|
|
|
| |
| | | |
Agt en vyftigste brief.
Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.
Myne waarde Saartje!
Dat gy meer smaak hebt in myn laatsten, en dus ook in my, dan voorheen, om dat ik u thans wat nader koom, is niet onmooglyk; 't is vry natuurlyk: maar ik moet u met eenen zeggen, dat ik nog nooit een Brief van u ontfing, die my zo weinig beviel dan die, dien gy my ten antwoorde schreeft: ja, dat gy my daar in zó sterk zyt afgevallen, als ik u, door den mynen, méér behaaglyk ben.
Dit zult gy zeker niet aan myn bekrompen hart toéschryven. Zelfzoekenheid, die alleen haar zelf poogt te bevoordeelen, is zeer opgeschikt met den lof, dien men haar toezwaait. Doch zy zal my nu niet beletten u te zeggen, dat ik zeer verstoort op u ben. Foei, Juffrouw Burgerhart, welk een Ydeltuit wordt gy! Gy legt aan met een' kwant, dien gy zelf met kleinachting beschouwt: Gy regt op zyne kamer kuren aan, die mooglyk in den Ton zyn, doch die u geen eere aandoen. Nu heeft hy, dunkt
| | | |
my, aanmoediging om zyn hof by u te maken. Gy geeft u dan reeds de moeite, om eene slorssigheid te verbeteren, die hem, zo hy uw man wordt, zeer zoude hinderen. 't Zal op die stoeiparty met zulke knaapjes fraai zyn toegegaan: voor al, toen de Punch hare uitwerking deedt.
Hoe dikwyls heb ik u wel gezegt, dat, zo men eenen lossen aart toegeeft, men ongemerkt van de eene zotheid tot de andere komt. Hoe rasch krygt men dan eene hebbelykheid, om onze daden niet meer te schikken naar het snoer der Reden! Dit blykt in u; alles is drift. Nu waakt men, tot vermoeijens toe, by eene zieke Vrouw, waar voor wy ingenomen zyn; naauwlyks begint die te herstellen, of men vliegt uit, en spant met nog eene onbedagte Vriendin aan, om zich met een drie vier dartele Vlasbaarden te vermaken; en blyft, ten koste eener nog zwakke vrouw, die men uit hare rust houdt, en met eeten laat wagten, tot negen uuren uit. O, daar denkt men niet om. Vermaak gaat boven alles; en welk een vermaak! Vindt men, dat iets goed te doen ons vermaakt; fiat, goed doen! Vindt men vermaak in onbetaamlykheid, men offert de welvoeglykheid daaraan op. Men loopt voort tot aan de uiterste grenzen der Deugd, of, wilt gy? van het geöorloofde. Glipt men uit, dan moet een, ‘och, daar had ik geen
| | | |
erg in,’ alles goedmaken. My dunkt ook, dat Juffrouw Buigzaam, die, schynt het, zo veel van u houdt, als gy van haar, u dáár over hadt behoren aan te spreken. Men moet geen ongeregeltheid in jonge Juffrouwen door de vingeren zien. Mooglyk is zy ook niet zeer ergdenkende. Juffrouw Hartog moge een wysneuze geleerde zyn, maar nu hadt zy geen ongelyk. 't Zou eene fraaije huishouding geven, indien de eene Juffrouw ten negen uuren, en de andre ten elf uuren soupeerde. Een verwildert hoofd en een kribbig humeur schynen ook de gevolgen deezer heerlyke Party geweest te zyn; anders hadt gy haar niet zo onbescheiden kunnen beäntwoorden, om dat zy u iets, niet zeer beleeft, toereikte! Zo dartelt men uit zyne goedäartigheid: Het blykt aan u.
Weet gy wat, Vriendin? Dwaze vermaken zullen uwe behoefte worden; en zo u dit niet ten valstrik zal verstrekken, zult gy wat meer voorzigtigheid moeten hebben dan gy immer bezat: Hoe zal uwe Tante nu in 't gelyk gestelt worden!
ô, Ik geloof zéér wél, dat myn Advocaat u niet bevalt. Zo een denkent, verstandig man kan, u niet amuseeren: Gy hebt de keur van Heertjes! Een verächtlyk Gekje, indien het Punch kan maken, en u doen lachen, behoeft geene andere verdiensten, by een meisje, dat
| | | |
zelf, denk ik, trouwen zal, om zich te kunnen diverteeren, en de Waereld te zien.
En wat is dat nu weêr voor een fraai huis, daar gy die Gazen gingt kopen, en daar gy zulke kostelyke Taffen zaagt? Draag zorg, dat de stroom van zinnelyke vermaken, die, zo als gy eens zeide, over uw hart heen moest vloeijen, u niet onherstelbaar bederft!
Ik weet wél, dat ik weêr voor eene styve Klik zal gehouden worden. Zonder zulk een woord zoudt gy u niet kunnen redden. Maar bynamen geven is geen redeneeren, en lachen geen betogen. Ik weet, dat gy stekelig vernuftig zyn kunt; ik wapen my daar in voorraad op: maar dus zult gy, voor uw eigen reden, uw gedrag echter nooit goed maken, of my begooglen. Vindt gy 't goed; doe uw zin: 't is uw zaak.
Myne Moeder laat u vriendelyk groeten, ook myne Tante. Er is een Brief van Willem gekomen, die u van zyne byzonderste achting daar in verzekert. Gister avond ben ik, met den Heer Smit (die zeer verlangt u te zien, en u ook groet,) op een groot Concert geweest. Deezen avond zyn wy verzogt by een Neef van hem, op Oesters, met den Advocaat en de Juffrouw, daar ik u over schreef. Het uitgaan wordt my al wat heel druk; ik verlang naar huis, maar noch meer om u te zien en te spre- | | | | ken. Smit zal aanstaanden Zondag, op een bygelegen Dorp, des namiddags preken; ik geloof, dat ik hem ga hooren.
De Heer Smit kent den Heer Cornelis Edeling byzonder; zy hebben een jaar of drie te samen gestudeert; hy zegt veel goeds van hem: trouwens, hy zegt van alle menschen goed! De Heer Hendrik is ouder dan zyn Broeder, en wordt gehouden voor een onzer allerbeste jonge lieden. Maar ik ken hem in geenen opzichte. Ik ben, in den waren zin des woords,
Uwe Vriendin,
Anna Willis.
|
|
|