|
|
|
| |
| |
[Proeve van den tongval van het dorp Molkwerum, achttiende
eeuw]
Onder de oude zuidhoeksch friesche tongvallen was vooral ook,
nevens het hindeloopersch, de tongval van het dorp Molkwerum
(friesch: Molkwarren) zeer bijzonder, even als ook dit dorp, wat de kleeding en
de zeden der bewoners aangaat, oudtijds en nog in de vorige eeuw zich scherp
van het overige Friesland afzonderde en onderscheidde. En even als de
molkwerummer kleederdracht en de molkwerummer zeden de meeste overeenkomst
hadden met de hindelooper kleeding en gebruiken, zoo was ook de molkwerummer
tongval het naaste verwant aan het hindelooper dialect. Beide plaatsen genoten
in den zelfden tijd een hoogen trap van bloei en welvaart door zeevaart en
handel. In het laatst van de zeventiende eeuw lagen er soms veertig of vijftig
molkwerummer schepen, die allen een zwaantje (het wapen van Molkwerum) in de
witte baan van hun vlaggen voerden, te Amsterdam in het Damrak.
Deze schepen voerden granen uit de Oostzee naar Holland. Als een bewijs van den
bloei van Molkwerum in die dagen kan ook nog dienen dat er toen ook een
boekdrukkerij was. Maar beide plaatsen zijn heden ten dage deerlijk vervallen
en bijna al het eigenaardige dat aan den goeden ouden tijd, aan de dagen van
voorspoed en weelde zou kunnen herinneren, is er verdwenen. Te Hindeloopen is
ten minste nog de eigene tongval in wezen gebleven; maar te Molkwerum is ook de
eigenaardige tongval verdwenen. Tegenwoordig spreekt men te Molkwerum de gewone
friesche landtaal, maar nog sterk met den zuidhoekschen tongslag
(accent); echte oude molkwerummer woorden komen er evenwel uiterst
schaars en hoe langer hoe minder in voor.
Het oude molkwerumsch was zeer zuiver friesch en stond, even als
het hindeloopersch, nader aan de oorspronkelijke friesche stamtaal dan het
gewone friesch. Het dorp Molkwerum, oudtijds het friesche doolhof bijgenoemd,
was op zeven verschillende kleine eilandjes of pollen gebouwd, die ten
deele nog bestaan. Volgens
Dr. J.H. Halbertsma
| | | | had elk van
deze pollen, Sorkepolle (kerkeilandje), Aastrik, Westrik,
Hündepolle, Kattepolle, Achthüserpolle en Grinserpolle
genoemd, haar eigene uitspraak, die, zij het dan ook slechts in onbeduidende
gevallen en in zeer lichten graad, verschillend was van de uitspraak der andere
pollen.
De oude molkwerummer tongval, zoo merkwaardig voor de beoefening
der friesche taal, is geheel verdwenen uit den mond der hedendaagsche
Molkwerummers, even als scheepvaart en handel, bloei en welvaart uit hun thans
zoo stil en afgelegen dorp. Ik kan dus geen vertaling van de gelijkenis des
verloornen zoons in den molkwerummer tongval hier mededeelen. Het eenigste wat
ooit in dien oud molkwerummer tongval van het friesch, voor zoo verre mij
bekend, is opgesteld, vindt men in
Prof. Ev. Wassenbergh's
Taalkundige bijdragen tot den frieschen
tongval. Het is een vertaling van het zesde hoofdstuk van het
evangelie van Mattheus, onder den naam van Het segste hastik van
Matthewis. Omdat dit het eenige geschrift is waaruit men dezen oud
molkwerummer tongval kan leeren kennen, heb ik het niet ongepast geoordeeld,
een gedeelte van die vertaling hier mede te deelen en er enkele aanteekeningen
bij te schrijven. Maar omdat die vertaling in een uiterst slechte, grootendeels
onfriesche spelling is opgesteld, heb ik die slechte, ongepaste en dwaze
spelwijze in een, naar mijn zienswijze betere, meer redelijke en friesche
spelling veranderd.
| |
Het evangelie van Mattheus, hoofdstuk VI vers 19-30, in den
tongval van het dorp Molkwerum, zoo als die daar nog in de
achttiende eeuw gesproken werd.
19. Forgeærje jimme nin skatten op 'e ierde, der se de mot
in de rost fordurft in der de tjeæuven trochgræve in stelle.
20. Mar forgeærje jimme skatten iin 'e himel, der se de mot
in de rost naat fordurft in der de tjeæuven naat trochgræve in
stelle.
21. Want woar dat jimme skat is, der sol jimme hort
æk wæze.
22. De korse fan 't lichem is 't eæg. As den diin
eæg ienfaldig is, den sol diin heel lichem forliuochtin wæze.
23. Mar as diin eæg kwæ is, den sol diin heel lichem
tjoester wæze. As den 't liuocht dat iin di is, tjoesternisse is, ho
greæt sol de tjoesternisse solm wæze.
24. Nimmen kun twa heren tjinje, of hi sol d'iene haatje in
| | | | d' oore leæuw hæbbe, of hi sol d' iene oonhanje in d'
oore forachtje. Jimme kunne God in de mammon naat tjinje.
25. Derom sis ik jimme, waeses naat bisorgin for jimme libben, het
jimme ite of driinke solle, in naat for jimme lichem, het jimme oontjesen
solle. Is 't libben naat meer as 't iten in 't lichem as de kleseiinge?
26. Oonsjse de foegelen des himels dat se naat siedje noch meie in
naat iinsammelje iin hjarre skoerren. In jimme himelske fseer fied hjarm jitte.
In gae jimme hjarm naat fier to boppe?
27. Hwa fan jimme kun mei bikommerin to wsezen, ien iolne toa siin
grapte toadwesen?
28. In het. binne jimme bikommerin for de kleseiinge? Bikiikje de
leeljen des fiolds, ho 't se waagse. Hja wurkje naat in hja sponne naat.
29. In ik sis jimme dat Salomon sak iin al siin
he8erdliikheit naat bikleseid weezen is liken as ien fan disse.
30. Der den God 't gors des fiolds, dat hjoe stiet in
moorn iin d' oog-en smiten woard, soa bikleseit, sol hi
jimme naat fuele mear kleaeie, jimme liitjgelovige?
| |
Aanteekeningen.
19. Fordurft, verderft; gewoon friesch: fordeart,
fordjert.
Tjeæuven, dieven; gewoon friesch: tsieaven,
tegenwoordig meestal dieven.
21. Hort, hart; gewoon friesch: herte,
herte, hart.
22. Korse, kaars; gewoon friesch: kearse,
kearse.
23. Solm, zelf; zie vs. 17 bl. 448 op
selm.
25. Het, wat; zie vs. 16 bl. 448.
Oontjeœn, aantrekken; zie vs. 22 bl. 435.
26. Oonsjœ;, aanzie; gewoon friesch:
oansiuch.
Foegelen des himels, vogelen des hemels; in gewonen stijl:
vogels van den hemel; gewoon friesch: fûgels fen 'e himel. De
meervoudsvorm foegelen in plaats van fûgels en de tweede
naamvalsvorm des himels in plaats van fen de himel komt ons
tegenwoordig deftig en onnatuurlijk voor, omdat men thans slechts in verhevenen
stijl zoo schrijft en dagelijks nooit zoo spreekt. Maar werkelijk spraken de
oude Friezen en inzonderheid de oude Friezen in den Zuidhoek, ook in het
dagelijksche leven aldus.
26. Fæer, vader; zie vs. 12 bl. 447 op
feer. | | | |
Hjarm, hen; zie vs. 12 bl. 447 op jem.
27. Jolne, el; gewoon friesch jelne; te Leeuwarden
eln; noordfriesch ealen, eelen.
28. Fiold, fjold, veld; gewoon friesch fjild,
fiëld.
30. Gors, gras; gewoon friesch gers,
gers; zie omtrent deze drie laatste woorden den volzin op bl.
438: ‘De heldere o verving ook de e’ enz.
Hjoe, heden; gewoon friesch hioed, hjoed, joed.
Oogen, oven; gewoon friesch ûn, spreek uit:
oen, schellinger friesch aune, wangerooger friesch auven;
zie vs. 23 bl. 166 op kôlf.
Liitjgelovige, kleingeloovigen; het laatste deel van dit
woord is een hollandisme.
Dr. J.H. Halbertsma vertaalt het woord
kleingeloovigen met lytstrouwjende (klein vertrouwen hebbenden, weinig
vertrouwenden) en
Prof. Ev. Wassenbergh met
lytsleauwige, in de tegenwoordige spelling lîtsleawige.
|
|
|