|
|
|
| | | | | |
| |
Boeck, ey so men di wil laecken,
Segg' dat si iet beters maecken.
Laecken end' maecken is groot verscil,
Die niet en can maecken, magh swigen stil.
D'æbare traeppet, plomp ijn 't gnod,
Oer 't goe kruwd hinne in sijkt de Podd'.
Dy hier uwt naet az fuwl op-sijckje,
Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lijckje.
Wij willen gheerne 't onse om een beter gheven,
Isser iet ghefaelt, tsij groot oft cleene.
Maer qualick can ment elck te passe gheweven:
Want niemant volmaeckt, dan God alleene.
| | | | | |
Voorbericht.
De lezing en beoefening van
Stalder's uitmuntend werk
Die Landessprachen der Schweiz
1 heeft den lust bij mij
opgewekt om een soortgelijk boek over de nederduitsche en friesche tongvallen
samen te stellen. Ik toog dus, nu ruim drie jaren geleden, daartoe te werk. Dit
boek bevat den uitslag van mijn arbeid. Het bevat 186 vertalingen van de
gelijkenis des verlorenen zoons in even zoo veel onderscheidene tongvallen van
de nederduitsche | | | | en friesche talen. Twee van die vertalingen,
namelijk die in den tongval van mijn geboorte- en woonplaats
Leeuwarden en die in den algemeenen tongval van de friesche taal,
zoo als die heden ten dage in de nederlandsche provincie Friesland
(Friesland tusschen Flie en Lauwers) gesproken wordt,
zijn door mij zelven opgesteld. Al de andere vertalingen zijn van anderen.
Bijna allen zijn ze door bekwame en vertrouwbare mannen mij persoonlijk
medegedeeld. Slechts 11 van de 186 vertalingen zijn door mij, en dan nog wel
min of meer in spelling veranderd (en verbeterd, hoop ik), uit andere boeken
overgenomen. Zooveel men mij dat veroorloofde, heb ik de namen van allen, die
mij aan vertalingen hielpen, bij het opschrift van elke vertaling vermeld. Ten
eersten komt deze, zij het dan ook geringe hulde hun van rechts wege toe, en
ten tweeden kan ik daardoor aan de lezers en beoordeelaars van mijn werk de
zuiverheid toonen der bronnen, waaruit ik geput heb. Slechts weinigen van hen,
die mij vertalingen verschaften, wenschten om bijzondere redenen hun namen niet
vermeld te zien; onder die weinigen zijn nog twee vrouwen.
Behalve deze vertalingen is alles in dit werk, zoowel de
aan- | | | | teekeningen op die vertalingen, als de eigenlijke tekst, van
mijn eigene hand, zij het dan ook dat sommige medehelpers aan mijn arbeid, mij
belangrijke bijzonderheden aangaande sommige tongvallen hebben medegedeeld. Ik
vermeld dit hier in 't bijzonder, ten einde mogelijk misverstand te voorkomen,
en te verhinderen dat misschien deze of gene medehelper aan mijn werk
aansprakelijk gesteld zou worden voor misslagen, in de aanteekeningen of in den
eigenlijken tekst voorkomende.
Toen ik het voornemen had opgevat om een algemeen nederduitsch en
friesch tongvalleboek samen te stellen, ontveinsde ik mij zelven volstrekt niet
de moeielijkheden, daar aan verbonden. Integendeel, ik stelde mij al die
bezwaren duidelijk voor oogen, en verwachtte wel, dat mijn voornemen mij niet
zou gelukken, dat ik mijn plan niet ten uitvoer zou kunnen brengen. Ik wist
toch hoe de Maatschappij der nederlandsche Letterkunde te Leiden reeds sedert
jaren er op bedacht is een nederlandsch tongvalleboek samen te stellen, en
reeds voor vele jaren pogingen in 't werk stelde om de noodige bouwstoffen
daartoe bijeen te brengen! Ik wist ook hoe sedert dien tijd de groote
taalgeleerde
Halbertsma getracht heeft proeven van
nederlandsche tongvallen te verzamelen, | | | | en met welk ontmoedigend,
nietsbeteekenend gevolg
1! Toch kon mij dit een en ander niet afschrikken. Men ziet toch
dikwijls dat iets, wat door velen niet kan gedaan worden, omdat de een het werk
op den ander laat aankomen, door een enkelen persoon wel wordt verricht. Ook
zijn meerdere beschaving en vooral meerdere kennis, ook vriendelijkheid en
hulpvaardigheid, sedert Halbertsma zijn pogingen deed, veel meer
algemeen onder de menschen geworden, en, zoo dacht ik, zal mij ook daardoor
misschien gelukken, wat Halbertsma niet gedaan kon krijgen.
Buitendien, it is mei sidzen net to dwaen, dat weet iedere Fries! Zoo
sloeg ik de handen aan den ploeg en begon mijn pogen om de noodige bouwstoffen
te verzamelen, met een oproeping daartoe te plaatsen in het April-nummer van
den twintigsten jaargang (1870) van het tijdschrift
De Navorscher. Ik noodigde in die
oproeping alle beoefenaars en liefhebbers onzer taal uit om mij vertalingen toe
te zenden van de gelijkenis des verlorenen zoons in de meest verschillende
tongvallen van Noord-Nederland en van Noord-Duitschland, nederduitsch
Zuid-Nederland en nederduitsch | | | | Frankrijk. En waarlijk, die
oproeping en uitnoodiging was niet te vergeefs gedaan, want ik ontving zestien
verschillende vertalingen in even zooveel verschillende tongvallen. Die
vertalingen zijn allen achtereenvolgens in De Navorscher
afgedrukt. Deze zestien vertalingen waren natuurlijk bij lange na niet
voldoende voor mijn plan; niettemin gaf deze aanvankelijk goede uitslag mij
goeden moed om vol te houden en nieuwe pogingen in het werk te stellen. Ik
begon dus nu persoonlijk aan deze en gene die ik kende, soms ook slechts bij
name, of soms in 't geheel niet kende, te schrijven en hen om vertalingen in de
tongvallen van hun verschillende woonplaatsen te verzoeken, of anders, om
aanwijzing van tot dit werk geschikte mannen. Zoo heb ik in drie jaren tijds
met ruim drie honderd verschillende personen in Duitschland, Noord- en
Zuid-Nederland en Frankrijk brieven gewisseld over dit onderwerp, tot dat ik
eindelijk, na zeer veel moeite en niet zonder velerlei opofferingen, al de
noodige bouwstoffen bijeen had, en mijn tongvalleboek kon schrijven. Maar veel
medewerking ondervond ik, veel genoegen leverde mij de samenstelling van mijn
boek op. Ik kwam daardoor met allerlei bekwame en achtingswaardige mannen in
aanraking, ik leerde veel wat mij tot dan toe geheel onbekend was; kortom,
| | | | de arbeid, aan mijn boek besteed, was mij zoo aangenaam, dat wanneer
door een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond nadat ik de
laatste letter er van op 't papier zette, was vernietigd of verloren geraakt,
ik mij toch voldoende voor mijn werk beloond zou gerekend hebben, door 't genot
dat ik er door gesmaakt had.
Waarom ik juist de gelijkenis van den verlorenen zoon, en niet
iets anders nam, om, in verschillende tongvallen vertaald, tot proeve van die
tongvallen te dienen? Wel, omdat juist die gelijkenis, voor dat doel, mij bij
uitstek geschikt voorkwam. Het moest toch iets wezen dat aan iedereen bekend en
voor iedereen toegankelijk was; het moest noch te lang, noch te kort zijn; het
moest over zaken en voorvallen uit het alledaagsche leven der menschen
handelen, en gelegenheid aanbieden om de dagelijksche volks-spreektaal er in te
pas te brengen. Aan al die vereischten voldoet dit schoone verhaal. Anderen
zijn mij reeds voorgegaan hierin. Want
Stalder, in 't bovengenoemde werk,
Mone, in zijn
Anzeiger für Kunde der teutschen
Vorzeit,
Willems, in zijn
Belgisch Museum,
Albert Schott, in
Die Deutschen am Monte Rosa, enz.
gebruiken allen vertalingen | | | | van de gelijkenis des verlorenen zoons
als tongvalleproeven.
Ongetwijfeld zal men mij de opmerking maken dat de taal, waarin ik
dit boek, den eigenlijken tekst van dit boek geschreven heb, niet zuiver
hollandsch is. Men zal er mij zelfs een verwijt van maken. Vooral van
Hollanders, dat is: van lui in de beide nederlandsche provinciën Holland
te huis behoorende, verwacht ik in de eerste plaats die aanmerking; van
Friezen, Gelderschen, Brabanders, Vlamingen, enz. natuurlijk minder. In zoo
verre men met die aanmerking wil te kennen geven dat de taal waarin ik dit boek
schreef, niet goed nederduitsch is, zal ik er met alle macht tegen opkomen. Wil
men er mede te kennen geven dat mijn taal niet provinciaal hollandsch, zelfs
niet zuiver geijkt nederlandsch is, dan heb ik er alle vrede mede.
Inderdaad, hollandsch schrijven kan ik niet; ik zou het ook niet willen,
evenmin als ik mijn pen dwingen wil om de geijkte nederlandsche boeketaal te
schrijven. Wat mijn tong niet spreekt, zal mijn pen niet schrijven. De
Hollanders matigen zich in de Nederlanden alles aan, ook de alleenheerschappij
over ons aller nederlandsche, liever nog nederduitsche taal. Niet alleen dat
reeds sedert ruim twee eeuwen, in geheel Noord-Nederland, langzamerhand de
algemeene schrijftaal al meer | | | | en meer op de hollandsche leest is
geschoeid geworden; neen, maar tegenwoordig wil men aan de niet-hollandsche
Nederlanders niets meer of minder dan de hollandsche tongval als de eenige
zoogenoemd beschaafde uitspraak der nederlandsche taal, als het eenige, het
onfeilbare, het eenige geijkte nederlandsch opdringen. Alsof we Franschen
waren, die slechts in middelpunt-zoeking (centralisatie) hun heil
vinden kunnen! De Hollanders spreken slechts van hollandsch; dat
bijvoegelijke naamwoord neemt bij hen geheel de plaats van
nederlandsch in. Holland is in hun oog Nederland; wat in Nederland
buiten Holland is, dat zien ze over 't hoofd, dat bestaat niet, dat is niet
‘fatsoenlijk.’ Wie niet hun hollandschen tongval spreekt, die is
eenvoudig geen Hollander=Nederlander, dat is een ‘mof’ of een
‘belg’, of een ‘fries’, mogelijk wel een ‘fries
uit Groningen of uit Drenthe.’
1 Nu, ik
laat aan de Hollanders gaarne die domme | | | | aanmatiging, maar voor
hun hollandsche taal bedank ik vriendelijk. Met even veel recht
als de Hollander hollandsch schrijft, kan de Groninger groningsch, de
Gelderschman geldersch, de Brabander brabantsch schrijven, want zoowel het eene
als het andere is goed nederlandsch. Maar geen Groninger, geen Gelderschman,
geen Brabander zal zoo dwaas zijn. 't Zou een torenbouw van Babel worden.
Daarom is 't goed dat alle Nederlanders zich aan een algemeene nederlandsche
schrijftaal houden (van een spreektaal gewaag ik hier niet); maar dit algemeene
nederlandsch mag niet uitsluitend hollandsch zijn. Neen, maar in dit
nederlandsch moet even goed plaats zijn voor de eigenaardigheden van alle
andere nederlandsche tongvallen, voor zoo verre als die door alle Nederlanders
worden verstaan en begrepen. Zulk nederlandsch | | | | tracht ik te
schrijven. Mijn nederlandsch zal ten minste niet zoo ergerlijk besmet zijn met
honderden en nog eens honderden van fransche basterdwoorden, zooals de
hollandsche spreektaal en de hollandsche schrijftaal dat tegenwoordig is. Mijn
nederlandsch zal ten minsten zuiver nederlandsch, zuiver nederduitsch, zuiver
duitsch, zuiver germaansch zijn
1). Dat kan van het hedendaagsche hollandsch niet gezeid
worden.
Feilen en misslagen komen er ongetwijfeld ook al rijkelijk in dit
werk voor. Natuurlijk! Die ze mij vriendelijk willen aantoonen, niet, zooals
veelal geschiedt, op bitsche wijze als verwijtingen onder den neus duwen, zal
ik dankbaar zijn. Overigens zoeke men in dit werk niet naar een lijstje van
misstellingen. Aan lui die graag spijkers zoeken op laag water, aan
kleingeestige vitters en bedillers laat ik gaarne het genot om al die
misstellingen in mijn werk op te snorren, er een lijst van te maken, en die
lijst, als bewijs hunner geleerdheid en mijner domheid, in de eene of andere
beoor- | | | | deeling in een tijdschrift te laten opnemen, om haar mij met
een vriendelijk-valsch lachje voor te leggen. Elk zijn meug! -
Ten slotte bedank ik allen die mij zoo bereidwillig bij de
samenstelling van mijn tongvalleboek de behulpzame hand boden, recht
vriendelijk, recht hartelijk. Aan de heeren
Dr. A. Schulz, Geheimer Regierungsrath te
Maagdenburg, Dr. Phil.
Karl Schulze, Rector te Osten a/d. Oste,
M. Nissen, Lehrer te Stedesand,
H.J. Sundermann, Lehrer te West-Rauderveen,
Dr. med.
Hermann Hartmann te Lintorf,
J. Kneppelhout te Oosterbeek,
Professor Kern te Leiden,
Dr. A. De Jager te Rotterdam,
Professor Heremans te Gent,
Professor Claes te Hasselt,
Hendrik Bronckaerts, student te Leuven,
Professor
Jan van Beers te Antwerpen, aan Professor
L.L. de Bo te Brugge, thans pastoor te
Elverdingen, vooral ook in de eerste plaats, welke heeren mij niet slechts een
vertaling verschaften, maar mij menig belangrijke bijzonderheid aangaande dezen
of genen tongval meedeelden of mij met andere bekwame en voor mijn doel
geschikte mannen in kennis brachten, zij ook hier nog aan mijn besten dank
toegebracht. Maar toch niet minder aan | | | | allen die mij hielpen,
zonder onderscheid, roep ik mijn hartelijken dank toe.
Den vriendelijken lezer een vriendelijke groet van
JOHAN WINKLER.
Leeuwarden, 11 November 1873.
|
1De volle naam van dit werk is:
Franz Joseph Stalder, Die
Landessprachen der Schweiz oder schweizerische Dialektologie, mit kritischen
Sprachbemerkungen beleuchtet. Nebst der Gleichnissrede von dem verlorenen Sohne
in allen Schweizermundarten, Aarau, 1819.
1Zie de uitslag van zijn pogen in den
Overijsselschen Almanak voor Qudheid en Letteren, jaargang
1846.
1Een enkel voorbeeld uit duizenden, om te
bewijzen hoe weinig Hollanders in 't algemeen eenig begrip hebben van wat niet
provinciaal hollandsch, dat is, in hun oog, niet geijkt nederlandsch is. Twee
mijner vrienden en ik, drie Friezen, reisden in dezen zomer met den spoortrein
van Potsdam naar Berlijn. Bij ons in den spoorwagen zaten, behalve twee
Duitschers, toevallig ook nog twee Hollanders, Amsterdammers, blijkbaar twee
‘fatsoenlijke’ jongelui, die voor hun genoegen reisden. Natuurlijk
raakten de vijf Nederlanders in gesprek. Toen dat algemeene gesprek begon te
verflauwen, vervolgden wij drieën ons eigen gesprek in het friesch. Dat
deden wij altijd, als we op den spoorweg of waar ook, Hollanders ontmoetten.
Wij konden dan vrij en onverhinderd, zonder verstaan te worden, elkander onze
opmerkingen mededeelen. Dat is een groot gemak. Groote verwondering van de
Hollanders, toen ze ons friesch hoorden spreken. - ‘Hee, as ik u's mach
vrage, wat hep-u daar zoo eve chesproke?’ - Friesch, m'n heer. -
‘Hee, was dat fries? ik dach ies anders. Wij kenne anders ook wel fries
verstaal!’ - Och! kunt ge friesch verstaan? - ‘Ja, te minste leze.
We hebhen al de novelle van
Cremer cheleze en choet bechrepen
ook!’ ‘Ja’, voegde mijn heer n o. 2 er bij,
‘en
Multatuli immers ook!’
1)Een uitzondering hierop maakt, dwaas
genoeg! de naam van dit werk. Ik zelve had dan ook veel liever het goed
duitsche woord tongvalleboek gebruikt, in plaats van het onduitsche
dialecticon. ‘Ja maar, 't en kost niet zijn,’ zooals de
Vlaming zeit.
|
|