|
|
|
| |
XVIII. Het koninkrijk Holland.
Het is een begrijpelijk, ja bijna natuurlijk zwak van den kunstenaar
als uitvloeisel van zijne te groote subjectiviteit, dat hij de kunst | | | | van zijn eigen tijd voor de voortreffelijkste houdt en alle vroegere
kunst, daarbij vergeleken, verouderd waant. Glimlachend ziet de
geschiedvorscher dien ijdelen waan in iedere kunstperiode weer opnieuw
ontstaan, in spijt van de ervaring, dat alleen mode en manier, alleen
schijnwaarheid kan verouderen, maar dat de continuïteit in de ontwikkeling
der menschheid een waarborg is voor de blijvende heerschappij zoowel der
oprecht gemeende kunst van het verleden, als der door het voorgeslacht
onweerlegbaar gestaafde waarheid, wier levensduur alleen door hare levenskracht
wordt bepaald, en dat slechts tijdelijk vooroordeel of eenzijdige sympathie
kunst en wetenschap tot eene modezaak kunnen verlagen. Toch zou men verkeerd
doen, zich alleen te ergeren aan de zelfoverschatting der kunst van eigen tijd,
omdat zij meestal een teeken is van levendig kunstgevoel en scheppingsvreugde,
zonder welke alle kunst kwijnt.
Daarom vermelden wij met een glimlach, maar zonder ergernis, ja
zelfs als een verblijdend verschijnsel van opgewekt kunstleven, zooals in het
koninkrijk Holland, niet het minst door de belangstelling van den Koning zelf,
valt op te merken
1), dat
Jan Frederik Helmers in de voorrede zijner
‘Gedichten’, die hij in 1809 en 1810 in twee bundels
herdrukt of voor het eerst uitgaf, van ‘onze Vaderlandsche
Dichtkunst’ beweerde: ‘zij is, naar mijne gedachte, thans tot eene
hoogte opgevoerd, waarop zij zich misschien nimmer bevonden heeft,’ en
dat hij daarop dan deze versregels liet volgen:
‘Wie waagt het thans, met Pindaars vlugt,
Te dringen door de onmeetbre lucht,
Den Zonnegod een' straal van 't eeuwig licht te ontrooven?
Gij kunt dit, Bilderdijk, gij, Feith,
Gij, Kinker, Tollens, Loots, Van Hall, gij schiet naar boven,
En baadt u in de onsterflijkheid;
Mij is 't genoeg van verre U, aadlaars, na te staren,
Wanneer ge op breede wiek de heemlen door wilt varen,
Dáár 't ongeziene ziet, met Jovis bliksem speelt
En, neergedaald op de aard', het lied der liefde
kweelt’.
Natuurlijk is Helmers' nederigheid slechts voorgewend om de
kracht zijner uitspraak niet door eigen lof te verzwakken in het oog zijner
lezers, die toch wel wisten, dat ook hij onder de beste dichters zijns tijds
meetelde. | | | |
Bilderdijk noemde hij in de eerste plaats, en
in de tweede
Rhijnvis Feith, den veteraan uit het begin
dezer periode, die nog was blijven voortgaan met het uitgeven van nieuwe
dichtbundels of dichtwerken, bijna uitsluitend in dienst van godsvrucht en
zedelijkheid, waartoe zijne belangstelling zich allengs had beperkt. In 1806
verschenen van hem in een bundel met uitvoerige prozaäanteeke ningen en
naschrift vijf
Brieven aan Sophië in alexandrijnen, die de,
reeds te voren door hem in proza bestreden, wijsbegeerte van Kant tot onderwerp
hadden. Deze was meer en meer zijne nachtmerrie geworden, naarmate zij aan onze
hoogescholen meer aanhangers en halve aanhangers had gewonnen. De laatsten
vooral ergerden hem, daar de neiging van velen, om de Kantiaansche wijsbegeerte
en het Christendom met elkaar in overeenstemming te brengen, voor het
Christendom, zooals hij dat opvatte, gevaarlijker was, dan het zuiver
Kantianisme, terwijl naar zijne overtuiging ‘de beginselen der Kritiesche
wijsbegeerte zich volstrekt met het Christendom niet verdragen’. Daarin
nu had hij zeker gelijk, omdat hij uitging van de meening, dat ook het
oorspronkelijk Christendom eene door wonderen gestaafde Godsopenbaring was; en
had hij er zich toe kunnen bepalen die stelling te betoogen, dan zou hij,
ondanks de bij hem ongewone stroefheid zijner dikwijls strompelende
alexandrijnen en de bijna geheele afwezigheid van dichterlijke bezieling, zijn
pleit misschien hebben kunnen winnen. 't Is echter zoogoed als alleen zijn
derde brief, waarin dat zwakjes wordt betoogd.
De beide eerste brieven bevatten daarentegen eene onbeholpen
bestrijding der door hem niet eens goed begrepen Kantiaansche wijsbegeerte, en
de beide laatste eene weinig logische beredeneering der voortreffelijkheid van
het Christendom.
Kant's ‘reine vernunft’ is in zijn oog een
veel te wankelbare grondslag voor diens ‘praktische vernunft’, die
hem ter prooi geeft aan hopelooze onzekerheid en zijn hart gekeel onbevredigd
laat. Als hij Kant's beginsel ‘de deugd om de deugd’ bestrijdt met
argumenten aan
Rheinhard's ‘System der Christlichen
Moral’ ontleend, blijkt het duidelijk, dat hij de voorkeur geeft
aan ‘de deugd om het loon’ (d.i. de hemelsche gelukzaligheid). Hij
mist in Kant's godsdienst het zekerheidgevend geloofsvertrouwen, in Kant's
zedeleer de geruststelling der schuldvergiffenis door Jezus' zoendood, die hem
alleen een kalm sterfbed konden verzekeren.
Niemand zou hem zeker het uitspreken van deze overtuiging | | | | kwalijk hebben genomen, als hij zich daarbij niet zoo hooghartig over
een denker als Kant had uitgelaten door diens taal ‘dor en stug’ te
noemen, ‘vol bastaardwoorden, meest gedrochtlijk zaamgepaard en
zóó donker, dat zij elk verschillend om doet dolen’, door
hem zelfs jacht op diepzinnig schijnende duisterheid toe te dichten en te
spreken van zijn ‘beuzelpraat’ en zijn ‘onbescheid, dat een
aantal aterlingen ons als godspraak op wil dringen’. Daartegen moesten
die aterlingen wel in verzet komen. Had
Van Hemert te voren reeds in een ernstig betoog
aangetoond, dat
Feith van Kant's wijsbegeerte niet veel
begreep, nu trok
Johannes Kinker tegen hem op, maar met licht
geschut, omdat hij hem eene ernstige bestrijding niet waard achtte. Hij
beantwoordde namelijk in 1807 de ‘Brieven aan
Sophië’ met schertsende
Brieven van Sophië aan Mr Rhijnvis Feith,
waarin zij hem zijne vele onjuistheden onder het oog bracht op dien familiaren
toon, dien hij als hekelaar zoo gaarne aansloeg, doch die ons nu mishaagt,
zoodat wij betwijfelen, of hij wel doel getroffen heeft. Letterkundige waarde
hebben deze brieven nog minder dan die van Feith, en zeker konden zij
evenmin de vergelijking met de geestige brieven van Horatius doorstaan, waarop
Feith zich al te onvoorzichtig voor den stijl zijner brieven
beriep.
Intusschen was Kinker, toen hij met Feith's bestrijding van
Kant den spot dreef, zelf al geen zuiver Kantiaan meer,
hoeveel eerbied hij ook steeds voor den grooten Koningsberger is blijven
gevoelen. Wel had hij in Kant's voetspoor nog in 1800 met zijn lierzang
‘God en Vrijheid’ en in 1803 met de vierregelige
strophen van zijn ‘Wilskracht en Deugd’ het ethisch
determinisme bestreden maar toen hij in 1805 met zijne ‘Gedachten
bij het graf van Kant’ aan dien grooten wijsgeer (‘die als
een God op aarde daalde’, zooals hij zeide) zijne dankbare hulde bracht
en diens onschatbare verdiensten in een helder licht stelde, was hij toch
blijkbaar reeds een geheel eind meegegaan met
Schelling, als wiens geestverwant hij zich vooral later
zou doen kennen, althans zoolang en voor zoover deze de denkrichting van
Kant en
Fichte bleef volgen en daarin voortbouwde, maar nog niet,
zooals in zijne latere periode, tot eene mystieke theosophie vervallen was, die
ook hem in Kinker's oog tot een obscurant moest maken. In dezen tijd
(1808) dichtte Kinker nog een ‘Klaagzang bij het graf van
Johan Rudolph Deiman’, den diepdenkenden natuur- en scheikundige,
die tot zijne beste | | | | vrienden en ook tot Kant's leerlingen had
behoord. Als ijverig vrijmetselaar leverde hij nog verschillende liederen als
bijdragen tot het in 1806 door W. Holtrop verzamelde ‘Gezangboek
voor vrijmetselaaren’.
Cornelis Loots ging voort, hooggestemde
lierzangen te schrijven, niet alleen bij ‘Leydens
ramp’, maar vooral ook ter verheerlijking van de kunst. In 1806
zong hij ‘De voortreffelijkheid van den Mensch in de beoefening
der schoone kunsten’, en in 1807 droeg hij te Amsterdam in de
stads teeken-akademie zijn ‘Lofzang aan de
Schilderkunst’ voor. ‘Nooit deed mij stouter aandrift
zingen’, zoo vangt die lofzang aan, waarin hij o.a. van Rembrandt zegt:
‘Als Schepper komt hij nederdalen; hij wil ‘het licht’ en 't
licht is daar’.
Vele kunstgenooten wist Loots te bezielen. Zijn lierzang
‘De voortreffelijkheid van den Mensch’ ontlokte eene dichterlijke
hulde aan
Christiaan Nicolaas Bastert, die nederig
getuigde: ‘Wij pogen, vol van vuur, uw krachten na te streven, maar
duizlen voor zoo steil een vlugt’. De jonge dichter, die wel wist, dat
‘het weinigen gegeven is, ten top der kunst te streven’, zooals
Loots, heeft zelf dat doel niet mogen bereiken. Hij stierf kort
daarna, 19 Juni 1806, maar had toch reeds in het jaar van zijn overlijden met
een dichtstuk ‘Kunst en Vriendschap, de waardige genoegens voor
den redelijken mensch’ en in 1804 met een edelen lierzang
‘Aan de Bataafsche dichters’ getoond, een waardig
leerling van Loots te zijn.
Tot diens vele bewonderaars behoorde ook
Hendrik Harmen Klijn
1), die in 1806
een lofdicht ‘Op Cornelis Loots’ uitgaf. Hij zelf
was 5 Maart 1773 te Amsterdam geboren, waar hij eerst 24 Februari
1856 overleed. In dezen tijd trad hij als populair-wijsgeerig leerdichter op en
ofschoon hij zich met zijne eerste afzonderlijk uitgegeven dichtstukken, zooals
‘De mensch een volmaakbaar wezen’ (van 1805), een
lierzang ‘Johan van Oldenbarnevelt’ (van 1806), het
dichtstuk ‘De Mensch’ (van 1808) en ‘De
Starrekunde’ (van 1809), slechts een zwak navlieger van Loots en
Helmers toonde, werden zijne verzen welwillend ontvangen, en mocht hij zich al
spoedig in grooter dichtroem verheugen, dan | | | | waarop zijne rhythmisch
niet onverdienstelijke, maar overigens al zeer weinig oorspronkelijke en
daardoor tamelijk vervelende dichtwerken hem aanspraak schenen te geven. Met
zijn broeder
Barend Klijn (geb. 21 Dec. 1774, † 13 Jan.
1829), die later ook dichtbundels heeft uitgegeven, bestuurde hij te
Amsterdam eene suikerfabriek.
Begrijpelijker is de nog grootere dichtroem, dien
Hendrik Tollens zich in dezen tijd verwierf,
vooral sedert in 1808 een bundel ‘Gedichten’ van hem
verschenen was, die, later door nog twee andere gevolgd, evenals deze
verscheidene malen is herdrukt en de grondslag voor zijne bijna ongelooflijke
populariteit is geworden. Niet alles in dezen bundel en in den tweeden, die
zijne gedichten van na 1808 bevat, werd natuurlijk in dezelfde mate populair.
Het minst werd dat zeker zijn lofzang op ‘De
Verlichting’ (1806), waarin hij de worsteling van het licht des
geestes tegen de duisternis van het obscurantisme als allegorie beschreef; en
evenmin de te gezwollen ode ‘De gedachte’ (1809),
die van denzelfden geest bezield is.
Ook hoogdravende lierzangen als ‘Willem de
Eerste’ en ‘Tafereel van den vierdaagschen
zeeslag’, beide van 1807, zullen wel het meest in letterkundige
kringen genoten zijn, al kon de laatste ook daarbuiten wel waardeering vinden
om de levendigheid en aanschouwelijkheid, waarmee in kleurige taal de zeeslag
geschilderd is, zoodat inderdaad het door woorden opgeroepen geestesbeeld een
schilder in staat heeft gesteld, het voor het zinnelijk oog af te teekenen.
Toch komt de oorspronkelijke dichtgave van Tollens niet
boven alles in deze lierzangen uit, die hij later ook zelf niet voor zijne
beste gedichten hield. Zijne populariteit berust op zijne vaderlandsche
romances, zijne huiselijke stukjes en dat eigenaardig soort van kleine
leerdichtjes in lyrischen vorm, waarin hij lessen van levenswijsheid aanbood,
maar met een vriendelijken glimlach en soms in een guitigen trant, die alle
gedachten aan zedenpreekerij verbande.
In dien trant is b.v. het ‘Makkers, roept geen wee en ach om
de rampen van den dag!’ geschreven, dat hij zijn te veel
jeremiëerenden tijdgenooten in 1805 ter ‘Bemoediging’ toeriep.
Een zelfde blijmoedige toon klonk uit ‘Mijn
levenslampje’ (1806), ‘Het bloempje der
hoop’ (1807) en zelfs uit ‘Het Rad van
Avontuur’ (1808), dat iedereen, ook hem zelf, meesleurt, onderst
boven wentelt | | | | en zoo de wereld doet doortuimelen, waarbij van geluk
mag spreken ‘wie veiligst in het midden zit’. In
‘Verjaardag’ wordt de ‘nimmer moegerende
Tijd’ vergeleken bij den ‘voerman, die den wagen rijdt over bergen
en door dalen’, zonder bij dien wilden galop een oogenblik van verademing
te gunnen, vóór de eindpaal bereikt is, de rust van het graf aan
de poorten des hemels. Met de uitdrukking ‘moegerende Tijd’ volgde
Tollens
Bilderdijk, die in zijn gedicht
‘Herfst’ (van 1800) van de ‘moegerende
zon’ had gesproken. ‘Het geplukte bloempje’ is
eene vriendelijke waarschuwing aan ‘lieve Lize’, dat na vluchtig
genot de geplukte bloem verflenst en vertreden wordt; maar is die waarschuwing
in den wind geslagen, dan heeft
Tollens toch ook weer een woord van innig
meegevoel te richten ‘Aan een gevallen meisje’
(1806), dat hare bittere droefheid over hare verloren eer en uitgebloeide jeugd
vrij moge uitschreien, dat volle recht heeft, den bewerker van hare schande te
haten, maar dan verder ook haar troost mag en kan vinden in de moederweelde,
die haar lijden verzacht. Vooral het laatste gedichtje heeft menigeen tot diep
in de ziel geroerd.
Dat deden ook vele van zijne huiselijke stukjes, zooals
‘Het huwelijkshulkje’ (1808), waarmee men zoo rustig
spelevaart, als het verstand maar stuurman, de liefde reeder, de trouw bootsman
is; en zooals het gevoelvolle dichtje, waarin ‘Het huiselijk
geluk’ (1805) wordt vergeleken bij een zoeten droom, niet
verstoord door de stormen, die er loeien buitenshuis, een zóó
schoonen droom, dat den dichter zelfs ‘bij d'afscheidsgroet van 't leven,
stervend van zijn kroost omgeven’, de zalige uitroep: ‘God wat heb
ik zacht gedroomd!’ wordt ontlokt. Dat was zeker eene eigenaardige
opvatting der wijsgeerige gedachte ‘het leven een droom’. Van meer
persoonlijken aard is zijn ‘Goede reis aan mijn jongste dochtertje
bij hare geboorte’ in 1806, en het weemoedige ‘Bij
den dood van mijn tweejarig dochtertje’, ‘'t liefste roosje
van zijn gaarde’, in de valsche, wreede Meimaand van 1809 onder bloei en
vogelenzang ‘van zijn stengel afgereten, van zijn boezem
losgescheurd’.
Van Tollens' vaderlandsche romances dagteekenen er uit
dezen tijd nog slechts twee: ‘Jan van Schaffelaar’
(1807) en ‘Albrecht Beiling’ (1809)
1). Dat zijne
keus op zulke onderwerpen | | | | viel en zich afgewend had van de meer
romantische stof, vroeger door hem onder
Feith's invloed behandeld, schijnt mij te danken aan de
kennismaking met
Bilderdijk's ‘Floris de
Vierde’, waarin voor 't eerst onze eigen geschiedenis aan de
romance dienstbaar is gemaakt. De vaderlandslievende geest, die er toen
heerschte en de schoonste bladzijden uit onze historie bij voorkeur deed
opslaan, verzekerde reeds van te voren aan zulke verhalen den algemeenen
bijval. Het karakter der romance leidde er van zelf toe, veeleer enkele
moedige, edelmoedige en vooral zedelijk-fiere daden, dan grootsche en bloedige
krijgsbedrijven te schilderen, die Tollens ook minder aantrokken dan
Bilderdijk, vooral omdat daarvoor bij hem, evenals bij velen, de bewondering
wel wat geluwd was, nu met de ‘grande armée’ ook zoovele
Nederlandsche jongelingen voor den roem van Frankrijks keizer waren opgetrokken
en weldra in nog grooter getale zouden moeten optrekken, om nooit terug te
keeren.
Mannen als Jan van Schaffelaar en Albrecht Beiling, schoon
onbeduidende bijpersonen voor het algemeen geschiedverloop, waren ook helden,
maar zij waren ons sympathieker dan Napoleon's maarschalken, en stonden
zedelijk hooger: dat begon men toen te begrijpen. Een afscheid als Van
Schaffelaar van zijne makkers neemt met de woorden: ‘Aan mij is de eer,
aan mij de pligt, zoo heilig aan mijn moed, op mij alleen weegt heel het wigt
van uw onschatbaar bloed’ was grootscher in veler oog dan het winnen van
een veldslag; en trotsch was ‘'t Hollandsch hart, het Hollandsch bloed te
herkennen’ in Beiling, op den bepaalden dag voor de poort verschenen, om
‘eer en woord’, die hij geborgd had, weer te eischen en zelfs den
Hoek een traan af te dwingen ‘om Kabeljaauwsche deugd’. Meer zelfs
dan Bilderdijk kon
Tollens indruk maken met zijne romances, omdat
hij den eenvoud, dien zulk een verhaal vereischt, beter wist in acht te nemen,
zijne helden natuurlijker, en daarom misschien juist treffender, sprekende
invoerde en met enkele trekken den geheelen toestand wist te teeke- | | | | nen, daarbij die punten markeerend, waarop het vooral aankwam. Dat hij toch
soms uitdrukkingen koos, die wij nu misschien wat overdreven, wat rhetorisch
zullen vinden, kan worden toegegeven als men maar bedenkt, dat de woorden in
zijn tijd eene wat andere kleur hadden, dan in den onzen.
In den trant van
Tollens, al schreef hij ook geene romances
dichtte in dezen tijd ook een zoon der Noordelijke provincies
Hajo Albert Spandaw
1),
23 October 1777 te Vries in Drente geboren, in 1799 te
Groningen in de rechten gepromoveerd, van 1803 tot 1811 secretaris
der beide Oldambten, later in verschillende rechterlijke ambten werkzaam en 28
October 1855 te Groningen overleden.
In 1803 gaf hij, na eerst iets in het treurspel beproefd te hebben,
‘Gedichten en Redevoeringen’ uit, in 1805
‘Gedichten’ en in 1809
‘Poezy’, waarvan de inhoud grootendeels aan Tollens
herinnert, zooals, om slechts enkele gedichten te noemen, ‘De gelukkige
man’ (1800), ‘Het huiselijk geluk’ (1808), ‘De ware
vreugd’ (1809) en verschillende gedichten aan Gade en Kind. Toch noemt
hij in 1800
Bellamy en
Feith,
Loots,
Vereul en
Bilderdijk zijne leermeesters en
Tollens niet. Deze was toen trouwens nog maar even
opgetreden en daarom mogen wij in Spandaw veeleer een geestverwant dan
een leerling van hem zien. Geheel toevallig zal die geestverwantschap echter
wel niet geweest zijn, als wij bedenken, dat hij vooral ook zijne meesters zag
in Duitsche dichters als
Gleim en
Stolberg,
Hölty,
Claudius en
Voss, die ook op Tollens grooten invloed hebben geoefend.
Opmerking verdient het in verband daarmee, dat hij in 1808 van Voss hetzelfde
aardige liefdestooneeltje ‘De Spinster’ vertaalde,
waarvan Tollens' vertaling op muziek gebracht en veel gezongen is.
In 1807 gaf Spandaw een dichtstuk van grooter omvang in
vier zangen uit, getiteld
De Vrouwen, waarbij wij wat langer moeten
stilstaan, omdat het als zijn voornaamste werk mag beschouwd worden. Den
eersten zang had hij reeds in 1804 voltooid, maar | | | | toen verscheen
het dichtwerk ‘De Verdienste der Vrouwen’, door
Barend Nieuwenhuizen vertaald naar
‘Le mérite des femmes’ van
J.-B. Legouvé. Dat ontmoedigde hem eerst, omdat
daarin dezelfde stof was behandeld, als hij zich gekozen had; maar weldra
besloot hij dat gedicht ongelezen te laten en met het zijne voort te gaan, want
eene onweerstaanbare aandrift dreef hem, de vrouw, ‘het pronkstuk van 't
heelal’, te bezingen.
Zijn eerste zang is eene algemeene inleiding. De vrouw heet daar
voor de aarde, wat voor de natuur de lente is, waarvan de dichter de
bekoorlijkheden verdienstelijk schildert. Haar invloed alleen is het, waardoor
de edelste aandriften in den man tot ontwikkeling komen. Dan wordt de lof
gezongen van het uiterlijk schoon der vrouw: de schelp, om zich hooger te
verheffen bij het roemen van de innerlijke deugden harer ziel: de parel. Met
eene, ten gunste van de vrouw uitvallende, vergelijking van man en vrouw wordt
de eerste zang besloten. De tweede is vooral gewijd aan den zedelijken moed der
vrouw, toegelicht door voorbeelden uit de Romeinsche geschiedenis en ook uit
die van het vaderland, door verheerlijking van Kenau Hasselaar, Maria van
Lalain en de echtgenooten van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot. In den derden
zang treedt de vrouw als kweekster der kunst en vooral ook als dichteres op.
Eene lange reeks van Nederlandsche dichteressen gaat dan aan 's lezers oog
voorbij, maar het meest wordt de aandacht gevestigd op
De Lannoy en
Van Merken,
Wolff en
Deken, en ook op jongere, als
Maria Petronella Elter-Woesthoven en
Petronella Moens. De vrouw als ‘gade en
moeder’ is het onderwerp van den vierden, laatsten en langsten, zang, en
hier vooral toont de dichter eene gevoeligheid van hart, die sympathisch
aandoet en hem recht gaf op de populariteit, welke hij zich geruimen tijd bij
de vrouwen, maar ook bij de mannen, kon verwerven.
Deze dichters waren het, met
Bilderdijk aan de spits, wier werken
Helmers in den waan hadden gebracht, dat nooit
te voren onze dichtkunst zulk eene hoogte had bereikt, ook vergeleken met die
van onze naburen, die wij, zooals hij in 1809 aan Tollens schreef,
‘op het oogenblik zeker overtreffen’. Nu was het voor
éénoog niet meer mooglijk koning te zijn: ‘de
Haverkorns, Loosjes en Barbassen’ zegt hij,
‘kunnen hunne eeuwige rijmen voortzetten, niemand wil ze meer voor
dichters erkennen’. Zij zetten ze ook voort, althans op dramatisch
gebied, en
Barbaz
| | | | zelfs in het Fransch en het
Nederlandsen tegelijk, zooals met zijn uit eigen Fransch vertaald dichtstuk:
‘De Veldtogt der drie Keizers’ (van 1806), waarin de
groote veldslag van Austerlitz werd bezongen.
Hooger dan deze drie stond bij de tijdgenooten als dichter
Maurits Cornelis van Hall aangeschreven, die
door diepgaande studie van de Classieke wereld daarvan ook bij zijne
poëzie den louterenden invloed onderging. Goede vertalingen van fragmenten
uit de werken van
Horatius,
Virgilius,
Lucanus,
Juvenalis,
Persius,
Martialis en
Petronius komen hier en daar voor in een merkwaardig
prozawerk, dat hij in 1809 uitgaf onder den titel
C. C. Plinius Secundus
1). Het was de vrucht van zijne bewondering voor dien edelen en
hoogontwikkelden raadsman van Keizer Trajanus, dien hij aanvankelijk in eene
uitgebreide lofrede had willen schetsen naar zijne eigene brieven, maar voor
wien hij later besloot, op eene andere wijze belangstelling bij zijne
tijdgenooten te wekken.
Hij koos daarvoor toen een eenigszins romantischen vorm. Kort na den
dood van Plinius stelt hij ons den wijsgeer Euphrates voor, een bezoek brengend
aan Plinius' landhuis in Etrurië, waar hij diens weduwe Calpurnia in diepe
droefheid aantreft. Maar hij ontmoet er ook Plinius' vrienden, Tacitus, Romanus
en den ouden Quinctilianus, en met hen voert hij nu gedurende een lang verblijf
in het landhuis verschillende gesprekken, waarin zij elkaars kennis van het
leven en de geschriften van den overleden vriend aanvullen en op deze wijze
daarvan een beeld geven, dat niet alleen in staat is de lezers te boeien, maar
ook volkomen betrouwbaar mag heeten, blijkens de in aanteekeningen opgegeven
bronnen, die dikwijls ook in het verhaal in vertaling zijn ingelascht, zoodat
het geheel daardoor van zelf eene Classieke kleur heeft gekregen. Bovendien is
er ook menige bijzonderheid tusschengevoegd om ons het leven der Romeinen in
den keizertijd voor een oogenblik te doen meeleven, en dat geeft een eenigszins
romantisch karakter aan het werk, ofschoon het natuurlijk niet een roman in den
eigenlijken zin des woords kan genoemd worden, daar er niets belangrijks in
gebeurt en alleen vroegere gebeurtenissen als oude herinneringen worden
verteld.
Wilde Van Hall met dit werk blijkbaar geen
romanschrijver | | | | zijn, anderen wilden dat wel, want het voorbeeld der
begaafde vriendinnen Wolff en Deken wekte naijver bij anderen, die ook wilden
toonen, dat zij romans konden schrijven met een ‘niet vertaald’ op
den titel. Van deze navolgers behoort met eenige onderscheiding
Adriaan Loosjes
1) genoemd te worden, die, na in
1804-5 drie deelen ‘Zedelijke Verhalen’ ter
bevordering van godsvrucht en deugd te hebben uitgegeven, in 1806-7 ook een
zedenroman in brieven schreef, de
Historie van mejuffrouw Susanna Bronkhorst. Dat
in dezen roman meer handeling en spanning is en dat de geschiedenis er een
regelmatiger, beter gemotiveerd en natuurlijker verloop in heeft, dan in de
romans van
Wolff en
Deken, kan niet worden ontkend. Eenige compositiegave en
vinding mag dan ook aan Loosjes niet worden ontzegd. Daartegenover
echter staan zijne, door den briefvorm nog bevorderde, gebreken:
breedsprakigheid, gerektheid en herhaling van het gelijksoortige, waardoor dit
werk in zes zware deelen met 250 brieven tegenwoordig alleen met vrij wat
inspanning tot het eind toe kan worden uitgelezen, daar het ons nergens, zooals
de romans van Wolff en Deken, door fijne opmerkingen of schalksch vernuft
verrast of boeit. Toch heeft het met die romans, en vooral met de
‘Sara Burgerhart’ veel gemeen, omdat ook voor
Loosjes
Richardson het groote bewonderde voorbeeld was, dat hij,
schoon in opzettelijk bedoelden nationalen trant, beproefde te volgen.
Diens alom bekende Lovelace vinden wij dan ook gewijzigd terug in
Louis Kraaijestein, evenals den Edeling uit de ‘Sara Burgerhart’ en
den al te braven Philip Walraven, die ondanks zijne kiesche handel- en edele
denkwijze bij de fiere Susanna Bronkhorst (de Clarissa Howard van Richardson)
wel hoogachting maar geene liefde kan wekken en die door haar aanvankelijk nog
achtergesteld wordt bij den gewetenloozen, maar begaafden en in zijn trotschen
overmoed gevaarlijken lichtmis, aan wiens listig-brutale aanslagen Susanna
gelukkiger dan Clarissa) weerstand kan blijven bieden, terwijl zij net
ongelooflijke inspanning aan het van hem dreigend gevaar eener onteering moedig
en behendig ontsnapt. Dat Kraaijestein, om Susanna in zijne macht te krijgen,
haar door allerlei spionnen, met name | | | | de wraakzuchtige Saartje
Lindenberg (copie van
Richardson's Sarah Martin), laat omringen, is een wat al
te dikwijls herhaalde kunstgreep van hem.... en van den schrijver, en maakt,
dat het boek wemelt van ergerlijke menschen, wier gemeen karakter met even
schrille kleuren geteekend is, als de braafheid van anderen; doch dat was in
dien tijd in de letterkunde van alle volken de mode, wier dwingelandij maar
weinigen durfden trotseeren. Even sterk gekleurd zijn ook de rampen, die
Susanna achtereenvolgens treffen, maar die zij door haar helder verstand en
hare zedelijke kracht alle te boven komt. Na aan Kraaijestein's snooden aanslag
gelukkig ontkomen te zijn, wordt zij door toedoen vooral van eene booze en op
haar jaloersche stiefmoeder in een krankzinnigengesticht opgesloten, en mag dat
eerst weer verlaten, als de verpleging niet meer kan betaald worden door haar
vader, een rijk koopman, die bankroet gegaan en voortvluchtig is. Arm geworden,
moet zij nu haar eigen brood verdienen als winkeldochter te Utrecht. Daarna
komt zij te Parijs, waar de omstandigheden haarheen gevoerd hadden, opnieuw in
de macht van den nu ernstig op haar verliefd geworden Kraaijestein, en nogmaals
weet zij hem bijtijds te ontvluchten, maar uitgeput door den hevigen strijd,
vervalt zij in eene zware ziekte. Zoo vindt Walraven haar in een armengasthuis;
maar dan komt er (doch zeer langzaam) een eind aan hare ellende en aan den
roman een blijeindend slot. Door haar krachtig gestel en de goede zorgen van
Walraven herstelt zij tegen ieders verwachting en hare eigene in, terwijl
Kraaijestein als berouwvol zondaar sterft aan de wonde hem (evenals Lovelace)
in een duel toegebracht; en in den neef harer moederlijke vriendin Gibbon,
Cornelis de Klerk, die voor den desolaten boedel haars vaders als redder
optreedt, vindt zij een echtgenoot, dien zij zoowel achten als liefhebben kan.
De weldenkende en verstandige Walraven ziet zijne deugdzaamheid beloond door de
liefde van Susanna's boezemvriendin Lotje Elzevier, wier aantrekkelijkheid voor
menigen lezer grooter zal zijn dan die van de bijna heilige Susanna. Zij speelt
in den roman eene rol van meer beteekenis dan deze korte schets kan doen
vermoeden, maar de verdenking van onvriendschappelijkheid, waarmee de toch zoo
verstandige Susanna haar een tijd lang kwelt, is onbegrijpelijk slecht door den
schrijver gemotiveerd.
In den tijd, waarin deze roman van de pers kwam en in
overeenstemming was met den toen heerschenden romanstijl, die geschikt | | | | was, den weekhartige tot tranen toe te roeren, en met de toen op den
voorgrond tredende godsdienstige, zedelijke en sociale denkbeelden, waarover in
vrijzinnigen geest soms breed wordt uitgeweid, vond hij, hoe uitvoerig ook, tal
van dankbare lezers, en in 1828 kon hij nog een tweeden druk beleven. Dat er de
zeden en denkwijzen van dien tijd met prijselijke getrouwheid in geschetst
zijn, maakt er voor ons de blijvende verdienste van uit, al valt het niet te
ontkennen, dat de er in verhaalde gebeurtenissen alleen mogelijk konden zijn in
de kringen der ‘schatrijke oude Hollanders’, die, om zoo in het
groot hunne boosaardige en edelmoedige daden te kunnen verrichten, over
onuitputtelijke rijkdommen moesten beschikken. Wat de beschouwingen betreft,
die men er in aantreft, zij mogen nu ook al wat verouderd schijnen, zij zijn
dat meer naar den uiterlijken vorm dan in het wezen der zaak. In nieuweren vorm
ingekleed, zouden de meeste ook nu nog behartiging kunnen vinden, althans
ernstige overweging verdienen.
Vóór Loosjes dezen roman schreef, namelijk
reeds in 1790, en nog in 1805, had hij met andere, eenigszins romantische,
prozageschriften iets meer oorspronkelijks gegeven, namelijk
historisch-romantische schetsen in samenspraken, die den naam van
‘dramatische werken’, waaronder zij zijn uitgegeven, niet
verdienen, omdat zij voor het tooneel te eenemale ongeschikt zijn. Zij kunnen
alleen dienen om personen als Frank van Borselen
1), Hugo de Groot en Johan de Witt, Jacoba van Beieren, Maria van
Reigersbergen, Charlotte van Bourbon en Louise de Coligny wat meer bekend te
maken bij minder ontwikkelde lezers, die vrede kunnen hebben met een wat al te
zoetsappigen stijl.
Het schijnt echter, dat zij hem zelf op de gedachte hebben gebracht,
het grootsch verleden van ons vaderland ook eens in een omvangrijk werk met een
meer schilderend en verhalend karakter voor zijne tijdgenooten te doen
herleven; en daarin is hij ook ten volle geslaagd met zijne ‘Hollandsche
familie-geschiedenis uit de zeventiende eeuw’, die hij in 1808 in vier
deelen uitgaf onder den titel Het leven van Maurits Lijnslager
2). Hij schreef het, zooals hij | | | | zegt, om zich ‘ter
opbeuring van zijnen geest over de zware ramp-spoeden, die zijn geteisterd
Vaderland bleven treffen’, te verplaatsen ‘in deszelfs blinkendst,
zoo al niet gelukkigst tijdperk: het tijdperk, toen het, na de afschudding van
het Spaansche juk, zijn vlag in alle werelddeelen geëerbiedigd zag; toen
deszelfs koophandel en zeevaart den magteloozen naijver der naburige volken
verwekten: toen geniën van de eerste grootte zich met de kracht der
jongelingschap ontwikkelden en vruchten droegen, die tot eenen eeuwigen luister
van dit volk verstrekken zullen’. Zijn doel was, in zijn werk ‘het
echt karakter van den ouden Hollander in een zoo eerbied-waardig, in een zoo
bevallig daglicht te stellen, dat het dezen of genen zou opwekken tot eenen
edelen naijver om de voetstappen der vaderlijke zeden te drukken en de
moederlijke deugden na te volgen.’
Getrouw aan den titel, begint de roman te Amsterdam met de geboorte
van den held, die naar Prins Maurits werd genoemd onder den verschen indruk van
diens overwinning bij Nieuwpoort, en eindigt met zijn dood, even nadat zijn
zoon, die op De Ruiter's schip aan den tocht naar Chatham heeft deelgenomen, in
het ouderlijk huis met de blijde tijding der zegepraal is teruggekeerd. Het
verhaal omvat dus juist het schitterendste tijdvak onzer geschiedenis.
Het eerste deel, dat de jeugd en jongelingsjaren van Maurits
Lijnslager behandelt, is, zeker ook juist daarom, het meest romantisch. Het
verhaalt ons het uitvoerigst zijne reis naar en door Italië, waar hij
langen tijd doorbrengt, doch eerst nadat hij bij een bezoek aan Rotterdam zijn
hart aan Maria van Vliet had verloren en met haar verloofd was. Op die
idyllische liefde volgt dan voor hem een tijdperk van hartstocht, want te
Florence maakt hij niet alleen kennis met den schilder Antonie van Dijk en den
beroemden Galilei, maar ook met de bekoorlijke Antonia Manichetti, die hem met
hare donkere oogen zóó betoovert, dat hij voor haar zijne
verloofde vergeet. Hij komt echter tot inkeer, heeft diep berouw, ontvlucht de
schoone Italiaansche en reist naar zijn vaderland terug.
Bijna het geheele tweede deel wordt ingenomen door zijne pogingen om
de liefde van zijne Maria, die zich teleurgesteld en be- | | | | leedigd voelt, weer te herwinnen, wat Maurits ten slotte gelukt, zoodat een
huwelijk hunne liefde bekroont. De beide andere deelen schilderen nu zijn
maatschappelijk, huiselijk en huwelijksleven en de opvoeding zijner kinderen.
Dat Antonia door den schrijver niet vergeten is, maar ook in Amsterdam weer met
Maurits in aanraking komt, behoeft in geen enkel opzicht Maria's huwelijksgeluk
te verstoren, al geeft het ook wat meer kleur aan het verhaal, dat, bij het
ontbreken van al wat naar het romantische zweemt, in de tweede helft van den
roman wel wat eentonig wordt; maar dáár is het Loosjes
voornamelijk te doen, om het maatschappelijk leven van het voorgeslacht ook in
kleine bijzonderheden te schilderen.
Beroemde historische personen, zooals Vondel, Leeghwater, Maria van
Reigersbergen, De Ruiter en zijn zoon Engel, Cornelis Tromp en anderen, treden
zoo nu en dan op als bijfiguren, waarmee de held van het verhaal in aanraking
komt, zonder dat het den schrijver te doen is, ze eene belangrijke rol te doen
spelen, want het teekenen van personen is minder zijn doel en zijne kracht, dan
het schilderen van geïdealiseerde zeden en levensopvattingen. Intusschen
heeft hij met dit werk bij ons de eerste proeve gegeven van een historischen
roman, die te verdienstelijker is, omdat hij hierin zijn eigen weg is gegaan en
naar geen voorbeeld heeft gewerkt. Dit bedenke men, wanneer men den
‘Maurits Lijnslager’ zou willen vergelijken met de
zooveel artistieker historische romans uit den lateren bloeitijd van deze
kunstsoort, toen onder Scott's bezielenden invloed begaafde schrijvers konden
voortbrengen, wat voor even talentvolle burgers van het koninkrijk Holland nog
niet mogelijk zou geweest zijn.
In elk geval heeft deze roman Loosjes' naam
aan het nageslacht overgebracht, wat zijne gedichten zeker niet zouden gedaan
hebben, daar ze reeds voor zijne eigene tijdgenooten weinig waarde hadden. Ook
de vele andere romans, die hij later nog schreef, hebben zich maar een korten
tijd bij het publiek weten staande te houden, namelijk de
‘Lotgevallen van Reinoud Jan van Golstein tot
Scherpenzeel’ (1809-10), waarin het begin van den eersten
coalitie-oorlog behandeld is, het ‘Leven van Robbert
Hellemans’ (1810-15), een tafereel uit het laatst van de
zeventiende eeuw, en het ‘Leven van Johannes Wouter
Blommesteyn’ (1816), eene familie-geschiedenis uit het begin van
de achttiende eeuw. Alleen
Het leven van
| | | |
Hillegonda
Buisman (van 1814), dat ons in den tijd van vader Cats verplaatst,
heeft nog opgang gemaakt
1).
Een geheel andere toon klinkt ons tegen uit de romans, die onder het
pseudoniem ‘Bruno Daalberg’ in het licht werden
gegeven door den avontuurlijken
Pettus de Wakker van Zon (geb. 1758 †
1818). Het eerst verschenen in 1805 de ‘Willem Hups, eene anecdote
uit de 17e eeuw, ongeloofelijk zelfs in de onze’ en
‘Twee-en-dertig woorden of de les van Kotzebue’,
naar aanleiding van
Kotzebue's ‘Polycarpus’. Beide
romans zijn vol van hekelend vernuft en geestige, maar ook wel platte en
onkiesche boert en grillige fantasie. Vooral de laatste roman is een wilde
avontuurroman, zonder veel plan bewerkt, maar geschreven naar 's schrijvers
luim hem dat ingaf en toch als proeve van karakterteekening niet
onverdienstelijk. Blijkbaar heeft hij veel van Fielding en Smollet als
romanschrijvers geleerd, maar wij kunnen er niet langer bij stilstaan, even min
als bij zijne romans uit later tijd (van 1817), ‘De Overijsselsche
predikantsdochter’ en ‘Jan Perfect’,
dien hij ‘een staats- en zede-kundigen roman der afgelopene
wondereeuw’ noemt en waarin hij een Leidschen apothekerszoon als
caricatuur-wijsgeer laat optreden.
Voor zijn besten, althans wat minder ruwen en ernstiger bedoelden,
roman is altijd
De Steenbergsche familie gehouden, die van 1806
tot 1809 in vier deelen is uitgegeven. Het hoofd der familie, die in dezen
roman optreedt, is de baron van Steenbergen, die bij zijns vaders dood heer van
een Overijselsch landgoed en, op een dronken avond in eene schuur, wat al te
familiaar met Barbara, de dochter van een baron van Spurrieveld is geworden,
zoodat hij haar wel moest trouwen, ofschoon hij veel liever van zijne vrijheid
was blijven genieten, zooals hij dat als jonkman in Italië had kunnen
doen. Die vrijheid is hij nu inderdaad kwijt, want meer dan den schijn van
gezag en de gelegenheid om met halfgeleerdheid te pralen gunt zijne vrouw hem
niet.
Uit hun huwelijk is eene dochter, Louise, geboren, en hoe zij door
drie minnaars tegelijk wordt gevrijd, maakt het hoofdonderwerp van den roman
uit. Jonker van Roggebast (alias Tyrcis), een sentimenteel dichter van ouden
adel, is de huwelijkscandidaat van papa, Monjet, een rijk Oostindiër met
veel Javaansch bloed en weinig beschaving, is de beschermeling van mama; en de
derde is Horatio, | | | | een soldatenzoon, het pleegkind van 's barons
jongeren broeder Reinhart van Steenbergen, een zeekapitein met een houten been,
die in den roman de aantrekkelijke figuur is. Natuurlijk is Horatio de
uitverkorene der dochter. Van Roggebast maakt zich op allerlei wijzen
belachelijk met zijne tranen en sentimenteele grafdichten, zoodat zelfs Monjet
met al zijne lompheid en onhandigheid in staat is hem voor den gek te houden,
wat zelfs tot een duel zou geleid hebben, als de beide mededingers zich niet
met elkaar hadden weten te verzoenen, juist even vóór zij er
getuigen van moesten zijn, dat in een koepeltje Horatio door Louise als haar
minnaar werd aangenomen. Hare ouders zijn woedend. Horatio wordt weggezonden en
ook aan Van Roggebast wordt de gastvrijheid op Steenbergen opgezegd.
Deze heeft nu de dwaaste avonturen, waarin hij vooral gewikkeld
wordt door zijne plotseling opkomende verliefdheden, eerst voor Amalia, de
vrouw van Grauwelhaus, directeur van een reizend tooneelgezelschap, waaraan hij
zich verbindt, later voor eene als slavin verkochte negerprinses van de
Goudkust, waardoor hij op Madeira verzeilt. Daar redt kapitein Reinhart zijn
leven en brengt hem naar zijn land terug, waar hij, na eerst wat aan de
politiek gedaan te hebben, met Hanna, de kamenier van Louise, trouwt. Louise
zelf was intusschen door het bestier van mama met Monjet verloofd, ondanks den
tegenstand van diens oom president Zemeldroog; maar wij kunnen hier niet al de
dwaze voorvallen vermelden, die elkaar in bonte verscheidenheid afwisselen en
waarbij de orthodoxe dominee Felinus en zijn broeder, de diefachtige
rentmeester Obadja, allesbehalve voordeelig uitkomen. Het slot is, dat de
liefde zegeviert en niet Monjet, maar Horatio met Louise trouwt.
Ondanks al de gekheid, die de schrijver hier opeengehoopt heeft,
maar die hij nu en dan door ernstige redeneering afwisselt, is dit werk van het
begin tot het einde een strekkingsroman, vooral ter bestrijding van adeltrots
(al werd de schrijver ook zelf op het eind van zijn leven secretaris van den
Hoogen Raad van Adel), schijn-geleerdheid en sentimentaliteit, waartegen
trouwens in den tijd, toen de roman uitkwam, nauwelijks meer gestreden behoefde
te worden. Maar verder toonde de schrijver zich ook duidelijk een ernstig
voorstander van vrijzinnig-godsdienstige denkbeelden in den geest van den
Kantiaan
Paulus van Hemert
1) (geb. 1756 † 1825), | | | | die
van 1804 tot 1808 met tien deeltjes
Lektuur bij het Ontbijt en de Thetafel veel
belangstelling wekte, ook nog wel bij andere menschen dan waarvoor hij ze
uitdrukkelijk bestemde, namelijk ‘dat gedeelte van 't Publiek, 't welk
noch hooggeleerd, noch zeer wijs-geerig, maar egter eenigzins leeslustig is,
en, door eene lektuur, die niet veel inspanning vordert, zig nog wel eens, in
tusschen-uuren, bij voorbeeld aan de thetafel, of onder het ontbijt, amuseeren
wil.’ Deze menschen wilde de kundige oud-hoogleeraar der Remonstranten
‘op eene niet onaangename wijze onderhouden’; maar hij wilde
‘hun tevens eenige aanleiding tot nadenken over belangrijke onderwerpen
verschaffen.’
Hij deed dat, behalve door het mededeelen van wetenswaardigheden en
door bevattelijke, wel wat omslachtige betoogen, vooral ook door verhalen, die
meerendeels het karakter der parabel en dus de bedoeling hebben, zijne lezers
voor nieuwere, vrijzinniger denkbeelden te winnen. Wat hij op deze wijze het
meest tracht te bevorderen, ook door telkens zijne stof aan het Oosten (met
name aan China) te ontleenen, is een algemeene godsdienst boven
geloofs-verdeeldheid, die niet alleen alle Christelijke gezindten zal moeten
vereenigen, maar ook allen, die een anderen, niet-christelijken gods-dienst
belijden. Wat het Christendom van andere wereldgodsdiensten onderscheidt, is
dus voor hem niet iets wezenlijks, maar iets bijkomstigs en ontbeerlijks. In
een veel losser, zelfs al te gemeen-zamen stijl nu behandelde ook
De Wakker van Zon in de 21 stukken van zijn
‘Nog wat lectuur bij het ontbijt en de theetafel van den Heer
Professor Van Hemert’ (1806-7) soortgelijke onderwerpen, doch
vond daarmee minder bijval dan zijn kundige voorganger, zooals dan ook wel te
begrijpen is.
Grooter aantrekkelijkheid schijnt mij nog altijd het misschien wat
te dichterlijk, maar in elk geval veel artistieker proza behouden te hebben,
waarin
Jacob Haafner
1) (geb. 1755 † 1809) in 1806 zijne ‘Lotgevallen
op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon’
verhaalde en in 1808 zijne ‘Reize in een palanquin of lotgevallen
op eene reize langs de kusten van Orixa en Coromandel’ beschreef.
Van zijne andere nagelaten en door zijn zoon uitgegeven reisverhalen is vooral
de in 1810 verschenen ‘Reize te voet door het eiland
Ceilon’ boeiend van stijl en belangwekkend | | | | van
inhoud. De aanvang is als een lierzang in proza: ‘Gij zijt schoon,
Taprobane! - Boven andere eilanden, die den oceaan omgorden - zijt gij schoon!
Wijd beroemd zijt gij in de jaren der vervlogene eeuwen! - Zooals ik u zag, o
liefelijk eiland, vergeet ik u nooit: uw aandenken is mij als een zachte regen
op het dorstige aardrijk, als de verkwikkende dauw des morgenstonds, die op
bebloemde velden nederdaalt. Zijt van mij gegroet, uit verre gewesten, magtige
burg der zee! - gij vruchtbare topen! - gij stille, eenzame boschjes! waar de
tortelduive hare verliefde klagten uitstort - gij boomgaarden! die met guldene
vruchten prijkt! - gij digte, wilde en wijd uitgestrekte wouden, in welker
diepste schaduwen ik eens doordrong, - zijt van mij gegroet!’
Dat Oostersche poëzie aan
Haafner bekend is geweest, behoeft men na het
lezen van dezen groet uit het Westen wel niet te betwijfelen: door het geheele
werk ruischt de klank der Oostersche poëzie heen.
Men hoort die ongetwijfeld ook, zooals men den Oosterschen rhythmus
gevoelt, onder het lezen der geschriften van
Van der Palm
1), die niet alleen aan zijne keurigheid van taal, maar gewis ook
daaraan den roem zijner welsprekendheid dankte, een roem zóó
groot, als bij ons nooit eenig ander redenaar heeft ingeoogst. Vooral in den
tijd van Koning Lodewijk was het, dat hij zich dien begon te verwerven. Met het
invoeren van het parallelisme der Semietische poëzie in zijn proza, de
daarbij behoorende evenmaat zijner rhythmisch afgeronde zinnen en den
onderlingen weerslag zijner, maar zelden ongepaarde of van elke nadere bepaling
verstoken, woorden heeft hij wonderen verricht, zijne hoorders streelend als
met welluidende muziek. Toch hoorde niemand daarin eenige kunst, want alles
scheen zoo natuurlijk en eenvoudig en als van zelf te vloeien, terwijl ook
sobere eenvoud bij de voordracht een aesthetisch geloofsbeginsel van hem was,
waartegen hij niet gaarne zou hebben gezondigd. Veel had hij over de eischen
der welsprekendheid nagedacht en ook van gedachten gewisseld met zijn
academie-vriend
Ewaldus Kist
2), in dezen tijd predikant te Dordrecht, aan wien hij
altijd verklaarde, als redenaar veel verschuldigd te zijn. | | | |
Natuurlijk kunnen wij hier niet in bijzonderheden afdalen over zijne
redevoeringen en zijne kanselredenen, waarvan de meeste en beroemdste ook eerst
later door hem gehouden zijn, ofschoon er toch reeds in 1808-9 drie deelen
‘Leerredenen’ werden gedrukt; maar wel moeten wij
even opmerken, dat
Van der Palm reeds in dezen tijd als de
aangewezen man werd beschouwd om bij officiëele gelegenheden als
feestredenaar op te treden. Zoo werd hij b.v. na den dood van zijn ambtgenoot
S.F.J. Rau in 1807 door Koning Lodewijk benoemd
tot redenaar der door den Koning ingestelde orde der Unie, waarvoor hij
tweemaal de taak te vervullen had, op den feestdag dezer ridderorde in eene
redevoering de afgestorven ridders te herdenken en te schetsen.
De verdiensten zijner redevoeringen zijn ook eigen aan zijne
geschriften, die niet bestemd waren om voorgedragen te worden, met name aan
zijn
Salomo, eene reeks van verklarende vertoogen over
Salomo's spreuken, die sedert 1808 bij stukken werden uitgegeven en in 1816 in
zes deelen compleet waren. Welluidendheid, duidelijkheid en keurigheid van
woordenkeus kenmerken deze vertoogen; maar als stijlwerk moeten zij - en dat
ligt in den aard der zaak - onderdoen voor zijne, in 1805 in drie deelen
uitgegeven, vertaling der profetieën van
Jesaias, waarin hij opzettelijk van de
woordgetrouwheid der Statenvertaling afweek, om het eigenaardige dezer zoo
verheven Oostersche poëzie ook in onze Nederlandsche taal zooveel mogelijk
te doen uitkomen; en daarin is hij, naar ik meen, voortreffelijk geslaagd. Wat
in de Statenvertaling dikwijls een wonderlijk proza schijnt, door veelvuldige
onduidelijkheid schijnbaar diepzinnig of geheimzinnig, is hier als poëzie
niet alleen begrijpelijk, maar ook treffend geworden, ofschoon
Van der Palm geene Nederlandsche verzen heeft
willen schrijven, maar in welluidend rhythmisch proza de Oostersche parallelie
duidelijk heeft doen uitkomen.
|
1)Voor de geschiedenis van het koninkrijk
Holland zie men o.a. Theod. Jorissen, ‘Napoléon I et le Roi de
Hollande, 1806-1813 d'après des documents authentiques et
inédits’, Le Haye 1868; Wichers, ‘De Regeering van Koning
Lodewijk Napoleon’, Utrecht 1892 en H.T. Colenbrander ‘Rutger Jan
Schimmelpenninck en koning Lodewijk’, Amst. 1911.
1)Van Hendrik Harmen Klijn werd het leven
beschreven door Jer. de Bosch Kemper in de ‘Levensberigten van de
Maatsch. der Ned. Letterkunde te Leyden, 1856 bl. 109-139.
1)Voor de romances van Tollens zie men A.
Zijderveld, De Romancepoëzie in Noord-Nederland van 1780-1830,
Amst. 1915, bl. 279-298 en in 't bijzonder voor de ‘Albrecht
Beiling’ Juliette A. Binger, Albrecht Beylinc in de geschiedenis en in
de litteratuur, Amst. 1917, bl. 72-81. Eene nog wat ouder (van 1805
dagteekenende) vaderl. romance (toen in den ‘Almanak van Vernuft en
Smaak’ gedrukt) is later door Tollens niet in zijne verzamelde
dichtwerken opgenomen, namelijk Juliaan, het (aan J. Wagenaar,
Vaderl. Hist. I, bl. 244-46 ontleende) verhaal der edelmoedigheid van
den Romeinschen keizer tegenover het edele volk der Chamaven.
1)Van Hajo Albert Spandaw werd het leven
beschreven door A. Modderman in de ‘Levensberigten van de Maatsch. der
Ned. Letterkunde te Leyden’, 1857, bl. 117-146. Van zijne
Gedichten verscheen nog eens een volledige vierde druk te Utrecht
1857-59 in V dln. Zijn dichtstuk De Vrouwen in 4 zangen, waarvan
een tweede druk te Groningen in 1819 werd uitgegeven en dat later ook in zijne
verzamelde ‘Gedichten’ werd opgenomen, is ook in het Fransch
vertaald door Aug. Clavarau, Les femmes, Maëstricht 1833.
1)Van de C. C. Plinius Secundus,
verscheen ook eene Fransche vertaling (précédé d'un avis
par J.D. Meijer), Amst. 1823. Voor Van Hall zie men verder boven, bl.
231.
1)Voor Adriaan Loosjes zie men ‘Hulde
aan de nagedachtenis van A. Loosjes Pzn. door P. Hofman Peerlkamp, C. de
Koning, A. van der Willigen en H. Meijer Jun., Haarlem 1818, Verder zie men
voor hem ook beneden op Hoofdstuk XX.
1)Loosjes' ‘Frank van Borselen en
Jacoba van Beijeren’ is besproken door Willemine C.E. Peletier, Jacoba
van Beieren in het Nederlandsche treurspel. Nijmegen 1912, bl.
96-113.
2)Van den Maurits Lijnslager in IV
dln. zagen verscheidene drukken het licht, een tweede in 1814, en verder te
Haarlem in 1823 en 1852, te Schiedam in 1855-56 en nog te Leiden in 1887 met
een voorbericht van Jan ten Brink. Het werk is besproken door Potgieter, Het
leven van Maurits Lijnslager in ‘De Gids’ IX (1856), bl.
295-299 en door J. Koopmans, ‘Maurits Lijnslager en z'n ideaal
burgerschap’ in ‘De Beweging’, 1905 I bl. 220 vlgg. en 317
vlgg.
1)Zie over dien roman J. Koopmans,
‘Hillegonda Buisman’ in ‘Groot Nederland’, 1911 ll. 588
vlgg., 712 vlgg.
1)Voor hem zieman H.J. Groenewegen, Paulus
van Hemert, Amst.1889.
1)Voor hem zie men J. Ph. Vogel, ‘Jacob
Haafner. Schets uit de laatste jaren der Oost-Indische Compagnie’, Amst.
1900.
1)Voor Van der Palm zie men boven, bl.
214-216.
2)Voor Ewald Kist zie men B.F. Tydeman,
Hulde aan de nagedachtenis van E. Kist, predikant te Dordrecht, Dord.
1823.
|
|