Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 373]

Twee en tagtigste brief.
Mejuffrouw Zuzanna Hofland aan Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp.

Zuster Keetje!

Kom toch thee by me drinken, zo dra als je kunt. Daar heb ik weêr zo een ontroerinkje gehad. Lees dit briefje van Sara. Zy wil haar goed hebben; en ik heb, zedert dat de Boze haar verleidde, om heen te gaan, nog geen roojen duit ontfangen. Ik heb haar immers niet weg gestuurt; och neen ik.

Daar zat ik op myn kamertje, heilig eenzaam, zo wat te lezen in Zuster Teuta's Heilige Werkeloosheid, toen dat briefje kwam. Kon ik er maar zo heilig werkeloos onder blyven, dat was heuchelyk! Hoe schik ik het doch? Ik ben heel verlegen. 't Is of my zo gedurig wordt ingeluistert: ‘Zannetje, Zannetje, je moest een ander wegje gegaan zyn.’ Maar Broeder Benjamin, dien ik dit verhaal, zeit: ‘dat is de bullebakstem der eigen Gerechtigheid, kind, of 't is de ouwe Adam; en dan slaat hy op den Bybel, dat het klinkt, en zeit: ‘breek hem den hals, die oude Wetprediker;’ en dan word

[p. 374]

ik zo confus, zo confus, dat ik sta of ik bedremmelt ben.

Ik moet u eens wat vragen, Zusje. Ken jy ook Styntje Doorzigt? Zy is mêe van de vromen, maar houdt geen Oeffening; dat is zo haar wegje niet, zeit Styntje. Zy hadt veel van my gehoort, en van myn tobben en strydje. Ik verhaalde haar het hele geval, van myn Zusters dood af. Maar zou je 't wel geloven? Styntje stelde my in 't ongelyk: zy heeft myn gemoed heel in onrust gebragt. ‘Hartje, zei ze, ik geloof, dat je 't allegaêr verkeert aangelegt zult hebben. Je weet wel, dat het onze zaak niet is, het hart te veranderen? Zo lang uw Nichtje zin hadt in de mode, zou jou stemmig japonnetje en mutsje haar geen zier beter gemaakt hebben. Je moet niet denken, kind, dat ons wegje allemans wegje is. Daar by wierd je betaalt voor goede spys en drank; en je moogt haar dat niet ontnemen. Wel, hoe talmje zo over een beetje geld? Zie, als zulke slimme meisjes dat zien, dan denken zy dat al onze vroomheid weinig om 't lyf heeft. En wat zeit de Here: leest men ook vygen van doornen? Waaraan moeten wy tonen zyne Vrienden te zyn? Je weet het immers zelf wel? Als men tegen jelui zó spreekt, dan, dan roept je van eigen werk: maar is de genade niet overvloedig in goede werken, hartje? Ik

[p. 375]

geloof, dat gy 't zo kwaad niet meent; maar die Benjamin, die Benjamin! Lees jy in Gods woord; en zie dáár in, hoe of het met je staat; of je ook de Gierigheid nawandelt? Of je met Zacheus vier dubbelt wilt weder geven, het geen gy uw Nicht, naar uw eigen verhaal, al hebt te kort gedaan? Kyk, ik moest je dat zo eens in vriendelykheid zeggen.’ Ik begon te wenen. ‘Kom, zei ze, daar is de Here nu weêr zo goed, en geeft je gelegenheid om te kunnen tonen, of gy Hem lief hebt. Ik kom hier om een liefdegift voor een arm, ongelukkig huishouden!’ Ik vroeg, of de menschen van ons Volk waren? ‘Daar oordeel ik niet over, zei zy; en zo zy 't nog niet zyn, kunnen zy er toe gebragt worden.’ Ik was zo bewogen, dat ik haar een Driegulden gaf; en zy lag er terstond een Ryër by. Ik werd beschaamt; want ik geloof, dat Styntje het niet ruim heeft. Toen ging zy weg, en wenschte my vrede.

En nu weet ik niet, hoe of ik sta. Styntjes woorden waren niet verwerpelyk. Ik las daar in Matthewis V. En het werdt my hoe langer hoe klaarder, dat Styntje gelyk hadt. Toen werd ik zo beangst, dat ik myn toevlugt nam tot Komries, Ware en valsche Genade, en Draaimannius, Gevaarlyke Letterknegt. Ik hoop niet, dat ik my bezondig, maar ik heb nu en dan zo een agter-

[p. 376]

dogtig vlaagje omtrent Broeder. Raadt my nu eens getrouw, hoe moet ik het schikken? Onder het schryven valt my dit zoet stichtelyk Dichtje, van Zuster Duifje Kwikkelkwakkel, in:

 
Leen van den Wèéreldling zyn schat,
 
Gelyk Israël 't Gouden Vat
 
Ontleende den Egyptenaar;
 
Het Geld brengt hen maar in bezwaar.
 
Hoe groter goed, hoe groter Slaaf;
 
Den Vromen dient het tot een gaaf;
 
Zy bruiken 't tot een heilig Werk;
 
Zo wordt door Oeffning 't huis een Kerk.

Och ja! nu bezoek my eens ten eersten.

 

Uw Zuster,

Zuzanna Hofland.