Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 86]

Een en twintigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Abraham Blankaart.

Ge-eerde heer en voogd!

Ik kan u niet uitdrukken hoe dankbaar ik u ben! Gy hebt my doen wenen, ô Goedheid, wat vermoogt gy op myn hart - alles! alles! Waarom, myn lieve Voogd, beste Vriend myns braven Vaders, Vaderlyke Vriend van my, zyne Ouderlooze Dochter, kan ik u niet in persoon bedanken voor zo veel vriendelykheid? Kon ik maar u schryven gelyk als ik wel wilde; doch myn gemoed is zo vol.

De oude goede Peterszen heeft my, tegen eene Quitancie, duizend Guldens overhandigt; en nu zal ik my voorzien van 't nodige: gy weet wel, Papaatje lief, jonge meisjes hebben vele onnodige dingen hoog nodig, brood nodig? Men moet immers doen als een ander, indien 't niets om 't lyf heeft? Hoor, ik hou graag van wat moois, doch vind geen moois in dolligheden.

Maar ik mag immers wel een Polonaisje laten maken? Het zal u niet schelen, of de stof om myn lyf sluit, dan of zy met lange plooijen neer

[p. 87]

hangt, wel? En zo een Samaaartje staat my zó wél; want ik ben schoon uit de kluiten gewassen.

Ik ben volmaakt gezont, en zo vrolyk als een Vogeltje. De Dames houden allen veel van my, en ik van haar. Wy leven niet als by Tante, maar ik geloof niet dat wy ongeregelt leven. De Weduwe is de goedaartigste Vrouw van de waereld, en ik geloof waarlyk, dat zy iets uit zwakheid zou door de vingeren zien, 't geen zy liefst niet hadt. Myne Vriendin Lotje en ik hebben tot nog maar ééne kamer, en zyn altyd by elkander. Haar Broêr, Jacob Brunier, die ergens een officie heeft, houdt veel van ons, en heeft my verzogt, om de eere te mogen hebben van my by gelegenheid hier en daar eens te brengen, met zyne Zuster. Mejuffrouw de Weduwe zegt my, dat hy, zo als de hedendaagsche Heeren nu zyn, gansch geen kwaaje jongen is. Ik ken hem nog maar weinig; ik denk dat hy meer modieus vernuft, dan ouwerwets oordeel heeft. Hy's een meisjes gek! die altyd wat aan de hand heeft; en die ik heel wel kan dulden, om dat ik niets groots van hem wagt.

Ik hou ontzachelyk veel van myne Mama Willis; ô, myn Heer Blankaart, dat is een Vrouw! zo lief, zo minzaam, zo toegeeflyk omtrent jonge lieden. Myne Vriendin Naatje is een braaf verstandig mensch, die ik zeer hoog

[p. 88]

waardeer, en die my altoos het beste voorhoudt. Willem is myn Brôer, om het zo te noemen; een beste Jongen; doch ik geloof niet, dat hy veel Kettery in de Waereld zal brengen; mooglyk oordeel ik verkeert.

Ik poog zo te doen als myn pligt eischt, en al het gebrekkige te verbeteren. Zo dra ik tyd heb, zal ik uw verzoek involgen. Och, Tante is niet wyzer! Nu ik van haar ben, heb ik vrede met haar.

Geen blyder tyding dan eens te horen: ‘ik kom t'huis Saartje.’ Leef gelukkig, en laat ik u mogen verzekeren dat ik ben

 

Uwe liefhebbende en gehoorzame Pupil en Dienares,

Sara Burgerhart.