood, en zoo staan dan voor de Reuzen de kansen gunstig te meer daar Satan
zijn helleraad bijeenroept om hen te steunen. Maar 's Konings halfbroeder Segol
neemt zijne plaats in en trekt, na zijne vrouw Zilfa onder de hoede van Iram in
het burchtslot van Kenan achtergelaten te hebben, tegen de Reuzen op. Tot
driemaal toe overwint hij hen. Met den waren God, dien hij niet kende, wordt
hij door Regol bekend gemaakt, en dat geeft hem nieuwen moed om de Reuzen, die
in Beth-ur gevallen zijn, te bestrijden, al wordt ook zijn leger door de pest,
het werktuig der hel, geteisterd. Met inspanning van alle krachten weet hij nog
eens de overwinning op de Reuzen te behalen, maar nu wordt hij opeens door een
lichtgloed omstraald, zijne voeten raken geen grond meer, ‘een onzichtbre
hand’ grijpt hem aan en voert hem door ‘den ethersfeer’ naar
boven onder den uitroep ‘Segol! Segol!’
Daarmee breekt het epos af in het midden van den vijfden zang en
Bilderdijk is er nooit toe kunnen komen, het te
voltooien. Eerst in 1820 heeft hij het fragment uitgegeven, het aan anderen
(zooals Isaac da Costa en S.J.E. Rau) overlatend, zich voor te stellen, hoe het
verder verloop zou geweest zijn van dit reuzenwerk, waarvan, na eene
paradijsbestorming, de zondvloed,
De ondergang der eerste wareld, zooals de titel
luidt, het geweldig slot zou hebben gevormd
1). Eene rol van beteekenis zou in het
verder verloop ongetwijfeld ook gespeeld zijn door den zoon van Elpine, wiens
geboorte in den tweeden zang tegemoet wordt gezien. Ook die zoon behoort tot
het reuzengeslacht, want zijn vader is een Paradijsgeest, die tot schrik van de
vrome Elpine den onheiligen eed zweert, dat hij zal trachten het | | | | paradijs voor haar en hun kind te heroveren. Hem zou men dus later bij
de bestorming van het paradijs als aanvoerder hebben kunnen verwachten, maar
het komt mij voor, dat iemand als Bilderdijk nooit zeker is, een
dichtwerk van eenigen omvang zóó te zullen voltooien, als hij het
zich had voorgesteld. Zulk een werk werd niet door hem, maar in hem voortgezet:
het ontwikkelde zich als vanzelf in hem en iedere nieuw ontvangen indruk kon
verandering brengen in het plan.
Zeker is het, dat geene macht in staat zou geweest zijn,
Bilderdijk te bewegen, het groote werk voort te
zetten, toen hij het eenmaal had gestaakt. En waarom heeft hij het gestaakt?
Hij zelf gaf later als oorzaak de tijdsomstandigheden op en verklaarde in 1812
aan zijn vriend H.W. Tydeman, ‘niet in de geestgesteltenis te zijn, die
een heldendicht vordert’, maar voegde daaraan de volgende zeer
opmerkelijke woorden toe: ‘laat ik 't recht uit bekennen. Ik heb niet
genoeg op met het Heldendicht als zoodanig om er uit my zelven en zonder
incitament van buiten op den duur en met onverdeelden ijver en lust aan te
werken. 't Is by my steeds een bijsoort en de ware Poëzy in haar
zuiverheid acht ik den Lierzang. Voor dien was ik eertijds gestemd, en dit
moest met afneming van vermogens my wel tot het didactische brengen’.
Dat zal wel de volle waarheid zijn. Aan stoutheid van verbeelding
ontbrak het Bilderdijk allerminst, en zoo iets daarvan getuigt, dan is
het dit breed opgezette epos. Zoolang de verbeelding door zijn gevoel werd
gedragen, verschafte de taal hem gewillig de gloeiende kleuren, waarmee hij ook
hier tafereelen wist te schilderen, maar dat hij, wat al te eenzijdig, het
gevoel alleen als de ziel der poëzie beschouwde, heeft zich hier gewroken.
De onbedwingbare zucht tot verbeelden zelf (ook een gevoel, maar van minder
persoonlijken aard) was niet sterk genoeg bij hem aanwezig, en juist deze is
een onmisbaar vereischte om als episch dichter onder den scheppingsarbeid niet
te bezwijken, zooals met Bilderdijk het geval is geweest.
|
1)Door Bilderdijk zelf is De Ziekte der
Geleerden tweemaal uitgegeven: te Amst. 's-Grav. in 1807 en te Rotterdam in
1828. Later is het dichtwerk, behalve in Da Costa's uitgave van ‘De
Dichtwerken van Bilderdijk’ (1858), nog afzonderlijk uitgegeven
‘met inleiding en aant.’ door J. David, Leuven 1848 en, eveneens
met toelichting, door P. Kat Pz. in het Klass. Lett. Pantheon Nr. 20 Zutphen
1893.
2)Voor dit dichtwerk zie men in 't bijzonder:
A. de Jager, in ‘Taal- en Letterbode’ III (1872) bl. 316 vlg.,
P.F.Th. van Hoogstraten, in de ‘Dietsche Warande, N.R. III (1881) bl.
440-472 en W.B. van Staveren, Bilderdijk en de Geneeskunde in het
Bilderdijk-Gedenkboek’ (1906) bl. 263-332, Daartegenover schreef Rijk
Kramer in een referaat gehouden op de Alg. vergadering der Vereen. tot Christ.
verzorging van zenuwlijders in Nederland (1906), handelend over ‘De
ziekte der geleerden’, Bilderdijk's eigen psychiatrischen toestand
veeleer dan aan neurasthenie aan tuberculose toe. Verder zie men nog G.
Swartendijk Stierling, ‘Beschouwingen betr. ‘De ziekte der
Geleerden’ van Mr. W. Bilderdijk’, 's-Grav. 1909.
1)Afgezien van een paar prozavertalingen, was
Pope's ook bij ons zeer geliefd gedicht reeds vooraf (in 1744) uitgegeven in
eene vertaling van Kornelis Elzevier, terwijl in 1797 ook nog eene andere
vertaling in dichtmaat anoniem het licht zag, die bij een herdruk ('s-Hertog.
1820) het werk van Jakob van der Dussen bleek te zijn. Eene nog later
verschenene, van Adriaan van den Ende, vermeldden wij boven, bl. 216.
1)Zie daarover mijne studie Bilderdijk
lotgenoot van Multatuli, Haarlem 1890.
1)Met Bilderdijk's dichterlijke uiteenzetting
zijner aesthetische grondbeginselen in De kunst der poëzy (opnieuw
afzonderlijk uitg. door P.F.Th. van Hoogstraten, Utrecht 1873) vergelijke men,
wat hij daarover in proza schreef in de ‘Briefwisseling van Mr. W.
Bilderdijk en M. en H.W. Tydeman’, I bl. 72 vlg.
1)Bij zijne uitgave wees Bilderdijk zelf in
eene voorrede aan den lezer het reeds van vóór Christus
dagteekenend, in den Zendbrief van Judas vermelde, daarna langen tijd verloren,
maar eerst fragmentarisch in het Grieksch en in Bilderdijk's tijd in het
Aethiopisch teruggevonden Boek van Henoch aan als de bron van de door
Bilderdijk gewijzigde fabel, dat uit huwelijken der Wachtengelen van het
Paradijs met de dochteren der menschen een geslacht van Reuzen zou geboren
zijn.
1)De Ondergang der eerste wareld is niet
alleen herdrukt in Da Costa's uitgave van ‘De Dichtwerken van
Bilderdijk’ (1858) en in Van Vloten's ‘Bloemlezing uit de
dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk’, Leiden-Dev. 1869 bl. 407-431,
maar ook afzonderlijk herdrukt in 1834 en daarna door Is. da Costa onder den
titel Bilderdijk's epos of de vijf bestaande zangen van den Ondergang der
eerste wareld, Leeuw. 1847 (of eigenlijk reeds 1845, zooals de voorrede
heeft). Daarin vindt men niet alleen eene uitvoerige Inleiding, maar ook
varianten en aanteekeningen en verder vier verhandelingen: 1e het ontwerp des
geheels, 2e hoofdpersonen en karakters van het dichtstuk, 3 e
terugblik op het dichtstuk en op den dichter, en 4 e (ook reeds uitg.
in 1839) Bilderdijk en Goethe. Een ander ‘Ontwerp van Bilderdijks
epos’ of poging om te beredeneeren, hoe het verloop er van zou geweest
zijn, indien het voltooid ware, hebben wij met aanteekeningen op het dichtwerk
van S.J.E. Rau (geb. 1801 † 1887), doch eerst na diens dood verscheen
het bij eene uitgave van ‘De Ondergang der eerste wareld door Mr. Willem
Bilderdijk’, Haarlem (1890).
|
|