Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 264]

Negen en vyftigste brief.
De Heer Willem Willis aan Mejuffrouw de Weduwe Willis.

Hoogstgeachte, tederstgeliefde moeder!

Gy hebt my verzogt, dat ik u, by de eerste gelegenheid, berigt van my zoude doen toekomen. Nu, myne waarde Moeder, heb ik die; dewyl ik myn nagtrust daar aan kan geven, doordien ik eens eindelyk eene vrye kamer heb. Ik ben zeer vermoeit, door ettelyke dagen op postwagens te hebben moeten zitten, en bevind my thans een goed stuk in Duitschland. De stad hiet -. Hare ligging, zo als ik by het helder maanlicht bemerkte, is bekoorlyk; het oord heerlyk, en de vermaarde Rhyn-stroom bruischt langs hare overoude muren. Morgen ga ik de Heren Kooplieden, aan welken ik adressen heb, spreken, en hoop, dat myn brave Patroon over myne reis voldaan zal zyn: 't zal ten minsten by my niet haperen.

Myn zucht om, door eerlykheid en nyverheid, my in staat te stellen, om myne eigen zaken eens te kunnen doen, maken my alles gemaklyk: maar niets spoort my sterker aan, om

[p. 265]

mynen pligt in deezen te betrachten, dan het denkbeeld, welk eene vreugde het voor myne lieve Moeder zyn zal, als zy by de uitkomst ziet, dat ik aan hare gunstige verwagtingen eenigzins beäntwoorde. Kan ik immer te veel doen, om myne dankbaarheid omtrent u sterk genoeg te betonen? Onder de menigvuldige weldaden, waar voor ik de Hoogste Goedheid met diepen eerbied dank; is er geen groter dan die, dat ik zulk eene waardige Vrouw Moeder mag noemen. Hoe ongelukkig zou ik niet hebben kunnen worden, indien ik niet door u, overtuigent, geleert had: ‘dat de deugd ons alleen gelukkig kan maken, als zy gesterkt wordt door de hoop op een ander leven!’ Niet weêrhouden door het Vaderlyk gezag, en maar al te gereet om elk te verpligten, door eene meêgaantheid, die als in myn aart is ingeweven; vroeg in gezelschap met losbandige lieden, die weinig zwarigheid maken in het bedryven van buitensporigheden; en die, in de dartelheid hunner wilde blydschap, zich niet ontzien het Ongeloof op den troon te zetten: wat zou my toch in myne onbedagte jeugd bewaart hebben? Myne eigen deugd? ô, die is de gezegende vrucht uwer lessen! - myn verstand? dáár op, lieve Moeder, weet gy, dat uw Willem zich nooit iets liet voorstaan!

ô Hoe vuurig bid ik dien God, dien gy ons

[p. 266]

hebt leren kennen, om de beste zyner zegeningen voor u! Mogt ik eene der werktuigen zyn, die Hy uitkieze, om u dit leven, waar in gy zo veele wederwaardigheden gesmaakt hebt, nog eens alleraangenaamst te maken! Wie zou zich meer verheugen dan uw Zoon?

Gy hebt my meermaalen gezegt, dat ik by uw overlyden geen grote schatten zal verkrygen. Hemel! myne waarde Moeder, kan ik daar aan ooit dan met yzing denken? Ik dank u echter voor het vertrouwen, dat gy in my stelt; ook heeft het denkbeeld, om zelf te moeten werken, my zeker meer yverig gemaakt.

Nooit, zegt gy, gaf ik u reden tot misnoegen; nooit was ik u ongehoorzaam. Och, laat der Verwaantheid al hare grootspraak, hare Epitafiums; maar, zo ik deezen lof verdien, dat men dan op myn grafsteen snyde: ‘Hier ligt een Zoon, die zyne Moeder nooit ongehoorzaam was:’ op dat ik ten minsten, na myn dood, nog iets tot nut van myne medemenschen doe.

Wat is het toch, myne dierbare Moeder, voor eene ongemaklykheid in my, als ik nadenk, dat gy myne tedere en zuivere liefde voor de beminlyke Burgerhart niet goedkeurt? Waarom mort myn hart tegen myne reden? Waarom onderwerp ik my niet, met die volvaardigheid, aan uwe verkiezing, die my het gehoorzamen

[p. 267]

zo gemaklyk maakte? Hoe meer ik uwe gezegdens herdenk, hoe gegronder zy my toeschynen; en echter ik zou een lage huichelaar zyn, zo ik voorgaf, dat ik er in berustte. Zou de liefde, die alleredelste hartstocht, als zy eene goede keuze doet, my verleiden, om iets, tegen uwen beredeneerden wil, aantegaan? Moet ik dan de lieveling myner ziel uit myn hart weeren? moet ik bevalligheden vergeten, die meer dan de schoonheid zelve vermogen? moet ik dan haar verstand, haar dierbaar hart, moet ik alles van my zien te verwyderen! Zal ik haar moeten zien in de armen eens mans, die haar zo oprecht niet kan beminnen als ik; en is het myne toegeeslyke Moeder, die my dit beveelt!

Myne aandoening stelt my buiten staat om verder te schryven. Gy zult my, om 't geen ik zeg, niet minder beminnen. Ik doe u immers hier door geen verdriet, myne lieve Moeder? ô! Myn hart was zo vol! By wie kon ik het toch veiliger uitstorten dan by u, myne tedergeliefde Moeder? Ik hoop, dat ik pogen zal my te onderwerpen aan alle uwe bevelen; geene uitgezondert.

Groet myne waarde Zuster en geliefde Tante hartlyk; en geloof, dat ik, met de oprechtste liefde en dankbaarheid, altoos zyn zal

 

Uw gehoorzame Zoon,

Willem Willis.