Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 5 OGI-VER


auteur: P.G. Witsen Geysbeek


bron: P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 5 OGI-VER. C.L. Schleijer, Amsterdam 1824  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 42]

[Gerrit Paape]

Paape (Gerrit). Hoewel deze juist geen aanspraak kan maken op groote dichterlijke verdiensten, en met honderden zijner zoetvloeijende tijdgenooten in middelmatigheid gelijk staat, heeft hij toch door zijne veelschrijverij eenigermate een' naam gemaakt, en dient dus hier vermeld te worden. Wij zullen zijne voornaamste levensbijzonderheden uit zijne autobiographie 1 hier mededeelen.

Hij werd geboren te Delft, den 4 Februarij 1752, op hetzelfde oogenblik dat men het lijk van willem IV in het vorstelijk graf aldaar nederliet. Zijne moeder had nog even te voren de lijkstatie zien binnen komen. Zijne ouders waren onbemiddelde lieden; echter werd zijne opvoeding geenszins verwaarloosd. Van zijne eerste jeugd af had hij een' grooten lust tot teekenen en lezen; doch zijn vader, die wekelijks slechts ƒ 7:4:- inkomen en dagelijks elf monden te spijzigen had, kon hem geen teekenmeester geven, en de geheele bibliotheek van den goeden man bestond in zes of zeven boeken. Een leesgrage bakker in zijne buurt, die omtrent tweehonderd boekdeelen bezat, voorzag

[p. 43]

den jongen paape van nieuw zielenvoedsel, het geen deze gretig verslond. Zijn vader ondertusschen begreep dat lezen geen ambacht was, en zijn zoon, even als hij, in het zweet zijns aanschijns zijn brood zou moeten winnen; hij raadpleegde met des jongelings genegenheid, die op het schilderen viel, en bestelde hem met zijn dertiende jaar in eene plateelbakkerij, om na verloop van tien jaren tot den rang van schildersknecht bevorderd te worden. Omtrent dertien of veertien jaren oefende hij dit ambacht; zijne teekenkunst werd er geheel door bedorven, uit hoofde van de slechte schilderwijze, aan dat beroep eigen. Zijn vader liet hem van het geen hij verdiende zoo veel behouden als zijne bekrompen omstandigheden toelieten, omdat hij zag dat zijn zoon het gespaarde geld aan boeken en prenten besteedde. Op deze wijze had hij zich ook verscheiden dichtwerken aangeschaft, en geraakte eindelijk zelf aan het rijmen. Men dreef hartelijk den spot met zijne gebrekkige eerstelingen: dit sloeg wel voor eenigen tijd zijn' moed neder, doch benam hem dien niet geheel en al; hij vervolgde zijne rijmliefhebberij, en gaf in 1774 een werkje in het licht onder den titel van Vruchten der Eenzaamheid, of Proeve van Stichtelijke Mengeldichten, even slordig van uitvoering als van inhoud; deze ‘ellendige eersteling,’ gelijk hij dit werkje zelf noemt (wij kennen het niet), bragt hem in kennis en vriendschap met roeland van schie, een' tachtigjarig' grijsaard, en liefhebber der dichtkunst, wiens dochter, maria van schie,

[p. 44]

dezelve insgelijks beöefende, met wie paape den 24 November 1776 in het huwelijk trad. Door toedoen van zijn' schoonvader werd hij aankweekeling, en vervolgens lid van het Haagsche dichtgenootschap, welks stichter, de Predikant joannes van spaan, hem in de noodige regels der dichtkunst onderwees; inmiddels had hij een treurspel uitgegeven, getiteld: Gamba, of de Martelaar.

Thans was paape zijn dichtvuur niet langer meester, zoo dat het scheen, zegt hij, als of hij een' winkel van verzen wilde opzetten; het was hem volstrekt onmogelijk zijne verzen, hoezeer zij het door eene eentoonige vroomheid, waarvan, volgens zijn eigen getuigenis, eene sterke vlaag hem op dien tijd bevangen had, verdiend hadden, in het duister te blijven opsluiten: dienvolgens gaf hij in 1777 het eerste deel zijner Bijbel- en Zededichten in het licht, die in 1778 door het tweede deel gevolgd werden, benevens een ander rijmwerkje, zonder zijn' naam, getiteld: De vernederde en verheerlijkte jezus en andere gedichten.

Een geschil, tusschen zijne medeambachtsgezellen en hunne meesters, waarin hij de zijde der onderdrukte partij koos, bragt hem in haat; hij werd moedeloos, verliet zijn ambacht, waarin hij reeds lang een' tegenzin had, en bevond zich zonder kostwinning en zonder geld. Hij begaf zich aan het waaijerschilderen en silhouetteren; ook kreeg hij hoe langer hoe meer toegang tot zeer aanzienlijke boekverzamelingen, zoodat zijn leeslust zich nu ten vollen kon verzadigen. Eene zware ziekte en

[p. 45]

andere tegenspoeden verschafte zijner werkzame, tot nog toe vrome pen eenige rust; echter verscheen in 1779 van hem Job, in vier boeken en een kinderboekje, door hem en zijne echtgenoote gemeenschappelijk opgesteld, onder den titel van Kinderpligten, Gebeden en Zamenspraken, enz. in twee stukjes; vervolgens in 1780 De Christen, in negen boeken, een werk, waaraan hij zelf grootelijks twijfelde of het hem wel eene middelmatige eer kon aandoen (er is echter veel goeds in). Ondertusschen bevond hij zich bij aanhoudendheid in bekrompen omstandigheden, die hem nu en dan eenige klagten bij voorname en schatrijke lieden deden ontglippen; zij hadden deernis met hem, maar daarbij bleef het. Eindelijk kreeg hij toch in 1781 een ambt, het welk alle weken - zesendertig stuivers opbragt; dit was de post van bediende der kamer van Charitaten der stad Delft. In de uitoefening van zijne functie deed hij onder 1700 à 1800 arme lieden een' schat van menschenkennis op, en - van zijne zesendertig stuivers schoot zeer weinig over.

Dus won hij van dien tijd tot 1786 al schilderende en dienende den kost, toen de bekende wijbo fijnje hem den raad gaf om zich liever op het vertalen van boeken toe te leggen, waarin hij een ruimer bestaan kon vinden. Hij volgde dien raad, nam vijf lessen in het Hoogduitsch en - was reeds in staat om wielands Abderieten in het Nederduitsch te vertalen, welke vertaling nu weldra door eene menigte anderen gevolgd werd.

[p. 46]

Inmiddels was het patriottismus ter bane gekomen, waarvan hij een ijverig voorstander werd. In niet minder dan zevenendertig boekdeelen, tot de tijdsomstandigheden van dien tijd betrekkelijk, voor en na de omwenteling uitgegeven, maakte hij zijne gevoelens ernstig en schertsende bekend; zijne vlaag van vroomheid moet toen ook geheel en al verdwenen, althans in eene soort van Democritische wijsgeerte veranderd zijn, waarmede hij in deze latere schriften zijne voormaals gekoesterde begrippen hartelijk belacht. Ondertusschen het deel, dat hij in de patriottische verrigtingen genomen had, maakte het raadzaam voor hem bij de omwenteling in den herfst van 1787 zijne geboortestad Delft te verlaten en naar Amsterdam te wijken, waarheen zijne vrouw en tweejarig zoontje hem volgden. Op eene doodsche achterkamer, zonder eenige boeken dan een Bijbel met volkomen kantteekeningen, begon hij zijn' Simson. Eindelijk zag hij zich genoodzaakt om met vele anderen naar Braband te wijken, om dit te veiliger te doen, vermomde hij zich in andere kleederen en beschilderde zijn aangezigt. Te Antwerpen en elders in Braband had hij onderscheiden ontmoetingen, en geraakte bij velen zeer in den haat, omdat hij de dweepzucht van sommige signoors en de dwaasheden der Belgische patriotten bij hunnen opstand tegen Keizer joseph II in zijne schriften bespottelijk had voorgesteld; zijn handschrift van Het leven van philips van Bourgondië werd bij de plundering van den Boekverkooper spanoghe, te Antwerpen, als een kettersch boek, plegtig ver-

[p. 47]

brand. In het laatst van December 1789 nam hij zijn verblijf te Duinkerken, waar hij met het schrijven van boeken, tooneelstukken en vertalen voor zich en de zijnen den kost won. Doch op den 17 Thermidor, het tweede jaar der Fransche Republiek, werd hij benevens andere Hollandsche uitgewekenen in requisitie gesteld om het hoofdkwartier van den Generaal daendels op deszelfs togt naar Holland te verzellen. Dit bevel was hem zeer aangenaam; hij volgde het hoofdkwartier tot na het innemen van 's Hertogenbosch, en bleef eenigen tijd in deze stad, waar hij eene Vaderlandsche Courant schreef. Vervolgens bezocht hij na de omwenteling eenige Hollandsche steden, en zettede zich eindelijk te Dordrecht neder, waar hij andermaal courantschrijver werd. Al aanstonds droeg men hem het lidmaat- en voorzitterschap der societeit op; zijn eerste presidium duurde vierentwintig uren, hij trok aan het hoofd van eenige duizend burgers naar het raadhuis, en verrigtte natuurlijk alles wat in zijne staatkundige rol van dien tijd te pas kwam.

Paape scheen in deze onstuimige dagen een persoonaadje van eenig gewigt 1, doch viel weldra in volgende gematigder tijden, gelijk zoo vele anderen van zijn' stempel, in zijne onbeduidendheid te rug,

[p. 48]

en schreef nog eenige stukjes, waarna hij niet meer van zich liet hooren; althans wij weten niet waar en wanneer hij gestorven is.

Zijne laatste schriften, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, steken zonderling af bij zijne eersten, met welken hij zelf, tot groote ergernis der geenen die er stichtelijk zielenvoedsel in gevonden hadden, hartelijk in zijne laatsten den spot drijft, zeggende dat er tijdstippen in zijn leven waren, ‘die onverschoonlijk zouden zijn, door eene dweeperij, welke hem bezielde, wanneer rijper onderzoek en onpartijdige overweging er hem niet van genezen hadden 1.’ Onder de menigvuldige werken van dezen vruchtbaren veelschrijver is ongetwijfeld veel middelmatigs, prulligs zelfs, want de man moest er van eten; maar in sommigen is toch menige korl Attisch zout aan te treffen; zijne Kluchten der gekroonde Stervelingen zijn inderdaad zeer geestig. Als dichter had hij een' goeden aanleg, maar hij viel ongelukkig in verkeerde handen. Zijne verzen zijn in ons oog niet goed, en ook - niet slecht genoeg, om hier proeven van zijn' dichttrant mede te deelen.