|
|
|
| |
| | | | | |
De Oud-helden
De twee meest geblameerde menschen van Nederland zijn op het
oogenblik, dat ik dit schrijf, ongetwijfeld prof. dr.
H.T. Colenbrander en kapitein-luitenant ter zee P.
Eikenboom, de commandant van ‘De Zeven Provinciën’. Het plagiaat plegen is een
zonde, vooral wanneer het Willem den Zwijger betreft, maar het onbekwaam
gezagvoeren over een oorlogsbodem met een naam uit den tijd van De Ruyter is
zondiger; het plagiaat is een aangelegenheid van de wetenschapsmannen onder
elkaar, maar als men de ‘soos’ boven de commandobrug prefereert, raken de
koloniën in gevaar en bemoeien tallooze menschen er zich mee, die op hun beurt
diezelfde ‘soos’ boven diezelfde commandobrug zouden hebben geprefereerd, doch
niet door het lot in de gelegenheid werden gesteld zulks te bewijzen. Hoe
onschuldig wordt eensklaps Colenbrander's misdrijf (zijn ‘werpen’ van een
‘smet’ op ‘ons nationaal leven’, om met de heeren
Geyl en
Van Eyck te spreken), als men terugziet op het drama, dat
een gewone zeeofficier kan veroorzaken door te handelen als een normaal voor
zijn leven bevreesd mensch! De geheele nederlandsche vloot in actie, kranten
vol van in lang niet geventileerde ‘gevechts-eenheden’ en echte eskaders, het
publiek weer eens in partijen verdeeld; de tragi-comedie van een
miniatuurgevecht met één moordende bom en een daarop overhaast aansnellende
ambulance, om de bom weer goed te maken, een sleepboot, die blijkbaar niet
wist, dat er een zeeslag gehouden werd en bijna in het gedrang was geraakt; een
juist door deze miniatuurverhoudingen al bijzonder grotesk beeld van het
oorlogsbedrijf en zijn entourage! Maar uit al deze wederwaardigheden draag ik
niets zoo sterk mee door het leven als een hevige, onberedeneerde sympathie
voor den heer P. Eikenboom, die zoo normaal bevreesd is geweest voor zijn
existentie en zoo precies op het juiste oogenblik getoond heeft, wat alle
collectieve dwang-ideeën waard zijn, als men niet aan de bittertafel van de
‘Witte’ heeft plaatsgenomen, ten einde met de vrienden oud-commandanten een
ingezonden stuk voor de N.R.Ct. te schrijven, maar midden in
de onaangenaamheden zelf op de wip gezet wordt tusschen het eeuwige recht op
een jaartal in de geschiedenisboekjes en het lot van de officieren in de film
Potemkin. Blijkbaar was het temperament van den heer
Eikenboom ten eenenmale niet geschikt om tot die enorme zelf-vergetelheid te
geraken, waaraan men (mits de juiste enscèneering toevallig aanwezig is) de
reputatie van een Van Speyck te danken heeft. Terwijl de Van Speycks
uitzonderingstemperamenten zijn, die op het critieke moment moediger voor den
dag komen dan gewoonlijk, zijn de Eikenbooms regel; de gangbare phrasen van de
bittertafel herinneren zij zich niet meer, als zij, de eenige maal wellicht in
| | | | hun gansche bestaan, voor iets anders worden gesteld dan
glimmende ponjaards, recepties op ‘soozen’ en nagekauwde ideeën van Piet Hein;
zij zijn laf, en in die lafheid wordt zelfs een zeeofficier
voor ons plotseling weer een mensch, een sympathieke medemensch in het
Adamscostuum van het colbert.
Maar niet aldus oordeelen de oud-gezagvoerders, de oud-helden van de
‘Witte’. Uit hun ingezonden stukken in de N.R.Ct. spreekt
oprechte woede, omdat zij gepensionneerd zijn en het den heer Eikenboom niet
meer voor hebben kunnen doen, hoe men de lont in het kruit werpt, hoe men alle
pensioen voorgoed onmogelijk maakt door glimlachend te sterven, kortom: hoe men
doodgaat in een vlaag van begenadigde domheid. Als de heeren
van Sandick en
van Nouhuys de pen voeren, sidderen de biljarten, en de
vrienden oud-gezagvoerders vragen elkaar na het avondblad gelezen te hebben:
‘Wist jij, dat die Van Nouhuys schrijven kon? Is hij misschien familie van dien
schrijver Van Nouhuys, je weet wel, van
Eerloos en
Het Goudvischje? Nou enfin, hij zegt het
goed; wat doet zoo'n vent officier te worden? Die Eikenboom...’ Ik weet het,
mannen, de heer Eikenboom is geen held, en waarschijnlijk heeft hij, als
zoovele collega's, bij zijn beroepskeuze meer gedacht aan den hartveroverenden
ponjaard en den daarbij passenden nimbus op de bals van de ‘soos’ dan aan den
plicht harakiri te plegen voor het pensioen van den oud-gezaghebber Van
Nouhuys; in de dagen, toen hij nog zeer jong was en geheel onrijp voor de
‘Witte’... Maar het ergste is, dat ik waarachtig geloof, dat
de protesteerende oud-gezaghebber Van Nouhuys, in bepaalde omstandigheden en
voorzien van een bepaald temperament, in staat zou zijn geweest tot een
heldendaad à la Van Speyck; en erger nog is, dat ik geen grein sympathie voor
zijn vaderlandlievende zelfopoffering zou kunnen voelen, na lezing van zijn
ingezonden stuk, omdat het (alweer: gegeven een zeker temperament) bij zulk een
ingekankerde domheid uiterst gemakkelijk moet zijn den heldenmoed te vertoonen
van een omgekeerd afgedraaiden Jan van Schaffelaar, opvliegend tegen ‘De Zeven Provinciën’, waar de heer Eikenboom
slechts op eerbiedigen afstand volgde.
M.t.B.
| |
De Amazone is coming Man
Wat iemand die Mädchen in Uniform niet gezien had, van
de film van Erich Waschneck, Acht Mädels im Boot, zou denken?
Behalve dat hij met verwondering constateeren zou dat de acht Mädels er wel
bijna anderhalf dozijn waren, zou hij waarschijnlijk uitbundig lachen over het
gymnastisch credo dat hier met suikerzoete tevredenheid beoefend wordt, en zich
herinneren dat hij in het land van de Nacktkultur in werkelijkheid wel eens
groteskere tafereelen van zonaan-bidding had gezien dan juist dèze zwerm
meisjes in badpak of half- | | | | weg het badpak. Het lijdt geen twijfel
dat de zaligheid van het zonnebaden in deze film heel wat aannemelijker is dan
in die onovertroffen Groteske: ‘Wege zur Kraft und Schönheit, en men zou er met
genoegen een winteravond naar kijken als niet de doodelijke ernst waarmee de
zaligheid in zwoegende discipline werd omgezet, het effect op een zeer
ironische manier kwam bederven.
Het succes van Mädchen in Uniform is ontstellend groot
geweest; toch kan men nog altijd het gevoel blijven houden dat deze
populariteit de waarde ervan niet verried. De waarde lag in de natuurlijkheid
van de sfeer (dat wil zeggen de knappe regie van het spel van de kinderen), in
de gevoeligheid, en in de keuze van de twee voornaamste actrices. De
natuurlijkheid leed alleen een kleine schade in de bijna allegorische plastiek
van het slot, met de trap en de gang waarin de directrice als in een krocht
verdween. Men kon daardoor ook zonder scepticisme ‘meevoelen’: het vermoeden
van een hoeveelheid afgunst op een romantische situatie die zich over het
algemeen met het medegevoel-in-de-bioscoop mengt, was tegenover het afgesloten
wereldje van de meisjeskostschool niet noodig. En wat de keuze der personnages
betreft, een beschouwing van Acht Mädels im Boot, dat
schaamteloos op het succes van Mädchen in Uniform verder
speculeert, doet zien hoezeer het de kracht van de film van Leontine Sagan was
dat door de keuze, en de ‘toepassing’, van Hertha Thiele en Dorothea Wieck het
eigenlijke lesbische element buiten de film bleef. De bioscoopdirecteuren
denken er overigens anders over; in Parijs althans prijken de affiches (waarop
Dorothea Wieck nauwelijks een vedetteplaats heeft; men vindt haar hier ‘koud’)
met de zin: ‘Ik noem dit een vorm van de Groote Liefde’ (uit de
leeraressenvergadering, ik citeer bij benadering) door stippeltjes suggestief
gemaakt. En men hoeft de vrouwelijke captain in Acht Mädels im
Boot maar te zien optreden om te begrijpen dat Erich Waschneck blijkbaar
de bioscoopdirecteuren gelijk gaf.
Acht Mädels im Boot is niet uitsluitend een neerslag van het succes van Mädchen
in Uniform. Het heeft een oplossing en een voorlaatste oplossing, en men
krijgt duidelijk het gevoel dat de voorlaatste het is die er voor het plezier
van het publiek ‘van dezen tijd’, het niet nuchter-latijnsche dan, is
aangebracht, en dat het eigenlijke slot er dan nog maar aanhangt om het gevaar
voor belachelijkheid te ontgaan. De regiseur weidt met heel wat meer
zorgvuldigheid en nuance uit over de scène waarin de meisjes-roeiclub het kind
dat één van haar verwacht, tot gezamenlijk risico uitroept, de
verantwoordelijkheid van den toekomstigen vader met supreme minachting
ontkennend, dan over het slot waar alles nog in orde komt en het jonge paar op
een idyllische maar niet weinig onnoozele manier van het tooneel verdwijnt.
Waarna de acht (= 1 1/2 dozijn) Mädels min één als training van den dag weer te
water gaan, zich verder om de bevolkingsver- | | | | meerdering niet
bekommerend. In een film die meer gratis van intentie was geweest, zou men deze
scène van emotioneele impuls wel als deel van het geheel, uitsluitend
dramatisch (of ‘comedisch’), hebben kunnen zien; nu, in deze sfeer van
óverdiscipline, en gehoorzaamheid van den regisseur aan ‘de vraag’ van het
seizoen, - Karin Hardt speelt, met veel minder karakter dan Hertha Thiele, toch
wel zuiver - herinnert men zich het slot van Bett und Sofa,
waar de vrouw alleen en zelfstandig wegreist en haar twee mannen het figuur
laat slaan, herinnert zich het aantal opinies dat op dit gebied in omloop is,
vraagt zich af of wij op weg naar het matriarchaat zijn, en vermoedt dat Erich
Waschneck, zijns ondanks, wellicht een ‘tijdsverschijnsel’ heeft
geproduceerd!
E. de R.
| |
Het Schrijvers-eden
De heer Vsevolod Ivanov, een der beroemdste schrijvers van het nieuwe
Rusland, heeft zich ten tijde van een verblijf te Parijs, precies als iedere
andere beroemdheid door een vertegenwoordiger van de verachtelijke
kapitalistische pers laten ondervragen. Uit zijn mededeelingen blijkt, dat het
voor allen die zich in de inktbranche bewegen een heerlijkheid moet zijn om in
Rusland te leven. Er wordt daar geld als water met de vulpen verdient. De wet
bepaalt dat er per vel druks en per vijf duizend exemplaren op zijn minst
tweehonderd roebels betaald moeten worden. Maar voor corifeeën stijgt dit
honorarium tot duizend roebels. Er zijn veel corifeeën in Rusland. ‘Ik
constateer,’ aldus de heer Vsevolod Ivanov, ‘dat ons land het eenige ter wereld
is waar zèlfs een dichter die ver beneden het middelmatige blijft van zijn
vakverdiensten kan leven.’ De heer Vsevolod Ivanov vergist zich wanneer hij in
deze de muzen tergende misstand een der weldaden van zijn staatsorde ziet.
Verder hangt de heer Vsevolod Ivanov ons een mooi verhaal op van asyls
voor schrijvers. Te Moskou zijn er reeds drie van die kazernes voor
kopijkoelies, waar samen reeds meer dan vijfhonderd van die stakkers opgesloten
zitten. Een nieuwe inrichting voor tweehonderd stuks is in aanbouw. De heer
Vsevolod Ivanov, die zelf behagen schept in het verblijf aldaar en die er
boeiend over uitweidt, vergist zich toch alweer als hij denkt dat wij iets
aantrekkelijks vinden in het vooruitzicht van samen te moeten hokken met Alie
van Wijhe-Smeding, M. Premsela, Antoon van Duinkerken, Herman Middendorp, de
oude heer Borel, of de idealist Anthonie Donker
1). Wij houden er nu eenmaal andere
denkbeelden over hygiëne op na.
De heer Vsevolod Ivanov kan dus aardig praten en heeft veel nieuws ter
kennis gebracht. Maar eenige details heeft hij naar mijn | | | | smaak
wat te veel in de schaduw gelaten. Nieuwsgierig van nature zijnde, zou ik van
hem willen hooren of schrijvers die nu toevallig niet dwepen met de heerschende
staat van zaken óók duizend roebel per vel druks en per vijf duizend exemplaren
ontvangen; of auteurs die er niet over denken om de rug van den heer Stalin
schoon te likken, óók recht hebben op een suite van vertrekken in het
Litteraire Besjeshuis.
De heer Vsevolod Ivanov zwijgt als een mof over eigenzinnige, eerlijke
en openhartige mannen. Terecht, dunkt me; want voor dezulken is geen plaats in
een zoo goed georganiseerde samenleving met staatshonorarium en rijksonderdak.
Maar voor de auteurs van goeden wille moet gezorgd worden. Eere wien eere
toekomt. Als de eene hand de andere wascht... Wiens brood men eet, diens woord
men spreekt.
Zou de heer Vsevolod Ivanov als er nog een flatje vrij is, niet een paar
gehoorzame grootmeesters van ons willen overnemen? Hij zal er plezier aan
beleven. Als ze goed gevoed worden dan likken ze alles af. Ze hebben er de
routine van. En hoe groot de leegte die zij achterlaten ook zijn moge, ik gun
ze aan het Eden. Voor de gemeenschap moet men met opgewektheid offers
brengen.
Gr.
| | | | | |
Klacht
Onder dezen titel ontvingen wij van
S. Vestdijk het volgende sonnet, in aansluiting aan de
opdachten bij de
Uren met Dirk Coster, van
Hendrik de Vries:
Red.
Om 'n vers te doen ontluiken,
Mijn naam zoo moest misbruiken!
Zal ik aan vlugzout ruiken
Voor zoo iets slijm'rig-vies
Als pest-lijk!? Neen, dat
had
Ik nooit verwacht; o, dat
Vergalt mij al uw woorden...
Uit 't ijzig-strenge Noorden,
Dát had ik nooit verwacht...
S.V.
|
1)Klassificatie van Ds. Spelberg, die aan dit
idealisten-werk een preek wijdde.
|
|