Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 4 JAC-NYV


auteur: P.G. Witsen Geysbeek


bron: P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 4 JAC-NYV. C.L. Schleijer, Amsterdam 1822  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Pieter Nieuwland]

Nieuwland (Pieter) 2. Deze eerbiedwaardige naam en die van bellamy verzoent ons met de achttiende eeuw, omdat zij, bij zulk eene menigte middelmatige vernuften, ook deze beide waarlijk groote mannen heeft voortgebragt, wien geen van beiden de vergelijking met elkander tot oneere verstrekt. Beiden werden in geringen stand geboren, beiden hadden in hunne vroege jeugd slechts de natuur tot geleidster bij hunne eerste schreden in de loopbaan der letteren en wetenschappen, beiden hadden een vlug, levendig en oorspronglijk vernuft, beiden verhieven zich ver boven de menigte koude, nette en ziellooze verzenmakers hunner eeuw; beiden waren dichters in den echten zin des woords, en beiden stierven genoegzaam in denzelfden ouderdom. Maar bij deze overeenkomst bespeurt men niettemin een treffend, en, mogen wij zeggen, ongemeen behaaglijk verschil in beider karakter en wijze van dichtoefening, hetwelk echter aan de waarde dezer vergelijking niets beneemt.

[p. 480]

Barend nieuwland, Timmerman, in de Diemermeer, nabij Amsterdam, en marretje klinkert, waren de ouders van hem, wiens naam wij met een weemoedig genoegen hier bovenaan geschreven hebben. Hij zag het licht op den 5 November 1764, toen zijn vader reeds zesenvijftig jaren oud was, die hem, daar zijne verstandsvermogens zich ongemeen vroeg ontwikkelden 1, in de eerste beginselen der wiskunde onderwees; doch de vader werd weldra door zijn' negenjarigen zoon in deze wetenschap ver overtroffen, waarin de geleerde aeneae hem verder onderwees niet alleen, maar hem ook in kennis bragt met de beide voortreffelijke broeders jeronimo en bernardus de bosch, die edelmoedig hem huisvesting, onderhoud, opvoeding en onderwijs verschaften. Menige kostbare parel blijft onbewonderd op den bodem der zee liggen: welligt had men zonder deze gelukkige omstandigheid nimmer hooren spreken van den grooten nieuwland, die, met uitgebluschten geest, weldra zijn' vader al zuchtende aan de schaafbank had vervangen. Vernuften als antonides en nieuwland zijn zeldzaam, doch welligt daarom, dewijl de buizeros en de bosschen nog veel zeldzamer zijn. Nieuwland beminde en eerde ook zijn geheele leven lang zijne weldoeners als of zij zijne ouders waren.

[p. 481]
 
Bosschi, quem veneror loco parentis;
 
Ecquid sanctius est parente nomen?
 
Bosschi, diligo quem loco parentis;
 
Ecquid carius est parente nomen 1?

Dus begint het hartelijk gedicht, dat hij in het album van jeronimo schreef. Met regt straalt dus de wederglans van nieuwlands roem in helderen luister op den naam van den edelen de bosch te rug, zoo dikwijls de naam van genen genoemd wordt. ‘ô Rijken en Grooten dezer aarde! welk een voorbeeld ter navolging 2!’

De uitmuntende Latijnsche dichter onderwees der jeugdigen nieuwland zelf in de geleerde talen op eene geheel andere dan de gewone langwijlige wijze 3. In den tijd van twee jaren, 1775-1777,

was Nieuwland dus reeds in staat om zijne studiën aan de Doorluchtige schole te Amsterdam te beginnen; in de wijsbegeerte genoot hij aldaar het onderwijs van den Hoogleeraar wyttenbagh en in de letterkunde dat van den Hoogleeraar tollius; hier maakte hij uitmuntende vorderingen, en gaf

[p. 482]

verscheiden proeven van bekwaamheid 1; onder anderen zijne fraaije Latijnsche dissertatie over den Stoïcijnschen wijsgeer musonius, door hem den 14 April 1783 in het openbaar verdedigd. Hij vertaalde ook gedurende dien tijd de verhandelingen van wyttenbach en de bosch Over de gevoelens der Ouden wegens den staat der zielen na dit leven 2. De menigte Grieksche en Latijnsche verzen, daarin voorkomende, heeft hij in fraaije Nederduitsche dichtmaat overgebragt. Naderhand vertaalde hij ook voor de Maatschappij der Letterkunde te Leyden, hottingers Latijnsche verhandeling Over het waar en valsch vernuft 3.

Terwijl nieuwland zelf nog onderwijs genoot, strekte hij reeds andere jongelingen tot onderwijzer. Van September 1783 tot in Junij 1784 woonde hij ten huize van den Heer de graeff, Heer van Zuid-Polsbroek, in hoedanigheid van Gouverneur over deszelfs kinderen. In dien tijd werd hij op het drietal gebragt als Hoogleeraar in de letterkunde te Franeker.

In 1784 begaf hij zich naar de Akademie te Leyden, alwaar hij de lessen bijwoonde van de Hoogleeraren valckenaer, rhunkenius en pestel. Het volgende jaar kwam hij in Amsterdam te rug

[p. 483]

en beöefende onder het geleide van den Hoogleeraar van swinden de proefondervindelijke natuurkunde en al de deelen der wiskunde. Alle reden had deze voortreffelijke man om zich te verhovaardigen op zulk een' uitmuntenden leerling; maar, ver van zich de verdienste der vorming van nieuwlands genie, of zich zelven een groot gedeelte van zijnen verworven roem toe te rekenen, verklaarde hij in het openbaar met de edele bescheidenheid, die den waren wijzen alleen eigen is, dat nieuwlands genie slechts enkel aan den gang scheen gebragt te moeten worden, om daarna door hare eigen krachten alles af te doen, en voegde deze merkwaardige woorden er bij: ‘Een leermeester mag zich verblijden zulk een' leerling gehad te hebben; maar hij kan of mag zich over denzelven, alsof hij hem gevormd had, alsof men uit den leerling tot den meester mogt besluiten, niet beroemen. Dergelijke geniën worden niet gevormd, maar geboren, en wachten slechts naar de gelegenheid, welke de aanbiddelijke Voorzienigheid zal doen opkomen, om zich te ontwikkelen. Gelukkig dien het Opperwezen daartoe, als een werktuig in zijne handen, gebruikt 1!’

Spoedig werden zijne verdiensten en bekwaamheden opgemerkt. Zijne benoeming tot lid eener Commissie tot het bepalen der lengte op zee en de verbetering der zeekaarten in April 1787 heeft hij altoos met een dankbaar hart als den eersten stap

[p. 484]

tot zijne bevordering aangemerkt. Twee maanden daarna werd hij uit hoofde van het vrijwillig, vertrek des Hoogleeraars hennert, in diens plaats door de regering van Utrecht beroepen tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte, Wis- en Sterrekunde aan de Hoogeschool dier stad. Na veertien dagen beraad nam nieuwland dit beroep aan, en maakte zich gereed om tegen den 27 September zijn' post op de gewone wijze plegtig te aanvaarden, hetgeen eerst uitgesteld, en hem vervolgens berigt werd, dat hennert terug gekeerd en zijne aanstelling voor onwettig verklaard was.

Deze teleurstelling geschiedde ten gevolge der omwenteling in den herfst van 1787. Schoon, volgens het getuigenis van zijn' lofredenaar, nieuwland zich nimmer met staatsgeschillen had ingelaten 1, was het echter genoeg bekend dat zijne denkwijze instemde met de gevoelens van die partij, welke men door Pruissische baijonetten het zwijgen had opgelegd 2, en dit was in dien ongelukkigen tijd genoeg om zelfs de uitstekendste verdiensten te miskennen 3. Twee jaren later nogtans, namelijk den 29 April 1789, werd hij door de regering der stad Amsterdam, in plaats van den overledenen p. steenstra, aangesteld tot Lector in de Wis-

[p. 485]

Sterre- en Zeevaartkunde; hij aanvaardde dezen post den 1 September met eene aanspraak, die gedrukt is achter zijne Nederduitsche Intreeredevoering, gehouden den 23 November, Over het Nut, dat de uitbreiding van de Zeevaart aan de menschelijke maatschappij in het algemeen heeft toegebragt, en in het vervolg nog doet verwachten. Met den grootsten lust en ijver vervulde hij de pligten van dezen post, die hoofdzakelijk het onderwijs in de stuurmanskunst medebragt, zoodat hij zelfs het beöefenen van de hoogere deelen der wiskunde staakte, waarin hij zelfs euler overtroffen zou hebben; doch hij offerde zijn' roem aan zijn' pligt op, en zeide bij gelegenheid dat men hem dit voorhield: ‘Ik zal dan geen euler kunnen worden! Ik zal dus trachten Neêrlands dalrymple te zijn.’

Den 24 Julij 1791 was hij gehuwd met anna hartwigina pruyssenaar, die hij in het kraambedde aan de kinderziekte verloor op den 29 Maart 1792. Ter verzachting van dit grievend verlies besloot hij eene buitenlandsche reis te doen, en begaf zich naar Gotha 1, om zich, onder het geleide van den beroemden von zach, verder in de sterrekunde te oefenen. Niet alleen van dezen en andere geleerden aldaar genoot hij vele blijken van achting en vriendschap, maar ook zelfs van de regerende Hertogin van Saksen-Gotha, die zelve de wiskundige wetenschappen beöefende, en naderhand met

[p. 486]

nieuwland eene belangrijke briefwisseling onderhield.

Met het oogmerk om zijne kundigheden te vermeerderen, leide hij zich insgelijks toe op de proefondervindelijke natuurkunde, en wel dat gedeelte, het welk tot de scheikunde behoort; om zich daarin te oefenen vond hij eene uitstekende gelegenheid in het scheikundig gezelschap, het welk de Hoogleeraar n. bondt, j.r. deimann, a. paets van troostwyk en a. lauwerenberghadden opgerigt, en waarin hij als lid werd aangenomen. In zeer korten tijd verstond nieuwland de theorie der scheikunde volkomen, en las den 24 Mei 1791 in het departement der natuurkunde van de Maatschappij Felix Meritis eene Schets voor van het Scheikundig leerstelsel van lavoisier 1, en was in staat de schoone ontdekkingen van dit gezelschap in de Fransche taal gemeen te maken 2.

De onverdiende teleurstelling aan de Utrechtsche akademie in 1787 werd hem rijkelijk veraangenaamd en vergoed door het beroep als opvolger van zijn' vriend, den beroemden Hoogleeraar c.h. damen aan de Leydsche, op den 1 Junij 1793, in dezelfde hoedanigheid. Reeds den 28 September hield hij zijne Intreeredevoering over den staat der natuurkundige wetenschappen, vergeleken met dien der

[p. 487]

fraaije letteren, en uit den aard van beiden opgehelderd 1; reeds had hij zich aangegord om den roem van 's lands hoogeschool door zijn' roem bij de geleerde wereld luisterrijk te handhaven; ‘reeds vloeide van alle kanten de menigte naar dit schouwspel te zamen, om den geleerden te bewonderen, die op zoo vele mindere tooneelen alree de blijken zijner voortreffelijkheid had aan den dag gelegd; reeds was hij het schouwtooneel der eere beklommen; reeds toonde hij de grootheid zijner ziel en de aanminnigheid zijns persoons aan de opgetogen menigte, en.... het gordijn viel 2!’ - -

Het gordijn viel den 14 November 1794 3, en nieuwland verliet onder tranen en luide toejuiching tevens het aardsch tooneel, op het welk hij, in naauwelijks dertig jaren, langer dan eene eeuw de heerlijkste gaven en voortreffelijkste bekwaamheden ten toon gespreid, en ieders lof, goedkeuring en bewondering verworven had. Hij had zijne laatste

[p. 488]

rustplaats verkozen op het kerkhof te Diemen, in de nabijheid van zijne geboorteplaats.

Diep werd het gemis gevoeld van ‘dat heerlijk sieraad des vaderlands, den kweekeling en lieveling dezer stad 1.’ - ‘Geen wonder dat men de nagedachtenis van dezen éénling zijner eeuwe vereerde met hem te doen kennen, met hem te betreuren 2.’ Spoedig deelde de Hoogleeraar brugmans het treurend publiek een beknopt levensberigt mede van zijn' voortreffelijken ambtgenoot 3. Op den 24 November, en dus tien dagen na dit smartelijk verlies, hield de student j.w. van sonsbeeck, (welke uitmuntende jongeling, helaas! zijn' beminden leermeester spoedig volgde, en later in dit werk ook gedacht zal worden) met toestemming van den Rector magnificus in de groote gehoorzaal der Leydsche Akademie eene sierlijke Nederduitsche redevoering, geheel aan de nagedachtenis van nieuwland gewijd, waarna de Heer d.j. van lennep, thans Hoogleeraar aan de Amsterdamsche Doorluchtige Schole, een schoon Latijnsch treurdicht treffend uitsprak 4. Den 2 December vierde nieuwlands vriend, de beroemde Geneesheer J.p. michell, zijne nagedachtenis in het genootschap Concordia et

[p. 489]

Libertate, met eene zeer karakteristieke redevoering 1. In dezelve opperde hij het denkbeeld tot het oprigten van een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf, waarvan hij tevens de concept-afbeelding mededeelde. nieuwlands vrienden openden daartoe eene inschrijving, doch er is niets van gekomen.

Aandoenlijk, somber, en toch plegtig en luistertijk, was het lijkfeest, door de Maatschappij Felix Meritis, ter nagedachtenis van nieuwland gevierd op den 24 December, door eene keurige lijkrede, die zijn voormalige leermeester en vriend de Hoogleeraar van swinden voor eene talrijke schaar aanzienlijke toehoorders uitsprak 2. Volgens het beraamde plan zou een treurmuzijk de redevoering voorafgegaan, verpoosd en besloten hebben; vervolgens zou een zangstuk, vervaardigd door p.j. uylenbroek, en in muzijk gezet door b. ruloffs, uitgevoerd zijn geworden; doch de regering vond goed de uitvoering van treurmuzijk en zangstuk te verbieden, op grond dat alle openbare vermakelijkheden uit hoofde van den hagchelijken toestand des lands waren opgeschort, zoodat bij deze heeren treurmuzijk in den categorie der vermakelijkheden behoorde!! Men kon hen het ongerijmde van hun willekeurig verbod, niet aan het verstand brengen, en de treurmuzijk bleef achterwege. Wijders werd zijne nagedachtenis behalve door het bewuste zangstuk van p.j. uylenbroek, gehuldigd door twee Latijnsche graf-

[p. 490]

schriften van j. de bosch, en de Nederduitsche treurzangen van Mr. m.c. van hall en j.m. kemper 1.

Dus was de korte, maar hoogst nuttige levensbaan, die de Voorzienigheid dezen edelen sterveling had voorgeteekend; kort voorzeker ten aanzien van een' gewoon' mensch, maar voor nieuwland,

 
- die zijn' loop volbragt waar anderen dien beginnen,

de ouderdom van een' fontenelle of huygens. Dat wij dan niet mistroostig vragen:

 
Waartoe hem slechts aan de aard' vertoond?

want immers hij

 
Heeft, in den kring van weinig jaren,
 
Met roem voor de eeuwigheid geleefd 2.

Bij den aanvang van zijn' levensloop vonden wij eenige punten van vergelijking tusschen nieuwland en zijn' voorganger bellamy; thans vinden wij die weder tusschen hem en den twintig jaren na hem geboren en zevenentwintig jaren na hem gestorven borger. Beiden waren van onaanzienlijke afkomst, beiden gaven in hunne vroege jeugd reeds blijken van hunne schrandere opmerkzaamheid, vlug vernuft en fijn oordeel; beiden hadden de kennis der Latijnsche taal aan vriendschappelijk onderwijs

[p. 491]

te danken; beider smaak, beider zucht voor de wetenschappen (hoezeer elk in een onderscheiden vak arbeidende) was dezelfde; beiden waren eenvoudig van zeden, aandoenlijk van zenuwgestel en gevoelig van hart; beiden bloeiden in zorgelijke tijden voor ons vaderland, en beiden behielden de achting en vriendschap van elk die met hen in denkwijze verschilde; beiden beminden en beöefenden de dichtkunst in den echten geest der poëzij; beiden verloren hunne echtgenooten in het kraambedde (borger tweemalen); beiden betreurden hun verlies in even roerende dichtstukken, beiden overleefden hunne smart slechts kort, en beider overschot rust op de begraafplaatsen van stille dorpen. Inderdaad, het schijnt als of de natuur het gemis van bellamy door nieuwland, en dat van dezen door borger heeft willen herstellen, doch telkens door den dood midden in haren arbeid gestoord is geworden.

Zoogenaamde universeelgeniën treft men somwijlen meer aan; maar dan is het niet zelden de omnibus aliquid, de toto nihil; doch bij nieuwland was alles in de volste volheid voorhanden, in dien eenvoudigen, zedigen, nederigen, gullen, opregten man, van wien men met zijnen vriend, den echten menschenkenner michell, kan zeggen; het geen men van slechts zeer weinig menschen zeggen kan: ‘Hij was een voortreffelijk mensch 1.’

Na deze met de waarheid overeenkomstige uitspraak, behoeven wij zijne lofredenaars niet verder

[p. 492]

uit te schrijven; als geleerde hebben wij hem reeds leeren kennen in het overzigt van zijn' belangrijken levensloop, en wel als ijverig beöefenaar der natuur- wis- en sterrekundige wetenschappen, met welken de beöefening der poëzij zich zoo weinig schijnt te verdragen; echter zullen wij hem desniettegenstaande ook leeren kennen als voortreffelijk dichter, want ook daartoe had de natuur hem reeds als een teder kind bestemd. In den ouderdom van zeven jaren vervaardigde hij reeds gedichten, die de aandacht der kenners waardig waren 1. Met zijn elfde jaar had het Haagsche dichtgenootschap hem tot aankwekeling aangenomen, en plaatste dadelijk een zijner vroegste gedichten onder deszelfs werken;

[p. 493]

wij willen dit en nog een ander der vroegere gedichten van den jongen nieuwland, door het genootschap in deszelfs dichtbundels opgenomen, hier als proeven van zijn ontluikend dichtvermogen laten volgen. Het eerste der bedoelde dichtstukken van den tienjarigen nieuwland is het volgende,

getiteld:

Davids rouwklagt over Saul en Jonathan.
 
ô Jakob! hef een' lijkzang aan;
 
Gij zaagt den roem uws volks vergaan,
 
Uwe eedle helden zijn verslagen,
 
Zij zijn rampzalig neêrgeveld,
 
Doe al het land van rouw gewagen,
 
Beklaag, betreur uw' grootsten held.
 
 
 
Maar meld uw grievend zielverdriet
 
Te Gath, uw' wreevlen vijand niet,
 
Terwijl ge u ziet van elk bestrijden;
 
Laat Askalon, zo trotsch als wreed,
 
Zich in uw onheil niet verblijden,
 
Zich niet versterken in uw leed.
 
 
 
Opdat het kroost der onbesneên
 
Niet juiche in alle uw tegenheên,
 
Opdat het rot der Philistijnen
 
Niet hupplende opspring', vol van vreugd:
 
Gij ziet uw hoop geheel verdwijnen,
 
Verteerd door drukkende ongeneugt.
 
 
 
Dat nooit de daauw uw kruin besproeij',
 
Dat nooit zich 't kruid verkwikke of groeij',
[p. 494]
 
Maar op u kwijne t' aller wegen,
 
En door gebrek van vocht verga,
 
Dat nimmermeer een frissche regen
 
Uwe akkers drenke, ô Gilboä!
 
 
 
Uw veld geev' nooit, tot 's landmans vreugd,
 
Zijn rijpe vrucht, die hij, verheugd,
 
Aan God ten offer op koom' dragen,
 
Dewijl op u, tot onze smart,
 
Der helden schild is neêrgeslagen;
 
Hoe grieft hun dood nu Jakobs hart!
 
 
 
Daar ligt, van luister gantsch beroofd,
 
Het schild van Saul, als waar' zijn hoofd
 
Met heilige olie nooit begoten,
 
Uw taaie boog, zo fiksch gesteld,
 
Heeft nooit vergeefs naar 't doel geschoten,
 
ô Jonathan! ô strijdbre held!
 
 
 
Het altijd scherpgewette zwaard
 
Van Saul, in strijd op strijd vermaard,
 
Is nooit gekeerd uit de oorlogsvelden,
 
Dan rood geverfd van rookend bloed,
 
Begruisd van stof en 't vet der helden,
 
Der stoute trotschen, wreed van moed.
 
 
 
Vorst Saul, met recht een held genoemd,
 
En Jonathan, alöm beroemd,
 
Zoo minlijk beide in al hun leven,
 
Zijn ook elkandren in den dood,
 
Den wreedsten dood, getrouw gebleven,
 
Verëend in d' allerjongsten nood.
 
 
 
Geen rijzende arend, die de lucht
 
Met vleuglen klieft in zijne vlugt,
[p. 495]
 
Ging ooit in snelheid hen te boven:
 
De leeuw, die brullend door het woud
 
Zich nimmer laat zijn' prooi ontrooven,
 
Moest zwigten voor hun magt, hoe stout.
 
 
 
ô Jakobs kroost! ô maagdenrei!
 
Beklaag, betreur uw' held, ja schrei
 
Om Saul, die door zijn groote daden
 
U eertijds kleedde in zijde en goud,
 
Daar gij uw rijke pronksieraden
 
Geheel ontluisterd thans beschouwt.
 
 
 
Hoe zijn uw helden thans geveld!
 
Prins Jonathan, die strijdbre held,
 
Is op uw bergen, hoogverheven,
 
Getroffen in het jeugdig hart,
 
Hij is door 't zwaard, dat elk deed beven,
 
Te vroeg gesneuveld, mij tot smart.
 
 
 
Hoe smelt mijn ziel om u van rouw.
 
Mijn dierbre broeder rijk in trouw!
 
Mijn Jonathan! mijn lust op aarde!
 
Ik minde u steeds met hart en zin,
 
Ik achtte uw vriendschap meer van waarde,
 
Dan de allerteêrste vrouwenmin.
 
 
 
Hoe zijn de helden thans geveld,
 
ô Jakob! door het krijgsgeweld!
 
Gij ziet uw sterkte u gantsch ontnomen,
 
U redloos en van hulp ontbloot.
 
Hoe zijn uw strijdbren omgekomen!
 
Beschrei hen deerniswaarden dood 1.
[p. 496]

Ach! hoezeer heeft hij met zijn eigen voorbeeld de waarheid bevestigd van het geen hij anderen ter overweging opgeeft, in het stukje, getiteld:

Gedenk te sterven.
 
ô Nooitvernoegde mensch, door dwazen waan gevleid,
 
Door blinkend goud bekoord, door zucht tot eer misleid!
 
Bedenk, dat de enkle wenk der Godheid, zoo verheven,
 
Wanneer 't haar slechts behage, u wegrukt uit dit leven;
 
Bedenk, terwijl ge u hecht aan de onbestendige aard',
 
Hoe ras de dood, die rang, vernuft noch schoonheid spaart,
 
Uw' levensdraad doorkerft, u stuit in al uw pogen:
 
Zie daar dan hoop en waan in rook en wind vervlogen 1.

Het lijdt geen twijfel dat nieuwland, wij zeggen het zijnen lofredenaar volmondig na, ‘onze beste dichters in alles zou geëvenaard, of misschien overtroffen hebben, indien hij zich geheel der dichtkunde had toegewijd. Levendige verbeeldingskracht; kennis van de werken der natuur; ervarenis in geschiedenissen en oudheid; grondige kunde van de oude talen 2, en alle de overheerlijke dichtstukken in dezelven geschreven, welke hij zich had eigen gemaakt; een geheugen, dat hem alles ter geschikter tijd te binnen bragt; een fijn gevoel van het dichterlijk schoon; zonderlinge bekwaamheid om onze taal,

[p. 497]

en derzelver talrijke buigingen en sieraden te gebruiken; in één woord, al wat den dichter uitmaakt vond zich in nieuwland vereenigd 1.’

Deze uitspraak wordt ten vollen geregtvaardigd door de Gedichten van p. nieuwland, in 1788 te Amsterdam gedrukt, met de verzekering in het Voorberigt, dat deze bundel nimmer door een' tweeden gevolgd zou worden; dit is bij zijn leven ook niet gebeurd; doch in 1797 gaf de Heer a. de vries zijne Nagelaten Gedichten te Haarlem insgelijks in het licht, die in 1816 herdrukt zijn 2.

De eerste der beide verzamelingen bevat een aantal dichtstukken van onderscheiden aard, zelfs gelegenheidsverzen, wier afgesleten onderwerpen hij op eene eenvoudige en toch zoo behaaglijke wijze den prikkel der nieuwheid wist te geven, zoodat men ze met genoegen leest; voorts fraaije navolgingen van oude Grieksche en Latijnsche dichters, waarin hij bij uitstek geslaagd is, en eindelijk vertaalde fragmenten uit oude dichteren, betrekkelijk op den staat der zielen na dit leven, voorkomende in de hiervoor genoemde verhandelingen van wyttenbach en de bosch. De geheele verzameling, zoowel wat de vertalingen als de oorspronglijke stukken betreft, heeft hooge kunstwaarde; de oorspronglijken zijn zeker wel het minst in getal 3, maar

[p. 498]

‘zijn Orion munt daarin uit, gelijk dat gesternte zelve onder de mindere hemellichten 1.’ Het vinde al dadelijk hier eene plaats.

 
Wie heft, met hatelijke pracht,
 
Bij de achtbre stilte van den nacht,
 
Uit d' oceaan het hoofd naar boven?
 
Wie blijft in 't aanzien van Diaan',
 
Die vruchtloos poogt dien gloed te doven,
 
Met onverzwakten luister staan?
 
 
 
Zijt gij 't, Orion! voor wiens licht
 
Der kleiner zonnen flikkring zwicht
 
Als 't licht der maan voor Febus glansen?
 
Rijs, groote Orion! rijs omhoog!
 
Zijt welkom, held! aan onze transen!
 
Verruk, verruk ons starend oog!
 
 
 
Wat sterreglans, die eerbied baart,
 
Praalt op uw' gordel, knods en zwaard,
 
Bezaaid met tintelende vieren!
 
'k Zie Betelgeuzes rooden gloed
 
Uw' schouder, naast Bellatrix, sieren,
 
En Rigel flonkren op uw' voet.
 
 
[p. 499]
 
Ik zie, daar u de stier ontvlugt,
 
Voor de opgeheven vuist beducht,
 
Den Noordschen beer van verre grimmen.
 
De bloedige Aldebaran zelf
 
Ontwijkt uw' knods, bij 't statig klimmen,
 
En ruimt u plaats aan 't stergewelf.
 
 
 
Zoo drijft ge, in 't schoon Elysisch woud,
 
Daar zich der helden schare onthoudt,
 
Voor u de woeste dieren henen!
 
Zoo hebt ge, in 's waerelds morgenstond,
 
Met al uw' luister vroeg verschenen,
 
Auroras teder hart gewond.
 
 
 
Dit zag de wrevle jagtgodin;
 
Haar wrok ontvlamde om deze min,
 
Zij deed u door haar schichten sneven.
 
Jupijn verijdelde dien nijd:
 
Door hem aan hooger' trans verheven,
 
Blinkt gij daar eeuwig, haar ten spijt.
 
 
 
Rondom u schittren zon bij zon,
 
Daar Sirius en Procyon
 
Met diep ontzag uw schreên verzellen.
 
Wie noemt in klanken, zwak van toon,
 
Die heiren, door geen oog te tellen?
 
Wie schetst hun godlijk, eeuwig schoon?
 
 
 
ô Gij, geleidster van mijn' held,
 
Die, als gij onze zon verzelt,
 
Uw' naam verleent aan onze dagen!
 
ô Heldre hondster! zou uw licht
 
De voorboô zijn van felle plagen?
 
Ons siddren doen op uw gezicht?
 
 
[p. 500]
 
Neen! 't bijgeloof verzon dien waan.
 
Mij lacht uw glans beminlijk aan,
 
Vorstin der hooge sterrenchoren!
 
'k Voel, daar mijn eerbied op uw staart,
 
Gedachten in mijn ziel geboren,
 
Wier vlugt mij opvoert boven de aard'.
 
 
 
Is elk dier lichten, die gij ziet,
 
Zelfs 't kleenste, dat uw oog ontvliedt,
 
ô Stervling! slechts voor u in wezen?
 
Is, bij 't gezigt van 't stergewelf,
 
Geen denkbeeld ooit in u gerezen
 
Dan 't nietig denkbeeld van u zelv'?
 
 
 
Vermeetle! draait voor u alleen
 
De gansche schepping om u heen?
 
Is ze u alleen ten dienst gegeven?
 
U, die, uit nietig stof geteeld,
 
Het broos genot van 't vlugtig leven
 
Met vlieg en mier en made deelt!
 
 
 
Zijt gij op de aarde zoo gering;
 
Die aarde, trotsche sterveling!
 
Is een dier duizendduizend bollen
 
Die om dezelfde groote zon
 
In afgeperkte banen rollen,
 
Licht scheppen uit dezelfde bron.
 
 
 
Elk, elk gevoelt haar heerschappij,
 
Die streeft behendig haar op zij,
 
Daar deze uit afgelegen streken
 
Haar eens in vijftig eeuwen groet,
 
Of ligt, haar wijd gebied ontweken,
 
Slechts eens bestraald wordt door haar' gloed.
 
 
[p. 501]
 
Elk lichtje, dat gij tintlen ziet,
 
Zelfs 't kleenste, dat uw oog ontvliedt,
 
Is zulk een bron van licht, omgeven
 
Van waerelden, die, zonder tal,
 
Als stofkens, door elkander zweven,
 
En veilig zijn voor schok en val!
 
 
 
Verbeelding! is u niets te hoog,
 
Zoo leer mij gindschen heldren boog,
 
Den goddelijken Melkweg, kennen.
 
Voer, langs dat breed en glansrijk spoor,
 
Mijn' tragen geest, op vlugge pennen,
 
Den wijden kreits der schepping door.
 
 
 
Die baan, wier zacht en lieflijk licht
 
Slechts wolkjes vormt voor 't scherpst gezigt,
 
Is een gestel van sterrenheemlen,
 
Wier eindloos flaauwe tinteling
 
Van verre schijnt dooreen te weemlen,
 
Zich, zamensmelt tot éénen kring.
 
 
 
Hebt gij, de grenspaal nu ontdekt?
 
Weet gij, hoe ver de schepping strekt,
 
ô Stervling, eindig van vermogen?
 
Zoo sta nog eens, uit dat verschiet,
 
Op held Orions beeld uwe oogen,
 
En zink, verzink dan in uw niet!
 
 
 
Orion! uw volmaakte glans
 
Voert mij omhoog van trans in trans,
 
Ontrukt mijn' geest aan 't aardsche duister!
 
Mijn oog beschouwt u uren lang,
 
En telkens vindt het nieuwen luister,
 
En nieuwe wondren voor mijn' zang!
 
 
[p. 502]
 
Is 't waar? of faalt mijn zwak gezigt,
 
Dat ginds een' kring van bleeker licht
 
Meent in uw prachtig zwaard te ontdekken?
 
Een dunne vlek, wier flaauwe schijn
 
Zich telkens poogt aan 't oog te onttrekken?
 
Wat mag dat glinstrend wolkje zijn?
 
 
 
Dat glinstrend wolkje, sterveling!
 
Is ook een melkweg, in wiens kring
 
Ontelbre sterrenstelsels weemlen,
 
Den uwen ligt in glans gelijkt!...
 
Verbeelding! daal! verlaat die heemlen,
 
Eer mijn geschapen geest bezwijk' 1.

Ten bewijze hoe vloeijend en gemakkelijk nieuwland in dichtmaat vertaalde, en toch de denkbeelden en wendingen des origineels juist en naauwkeurig overbragt, voeren wij hier zijne navolging aan van een' rei uit den Thyestes van seneca, door hem getiteld:

De ware koning.
 
Zoo heeft dan eindlijk 't oud geslacht,
 
Uit koning Inachus gesproten,
 
Der broedren fellen wrok verzacht,
 
En 't langgewenscht verbond gesloten!
 
Wat helsche woede dreef u aan
 
Om naar elkanders bloed te dorsten?
 
Door gruwlen naar de kroon te staan?
 
Gij weet het niet, misleide vorsten!
 
Indien ge naar paleizen haakt,
 
Wie recht den naam verdient van koning.
[p. 503]
 
't Is niet de schat, die koning maakt,
 
Noch 't rijk verguldsel van uw woning;
 
Noch Tyrisch kleed, met purpren gloed,
 
Noch kroon, die van juwelen schittert.
 
Hij, hij is koning, wiens gemoed
 
Geen vrees ontstelt, geen haat verbittert:
 
Wien geene volksgunst, los van aart,
 
En wuft als ligtbewogen golven,
 
Noch scepterzucht ontroering baart,
 
Noch wat uit mijnen wordt gedolven;
 
Noch 't goud, dat Tagus langs zijn' boord.
 
Glashelder, meêvoert uit zijn bronnen;
 
Noch al het graan, in 't vruchtbaar oord
 
Van 't gloeiend Afrika gewonnen;
 
't Is hij, die, boven vreugd en leed
 
En alle driften ver verheven,
 
Zijn lot grootmoedig tegentreedt,
 
En vrolijk scheiden kan van 't leven.
 
 
 
Het groot gemoed bezit een rijk,
 
Dat ruitermagt behoeft noch vloten,
 
Noch schild, noch speer, ten laffen blijk'
 
Van vrees, al vlugtende afgeschoten,
 
(Gelijk de woeste Parther vecht),
 
Noch steenenbrakende mortieren,
 
Waarmeê men wal en muren slecht:
 
Hij, die zich zelven kan bestieren,
 
Is van gevaar en rijkszorg vrij;
 
Behoeft geweer noch praalvertooning.
 
Elk geeft zich zelv' dees heerschappij;
 
Wie niets begeert, niets vreest, is Koning 1.
[p. 504]

Wien het, gelijk den Heer de vries 1, ‘bekend is, met welk eene losheid en gemakkelijkheid nieuwland alle wetenschappen beöefende, en bijzonder zijne gedichtjes vervaardigde, die hij al spelende daarhenen schreef, zij, die weten hoe weinig prijs hij op dezelven stelde, hoe weinig roem hij daarin zocht, zij alleen kunnen regt oordeelen, welk een dichterlijk vernuft in dezen voorbeeldeloozen en zedigen man geschitterd heeft.’ Geestigheid en eenvoudigheid, vernuft en natuurlijkheid, waar gevoel 2 en gezond verstand gaan in zijne gedichten altijd onafscheidelijk gepaard. Dit alles immers treft men vereenigd aan in zijn aandoenlijk dichtstuk ter gedachtenisse van zijne echtgenoote en kind.

 
Neen! 't is geen droom!... 'k Ontwaak, en tast in 't rond,
 
Maar vindt geen vrouw aan mijn verlaten zijde,
 
En voel geen' kus van haren lieven mond,
 
En hoor geen stem, wier klank mijn ziel verblijdde.
 
Die lieve mond is bleek en koud, en zwijgt,
 
Stijf is de hand, die teeder mij omärmde.
 
Nu klopt geen hart, geen boezem zwelt en hijgt,
 
Waaräan welëer haar liefde mij verwarmde.
[p. 505]
 
Nacht dekt het oog, den spiegel, daar haar ziel,
 
Steeds groot en goed, en telkens toch verscheiden,
 
Zoo hemelsch blonk, en altoos elk geviel,
 
En niemand wilde en niemand kon misleiden.
 
ô Gij, die bouwt op schoonheid, jeugd, en kracht!
 
Was zij niet jong en schoon als lentebloemen?
 
Wie kon, als zij, van 't maagdelijk geslacht,
 
Op mannekracht bij vrouwezachtheid roemen?
 
Maar 't doodlijk gif van een verborgen worm
 
Vernielt in 't veld de schoonste roos van allen;
 
Het woest geweld van eenen Maartschen storm
 
Doet ook in 't woud de kloekste stammen vallen.
 
ô Eedle roos! o knopje, jong en teêr!
 
Dezelfde storm heeft beide fel verslagen.
 
Ik ben geen gade, ik ben geen vader meer!
 
De winter heerscht reeds in mijn lentedagen 1.

In een geestig stukje, aan zijne a.h. pruissenaar gerigt, verhaalt hij op een regt aardige en naïve wijze zijn' droom van zijn aanstaand gelukkig huwelijksleven met haar; een' droom waarin de gemeenzaamste huisselijke tooneelen, en hieraan ‘onderkent men,’ gelijk de Heer de vries zeer oordeelkundig aanmerkt 2, ‘den grooten dichter van den kleingeestigen woordenrijmer,’ geheel naar de natuur op eene geestige en bevallige, zwierige en gemakkelijke wijze worden afgeschilderd. Na eene buitenwandeling met zijne geliefde beschreven te hebben, vervolgt hij:

[p. 506]
 
Ik weet niet hoe, doch onverwacht
 
Was tuin, en veld, en laan vervlogen!
 
En, eer ik om verandring dacht,
 
Kwam mij een nieuw tooneel voor oogen.
 
 
 
'k Bevond mij eensklaps, op dat pas,
 
In een van Amstels drokste straten,
 
Doch, 't geen voor mij het dierbaarst was,
 
Gij hadt mijn zijde niet verlaten!
 
 
 
Daar kwam ons een en ander vrind,
 
En menig oud bekende tegen:
 
En elks gelaat stond welgezind,
 
Elk groette ons minzaam allerwegen.
 
 
 
Ik sloeg mijne oogen wijd in 't rond,
 
En elk kon in mijn blikken lezen:
 
‘Ziet, ziet eens, welk een' schat ik vond!
 
En zou ik daar niet fier op wezen!
 
 
 
Dit meisje, onschatbaar van waardij,
 
Van hart noch schooner dan van leden,
 
Dit meisje schonk haar hart aan mij!
 
Wil 's levenspad met mij betreden!
 
 
 
Niet, wijl ik goud of paarlen had:
 
Zij kende mijnen staat ten vollen,
 
Zij wist, dat nooit mijn wagenrad
 
Haar zacht langs gracht of straat zou rollen.
 
 
 
En ook niet enkel, wijl mijn naam,
 
Verdiend of onverdiend geprezen,
 
Door ongezochte letterfaam
 
Ligt hier en daar bekend mag wezen.
 
 
[p. 507]
 
Maar, wijl haar oog in mijn gedrag
 
Den grond doorkeek van mijn gepeinzen,
 
Mijn trouwe, teedre liefde zag,
 
En ronde, opregtheid, wars van veinzen.’
 
 
 
Dus dacht ik, zag verrukt u aan,
 
Gij lachte, en sloegt uwe oogen neder,
 
En - ('t kan toch vreemd in droomen gaan)
 
Het gansch tooneel verandert weder!
 
 
 
Nu was het winter, woest en guur,
 
En de avond werd in huis gesleten!
 
'k Zat, dacht mij, bij 't gezellig vuur,
 
En gij waart over mij gezeten.
 
 
 
Zoo woest en guur, als 't buiten was,
 
Zoo stil en zoet was 't binnen muren.
 
Wij dronken thee; ik schreef of las,
 
Gij waart aan 't breijen of borduren.
 
 
 
Bij ieder volgeschreven blad,
 
Dat tijd vereischte, om d' inkt te droogen,
 
Verfrischte een kop van 't geurig nat
 
Mijn ingespannen denkvermogen.
 
 
 
Ik dronk hem zonder horten leêg,
 
(Uw les is niet vergeefs ontvangen.)
 
Voor ieder kopje, dat ik kreeg,
 
Drukte ik een' kus op mond of wangen.
 
 
 
Ach! water, in een' Delftschen nap,
 
Mij door uw lieve hand geschonken,
 
Is nektar, meer dan druivensap,
 
Uit Britsch kristal, alleen gedronken.
 
 
[p. 508]
 
'k Zat dus te werken, wel te moê,
 
En spoedig gleden de uren henen,
 
Wanneer op ééns; ik weet niet hoe,
 
En breiwerk en geschrift verdwenen!
 
 
 
Mijn stoel was nu aan d' andren hoek,
 
Zoo dat wij zijde aan zijde zaten,
 
En, in ik weet niet welk een boek
 
Nu beurtlings lazen, dan weêr praatten.
 
 
 
En, wat ik geestigs had gehoord,
 
Of opgespeurd in vreemde talen,
 
Elke eedle daad, elk aardig woord,
 
'k Moest alles, dacht mij, u verhalen.
 
 
 
Nu trad een vriend ter kamer in,
 
Want vrienden heb ik, ware vrienden;
 
Die door hunn' trouwen, eedlen zin,
 
Sinds lang van mij dien naam verdienden.
 
 
 
Die blijven zouden in den nood,
 
Als alle vreemden mij verlieten;
 
In wier vertrouwelijken schoot
 
Ik lief en leed steeds uit dorst gieten.
 
 
 
De vriend nam plaats, 't gesprek werd drok,
 
Wij deelden gul ons avondëten.
 
Dus werd nog, onder ernst en jok,
 
Een vrolijk uur of twee gesleten.
 
 
 
Tot dat, bij d' aankomst van den nacht, -
 
Doch, 'k zou te lang uwe aandacht kwellen.
 
'k Zal, wat ik droomend verder dacht,
 
Voor deze keer, u niet vertellen.
 
 
[p. 509]
 
'k Ontwaakte - weg was 't schoon tafereel,
 
Ik weêr in al mijn leed verstoten!
 
Ach! valt ons dan geen heil ten deel',
 
Ten zij 't al droomend word' genoten!
 
 
 
Eén woord slechts, Anna! van uw' mond,
 
Eén lonk van 't oog, vol zachte klaarheid;
 
Eén enkle kus, - dan is terstond
 
Mijn lot beslist, mijn droom is waarheid 1.

Even aardig en geestig is ook zijne Nieuwejaarsgift aan den Nachtwacht, 1 Januari, 1791, waarin hij hem aanbeveelt de rust zijner geliefde toch niet te storen; na hem op eene naïve wijze hare woning aangeduid te hebben, geeft hij hem het volgende in last:

 
Doch ik had u haast vergeten
 
Met uw boodschap, trouwe wacht!
 
En gij moet nog vrij wat weten;
 
Geef dan nu naauwkeurig acht.
 
 
 
Anna's deur moet gij bewaken;
 
Doch uw somber nachtgezang
 
Hebt gij eens vooral te slaken,
 
Dat verveelt haar sedert lang.
 
 
 
Doe geen stem of ratel hooren,
 
Als gij nadert aan haar huis;
 
Want gij zoudt haar droomen storen
 
Door dat onbesuisd gedruisch
 
 
[p. 510]
 
Ach! Wie weet, in zulke droomen,
 
Waar haar vlugge geest op speelt!
 
Welke beelden voor hem komen! -
 
Hemel! ware ik zulk een beeld! -
 
 
 
En, vereischt uw pligt bij wijlen,
 
Als de vlam woedt hier of daar,
 
Dat gij elk ter hulp doet ijlen,
 
Maak dan niet te veel misbaar.
 
 
 
Rassche schrik mogt Anna krenken;
 
Want zij zou, op 't eerst gerucht,
 
Aan haar lieve vrienden denken,
 
Teeder voor hun heil beducht.
 
 
 
't Hart beklemd van angstig vreezen,
 
Zou zij vragen: ‘Waar is brand?
 
Zou 't op de andre gracht ook wezen?
 
Of aan Felix overkant?
 
 
 
Of op Bloem of Leydsche grachten?
 
Is hij mooglijk dra gebluscht?’ -
 
Laat haar niet naar antwoord wachten,
 
Stel terstond haar hart gerust.
 
 
 
Zeg haar, schoon zij 't niet mogt vragen,
 
‘'t Is niet op den Nieuwendijk.’ -
 
Noem haar dan, naar welbehagen,
 
Eenige afgelegen wijk.
 
 
 
Dat zij weêr gerust ga slapen:
 
Want een teedre maagdenhand
 
Is tot bijstand niet geschapen,
 
Bij het woeden van een' brand.
[p. 511]
 
Kan ik veilig nu vertrouwen,
 
Dat gij alles, wat ik zeg,
 
Wel naauwkeurig zult onthouën? -
 
Nachtwacht, ga dan thans uw' weg.
 
 
 
Neem dees fooi, wees nu te vreden:
 
En wij zullen, na een jaar,
 
Op den blijden dag van heden,
 
Weder spreken met elkaêr 1.

Een' aardigen pendant van bellamys Keurslijf vinden wij in het stukje, getiteld:

De jufferlijke hoed.
 
Wat maagd heeft eerst voor haar geslacht
 
Dien hatelijken hoed bedacht,
 
Die nijdig 't lief gelaat bedekt,
 
Der oogen glans aan 't oog onttrekt,
 
Geen teeder lonkje glippen laat,
 
Het zedig kusje wreed weêrstaat?
 
Sloeg nooit die maagd een helder oog
 
Vol gulle opregtheid naar omhoog?
 
Of vreesde zij, dat ligt haar ziel
 
Elk in den spiegel niet geviel?
 
Schoot nooit haar oog een' zachten vonk?
 
Ontving het nooit een' lieven lonk?
 
En keerde ze altoos, streng en straf,
 
Den kus van liefde of vriendschap af?
 
Beminnelijke maagdenstoet!
 
Weg met dien hatelijken hoed!
 
Die nijdig 't lief gelaat bedekt;
 
Der oogen glans aan 't oog onttrekt.
[p. 512]
 
Geen teeder lonkje glippen laat,
 
Het zedig kusje wreed weêrstaat.
 
Sla 't helder oog niet altoos neêr!
 
Vang lonkjes op, kaats lonkjes weêr!
 
En keer niet, eindloos streng en straf,
 
't Bescheiden teeder kusje af 1.

‘Niet alle dichters,’ is de zeer juiste aanmerking van zijn' lijfredenaar, ‘zijn voor alle soorten van dichtstukken even geschikt: het dichterlijk gevoel spreidt zich misschien in zoo vele takken uit als er bijzondere soorten van dichtmaat en dichterlijke schoonheden zijn. - nieuwland, hoewel hij niet alle soorten van dichtstukken bewerkt heeft, bezat dit gevoel in een' hoogen graad 2.’ Zonderling is het echter dat hij, die de Latijnsche taal in den grond kende, sierlijk in dezelve schreef er de schoonheden der Latijnsche schrijvers en dichters gevoelde en opmerkte, niettegenstaande hij in deze taal door den grooten de bosch zelven was onderwezen geworden, geheel niet slaagde in het vervaardigen van goede Latijnsche verzen 3, zoo min als de bosch in de Nederduitschen, ofschoon de Nederduitsche poëzij bij hem op hoogen prijs stond, en hij de schoonheden onzer vaderlandsche dichters als echt kunstkenner wist aan te wijzen en te waarderen. Beiden erkenden

[p. 513]

dit zonderling wederzijds onvermogen. Nog ontbrak nieuwland, wiens rijke geest zoo weinig ontbrak, de kennis der muzijk; hij beklaagt zich over dit gemis:

 
Doch, helaas! mijn stroeve vingren
 
Leerden nooit, met kracht en zwier,
 
Toonen door elkander slingren,
 
Zwevende over luit of lier 1.

Dit is des te opmerkelijker, daar deze kennis in een naauw verband staat met de dichterlijke harmonie, tegen welke hij niet den geringsten misslag kon verdragen, die op hem dezelfde onaangename uitwerking deed als een valsche toon op den muzijkkenner, en evenwel ‘voor de muzijk,’ getuigt van swinden, ‘was nieuwland geheel onvatbaar, geheel ongevoelig, wat het schoone betreft, geheel onaandoenlijk, behalve in zoo verre, dat een talrijk orchest door hem als een sterk gedruis aangemerkt kon worden 2.’

Nieuwland schreef insgelijks een' zeer fraaijen Latijnschen, Franschen en Nederduitschen prozastijl; zijne verhandeling Over de betrekkelijke waarde der verschillende takken van menschelijke kennis en kunst 3 en eenige andere opstellen, in de Maatschappij Felix Meritis voorgedragen, bewijzen den grooten rijkdom, dien hij daarvan vergaderd had. ‘Waar zag men ooit een vernuft, dat, met zoo

[p. 514]

veel scherpzinnigheid, de verhevenste onderwerpen als ware het zonder moeite ontwikkelde, en tevens met schitterenden luister praalde aan den trans onzer letterkunde 1? en echter aan hem denkende, moet niemand zich de beeldtenis der ‘hoogmoedige geleerdheid, maar der zedige beminnelijkheid voor oogen stellen. Wij zullen zijne nagedachtenis in ons hart bewaren, zijn onberekenbaar verlies betreuren, en - zwijgen 2.’