|
|
|
| |
| | | |
Zeven en vyftigste brief.
De Heer Abraham Blankaart aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed.
Mevrouw!
Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling. 't Zou al te droevig zyn, dat zulke weergaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: ‘Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; hoe wel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een, mensch heeft graag een eigen weêrspraak. Kind noch kraai, wel deel meê, myn Vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe; dat niemand wel eens wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt.
| | | |
't Moet hier toch altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christen mensch betaamt.’ Nu, dat overgeslagen.
Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar verdient te hebben, zal hy haar hebben, al hadt hy geen zesthalf in de waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen gezeit: ‘Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven.’ En heeft hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben wil, mits dat zy wél kiest.
Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, dat is een tractement voor my.
| | | |
Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke knorrepot, een braaf man, een man, daar men op afkan, maar de lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te spreken. Dat is toch een elendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt gy, Mevrouw?
Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de
| | | |
waereld heeft, zelf aan hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aan deedt. Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam zyn; haar Overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst zyn kan, beveel! gy zult my verrukken door my in staat te stellen van u te kunnen tonen, hoe zeer ik met de grootste achting ben,
Uw weimenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
Abraham Blankaart.
|
|
|