|
|
|
| |
| |
[90. Het eiland Schiermonnikoog]
Niet minder merkwaardig dan de stad Hindeloopen en
vooral niet minder belangrijk uit een dialectologisch oogpunt, is het eiland
Schiermonnikoog (friesch Skiermûntsjeach, ook
Skiermûntsjaeich). Dit betrekkelijk kleine eiland wordt door grootendeels
gegoede, welgestelde menschen bewoond, die een zeer eenvoudige levenswijze
voeren en in éen dorp samenwonen. Hoe merkwaardig echter het liefelijke
Schiermonnikoog, dat tal van schoone natuurtafereelen en prachtige vergezichten
aanbiedt, ook moge zijn en hoe belangrijk de geschiedenis en al de
bijzonderheden van dit te weinig bekende eiland ook mogen wezen, wij hebben ons
hier slechts te bepalen bij de spraak, die door de Schiermonnikoogers in het
dagelijksche leven gesproken wordt.
1) En die spraak van de
eenvoudige, maar in den regel zeer ontwikkelde eilanders is de aandacht van
ieder, die belang stelt in taalstudie, overwaard.
De taal der bewoners van Schiermonnikoog is echt friesch, even als
zij zelven echte Friezen zjjn, al schijnt het dan ook dat zij tot een anderen
stam behooren als de Friezen aan den vasten wal van de tegenwoordige provincie
Friesland. Het schiermonnikooger friesch is een zeer eigenaardig friesch, dat
nergens elders als op Schiermonnikoog wordt gesproken. Het verschilt zeer veel
van het gewone, zoogenoemde boerefriesch of landfriesch, en het moet dan ook
niet | | | | beschouwd worden als een tongval van dat boerefriesch, maar
als een afzonderlijken tongval van de aloude friesche taal, die naast, en in de
meeste opzichten zelfs boven het boerefriesch staat. In alle geval is het
schiermonnikooger friesch zeer veel zuiverder en zeer veel minder met
hollandismen besmet dan dit met het gewone friesch van den vasten wal het geval
is. Zeer veel echt oud friesche vormen en klanken die aan den frieschen vasten
wal reeds langen tijd vergeten en buiten gebruik zijn, komen in de dagelijksche
spreektaal der eilanders voor. Het schiermonnikooger friesch is nader dan het
gewone westerlauwersche friesch verwant aan het oude, thans nagenoeg geheel
uitgestorvene oostfriesche friesch (tusschen Eems en
Wezer) en aan het noordfriesch. Om verschillende redenen meen ik
met eenige zekerheid te mogen veronderstellen dat het schiermonnikooger friesch
eigenlijk een overblijfsel is van de friesche taal, zoo als die oudtijds,
vóor de kerkhervorming, gesproken werd in het Friesland tusschen
Lauwers en Eems, in het tegenwoordige
Groningerland dus. Immers, hoewel Schiermonnikoog in
de middeleeuwen een eigendom was van het klooster Claerkamp bij
Rinsumageest in Friesland en ook later steeds in het
burgerlijke, rechterlijke en kerkelijke bij het land tusschen Flie en Lauwers,
bij de tegenwoordige provincie Friesland werd gerekend, zoo behoort dit eiland
toch, uit een aardrijkskundig oogpunt beschouwd, wel degelijk tot de provincie
Groningen, even als, om die zelfde redenen, het eiland ter Schelling eigenlijk
tot Friesland beoosten het Flie behoort. De rivier de Lauwers toch is de oude
grens die Friesland tusschen Flie en Lauwers of de tegenwoordige provincie
Friesland en Friesland tusschen Lauwers en Eems of de tegenwoordige provincie
Groningen, steeds heeft gescheiden. Friesland ligt bewesten, Groningerland
beoosten de Lauwers. De Lauwers vloeit met een breeden, diepen mond tusschen de
eilanden Ameland en Schiermonnikoog in de Noordzee; die mond, waar een sterken
stroom gaat, vormt een aanzienlijk zeegat, dat, met uitsluiting van alle andere
friesche zeegaten, den naam draagt van het friesche Gat, als bij uitnemendheid.
Ameland ligt bewesten, Schiermonnikoog beoosten dat friesche Gat, beoosten dien
mond van de Lauwers, beoosten de Lauwers, beoosten die oude grens dus. Bij
gevolg behoort Schiermonnikoog wel degelijk tot Friesland beoosten de Lauwers,
wel degelijk tot Groningen.
1) Een diepe
stroom scheidt Schiermonnikoog dan ook van hettegenwoordige Friesland,.
| | | | ondiepen wadden verbinden Schiermonnikoog met het tegenwoordige
Groningerland. Die wadden zijn zoo ondiep en loopen van tijd tot tijd bij
aanhoudenden oostewind en lage ebbe zoo droog dat men van Schiermonnikoog naar
het dorp Hornhuizen in Hunsingo (Groningen) kan gaan.
In den winter bij strenge, langdurige vorst, als het ijs op de wadden vast zit,
gaat men ook wel van het eiland naar den groninger vasten wal, even als de
Amelanders dan wel naar den frieschen vasten wal gaan over ijs; maar nooit gaan
de Schiermonnikoogers te voet van hun eiland naar den frieschen wal of naar
Ameland. Een diepe stroom, de mond van de Lauwers, belet hun dit.
Zoo is het duidelijk dat Schiermonnikoog eigenlijk
bij de provincie Groningen behoort en niet bij Friesland. De geleerden
A. Winkler Prins, zelf een Schiermonnikooger
en
Dr. R. Westerhoff, denken er even zoo over.
1) Het behoeft ons
dus niet te bevreemden dat het schiermonnikooger friesch zoo zeer afwijkt van
den dialectus communis der friesche taal bewesten Lauwers. Want het is
nu meer dan waarschijnlijk, bijna zeker, dat het schiermonnikooger friesch een
overblijfsel is van de friesche taal, zooals die in oude tijden door de Friezen
tusschen Lauwers en Eems gesproken is. In dit land tusschen Lauwers en Eems
zijn later Saksische stammen binnen gedrongen. Die Saksen hebben zich met de
oude friesche inwoners vermengd en langzamerhand zich over die geheele
landstreek verspreidende, hebben zij de oude landstaal verdrongen. Zie bl. 396.
Maar tot aan het afgelegene Schiermonnikoog drongen die Saksen niet door; het
zoute water, al waren 't dan ook maar de ondiepe wadden, stuitte hun loop en
beperkte hun uitbreiding. De Saksen waren dan ook nimmer zulke goede zeelieden,
nimmer zulke echte ‘waterrotten’ als hun naaste stamverwanten, de
Friezen; hun nakomelingen zijn het heden ten dage nog niet. Zoo bleven de
edele, vrije Friezen op Schiermonnikoog vrij van vermenging en verbastering met
Saksen; zij behielden onbesmet hun volksaard, zij bleven hun oude friesche taal
zuiver en rein spreken.
De Schiermonnikoogers zelven geven als de oorzaak van hun
bijzonderen tongval de onder hen bestaande sage ten beste, dat zij van Denen of
van Zweden zouden afstammen. Ik geloof niet, dat er iets van dit volksverhaal
waar is. De zelfde sage van een ouden Noorman of Deen, die met zijn dochter de
eerste bewoner van het eiland zou geweest zijn (zooals 't volk verhaalt) en die
in stormachtige en duistere | | | | nachten een lantaarn bond aan de
horens van zijn koe en daarmede dan langs het strand liep om te bewerken dat de
verbijsterde zeelui hun vaartuigen op het strand lieten loopen, die zelfde sage
wordt ook op menig ander friesch eiland, tot op Sylt en Amrum, verhaalt. Maar
inderdaad komen er in het schiermonnikooger friesch sommige klanken en eenige
vormen voor, die met de noordsche talen overeenstemmen, en dit kan zeer wel
aanleiding tot bovenstaande volksmeening gegeven hebben. Dit verschijnsel is
evenwel ook volstrekt niet vreemd. Want de friesche taal, vooral het zuivere,
oude friesch, vormt als 't ware een overgang van de eigenlijk germaansche
talen, het saksisch, frankisch, allemannisch, beiersch, enz. (thans het
neder-duitsch en het hoogduitsch,) tot de noordsche (skandinaafsche) talen.
Toch is het after all, niet onmogelijk, zelfs niet
onwaarschijnlijk, dat er zich een volkplanting van Noren of Denen of Zweden, al
waren 't ook maar een paar huisgezinnen, blijvend op Schiermonnikoog heeft
gevestigd, toen in de 8ste en 9de eeuw de Noorlui bijna
jaar op jaar in Friesland vielen, en vooral het naburige Esonstad aan de
Lauwers (nabij het tegenwoordige gehucht Esumazijl) dikwijls bezochten en
brandschatten.
Maar wat hiervan dan ook waar of niet waar moge zijn, zeker is het
dat op Schiermonnikoog heden ten dage een taal wordt gesproken, die van alle
nederlandsche tongvallen, wel het allerverste van de geijkte nederlandsche
schrijftaal verwijderd is. Het is voor iederen Hollander of voor iederen
niet-Fries letterlijk onmogelijk, ook bij de grootste oplettendheid, om er iets
van te verstaan, wanneer Schiermonnikoogers met elkanderen hun eigenen tongval
spreken. Zelfs voor echte Friezen van den vasten wal, die dagelijks gewoon zijn
de friesche taal te spreken en te hooren spreken, is dit dikwijls zeer
moeielijk. Niettemin is het schiermonnikooger friesch volstrekt niet een
onbeschaafden, ruwen, armen tongval. Het tegendeel is waar! Het
schiermonnikooger friesch is een zeer beschaafden, woordrijken, zuiveren
tongval, die daarenboven bijzonder aangenaam, welluidend en zoetvloeiend voor
het gehoor is, en door de eilanders op een nette, gekuischte wijze, hoewel vrij
wat zingerig, even als dit op vele zeeplaatsen geschiedt, wordt gesproken. Door
deze eigenschappen onderscheidt het zich gunstig van het gewone friesch van den
vasten wal. Vooral wanneer dit friesch door de echte boeren, gelijk meestal
door dezen geschiedt, al schreeuwende en met den mond zoo wijd mogelijk open,
wordt uitgebracht, wordt dit door den frieschen tongval van Schiermonnikoog
verre overtroffen; het laatste kan op groote zachtheid, liefelijkheid en
bevalligheid bogen. | | | |
Het schiermonnikooger friesch wordt door alle Schiermonnikoogers
gesproken. Echter, omdat hun tongval zoo onverstaanbaar is voor iederen
vreemdeling, spreken zij terstond hollandsch, zoodra zij zich door een
niet-Schiermonnikooger willen doen verstaan. De noodzakelijkheid hiervan en de
omstandigheid dat zij zeer veel lezen en grootendeels veel smaak in letterkunde
betoonen en bezitten, is oorzaak dat zij zeer goed hollandsch, of liever zeer
goed geijkt nederlandsch spreken, zeer veel beter dan de Friezen aan den vasten
wal.
Het schiermonnikoogsch is zeer rijk aan twee- en drieklanken; ja
vier- en vijfklanken komen er in voor. Op een zonderlinge wijze zijn deze
klanken dikwijls te samen gevoegd. Men moet een echten Schiermonnikooger zijn,
om daartoe zijn tong te kunnen dwingen. Die zonderling saamgevoegde klanken
maken het dan ook hoogs moeielijk, ja bijna onmogelijk om de taal van
Schiermonnikoog mett letters op papier af te beelden. Om daarin voldoende te
slagen mocht men waarlijk nog wel zes-en-twintig letters, bij de bestaande, ter
beschikking hebben. De onderstaande proeve van het schiermonnikooger friesch
heb ik zelve, met veel moeite en vlijt, zoo nauwkeurig mogelijk uit den mond
eener zeer ontwikkelde, echt schiermonnikooger vrouw opgeschreven, de letters
en klanken, tot meerder gemak van den nederlandschen lezer, de waarde gevende
die ze in het geijkte nederlandsch (dus niet in het friesch, zoo als 't
eigenlijk zijn moest), bezitten. Niettemin voldoet deze spelling mij volstrekt
niet. Ik geef ze gaarne voor beter. Zooals deze proeve hier beneden staat,
schijn ze nog niet zoo bijzonder veel van het geijkte nederlandsch te
verschillen. Dat komt omdat ik geen letters genoeg had om al die verschillende,
werkelijk harmonisch luidende klanken af te beelden. De spreektaal van
Schiermonnikoog is tien maal rijker in klanken dan deze in nederlandsche
letters uitgedrukte proeve.
Oudtijds was er ook, volgens
A. Winkler Prins, op het kleine
Schiermonnikoog eenig verschil in de uitspraak tusschen de
verschillende buurten die het liefelijke, waarlijk idyllische dorp uitmaken.
Thans is dit verdwenen. Maar ook op Schiermonnikoog laat de tijd, die alles
verandert, alles verstoort, zijn invloed gelden. Ook daar spraken de ouden
anders dan thans hun nageslacht doet. Dit is aldaar zelfs in het verloop van
eens menschen leeftijd op te merken. Zoo zeiden de grootmoeders van het thans
nog levende geslacht tot haar dochters, als op een langen, kouden winteravond
een hongerig kind van deze of gene arme zeemansweduwe naar een stukje brood
hunkerde: gaai ofter 'e daarsdinter, bi de treureur, in sny de jonge 'n om,
Triin! Dat wil zeggen: ga achter de deur, bij de kast, en snijd den
| | | | jongen een stuk brood, Catharina! De uitdrukking ofter 'e
daarsdinter, achter de deur, en de woorden treureur, kast of liever
spinde (tresoor?), en 'n om
1), een snede brood, zijn op het eiland reeds verouderd en worden
er door het jongere geslacht niet meer verstaan.
Zoo nu en dan wordt er door dezen of genen Schiermonnikooger wel
eens het een of ander in het schiermonnikooger friesch opgesteld. In den
laatsten tijd is dit vooral het geval geweest met den koopvaardij-kapitein
H. Conter, die eenige gedichten en
prozastukken in den tongval van Schiermonnikoog geschreven heeft, welke echter
niet zijn uitgegeven, maar na den dood van den verdienstelijken schrijver in
handschrift zijn blijven liggen. Een van deze gedichten echter komt voor in
F. Allan,
Het eiland Schiermonnikoog, onder den
titel: De aaiste Jannewaris. In het zeer belangrijke werk van
Dr. Joost Hidde's Halbertsma,
Hulde aan Gysbert Japiks, in het tweede
stuk, komt een vertaling voor van het evangelie van Lucas,
hoofdst. X, vs. 30-37 en van het evangelie van Mattheus,
hoofdst. VI, vs. 5-15, onder den titel: Vertaling van een paar plaatsen
uit het nieuwe testament in den tongval van Schiermonnikoog en in dat
zelfde werk een Vertaling van den zomer en de herfst (gedeelten
van een berijmd friesch blijspel) uit het land-friesch in den tongval van
Schiermonnikoog. De spelling laat veel te wenschen over. Ook vindt men
nog een kleine Proeve van de taal, zoo als dezelve op het eiland
Schiermonnikoog gesproken wordt, in het tijdschrift:
De vrije Fries, dl. I.
| | | | | |
90. De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van
het eiland Schiermonnikoog.
Medegedeeld door N. N. Januari 1871. (In nederlandsche
spelling.)
11. D'r wier reis 'n man in di hiea twa jonges.
12. In iean fan har beiden, it wiea de jongste, sei tjin har heit:
heit! jeuw mi miin guued dot mi toekomt. In har heit deelde har 't guued.
13. In körts d'r nooi dao͡ 't er olles bi 'neeuwr forgare hiea, is
er furtgiean nooi 'n fraeimd laaun to, in der het er siin guued
tròch brocht in 'n kwaaid livven.
14. In dao͡ 't hi 't olle
gerre fortao͡rs hiea, koom 'r
huengersneud iin dot laaun in hi kriige gebrok.
15. Ik dao͡ ging hi nooi
dao͡ juued to fan dot laaun in friegge
har om werk; in jao͡ juegene him werk
in stjuersene him nooi har laaun to om har swiine to huueden.
16. In hi kriige so'n huenger dot hi wuuë wol graag siin liif
fol ite mooi de swiine, mar dot mocht net.
17. In dao͡ koom er to
him salm in sei er: ho fȯlie fan uus heit
siin knechten hewwe ieuwerflued fan iten in ik forgaai fan huenger.
18. Ik sil opstaain in wier nooi uus heit to gaain in sizze tjin
uus heit: heit! ik hew seaune dien tjin de himel in tjin jo.
19. Ik bin nue net mair wersig diin bern
naaimd to wersen; mettje mi as iean fan jo knechten.
20. In hi ging nooi siin heit to. Dao͡ 't er nog fier fan him oof wiea, seig
siin heit him ol in di kriige medeliiden mooi him; hi roon nooi him to, fuuel
him om 'e hals in suuende him.
21. In de seun sei: heit! ik hew seaune dien tjin de himel in tjin
jo in ik bin nue net mair wersig diin bern naaimd to
wersen.
22. Mar siin heit sei tjin siin tjinstknechten; bring hier 't bost
| | | | pak klaaine in tjoch it him oon in jeuw him 'n ring oon siin haaun
in skuuene oon siin fȯtten.
23. In bring 't maste kalf hier in slagje 't in lieët uus it
opite, in plesier mettje.
24. Want di jonge wiea daaid in hi is wier livven
wersen; hi wiea forlao͡ren
in hi is wier fieaun. In jao͡ bigoonen
plesier to mettjen.
25. In de oudste seun wiea iin 't laaun in dao͡ 't er nooi huus to suuë in tichte
bi koom, heerse hi sjongen in daaunsjen.
26. In dao͡ reupt er oon
iean fan 'e knechten in friegge di wot dot wiea.
27. In di knecht sei tjin him: diin bruuer is 't huus komd in
jimme heit is so bliid dot hi het 't boste kalf slagje lotten.
28. In dao͡
wers hi kwaaid in wuuë net iin huus komme. Dao͡ ging siin heit nooi him to in bain
him.
29. Der op sei hi: sjuech, heit! ik tjinje jo nue ol so fȯlle
jieren in ik hew nöet jo gebod ieuwertreden in jo hewwe mi nöet 'n
liitjen bok jieuwn, dot ik mooi miin freaune reis plesier mettje kuuë.
30. Mar nue dizze seun fan jo komd is, di siin guued mooi hoere
tròch brocht het, nue hew jo 't boste kalf feur him slagje lotten.
31. In dao͡ sei siin
heit: bern! do biste olle dagen bi mi, in ol wot ik hew is
diinen.
32. M'n beheerse doch bliid to wao͡sen, want diin bruuer wiea
ommers daaid, in nue is hi wier livven wersen; hi wiea
forlao͡ren, in hi is nue wier
fieaun.
| |
Aanteekeningen.
De letters die wat kleiner zijn en lager staan, moeten niet
uitgesproken, wel gehoord worden. De ö klinkt als in 't
hoogduitsch; de ò is de doffe o van het hollandsche
dof, kom, dom. De ao͡
moet als éen klank worden uitgesproken, die tusschen a en
o in ligt, maar meest naar de a overhelt.
11. Jonges of seune, zonen.
13. Dao͡, toen,
als, daar; zie vs. 13 bl. 447 op dæ.
14. Fortao͡rs,
verteerd, in gewoon friesch fortard. Die s aan het einde van dit
woord, staat in plaats van de oud friesche th, die voor de menschen van
de tegenwoordigen tijd zoo moeielijk uit te spreken | | | | is; het is de
zelfde letter die ook in 't angelsaksisch voorkwam en uit die taal nog in 't
engelsch van onzen tijd is overgebleven. De Friezen aan den vasten wal in de
provincie Friesland hebben die oude th in hun spreektaal
thans veelal tot een d verzacht, de Schiermonnikoogers echter haar tot
een s verscherpt, de Noord-Friezen en wangerooger Friezen daarentegen in
haar oorspronkelijke waarde behouden. Zoo ook in vs. 15 stjuersene,
stuurden, gewoon friesch: stiûrden; verder:
wersig, waardig, gewoon friesch: wirdich;
wersen, worden, gewoon friesch: wirde; heerse,
hoorde, gewoon friesch: hearde; ook nog ierse, aarde, gewoon
friesch: ierde, engelsch: earth; hers, hard, gewoon friesch
hird, enz.
Gebrok, gebrek; ook wel brok; de o van dit
woord is helder, naar de a zweemende, zoodat men bijna met even veel
recht schrijven kan: gebrak, brak; dit zelfde geldt van bost of
bast, best. Zie vs. 14 bl. 435 en vs. 14 bl. 441.
15. Dao͡ juued, de
lieden, de menschen, waarvoor het gewone friesch heeft: liu, liuwe, welk
woord in de eene plaats als ljue, ljuwe, en in de andere als
ljouwe wordt uitgesproken. De l en de r zijn voor de
Friezen, even als voor hun stamgenooten de Engelschen, moeielijk uit te spreken
letters, die zij in veel woorden in 't geheel niet uitspreken. Vooral de
friesche letterverbindingen lj en rj zijn voor velen echte
struikelblokken. Daarom hebben de Schiermonnikoogers (en ook de friesch
sprekende Schellingers en de friesch sprekende Saterlanders), zich die
uitspraak wat gemakkelijker en wat eenvoudiger gemaakt en de l en de
r van deze letterverbindingen maar weggelaten; zoo zeggen ze:
juued voor het friesche liu, lieden, even als de Hindeloopers ook
gemakkelijkheidshalve de j van die lj weglaten en uitspreken:
leead voor liu. Verder zeggen de Schiermonnikoogers nog op deze
wijze: juocht voor het friesche riucht, recht, sjuocht
voor het friesche sliucht, slecht, eenvoudig; dus sjuocht in
juocht voor de friesche kenspreuk: sliucht end riucht, eenvoudig en
rechtvaardig. Deze spreuk is het schibboleth der Schiermonnikoogers Zie
vs. 19 bl. 177 op da liûd.
Swiin, swiine, varken, varkens, en nooit barch,
bargen als aan den vasten wal in Friesland. Zie vs. 15 bl. 78 en vs. 15 bl.
158.
17. To him salm, tot zich zelve; zie vs. 17 bl. 448 op
selm.
18. Seaune, (sieuwne, seeuwne, seaaune) zonde,
gewoon friesch sûnde, bij
Gysbert Japicx: suwne; even als op
Schiermonnikoog weaune (wieuwne, weeuwne, weaaune), wonde, gewoon
friesch: wûnde, bij Gysbert Japicx: wuwne.
20. Medeliiden, medelijden, is een schiermonnikooger
hollandisme; | | | | in zuiver schiermonnikooger friesch zou het:
mooiliiden moeten zijn, overeenkomstig het gewoon friesche
meilyen.
Suuende, zoende, is zoowel zuiver friesch als het gewoon
friesche patte. Pattje voor 't werkwoord zoenen en pattsje
voor 't zelfstandige naamwoord zoen, wordt op Schiermonnikoog nooit
gebruikt, even min als het tute en het tuut of tuutsje der
friesche stedelingen.
Andere eigenaardige schiermonnikooger woorden die nog al
aanmerkelijk van het gewone friesch afwijken zijn: Sjild, schuld; gewoon
friesch: skild, skuld. Jaun, avond; gewoon friesch jûnd,
(spreek uit: joen, joon, jon). Men zeit ook de eere morne in de lotte
jaune, de vroege morgen en de late avond; in gewoon friesch: de iere
moarn (spreek uit: moon) end de lette jûnd. Ki, koeien;
gewoon friesch: ky. Aist in wast of wost, oost en west; gewoon
friesch: east end west. Riin, regen; gewoon friesch: rein. Aitse in
bane, erwten en boonen; gewoon friesch eärte end beäne
(spreek uit: jette in bèène of bjenne).
Jeuwre, haver; gewoon friesch: hiower (spreek uit:
jouwer). Bjair, bier; gewoon friesch: bier of bjir.
Braaid, brood; gewoon friesch: brea, hindelooper friesch bra.
Uuen, einde; gewoon friesch: ein. Fjoel, vogel; gewoon friesch:
fûgel (spreek uit: foegel); dit fjoel komt meer
overeen met het engelsche fowl en het deensche fugl (foel).
Skuun, schuur; gewoon friesch: skûrre of skoërre.
De schiermonnikooger vorm skuun is zuiverder en beter friesch dan
skûrre. Schuur is ook in het oud oost friesch, volgens
Cadovius Muller: schien, in betere
spelling: skiin; zoo ook heden ten dage nog in Noord-Friesland op de
eilanden Föhr en Sylt: skiin. Schûrre komt over een met het
nederduitsche schuur, schüre; skuun en skiin met het midden
hoogduitsche schiune, nieuw hoogduitsch scheune.
|
1)Die meer van Schiermonnikoog mocht willen
weten, raad ik aan om de beide volgende werkjes te lezen; vooral bekeerste:
A. Winkler Prins, Geschiedenis en beschrijving van het eiland
Schiermonnikoog, Amsterdam, 1868 eu F. Allan, Het eiland
Schiermonnikoog, Amsterdam, 1856.
1)In het opstel van Mr. W.W. Buma,
Schiermonnikoog, de Lauwers, de Scholbalg, voorkomende in De
vrije Fries, dl. XII, wordt dit gevoelen bestreden.
1)Zie Winkler Prins:
Geschiedenis, enz. (als op bl. 452) en Westerhoff's
verhandelingen Eenige bladzijden en Nog eenige
bladzijden in dl. VIII en IX van de Bijdragen tot de
geschiedenis, enz. van Groningen.
1)Om, een snede brood, zal wel een
verkorting zijn van: omstik, omstuk. Vroeger werden in Friesland zeer
groote roggenbrooden gebakken, zooals thans nog in Gelderland geschiedt. Die
brooden wogen 10 of 11 oude ponden; dat noemde men en hiel brea of en
heel brood, 'n brood bij uitnemendheid, even als in Friesland roggenbrood
bij uitsluiting brea, brood (ons dagelijksch brood) wordt genoemd;
wittebrood, van weit gebakken, noemt men in Friesland geen brood; dat is
bolle en als 't fijn is: wegge. Zulke groote ‘heele’
brooden worden er thans niet meer gebakken; de zwaarsten wegen thans 5 oude
ponden (2 ½ kilogram) en de kleineren 2 ½ oud pond. Daarom noemt
men de eersten ook, naar de oude zwaarte berekend: half brooden, 'n half
brood, en heal brea; en de laatsten: fierdepa(r)tsjes. Men sneed die
groote ‘heele’ brooden in sneden van een of twee vingers dik (en
die oude friesche vingers waren wat zwaarder dan de tegenwoordige
hollandsche!). Zulk een snede noemde men ' n omstuk, 'n omstik. Voor hem
die weinig honger had was zulk een boterham dan gewoonlijk ook te veel. Men
sneed dus die sneden nog eens op de helft (verticaal) door; dat noemde men dan
' n siidstuk, 'n siidstik. Maar de boereknecht, die hard werkte en wel
wat lustte, kreeg ' n omstuk en even zoo de bedelaar die, uit schaamte,
des avonds of in den nacht aan de deur kwam, omdat de bedelaars toen nog honger
hadden.
|
|