Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 124]

Drie en dertigste brief.
Mejuffrouw Zuzanna Hofland aan Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp.

Zuster lief!

Nog bedank ik je voor de zegeningen van de linkehand. Jou Gebakjes zyn eeltjes, en de vrugt des Wynstoks was zeer veraangenament. Broertje was ook recht spraakzaamtjes; en ik heb onze Bregt nooit zo vrymoedigjes horen antwoorden. Arme Meid, zy heeft ook al haar deeltje aan de verdrukkingen onzes volks, wil ik zeggen, even als of zy zich in den drank te buiten ging. Het spyt my zeer, dat ik den Satan niet maar met onze Sara heb laten begaan. Ik moest niet zo veel op myn eigen kragtjes gesteunt, maar wat meer vrome list gebruikt hebben. Broertje hadt er een dieper inzien van; dat merk ik nu. Wat het hy daar gisteren weer kostelyke verlykenissen gemaakt tusschen myn Buurman den Sterrekunstenaar, en den Antichrist: zo als, dat hy zich juist als de Antichrist boven alles verhief, als hy boven op dat ding staat, dat hy op zyn huis heeft gezet; och ja! Maar ik kan 't zo alles niet onthou-

[p. 125]

wen, of wel begrypen; en in de toepassing bragt hy alles zo praticaal op Sara t'huis. Onze Bregt huilde, zo veel indruk hadt zy er van, die sloof!

Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in myn natuurstaat gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te brengen. Moet jy niet ietewat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan dat je een Armiaansch slikgrondje hebt? of dat je ziel door eigen gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierd overgelevert? En

[p. 126]

dan wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.

Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en Salomon zeit: ‘twee zyn beter dan een. Ei lieve wat moet ik doen? Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare Moeder, die eene prachtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, zendt my nog eens het Heilig Onrecht van Petrus Kwezelius. Ja, je hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, zul je?

 

Zuzanna Hofland.