Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 89]

Twee en twintigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Anna Willis.

Waarde Naatje!

Lees den Brief, die myn waarde, myn geeerde Voogd my schryft, en heb dan eens de courage om te durven denken, of ik wel al te bly, al te vergenoegt zyn kan. Hoe! is in myn geval, (trouwens in alle gevallen,) blydschap dan geen kind der dankbaarheid? Handel ik nu niet pligtmatig, Naatje? Wat anders! Gisteren heb ik een begin gemaakt om my, voor eigen rekening, in den dos te steken; want tot nog toe ben ik als de Raaf in de Fabel, opgeschikt met de veeren van Letje. Eerst verscheen, op myn hoogvorstelyk bevel, Monsieur Evrard, Koopman in allerlei Zyden-stoffen, Taffen enz., verzelt van een stuk van een Petitmaitre, die gebukt ging onder eenige pakken kostelyk goed. Ik liet Monsieur Evrard in de Zykamer gaan; en zou hem nog langer hebben laten wagten, zo myne nieuwsgierigheid my niet naar voren gejaagt hadt. Duizend complimenten, duizend oui's, duizend enz... vormden een zeer intressant discours tussen Monsieur en my. Al de stukken werden los

[p. 90]

gemaakt, en wel dra zag ik al de Stoelen, de Commode, de Bureau, ja zelf de twee Speeltafeltjes, bedekt met de schoonste taffen, zyden, gazen! Bekoort door dit heerlyk gezicht, schelde ik; en zei aan onzen knegt: Frits, vraag aan de Dames, of zy eens by my gelieven te komen. Oogenblikkig traden zy binnen. Na eene hele menigte buigingen en complimenten, bezagen zy alles met genoegen. Onze goede Weduw en ik kozen juist dezelfde stukken, die het kostelykst, maar ook het minst zwierig waren. ô Naatje, wat zyn wy Vrouwen evenwel kinderagtig! Juffrouw Buigzaam uit toegeeflykheid, zo wel als de overige. Toch, ik ben in myn schik, en verlang heel zeer, dat alles nu maar gemaakt was. Voor Rouw- en Bruids-goed, weet men, moet alles blyven liggen; ik was des zeer in verzoeking, om aan Letjes Naaister, Madame Montmartin, zo half en half te laten merken, dat ik in het laatste geval was; doch 't was een leugen [by geluk;] en ik haat het liegen zo zeer, dat ik liever geduld wil nemen. Naauwlyks was de Koopman weg, of Mademoiselle G. verscheen, verzelt van eene harer Leerjuffertjes, een aartig Fransch schelmpje van een meisje, dat het Hollandsch bekoorlyk slegt uithaspelt; en toen voorzag ik my van alles wat men bywerk noemt; deed onze Dames elk een klein presentje, maar kogt

[p. 91]

de Weduwe eene fraaije Coëffure... Goede Vrouw!.. Terwyl ik dus in al myne heerlykheid en schatten vergenoegt nederzat, kwam de jonge Heer Brunier zyne Zuster bezoeken. Hy is een grote, lange, fletze, blonde lummel van een Jongen, zo net gekleed, dat het zo niet te zeggen is, in een Frak met zilveren lissen, ô zo mooi, zo mooi! De Jongen ziet menschen, 'k wil zeggen zulke marionetten, als men in Amsterdam zo wel menschen noemt als de wandelende Geldzakken; en mooglyk met een even goed recht; zo dat hy is voor een verlegen uur nog al heel dragelyk. ‘Coos, zei Letje, Jongen, had je nu wat eerder hier geweest, dan zou je gelegenheid gehad hebben om uw gout te tonen. Onze Burgerhart heeft een hope moois gekogt.’ ‘De smaak, hervatte hy, van Mejuffrouw Burgerhart, (zich tegen my, met neêrgeslagen oogen, buigende,) is zo exquis, dat zy myn oordeel wel kan missen.’ Toen bekeek hy alles, schoof zyn hand onder alles, prees alles, en zei nog wat wartaal over my, daar het my niet eens op luste te antwoorden.

Men sloeg een Ombertje voor. Broêr zag wel, dat hy geen belet deedt; wy speelden, een stuiver het fiche. Dat 's immers ordentelyk? Onze waarde Buigzaam hielp my, maar breidde onderwyl in plaats van spelen: wy aten

[p. 92]

Evenveeltjes, en kregen lekkere Slemp er by. Elf uuren ging Broêr weg, na Letje hartlyk gekust, en ons allen gegroet te hebben: ô, wat ben ik van dien dag voldaan!

Zie daar, Naatje, zo eenvoudig, zo aangenaam leven wy. Ja, ik ben wel te vreden. Er steekt immers geen oogvolkwaads in, van Monsieur Evrard stoffen, en van Mademoiselle G. galanteryen te kopen, in een eerlyk Ombertje te spelen, in Evenveeltjes te eeten en in Slemp te drinken? Nu wensch ik niet veel meer: en de stille vrye levenswys, die ik nu geniet, heeft zeer veel invloeds op myne gezontheid; en is een mensch niet verpligt ook daar voor te zorgen? Is zy, naast een gerust gemoed, niet de grootste schat op aarde? De jeugd heeft immers niet te doen, dan zich in onschuld te vermaken? doet zy dat niet, dan overspringt zy ééne der Levenssaisoenen. Myn hart veroordeelt my niet, en ik durf u, myne bedaarde Vriendin, alles melden. Zou ik dan kwaad doen? Zeg nu, wat gy er van denkt. Groet uwe Moeder met eerbied voor my, en bemin toch
Uwe Vriendin,

 

Sara Burgerhart.

 

PS: Alle Jufferlyke handen zyn thans voor my aan 't Werk; 't is of zy een Pop kleden, zo beyveren zy zich.