|
|
|
| |
[Jacobus Kantelaar]
Kantelaar (Jacobus)
2 zag het licht te Amsterdam, in het jaar
1759. Aan de Leydsche hoogeschole, alwaar hij zich tot den predikdienst bekwaam
maakte, verwierf hij de vriendschap van den beroemden
h.a. schultens, die hem den smaak voor de
beoefening der Oostersche talen inboezemde. In 1781 werd hij als Proponent
aangenomen, en kort daarna als Predikant beroepen bij de Hervormde gemeente te
Westwoude, en vervol- | | | | gens te
Almelo. In 1786 gaf hij eene openbare blijk van den ijver,
waarmede hij de zaak der toenmalige patriotten was toegedaan, in eene krachtige
aanspraak aan de uittrekkende manschap
1. Toen in het
najaar van 1787 door Pruische troepen de vorige orde van zaken hersteld was,
deed kantelaar, om mishandelingen te ontgaan, afstand van den predikdienst, en
zettede zich te Amsterdam als ambteloos burger neder, waar
hij zich geheel aan de beoefening der fraaije letteren overgaf. Onder anderen
behaalde hij in 1791 bij het Leydsche Dichtgenootschap: Kunst wordt door
arbeid verkregen, den gouden eerpenning met eene fraaije Verhandeling
over het Herdersdicht, die echter eerst in 1813 in het licht verscheen
2. In 1793
hield hij als Voorzitter van de loffelijke Maatschappij: Tot Nut van 't
Algemeen eene schoone redevoering Over den invloed der ware verlichting
op het lot der vrouwen, en het volgende jaar eene lofrede op zijn'
voormaligen leermeester schultens, die hem als welsprekend redenaar een'
ongemeenen roem verwierf
3. Kort daarna
ondernam hij met den Heer
r. feith de uitgave der Bijdragen ter
bevordering der schoone Kunsten en Wetenschappen; van welk verdienstelijk
werk echter slechts drie | | | | stukken, van 1793 tot 1796 verschenen
zijn. De omwenteling van 1795 opende eene geheel andere loopbaan voor hem, en
voerde hem uit het stille studeervertrek op het woelige staatstooneel. De
provincie Overijssel verkoos kantelaar onder hare Representanten tot de
eerste Nationale Vergadering. In deze vergadering was hij een der
welsprekendste redenaars en kundigste staatsmannen. Hij was der gematigde
partij toegedaan, en werd dus met anderen den 22 Januarij 1798 in hechtenis
genomen, doch den 12 Julij deszelfden jaars weder ontslagen, en hem even zulke
voordeelige als vereerende ambten aangeboden, die hij echter van de hand wees,
en in 's Hage een bankierskantoor oprigtte. In 1810 werd
zijn ligchaamsgestel dermate door eene beroerte gekrenkt, dat hij verhinderd
werd zijne bezigheden langer waar te nemen, en zelfs zijne geliefde
letteroefeningen moest laten varen. Zijn laatste letterarbeid was aan het
tijdschrift Euterpe
1, dat hij
gemeenschappelijk met den Hoogleeraar siegenbeek in 1811 uitgaf. Bij de
oprigting van het Nederlandsch Instituut in 1808 werd hij tot lid der tweede
klasse van hetzelve benoemd; in hetzelfde jaar verkoos de Hollandsche
Maatschappij der Wetenschappen, te Haarlem hem tot medelid;
reeds in 1797 had het Zeeuwsch Genootschap hem het lidmaatschap opgedragen,
gelijk ook in 1806 de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te
Ley-
| | | |
den. Hij sleet de laatste jaren zijns levens
in stille rust te Amsterdam, algemeen geacht en bemind door alle
beoefenaars en hoogschatters der fraaije letteren. Hij overleed op het
buitengoed Landwijk, nabij Zwol, den 7 Julij 1821.
Tweemalen was hij gehuwd, eerst in 1783 met
joanna dusart, die in 1790 overleed, en
naderhand, met
a.h. reisig, die hem overleefde.
Kantelaar was als geleerde en als staatsman, als dichter, en als
redenaar, ongetwijfeld een onzer verdienstelijkste tijdgenooten. Met eene
grondige theoretische kennis paarde hij eene bevallige praktische oefening.
Zijne gedichten zijn niet menigvuldig en in onderscheiden verzamelingen
verspreid
1. De gegronde hoop, die wij hebben, dat dezelve eerlang, tot
een' bundel vergaderd, zullen uitgegeven worden, doet ons besluiten om hier
slechts een enkel mede te deelen, namelijk dat, met het opschrift:
Aan den wellust.
Voor u op wier vermomd gelaat
Bevalligheid en blijdschap gloeien -
Die deugd, en ernst, en ijver haat -
Die vorst en burger knelt in boeien -
Die helden moed en kragt ontrooft -
Die steenen weet tot wasch te kneeden -
| | | |
Die nimmer geeft, altijd belooft -
En toch van elk wordt aangebeden -
Onkuische wellust, pest der aard!
Voor u is thans mijn lier gesnaard.
't Gaat wel - de waarheid licht mij voor,
Ze ontdekt uw naaktheid aan mijne oogen -
Ik zie het dikst blanketzel door,
Uw helsch bestaan, uw list en logen -
't Gedrocht, dat u het aanzijn gaf -
En al de monsters, die gij teelde, -
Millioenen zoonen van het graf,
Die uw vergulde moorddolk keelde -
De vloekspelonk, waar gij vernacht,
En waar gij alle uw dienaars wagt.
Begeerlijkheid ging van u groot -
Met Goudzugt te eener dragt gebooren,
Zijt gij de Moeder van den Dood,
De Zuster van de Wraak en Tooren -
Een drom van kwaalen volgt uw treên,
Die uit uw zwadder voedzel trekken -
Een Duivlenheir waart om u heen,
Om 't al met wee! en ach! te dekken -
En 't land, waar ooit uw voetstap stond,
Wordt zout en zwart, als Sodoms grond.
De list en laage veinzerij
Waar door gij uwen slaaf betoovert -
Het heilloos doel van 't zagt gevrij,
Waar door gij 't ijdel hart verovert -
De schuiff'lende Sirenentong,
Die reeds van 't aanbegin der aarde
| | | |
Het menschdom in den doodslaap zong -
En zoo veel moeite en onheil baarde -
Het gif, dat op uw lippen ligt -
't Ligt alles bloot voor mijn gezicht.
Ach! dat mijn ongesmukte toon
Uw listigheid zoo klaar ontdekte,
Dat nooit weer uw bedrieglijk schoon
Mijn' landgenoot tot ontucht wekte!
Dan wierd door 't godlijk vuur dier kunst,
Die gij zoo dikwerf hebt ontheiligd,
De Belg een vijand van uw gunst,
En tegen uw gestreel beveiligd -
Dan won mijn zwakke nimph meer veld
Dan lier en zwaard van Sparta's Held
1.
De broeder van het bliksemvuur
2,
Het zwaard, mag 't doodenrijk bevolken
Door duizend helden in een uur
Te ploffen in zijn zwarte kolken -
Die woede wijk voor de uwe in kragt -
Het zwaard rust dikwijls honderd jaaren -
| | | |
Maar nimmermeer zag één geslacht
Uw' dollen moordlust iets bedaaren. -
Het zwaard treft door een' enklen stoot -
Gij geeft - en weigert - lang den Dood.
Mij dunkt ik zie een' woesten drom
Van snoodaarts, wien uw gloed deed blaaken -
Hun jeugd is duttende ouderdom -
Een pestvuur gloeit hen op de kaaken -
Hun drooge en geelgetaande huid -
Hun loode lippen - zinkende oogen -
Hun traage gang - hun schor geluid -
Hun nagels walglijk krom gebogen
1 -
Hun uitgeteerd en dorrend rif -
Hun adem - alles toont uw gif.
Maar meer nog kwijnt onze edle geest;
Als gij de driften aan doet glimmen,
Dan wordt de mensch verneêrd tot beest,
Die tot een' Seraph op moest klimmen. -
't Verstand, die heldre lamp van God,
Wordt door uw' adem uitgeblaazen;
Gij drijft met wetenschap den spot,
En Salomo's herschept ge in dwaazen -
Uw dood'lijk gif verpest het hart -
Uw hand schept wroeging - schrik - en smart.
Gij stormt de hagelwitte deugd
Met ijz'ren handen van haar' zetel;
| | | |
En maakt het hart der wufte jeugd
Los - onrein - spoorloos - boos - vermetel -
Geen vriendenraad, hoe vol beleid,
Geen lessen, hoe vol hemel-wijsheid,
Geen traanen, die een moeder schreit,
Geen smeeken van de eerwaardste grijsheid -
De Godheid zelv' wordt niet gehoord,
Als uw geweld 't geweten smoort -
De Godsdienst, die aan 't wildste strand
Nog altijd achtbaar blijft en heilig,
Is zelfs in 't meest beschaafde Land,
Zoo dra gij daar verschijnt, niet veilig -
Gij vleit u neder bij 't altaar,
Waar niet dan plechtig vuur moest vonken,
Ontsticht de Godgewijde schaar
Door 't werpen van onkuische lonken;
Vormt van de dille bedeçel
Een schendig voorportaal der hel. -
De Vriendschap wijkt, waar gij vernacht -
Beloften, eeden, en verbonden,
Zoo vast als bergen Gods geacht,
Zijn door één' blik van u verslonden -
Ja, niets is voor uw kragt te hegt;
Met trotsche ontwerpen ingenomen,
Kan zelfs de Godlijkheid van d' echt
Uw dolle woede niet betoomen -
In 't vaderland is nooit geschoord
Door hem, die tot uw dienaars hoort.
Gij knakt den siersten heldenmoed -
Hij, die de wreedste monsters toomde -
| | | |
Wien nooit een drop onëdel bloed
Of laage vrees door de aders stroomde -
Wien nimmer 't bliksemend geweer
Of donderend kanon vervaarde -
Wien Panther, Tijger, Leeuw, noch Beer,
Noch Dood, noch Hel ontroering baarde -
Wordt, als gij hem tot ontucht drijft,
Laaghartig - kruipend - en verwijfd. -
Dit tuig' de schrik van Askelon,
De Held en Heiland der Hebreeuwen,
Wien nimmer mannenkragt verwon,
Of sterkte van verwoede leeuwen -
Die, warm van zucht voor 't vaderland
Alleen tien hondert reuzen temde -
En in zijne onverwinbre hand
Het lot van gantsche volken klemde -
Die Held vond in een' hoerenschoot
Het graf, dat al zijn' roem besloot.
Elke eeuw, die ooit ten einde liep,
Vertoonde de vermolmde wrakken
Van staaten, die de kuischheid schiep,
Maar gij ten afgrond neêr deed zakken -
Gij deedt in 't brandend Azia
De vroegste maatschappij verdrinken -
Gij stortte vuur op Adama -
Deedt Jericho's beschermmuur zinken -
Verdeelde Salem's bloeiend rijk
En wierpt zijn glorie in het slijk.
Athene, de eer van 't Griekendom,
Dat nooit door heerschzucht was te binden,
| | | |
Was, toen gij daar den throon beklom,
Ras in Atheen niet meerte vinden. -
Lycurgus ballingschap en wet
1
Moge eeuwen vol van welvaart geeven -
Als gij uw' voet in Sparta zet,
Wordt wet en welvaart zaam verdreven -
Geen Alexander - geen geweld -
Maar gij hebt Graja's roem geveld.
Ja Rome, 't pronkjuweel der aard',
Door Numa's godsdienst zoo verheven,
Dat zoo veel helden heeft gebaard,
En volk'ren op zijn' wenk zag beeven -
Dat eeuwen lang een tempel was
Van sterkte, grootheid, en van zegen,
Welks grondslag in het hegt tiras
Van ed'le kuischheid was gelegen -
Droeg eindlijk toch uw ijz'ren juk,
Verbande kuischheid - en - geluk. -
Toen werd Civilis erf de schoor,
De schuilplaats van de bloem der deugden -
| | | |
Hier prijkte zij met nieuwen gloor -
Hier scheen haar schoonheid te verjeugden -
Maar hier ook heeft dat godlijk schoon
Niet altijd haaren dienst beveiligd,
Haar schuilplaats - tempel - outer - throon
Werd ras haar vijandin geheiligd. -
ô Wellust! wreedste vloekharpij!...
Weerstaat dan niets uw heerschappij?...
Kon dan een volk, zoo fier, zoo straf,
Dat in de wieg met pijlen speelde,
Dat spietsen tot een trouwgoed gaf
1,
En, stervend, nog een krijgsdeun kweelde -
Kon dan een volk, zoo eêl, zoo groot,
Aan uwen aanval 't hoofd niet bieden?...
Of hebt gij eerst dien moed gedood,
En toen hun door uw drift doen zieden?...
Hebt gij hun eerst in schijn beschaafd,
En toen voor eeuwig u verslaafd?...
Voor eeuwig?... Neen! - dat goede God! -
Zoo dra de Belgen eens gelooven,
Dat gij en uw boosaardig rot
Hun van der vad'ren heil berooven,
Dan zal de rol van Tacitus
2,
Die uwe vlam nooit kon verzengen,
| | | |
Het nageslacht van Klaudius
Tot de oude kuischheid wederbrengen -
Dan wordt uw naam hier tot een' spot,
En uw gedachtenis verrot. -
Ach! had ik meerder klem van taal,
En mijn tafreel meer stoute trekken! -
Ach waar' mijn borst zoo hard als staal
1,
Dan zou mijn stem meer aandacht wekken! -
| | | |
Dat ieder Belg mijn klanken hoor'!
Leen, Echo's! leen mij duizend tongen,
Tref aller Batavieren oor,
Dan wordt de zonde alom verdrongen! -
Maar neen! nooit heeft een aardsch geluid
Den loop der snoodste lust gestuit.
o Gij, wiens stem den donder vormt -
En Liban's cederen vernedert -
De hoogste throonen nederstormt -
En harten van arduin vertedert -
Spreek de oude Deugd weêr uit het graf -
En bliksem vuigen Wellust neder!
Dan keert het heil - dat God ons gaf -
Dat wij verstieten - tot ons weder -
Een heil, dat Neêrland nooit weer derv'
Tot dat de Zon voor eeuwig sterv'
1.
|
2Alg. Konst- en Letterbode voor 1821, II D. N.
33, bl. 66. N.g. van kampen, Beknopte Gesch. der Lett. en Wetensch. II Deel,
bl. 505.
1Dezelve wordt gevonden in de Vaderl.
Historie, vervolg op wagenaar, XIII Deel, bl. 80.
2Zij maakt het tweede deel uit der Werken van
de Holl. Maatschappij der fraaije Kunsten en Wetenschappen.
3Dezelve is gedrukt te Amsterdam, bij
p. den hengst, 1784.
1Onder anderen zijn daarin de berigten omtrent
eenige min bekende Nederdduitsche dichters van zijne hand.
1Uitmuntend fraai vinden wij onder anderen zijn'
lierzang aan r.j. schimmelpenninck, in 1805 met eenen van r. feith gezamentlijk
uitgegeven.
1Tyrteus, een uitmuntend Dichter en dapper
Held. Hij was een Athenienser, maar door die van Athene aan de
Lacedemoniërs tot een' Veldheer gegeeven zijnde, bevocht hij voor
dezen eene roemrijke overwinning op de Messeniërs, na dat hij eerst het
leger, door het opzingen zijner krijgsliederen, eenen onverschrokken moed had
ingeboezemd. Dit is de reden, waarom ik hem Sparta's Held genoemd
heb.
2Zoo zijn de Oostersche Dichters gewoon het
Zwaard te noemen, en men vindt eene schoone plaats van een' Hoogduitsch'
Dichter, die dit denkbeeld van hun reeds ontleend heeft, aangehaald in de
aanteekeningen van den Heer michaëlis op lowth, de S. Poësi
Hebraeorum, Pr. XIII. p. 255.
1De nagels zijn veelal bij vrouwspersoonen,
die het frissche van een zuiver leven verloren hebben, even als bij
teeringachtigen, voorovergebogen. - J.j. hermes, Sophia's Reize, I D. I
St. bl. 131, 132.
1Toen lycurgus zijne strenge wetten aan de
Lacedemoniërs gegeven had, ging hij van huis, en liet zijne burgers
zweeren, dat zij in dezelven, voor zijne terugkomst, geene verandering maaken
zouden. Hij veinsde naar Delphos te gaan, om aldaar te verneemen, of 'er
iets in zijne inzettingen veranderd moest worden. Maar hij vertrok inderdaad
naar het eiland Crete, leefde aldaar in eene vrijwillige ballingschap,
tot aan zijnen dood toe, en beval dat men zijne beenderen in zee zoude werpen,
opdat de Spartanen dezelven niet in hunne stad terug zouden brengen, en zich
alzoo van hunnen eed ontslagen rekenen. Justinus, II, 3.
1Tacitus, de morib. Germ. Cap. 18. ‘
Dotem non uxor marito, sed uxori maritus offert. Intersunt parentes ac
propinqui: et munera probant: munera non ad delicias muliebres quaesita, nec
quibus nova nupta comatur: sed boves et frenatum equum, et scutum cum
framea gladioque. In haec munera uxor accipitur, atque invicem ipsa armorum
aliquid viro affert. Hoc maximum vinculum, haec arcana sacra, hos conjugales
Deos arbitrantur. etc.’
2Men vindt bij dien deftigen Schrijver, die,
volgens den Abt
raynal, Hist. van het
Stadhouderschap, bl. 3. ‘ Om zich zoo weinig mogelijk te bedriegen,
de menschen altijd van de slechtste zijde geschetst heeft’, nogthans de
treffendste getuigenissen aangaande de kuischheid van de eerste bewooners dezer
streeken: De morib. Germ. Cap. 18: ‘ Severa illic matrimonia.
Nec ullam morum partem magis laudaveris. Nam prope soli barbarorum singulis
uxoribus contenti sunt, exceptis admodum paucis, qui non libidine, sed ob
nobilitatem plurimis nuptiis ambiuntur’. Et Cap. 19: ‘
Ergo septa pudicitia agunt (mulieres), nullis spectaculorum inlecebris,
nullis conviviorum irritationibus corruptae. Litterarum secreta viri pariter ac
feminae ignorant. Paucissima in tam numerosâ gente adulteria, quorum
poena praesens, et maritis permissa. Accises crinibus nudatam coram propinquis
expellit domo maritus, ac per omnen vicum verbere agit. Publicatae enim
pudicitiae nulla venia. Non formâ, non aetate, non opibus maritum
invenerit. Nemo enim illic vitia ridet: nec corrumpere et corrumpi, seculum
vocatur.
1Ik heb dit vers ontleend uit homerus, Iliad.
XIII, 488.
Πληθυν δ'
ουκ αν εγω
μυθησομαι,
ουδ' μνομηνω,
Ουδ' ει
μοι δεκα μεν
γλωσσαι,
δεκα δε
στοματ' ειεν
Φωνη δ'
αρρηκτος,
χαλκεον δε
μοι ητορ
ενειη.
Ovidius heeft van deze plaats reeds gebruik gemaakt
Trist. I. 4. 53.
‘Si vox in fragili mihi pectore firmior aere,
Pluraque cum linguis pluribus ora forent;
Non tamen idcirco complecterer omnia verbis,
Materiâ vires exsuperante meas.’
1Tael- en Dichtl. Oef. van het Genootschap:
Kunst wordt door arbeid verkregen, VI Deel, bl. 89.
|
|