De Gids. Jaargang 44


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1880


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 441]

Twee Pieters.

Wij zijn in de eerste dagen van November van het jaar 1697. Wij staan dus aan 't einde van die XVIIe Eeuw, die in kunst en letteren, ter zee en te veld, in bizonder en maatschappelijk leven, hier te lande getuige geweest is van zoo veel ontwikkeling, van zoo veel grootheid, van zoo veel glorie. Waar staat gij het liefst bij stil? - Wilt ge de kantoren en raadzalen en timmerwerven der O.I. Compagnie of der Admiraliteit bezoeken? Wilt gij den nieuwen Schouwburg gaan zien, hoe de kunst, door Gijsbreght van Aemstel, de kroon opzet aan Amsterdam, dat met zijn Beurs en zijn vloten de halve waereld beheerscht? Of wilt gij, in de Haagsche Raadzaal van Hunne Hoogmogenden, een poging doen, om het draadwerk te ontwarren, waarmeê de politieke gestalten van het oogenblik worden in beweging gebracht? Wilt gij de triomfen van Maurits en Frederik Hendrik, van de Trompen en De Ruyters, u voor den geest brengen? Of wilt ge stilstaan bij het verzet en bij het tragiesch einde van Oldenbarnevelt of de De Witten? Wilt gij Vondel zien, die de veelzijdige glorie van het XVIIe-eeuwsche Nederland bezongen, Van der Helst, die den vrede van 1648 in tafereel gebracht heeft, - en dan den eerste, waar? - Gekroond door de kinderen van Sint-Lucas, of gepaaid door de machtige Burgemeesters? die toch altijd hem zijn halve-goden zijn gebleven, niet uit baatzucht, maar uit getroffenheid.

Maar wij staan al later in de Eeuw.

Rembrandt leefde nog voort, als men wil, in Gerard Dou; maar is in de Mierissen en Netschers niet meer herkenbaar. De zonen van Vondel: Antonides*) en Vollenhove†) zingen

[p. 442]

al niet of naauwlijks meer. Voor de grootsche, oprechte, aangrijpende natuurportretten van Rembrandt en Frans Hals, van Govert Flinck en Ferdinand Bol, is de ietwat-burgerlijk-monumentale kunst van Lairesse en de zijnen, - voor het zangerig en weelderig-vernuftig verkeer van den Muider kring, zijn de vlijtige spraakoefeningen van Nil Volentibus in de plaats getreden.

Men kan het niet ontkennen, - al is, God dank, het menschlijk hart van alle tijden, - ook Nederland was een weinig oud geworden; het kapte zich niet meer met een roos in de blonde of glanzige zwarte haren, maar droeg een Fontange-muts; de vermagerende handen staken in geparfumeerde zwarte gebreide wantjens, moesjens werden aangewend om de gelaatskleur een blanker en fijner aanzien te geven.

Toch hebben wij nog heel lang geteerd op de levenssappen der gulden Eeuw; zelfs raakten de burgers steeds meer en meer tot Heeren verfijnd; de kinderen der stoere republikeinen namen de manieren der fransche Edelen over, en echter trokken vele takken van volksbedrijf, van handel en nijverheid, waarbij de handen uit de mouw moesten worden gestoken, niet zelden de aandacht en genoten de bewondering van den vreemdeling. Alle tijdvakken bieden voorbeelden van alle verschijnselen.

De vergadering, waarin ik u ga binnenleiden, levert anders wel eenigszins de uitzondering op dezen regel.

Wij zijn in een vierkant binnenvertrek; ruim genoeg om, ordelijk op banken gerangschikt, 60 à 70 personen te kunnen bevatten. Buiten, staat tegen den voorgevel boven de huisdeur een geschilderde Driehoek*); hierbinnen is geenerlei zinnebeeld voor-handen. Het zijn kale muren, slechts gestoffeerd met kapstokken. Een gedeelte van het vrij hooge vertrek is overhuifd met een 8-hoekige lantaarn. Door dezen glazen koepel en door de vensters van den bovenmuur, waarachter hij is aangebracht, stroomt voldoende licht op de hoofden der aanwezigen, waarvan eenige om de nieuw-dorische kolom gegroept zijn, die dezen bovenmuur helpt dragen. Weet gij, waar het huis de Δ stond, en, schoon van zijn zinnebeeld beroofd, nóg staat? - Op de Keizersgracht tusschen de Lelygracht en Princenstraat†).

[p. 443]

Trekt hier echter niet het gevolg uit, dat de vergadering geheel tot den aanzienlijken stand behoort. De Langeduls, de Zinspenningen, de Nieuwenhuyzens, de Séwels behoorden, in die dagen, geenszins tot de amsterdamsche aristokratie. Maar daar vragen wij niet naar; zoo min uit een zedelijk als uit een schilderkundig oogpunt. De meeste der aanwezigen, mannen, vrouwen, ook kinderen van verschillende leeftijd, behooren tot den neeringdoenden burgerstand. Men zoû zeggen: wat hebben zij zich, vooral in die dagen, dan met staatkunde in te laten? Nochtans schijnt een politiek belang hen bezig te houden. Wél zitten de mannen met veel meer devotie achter hun hoeden naar beneden te kijken dan men, bij eene argloze samenzwering bijv., verwachten zoû. Ik zeg achter hun hoeden: want sommigen houden ze vóor hun gezicht; maar de meesten hebben den breeden rand over hun voorhoofd neêrgeklept. Wat of hen toch bezighoudt? De gelaatstrekken der vrouwen van middelbare leeftijd teekenen nieuwsgierigheid. Tegen den muur, verlicht door den koepel of platlantaarn, staat een Heer, als de overigen zeer eenvoudig gekleed: in het zwart - een rok zonder boordsel en met het kleinst mogelijke getal sajetten knopen. Op zijn vale pruik drukt de hoed, die een schaduw spreidt, waar de neus en de kaak naauwlijks aan ontduiken. Zijne matte, kleine, maar goedige oogen richten zich nu en dan langzaam van het papier af, dat hij in de handen heeft, en wáren over de vergadering. Een ander man, zwarter van uitzicht dan hij, en nog zwarter van rok, heeft hem zoo even dit papier overgereikt. De eerste is aan het woord.

‘Het stuk, vrinden,’ zegt hij, is in de engelsche taal opgesteld; maar door mij, ten verzoeke van den vrind Boekenogen, overgezet in onse vaderlandsche sprake. Het luidt als volgt:

[p. 444]
‘Aan Willem den Derden, Koning van Engeland, Stadhouder van de Vereenigde Gewesten, enz. wordt deeze dankbaare erkentenis der gener die gemeenlyk Quakers worden genaamd, ootmoediglyk aangebooden.
Met believen des Konings.
Aangezien de Allerhoogste Gód, die heerschappy heeft over de Koningryken der menschen, ende geeftze aan wien hy wil, U door zyne overheerschende magt en voorzienigheyd in de regeeringe en heerschappye deezer Ryken gestéld, en door zyne gunste op een aanmerkelyke wyse van veele groote en uytmuntende gevaaren bewaard en verlóst, en de elende des oorlógs genadiglyk in eene gewenschte gunste van Vreede veranderd heeft, zo wenschen wy van harte, dat wy, en alle andere die 'er in begreepen zyn....’*)

Toen hij tot zoo ver gelezen had, werd hij door eene der tegenwoordige Dames in de reden gevallen. Zij scheen eene vrouw van omstreeks 40 jaren. De blos, die op haar twintigste misschien de wangen vercierde, had nu meer een doorgaanden zetel op het voorhoofd en de benedenkaak gekozen. Zeer vrijmoedig zeide zij: ‘Maar, vrind, wat zullen wij ons met staatszaken bemoeyen?’ De man met de vale pruik, die William Séwel heette, andwoordde niet; maar de zwarte zeide: ‘Zuster, gij hebt zeker geene aandacht aan mijne inleidinge geschonken. Ik heb gezegd, dat de vrinden in Engeland en elders verdacht worden papistische oogmerken te koesteren, en zelfs, dat men onze consistoriën wel eens beschuldigd heeft eene wijkplaats voor pausgezinde raddraayers geweest te zijn. Het is dus - om den Koning. dien het onze plicht is te eeren, ten dezen opzichte geheel gerust te stellen, dat wij ons bij den brief der vrinden in Engeland zouden aansluiten. Zijt ook alle zonder zorg, dat hier iets onberadens geschieden zoû. Vrind Séwel heeft den brief nog pas bij wijze van ontwerp van de vrinden Withit en Pen in Engeland gekregen.’

- ‘Ja,’ zeide Séwel, de vrind John Whitehead heeft hem in alle zedigheid opgesteld, en acht hem zeer wel nog voor verbetering vatbaar.... Ik zeg dan:

[p. 445]

‘Zo wenschen wy van harte, dat wy, en alle andere die 'er in begreepen zyn....’

Maar dit maal werd den goeden, rustigen Heer Séwel, éen onzer meest bekende spraakkunstschrijvers van het laatst der XVIIe Eeuw, even min vergund zijne voorlezing ten einde te brengen. Niet, dat zijne welsprekendheid op nieuw, door een minder of meer geestelijk aangeblazen hoorder of hoorderesse gestuit werd; maar een sterk bonzen tegen de buitenhuisdeur waarschuwde onze vreedzame Quaker-gemeente, dat zij hare oefeningen niet ongestoord mocht voortzetten. Inderdaad deelt zekere goed ingelichte ‘Wegwyzer door Amsterdam’*) ons mede: ‘Deeze vergaadering is altoos geslooten, en die er binnen wil weezen moet aankloppen.’

De gevolgtrekking schijnt niet lichtvaardig, dat die aanklopten er dus ook ‘binnen wilden zijn’, hetzij als geestverwanten, hetzij als ‘nieuwsgierigen’, van welke, zoo als Wagenaar getuigt, het ‘vertrek dikwijls vervuld is’.†)

Een opgeschoten knaap van geestig uitzicht, die 15 à 16 jaar kon tellen, scheen de waardigheid van portier te zijn opgedragen; althands met veel ijver stond hij op, en begaf zich buiten het vertrek om open te doen. De leiders der vergadering waren echter niet gerust. De zwarte pruik wisselde een blik en een woord met de vale; laatstgenoemde stak zijne vertaling in zijn borstzak, en de andere fluisterde een volwassen burgerlijk gekleed lidmaat in, dat hij zoû gaan zien, wat het was. Intusschen kon men uit een onrustbarend gestommel in het voorhuis reeds afleiden, dat de zaken daar niet haar gewonen loop hadden; de vrind Boekenogen toch, de zwarte, hield het voor noodzaaklijk zich persoonlijk met dat getrappel en gepraat te gaan bemoeyen.

De vergadering was in gespannen verwachting van de dingen, die daar komen zouden. Niemant had den moed de zaal te verlaten. De Heer Séwel trouwens had zich aan de binnendeur geposteerd. Het leed niet lang, of deze werd met kracht geopend en begeleid door den ‘vrind’ Boekenogen, traden eenige personen binnen.

[p. 446]

Van hem, die het meest in 't oog viel door een levendigen, zelfs eenigszins wilden blik, is de maat historiesch bekend. Hij was niet minder dan 6 voet 8½ engelsche duimen lang*). Hij was allerzonderlingst gekleed: had een bruin lakensch wambuis aan, met een lederen gordel, waar een kort zwaard van afhing; hij droeg laarzen, bij wier bovenkant zijn broek van rood baai zich aansloot; een hoed met platten rand, hemdsmouwen van betwistbare blankheid en fijnte, en, bij dit kostuum, een blonde pruik en korten handrotting.

Onmiskenbaar was het, dat hij eenig gezach over de genen, die met hem waren, uitoefende. Zijn spreken ging niet zelden met eene korte hoofdschudding en trekken met den rechter schouder gepaard†). Zijn gezelschap scheen sommigen van de Quakergemeente niet geheel vreemd: een schuitevoerder herkende den baas van de lijnbaan der Admiraliteit op Oostenburg; de Heer Séwel-zelf had een bescheiden hoofdknik voor den graveur Adriaen Schonebeek§) over; maar de twee andere personen, die het vijftal bezoekers hielpen uitmaken, schenen hier ter stede minder te-huis; het was een welgemaakt jonkman, met blozende kleur, onder wiens onachtzame kleeding men lichtelijk iets buitengewoons herkende; de andere was een zeer belachlijke figuur, niet grooter dan een kind van 5 jaar, maar met een paar wenkbraauwen en een paar snorren op zijn 30-jarig gelaat, die met zijn tentvormig hoofddeksel hem het voorkomen zouden gegeven hebben van een Chinees - als zijn schitterende en geestige oogen dit niet bepaald hadden tegengesproken.

De lange man, die Hollandsch sprak, met een vreemden tongslag, noemde hem Turg.

De Heer Séwel, na twee woorden met Boekenogen gewisseld te hebben, belastte zich met de moeilijke taak om dit bezoek aan de gestoorde gemeente smakelijk te maken:

‘Vrinden,’ zeide hij, en hij-zelf en al de mannen hadden hun hoeden op, terwijl de vrouwen het gebogen hoofd achter haar handen, of, voor zoo ver ze, uit aanmerking van haren stand,

[p. 447]

waayers gebruikten, achter déze verborgen: ‘Vrinden! slechts voor eenige minuten wordt uwe aandacht gestoord. De vreemdelingen, die tot ons komen, zijn broederlijk voor ons gezind. Bovendien zijn wij onderricht, dat het is naar het believen van den Koning, dien wij als Stadhouder gewoon zijn schuldige eer te geven, indien wij deze Heeren als vrinden bejegenen....’

- ‘Genoeg, genoeg!’ riep de lange man, met een forsche stem, en schudd'e eens met hoofd en schouder: ‘doet uw gebeden, zingt een lied, en gaat daarna wat profeteeren....’ Te gelijk zwaaide hij met zijn rotting, en wees de verhoogde spreekplaats aan, waarop hij meende, dat Boekenogen zich te plaatsen had. Ofschoon de meeste vrouwen met den rug naar de ingang gekeerd zaten, wisten zij haar blikken toch zoo te buigen, dat geene van haar een beweging ontging van hem, die hier werklijk sprak als machthebbende. In plaats dat Boekenogen het woord nam, deed dit de Dame die Séwel reeds in de reden was gevallen. Zij rees plotselijk op, strekte de hand naar den bezoeker uit, en riep: ‘Neen, Saar van Muskovië, denk niet, dat de leden van deze vrije, zedige gemeente, het geringste ontzag hebben voor de gemaakte nederigheid, waarmede gij nu al bijna drie maanden Burgemeesters, Staten en Princen laat dansen naar uw pijpen. Gij hebt hier uwe partij gevonden. Gij noodigt ons tot profeteeren: welaan, wij zullen het doen in tweederlei zin: als verklaring en als voorzegging: dat is naar de Schrift. Ik weet niet, of gij van deze méer notitie neemt dan de Papisten; maar ik weet wel, dat gij en de uwen geen haar beter zijt: vormendienaars, voor en achter. Uw eenvoudigheid, uw gemeenzaamheid is vertooning en een boom die groeit in den hof der hoovaardij. Gij wilt uw volk van nut zijn; maar zoekt hun heil op een verkeerden weg. Gij doet de Voorzienigheid geweld aan. Gij gaat geenszins de wegen van Hem die de Waarheid en het Leven is. Omdat gij boven een zwakkeling, een ouder broeder uitblonkt, en uw volk nog halve slaven zijn, niet vrij gemaakt door de waarheid, denkt gij, dat uw machtwoord plotselijk eene beschaafde natie in uw barre streken kan doen opstaan. Dat is een lompe dwaling; maar nog lomper is - te gelooven, dat de buitenwaereld u voor wijs houdt, en het bewondert, dat een groote Koning als een klein nieuwsgierig kind alles te gelijk wil zien en betasten. Kleine kinderen moeten wij worden; maar dat ziet op het gemoed, en niet op het bedrijf. Gewenscht

[p. 448]

was het, dat gij als een klein kind u leiden liet; en vooral dat u wat matigheid en zelf-regeering werd ingeprent: want anders - en nu ga ik voorspellen - zult gij nog veel verdriet in uw leven hebben; de ware beschaafdheid, die slechts langzaam ontwikkeld wordt, zal ook in uw rijken geen wortel vatten; en de nakomeling zal u niet zoo groot noemen als de verblinde en winstgierige tijdgenoot.’

Deze savonnade werd Tsaar Peter (want hij was het zelf) niet zoo rustig en geregeld toegediend, als ik het hier voorstel.

Bij herhaling trachtte Boekenogen met een ‘zuster’, ‘zuster’, en Séwel met een ‘nichte’, ‘nichte’, ‘Antje’, in den stroom harer welsprekendheid een dam te slaan; maar vergeefs! De vrijheid des woords, hoewel bij de Quakers, dertig, veertig jaar geleden, tot groote ongerieflijkheden geleid hebbende, werd altijd nog zeer geëerbiedigd, en bij de rustige samenwerking der ‘vrinden’ was er van een te bekleeden gezach weinig sprake.

Voeg daarbij, dat de plotselijke ontdekking, wat doorluchtig persoon - de oppermachtige zelfheerscher van alle mogelijke Ruslanden - in hun midden was verschenen, de meeste der aanwezigen tot eene zekere ongedurigheid stemde; terwijl bovendien de knaap, die de deur had opengemaakt, achter den Tsaar op een bank had postgevat, en dáar al de bewegingen van den Vorst - met gelaat en schouder, met de hand, die den stok droeg, met blik en bovenlip, - allerpotsierlijkst nabootste.

Dit trok de aandacht en wekte den glimlach van 's Vorsten dwergachtigen hofnar, genaamd Turgenew, die, aan den anderen kant, zoo min als de jonge russische Edelman (niemant minder dan de aanstaande Prins Mensjikow*), geheel gerust was over de uitwerking, die deze zonderlinge welkomstgroet op hun gebieder hebben zoû. De Tsaar toch was somtijds zeer kort aangebonden, kon in hevige toorn ontsteken, en plach, van der jeugd af, dan wel eens in onrustbarende stuipen te vervallen. De geschiedschrijvers teekenen aan, dat, in die oogenblikken, geen ander middel den Vorst tot bedaren kon brengen dan het optreden en de toespraak eener jonge schoone vrouw†). Reeds

[p. 449]

zagen de beide muskovische hovelingen den kring der Quakeressen rond, om, als dit recept zoû moeten worden toegepast, niet verlegen te staan.

Tsaar Peter echter gaf, bij deze gelegenheid, blijk van een ongewoon goed humeur.

‘Zoo, zoo, vrouwtjen!’ zeide hij, die vrij gemeenzaam met het Hollandsch was*): ‘is dat nu zoo de manier, waarop de vrinden en vrindinnen profeteeren? Nu, ik ben blij, dat ik er eens kennis meê gemaakt heb, en verheug mij, dat gij juist aangeblazen waart, toen ik binnenkwam. Ik moet u anders in 't algemeen opmerken, dat ik, als het op vertooningen aankomt, meer van lachwekkende tooneelen houd dan van zedemeesters-sprongen, en allerminst van zedemeesteressen.’

- ‘De genadige Heer heeft het aan zich-zelf te wijten,’ zeide de nar Turgenew;†) ‘gij geeft de Dames tegenwoordig aan alle gezelschappen deel, en zult er toch wel niet op rekenen, dat zij haar tongetjen thuislaten. Ik geloof,’ ging Turgenew voort, zich tot Séwel wendende, ‘dat de genadige Heer ook wel eens graâg zoû willen hooren zingen: gij moet een lied hebben, dat eindigt:

 
Van all' zyn' Heyligen, vereenigd in gedrang,
 
Met juyghend maatgezang.§)

“Ik zie daar zoo'n aardig Juffertjen staan, dat zeker dit lied wel eens ten gehoore zal willen brengen.” Hierop deed de dwerg drie stappen in zijdwaardsche richting en nam een 16-jarig blondinetjen bij de hand, dat met haar fijne fyzionomie en groote blaauwe oogen, van het eerste oogenblik af, den rijzigen Muskoviet belangstellend was blijven aanstaren. Den Tsaar scheen dit voorstel bizonder welgevallig. Hij hield niets van muziek: een trompet, een fagot en een paar bekkens, waren de eenige speeltuigen, die hem behaagden;**) maar het mooye meisjen, over wier geheele persoon eene engelsche elegantie verspreid lag, nam hem dadelijk in.’

[p. 450]

- ‘Ik vraag u vergeving!’ stamelde de Heer Séwel, half gestreeld, half verschrikt: ‘het jonge meisjen is mijn dochter, en ik verzeker u, dat zij hoegenaamd geen talent voor den zang heeft.’

- ‘Welnu,’ zeide Turgenew, ‘laat dan de jonkman, die naast haar staat, en dien ik zoo even gezien heb, dat een uitmuntend kluchtspeler is, toen hij al de bewegingen van den genadigen Heer heeft staan nabootsen, maar eens de eene of andere klucht vertellen!’

- ‘Mijn zoon, mijn zoon, Pieter Langendyk!’ riep de vrouw, die den Tsaar zoo streng gekapitteld had, ‘dat zal nooit gebeuren!’

- ‘Althands, dat kan hier niet gebeuren,’ riep de Heer Séwel: ‘De Vorst denkt te redelijk, om deze plaatse met grollen en grappen, gelijk anders mijn leerling er wel maken kan, te ontwijden....’

- ‘En gij hecht niet aan formen!’ zeide Peter vriendelijk.

- ‘Maar wij hechten aan het ernstige doel onzer samenkomst,’ zeide Boekenogen, terwijl zijn stem trilde van verontwaardiging. ‘Gij zijt hier ongebeden ingekomen, en wilt gij ons nu in onze godsdienstige gevoelens komen beleedigen?’

- ‘Wel neen, in 't geheel niet!’ andwoordde Peter. ‘Ik ben zélf godsdienstig, en heb alleen maar ook úwe vergadering willen leeren kennen, om te zien, of er iets goeds voor mij, in mijne Kerk, uit over te nemen is. Pieter Langendyk, de zoon van mijne vriendin van zoo even, zal tot mij komen in mijn logies op de werf der Admiraliteit, om mij eens iets van zijn grollen te vertoonen; maar een lied zoû ik toch graâg, door de dochter van Mijnheer hier, hooren zingen.’

- ‘Welnu, Sara!’ zeide de Heer Séwel: ‘voldoe dan maar aan de begeerte van den grootmachtigen Vorst.’

En het meisjen, twee stappen vooruittredende, zong, met een allerzuiverste en gladde sopraan-stem, uit den door haar vader in hollandsche dichtmaat naar Catherine Evans gevolgden lofzang het koeplet:

 
‘Maak groot alom Gods majesteyt,
 
Zyn wyd vermaarde faam, wiens wooning
 
In 't hooge Zion is bereyd
 
Tót gloori zyner kroone. O Koning,
 
U, onzen Gód, zy prys; men zinge u lóf, ô Heer,
 
En diene u immermeer.’
[p. 451]

De Quakers plachten dezen hymnus op een vrij eentonige choraalmelodie*) te zingen; maar het geschiedde dit-maal met zoo veel gevoel, dat het algemeen een diepen indruk maakte.

Pieter Langendyk, hoewel nog maar een knaap, scheen met weêrzin op te merken, dat de Tsaar met dit lied, en vooral met de zangeres, zoo hooglijk was ingenomen: maar zijn jaloezie steeg ten top, toen de Vorst, op het einde, zich niet vergenoegde zijn rotting op den vloer getuigenis te laten geven van zijn genoegen, maar zonder komplimenten de jeugdige zangeres beetpakte en haar bij herhaling kuste, dat het klapte.†)

Velerlei waren de aandoeningen, die bij deze manifestatie door de vergadering voeren. De Tsaar liet haar echter den tijd niet tot bezinning te komen.

‘Lieve dochter van dezen voortreffelijken man,’ zeide de Tsaar, ‘gij hebt het meer dan wel gemaakt. Ik wil u eene gedachtenis laten van deze onze eerste ontmoeting... Hadriaan!’ ging hij voort, tot den graveur Schonebeek, die, als ik zeide, hem vergezelde, ‘geef mij het mooiste exemplaar van de ets, die ik gemaakt heb§); dan zullen deze vrinden met-een gerust zijn omtrent mijn godsdienstigen zin.’

En uit een kleine portefeuille bracht Schonebeek het gebrekkigst voortbrengsel der sterkwaterkunst te voorschijn, dat ooit op dun hollandsch papier is afgedrukt.

Het was de triomf van het Christendom over den Islam. Het stelde een slobberig gekleeden Engel voor, met de linker hand een kruis in de hoogte houdend, en in de rechter een palmtak. De Engel staat op een omgekeerde halve maan; en nog andere attributen van het Turkendom, als vaandels, tulbanden, wapens en ander krijgstuig, liggen onder zijne voeten. Uit den Hemel dalen breede lichtstralen op hem af.

Toen de Tsaar dit kostbare stuk aan Saartjen Séwel had ter hand gesteld, en haar nog eens onder de kin gestreken had,

[p. 452]

groette hij de Quakergemeente met de hand, en verliet, hoogst voldaan, het huis, waar de Driehoek in den gevel stond.

II.

De 15-jarige knaap, die in de vergadering der Quakergemeente met den naam van Pieter Langendyk werd aangeduid, is inderdaad onze meest vermaarde blijspeldichter geworden.

Zijn vader was een metselaar, Arent Pieterszen Kort genaamd, burger van Haarlem en lid van de doopsgezinde gemeente. Maar zijne moeder, Anneke Nieuwenhuizen, bekende zich tot de belijdenis der Quakers. Ik ben niet ongeneigd te gelooven, dat het haar neef, of goede vriend, Willem Séwel geweest is, die haar bewogen heeft zich voortdurend bij deze anti-ritualisten te blijven aansluiten. Hij was, na de dood des vaders, die in 1689 plaats had, opvoeder en leermeester van den zoon, die geruimen tijd aan zijn huis gewoond heeft, met het uitgesproken doel om Latijn te leeren.

De weduwe Kort was anders in 't geheel geen persoon, om zich naar de stille zeden der Quakers te schikken. Zij had er reeds dadelijk veel tegen, dat haar zoon Pieter tout court Kort zoû heeten. ‘Je grootvader was van Langendijk (bij Alkmaar) van-daan,’ zeide zij, ‘wat belet jou om je bokkigen naam van Kort, met den deftiger van Langendyk te verwisselen? Pieter van Langendyk, mij dunkt, dat klinkt zoo nog al voornaam.’*) Men weet, dat het woordtjen van is weggebleven, en dat onze goede komikus eenvoudig den naam van Pieter Langendyk heeft gevoerd.

Jeronimo de Vries, Siegenbeek, Van Kampen, Witsen Geysbeek en 's Gravenweert, geven, elk op hun beurt, vrij veel lof aan onzen blijspeldichter. Men kan echter goedschiks de levendiger luim van Breêroô, Samuel Coster en Constantin Huygens, op het gebied der komische dramatiek, niet betwisten; maar hunne kluchten zijn inderdaad door een beschaafd gehoor van onze tijd niet meer te genieten: terwijl Don Quichot op de

[p. 453]

Bruiloft van Kamácho, Krelis Louwen, Het wederzyds huwelyksbedrog, De Wiskonstenaars of het gevlugte Juffertje, De Zwetser, met een gering voorbehoud nog zeer goed door Dames en Heeren te lezen zijn.

Vraagt men mij, kunnen ze eenigermate bij de komedies van Molière, die maar een weinig vroeger vallen, wat vernuft en diepte betreft vergeleken worden? - Dan moet ik, helaas, andwoorden: in geenen deele. En toch hebben deze beide blijspeldichters een punt van over-een-stemming, wat hunne aanspraak op onze belangstelling aangaat. Dat punt echter is niet te vinden in het komische element van hun kunst, maar in het tragische van hun leven. Heeft hun vernuft met ongelijke kracht en schittering gespeeld, - hun hart heeft, hoe verschillend ook bewerktuigd, om het zeerst geleden. Molière vereeuwigde zijn levensramp, met ongelijkbaar meesterschap, in zijn Misanthrope; Langendijk heeft zich de voldoening niet kunnen onthouden aan eene zijner komedies den titel ‘Xantippe’ te geven. Afgezien van beider omstandigheden, had Molière gewis meer schuld aan zijn ongeluk dan onze rein en geregeld levende metselaarszoon. Wanneer we daarentegen de lijnen en tinten raadplegen, waarmeê deze beide komici het beeld van hun levensramp en hunne geheime droefgeestigheid geschilderd hebben, - dan moet men zeggen, dat, bij den zoo fijn en diep voelenden Parijzenaar, de mate der smart zeker, buiten verhouding met schuld of onschuld, die van den kalm en goedhartig, maar oppervlakkig voortlevenden Haarlemer overtrof.

Toch is het jammer, dat men het zwaartepunt van Langendyks optreden in zijn tooneelwerk heeft gezocht. Ongetwijfeld is het bizonder leven van den dichter veel interessanter geweest; en het weemoedige hierin krijgt maar een des te schilderachtiger, meer humoristiesch charakter, naar men beter nagaat, wat brave zoon en gedweezaam echtgenoot zich deze tooneelschrijver altijd betoond heeft.

Zijn vader, zeggen de levensbeschrijvers, liet de weduwe in een goed gedoente achter: althands hij liet te Haarlem een eigen huis na, staande in de Gierstraat, over de Botermarkt.

Na zijn dood zett'e de weduwe een ‘lywaadwinkel’ op, die echter door haar slecht bestier spoedig te niet ging. In welke relaties haar spilzucht haar gebracht had, is mij onbekend; maar niet, dat zij met haren zoon zich vestigde in Den Haag, waar deze gelegenheid vond zijn zin voor de teekenkunst nader te

[p. 454]

ontwikkelen onder den Schilder Hendrik Pola. Hij vond vooral aanleiding zijne oefeningen heen te richten naar de praktijk van wat men thands de kunstindustrie noemen zoû. De passer kwam zijner fantazie zeer te hulp voor het maken van patronen, om naar te weven. Ook op dit handwerk leî hij zich toe met de borst; en niemant was gelukkiger dan hij, toen hij, met een stukjen zelf-geweven servetgoed - garen-damast - naar Amsterdam mocht reizen, en gelegenheid vond het daar te verkoopen.

Zoo als wij boven vernamen, had hij in deze stad vele jaren zijner vroegste jeugd ten huize van William of Willem Séwel, den kleinzoon van een andereu William, die in de XVIe Eeuw met de Brownisten uit Engeland gevlucht was, gesleten. Deze Séwel, een rustig en werkzaam burger geleerde, verdiende den kost met het schrijven van droge, historische en spraakkundige boeken, het vertalen van Flavius Josephus, eene Bijbelsche en eene Kerkgeschiedenis, Juvenalis' XIIIe Satyre, en het meêdeelen zijner kundigheden aan anderen. Hij had, uit zijn in 1681 met Jacomina Boekenogen gesloten huwelijk, een zoon en drie dochters, en ik verdenk hem van, vooral uit aanmerking der onrustige natuur van Langendyks moeder, zich met de veeljarige zorg voor onzen Pieter te hebben belast. Zijn op 51-jarigen leeftijd door Gerrit Rademaker geteekend portret rechtvaardigt in alle opzichten, wat we van zijn rechtschapen charakter, zijn vromen zin, zijn werkzamen aard, zijn taai gestel, zijn letten op kleinigheden, bij beperkte scherpzinnigheid, hebben getuigd of laten raden. Hij was een goed, maar stijf man, niets waard in de konversatie, maar met een hart, dat volstrekt niet ontoegankelijk was voor deze of gene groote, schier onberedeneerde genegenheid. Met zijn starend gelaat, geflankeerd door hooge schouders en voor drie vierden omringd met de krullen der u bekende vale pruik, kon hij toch zoo welgevallig o.a. naar Pieter Langendyk heenzien, wanneer die met zijn groot talent van nabootsing, dit of dat charakter karikatureerde, dat men geneigd was tranen van liefde te zoeken in die donkere, edoch matte oogjens.

Men weet nu, hoe weinig de dochter nog op dezen vader trok. Zij had bepaald haar engelschen type aan een vroeger geslacht te danken; maar men ziet nu tevens, hoe weinig de leerling zweemde naar den meester; en ook voor het uiterlijk. Pieter Langendyk had een allerliefste fyzionomie: een ovaal gelaat; heldere lichtbruine oogen, een lange fraaye neus en met

[p. 455]

zorg gebootste mond en kin. Had hij iets stijfs in zijn houding, dan werd dit, toen bij 25, 30 jaar was, verklaard door de deftigheid van de pruik Louis XIV, en verborgen, deels door zekeren zwier in zijn kleeding, deels door zekere matigheid in zijn gebaar. Zijn kleine bewegingen drukten zoo veel uit als bij anderen de groote.

Dat de naam van zijn goeden leermeester geen enkelen maal bij zijn talloze gelegenheidsgedichten gevonden wordt, meen ik te moeten toeschrijven wellicht aan eenig insuccès bij de jonge Dames Séwel; die dan trouwens, voor haar straf (zoo als de Koningen der Schepping zwetsen zouden), met haar driën als oude vrijsters gestorven zijn.

De weemoedige achtergrond, waartegen de kluchten en blijspelen van Langendyk vertoond worden, is hij zich-zelven, van den aanvang zijner loopbaan af, bewust geweest. Het blijkt allerduidelijkst uit zijn eerste tooneelwerk Don Quichot op de bruiloft van Kamácho. ‘Ik ben menigmaal verwonderd geweest,’ zegt hij*), ‘dat de Nederlandsche Blyspeldichteren hunne stoffe uit het volgeestige werk van den Spaanschen Savedra zo schaars genomen hebben; een Schryver, die overvloeit van geestige vindingen, aardige hertstochten, kittelige en tevens schrandere redeneringen.’ Langendyks tijdgenoot, zijn levensbeschrijver, zegt van hem, dat hij op zijn 16e jaar dit Blijspel reeds bewerkt had. De moraal van het stuk, die aan 't slot den triomfeerenden minnaar in den mond wordt gelegd, luidt aldus:

 
‘Zo zietmen dat 't verstand het geld te boven gaat;
 
En die de wysheid om 't genot van 't goud versmaadt,
 
Kan aan myn trouwgeval zig spiegelen, en leeren,
 
Hoe dat men schranderheid voor schatten moet waardeeren.’

In de opdracht aan zijne vrienden, de wiskunstenaars Hendrik Haak en Everhard Kraeyvanger, zegt hij:

 
‘Ik offer u, o waarde vrinden
 
Den vroomen ridder Don Quichot,
 
Die steeds iets groots dorst onderwinden:
 
Maar voor zyn' daaden wierdt bespot
 
Van volk dat hy niet wys kon maaken
 
Dat Amadis en Palmeryn
 
En honderd romantike snaaken,
 
Geen leugens, maar vol waarheid zyn.’
[p. 456]

Ongetwijfeld behoort Langendyk tot die menschenhelft, die onder de luimige schors van Cervantes' diepzinnigen roman een zoete en krachtige kern hebben weten te vinden. Het is een sints lang opgeruimd misverstand, dat de ridderlijke Cervantes, de held van Lepanto, de krijgsmakker van Marc-Antonio Colonna, den spot zoû hebben willen drijven met de Ridderschap. Hij mag als letterkundige geen bewonderaar van de eindeloze aaneen-rijging der avonturen in de Amadis-romans geweest zijn, - daar volgt geenszins uit, dat hij ongevoelig moest zijn voor het grootsche, edelmoedige en tedere in de stemming der Ridder-harten, waarvan zijn aandoenlijke Don-Quichot-figuur een zoo wijsgeerig en geestig geschilderd toonbeeld aanbiedt. Neen, Cervantes heeft veel meer willen doen voelen, hoe de adel der menschelijke natuur, de liefde en offerwilligheid, de moed, die alle hinderpalen aandurft, het rechtsgevoel, dat alle kwaad bestrijden en alle ongelijkheid effenen wil, zich baan breken en sympathiën weten te wekken, zelfs als zij de ziel vervullen van een half-waanzinnige. Don-Quichot is een satyre, die aan de oppervlakkige, aan de proza-naturen, aan baatzucht en laagheid om strijd toeroept: lacht maar, lacht maar; gij stelt u-zelven aan de kaak: want onder dit narrenpak huist grootmoedigheid, tederheid, liefde, zelfverzaking, al wat de menschelijke natuur vereert en de namen der besten onsterflijk, hun daden vruchtbaar, hun nagedachtenis gezegend maakt. Hiervan heeft ook Langendyk wel deugdelijk het besef gehad, en wanneer hij verder in zijne opdracht zegt:

 
‘Ik voer hem hier ten Schouwtooneele;
 
Op dat hy met zyn zotterny
 
Voor and'ren (zyns gelyke) speele,
 
Dat alle waan maar zotheid zy;
 
Hoe al des waerelds schoone dingen
 
Maar by inbeeldingen bestaan,
 
En even als 't geluid na 't zingen,
 
In wind en lucht terstond vergaan,’

dan is dat ironie. Het blijkt ook geheel aan de rol, die hij Don Quichot in zijn stuk te spelen geeft.

Men kent - des noods uit de trouwe vertaling van Mr C.L. Schuller,*) of uit de gefrancizeerde van Florian†) -

[p. 457]

het avontuur der bruiloft van Camacho: de schoone Quiteria wordt tot een huwelijk gedwongen met den rijken boer Camacho. Vurig wordt zij bemind door den jongen schranderen Basilio, uitmuntende in het slingeren en degendansen. Maar talenten in lieden die niets bezitten, zegt Sancho Panza, zijn niets waard. Ondertusschen is de jonkman, die zich met Quiteriaas wederliefde vleyen mag, op een krijgslist bedacht geweest, Als het bruiloftsvolk bij-een is, - komt hij, in een rouwkiel. met karmozijnen vlammen afgezet, en een cypressenkrans op het hoofd, de feestvreugde storen. Hij spreekt de vergaderde menigte toe, brengt een degen voor den dag en werpt er zich wanhopig in. Aan alle kanten springt zijn bloed in 't ronde. Don Quijote, die toevallig de bruiloft bijwoont, neemt hem in zijne armen en de Pastoor der plaats vermaant hem zich tot sterven voor te bereiden. Camacho stamelt hierop den zonderlingen wensch uit, dat Quiteria, nu hij toch sterven gaat, vooraf met hem in het huwelijk moog treden. Don Quijote bepleit zijne zaak, en de Pastoor ziet er geen bezwáar in. Ook Camacho neemt met deze bespoediging van den afloop der storende gebeurtenis genoegen. Maar pas hebben de beide jonge lieden verklaard elkander tot man en vrouw te nemen, of Basilio springt vlug over-eind; ongedeerd trekt hij zich den degen uit de met bloed gevulde buis, die hij zich had aangelegd, en eischt dat het huwelijk erkend worde. De voorstanders der weêrzijdsche belanghebbenden trekken van leer, Don Quijote, te paard gestegen, drilt zijn lans, en zonder verdere bloedstorting blijft de overwinning aan de zijde der gelieven. De rijke Camacho drijft zijn fierheid zoo ver, dat hij de maaltijd wil laten doorgaan; maar de jonge-lieden bedanken en gaan naar het dorp van den armen Basilio, Don Quijote, in hunne erkentelijkheid met zich nemende. Langendyk heeft van Basilio een edelman gemaakt en geeft Quiteria een gentilhomme campagnard tot vader; hij heeft den groep verrijkt met de aardige typen van Miester Jochem, den rederijker, en den waalschen kok Vetlasoepe. Ook laat hij, bij deze gelegenheid, Sancho in den deken sollen, en stoffeert de gesprekken met sommige van Don Quichots voorstellingen uit de romanwaereld - van toovenaars en draken. Maar hij wacht zich toch zoowel als Cervantes, Don Quichot een mal figuur te laten maken. Don Quichot is nooit in den eigenlijken zin belachelijk. Belachelijk is Sancho, de prozamensch, de prak-

[p. 458]

tische man, met zijn aanmatigend gezond verstand; hoewel anders zijne liefde voor zijn meester ook op hem een behaaglijk licht werpt. Dat is juist zoo meesterlijk in den roman van Cervantes: dat hij het ideale door een waanzinnige laat vertegenwoordigen, en dat de eindindruk toch altijd deze is: dat Don Quichot de sympathie der edele geesten en hooge charakters wechdraagt; terwijl de waereldsche wijsheid, de begeerlijkheid der zinnen, de snapachtigheid, de slaapzucht, de vulgaire geest, de eigenbaat, de kleine bedriegerijen, de plompe scherts er meestal bij Sancho slecht afkomen; zoo dat men liever in de nederlagen van den Ridder dan in de kortstondige voldoeningen van zijn boerschen schildknaap zoû deelen.

Langendyk heeft dat gevoeld en begrepen. Bazilius, dien hij als man van verstand en beschaving voorstelt, zegt niet dan goeds van Don Quichot, zonder dat hij hiermeê eene bizondere bedoeling heeft. Ook neemt Don Quichot, bij Langendyk, in den strijd de partij van Bazilius en Quiteria en deelt dus in den zegepraal der goede zaak.

Wanneer ik verwantschap meen op te merken tusschen het toonbeeld der ‘zwaarmoedigheid’ en der ‘te-leur-stellingen’, die, naar het oordeel van Don-Quichots dokter, een einde aan zijn leven maakten*), tusschen den Ridder van de Mancha en onzen hollandschen blijspeldichter, - dan wil ik toch toegeven, dat dit meer uit zijn levensgevallen valt af te leiden dan - behoudends de besproken komedie - uit zijne tooneelwerken. Het lastig humeur zijner moeder ontvlood hij doorgaands, zegt zijn levensbeschrijver, in het gezelschap ‘zijner vrinden’†) en wat ik nog verder uit zijne geschiedenis heb meê te deelen, zal nog nader bewijzen, dat ook hier de glimlach vaak het masker der droefheid moet geweest zijn.

Zijne levensbeschrijvers betuigen bij herhaling, dat hij eene groote mate van onverschilligheid bij de rampen des levens aan den dag leî, die echter nu en dan door hen met een tint van berusting gekleurd wordt. Ik kan niet onvoorwaardelijk gelooven, dat het hem met die onverschilligheid ernst geweest zij. Een jonkman, die een ietwat geleerde opvoeding genoten heeft, die lang voor zijn 20e jaar reeds een

[p. 459]

tooneelwerk als de Don Quichot heeft gemaakt, die om in zijn nood en in die zijner grillige, spilzieke moeder te voorzien weversknecht wordt, die het een geluk rekent bij zekeren Heer Prado opzicht over de andere wevers te verkrijgen, die om zijn goed gedrag en beschaafdheid bevorderd wordt tot kantoorbediende bij den fabrikant Jan Brand, tot dat hij eindelijk, 27 jaar oud, in 1710, eene vaste betrekking als ‘patroonwerker’ bekomt bij den zijde-lakenen-wever Abraham Verhamme*), maar in al die jaren van harden stoffelijken arbeid geene gelegenheid vindt iets te schrijven, dat hem wat troost en verheffing bezorge, - terwijl hij, zoo haast hij een veêr van den mond kan blazen, met verdubbelden ijver zijne tooneelpoëzij ter hand neemt, - die dichter, - een komikus, - kan die jaren van spraakloosheid zijner Muze niet zonder veel zielelijden hebben doorgebracht.

Maar toen hij dan ook eindelijk er in geslaagd was zijn Don Quichot ten tooneele te doen brengen†) en met toejuiching herhaaldelijk te doen spelen, toen moet hij veel hebben genoten, en het is geen wonder, dat hij met ijver aan het bewerken van andere blijspelen ging. Zijn reeds genoemde Zwetser, het Wederzyds Huwelyksbedrog, de Krelis Louwen, de Wiskonstenaars volgden elkaâr in een kort tijdverloop op, en bezorgden hem, zoo al geen rijke droits d'auteur dan toch veel roem en bekendheid.

Zijne goedheid, zijn zedigheid en gelukkig humeur maakten, dat de leden van zijn dichtgezelschap, die elkander schier dagelijks ontmoetten bij hun medelid, den dichterlijken boek-

[p. 460]

verkooper Hendrik van de Gaete*), hem zonder wrevel als hun meerdere in vernuft en talent erkenden en achtten.

Opmerkelijk is hierin, dat de hulde, die hem van vele kanten geboden werd, veel minder de komische zetten en schilderingen betrof, welke wij, lateren, in hem waardeeren, dan de koude, stijve, en pronkzieke vaerzen, waaraan zijn leer- en ernstig tooneeldicht en zelfs zijn lyrische poëzie maar al te rijk is.

Het is allervermakelijkst te hooren, hoe Langendyk boeren, vreemdelingen, dieven, menschen uit het volk, ieder in zijn bizonder charakter en nagebootst taaleigen opvoert. Hij heeft daarvoor een onmiskenbaar talent, en als ik geen beperkte grenzen aan deze studie had toegedacht, zoû ik er mij niet toe bepalen u naar de lektuur van Langendyks aardigste stukken te verwijzen.

Maar wij moeten het levensbeeld van onzen dichter nog voor een belangrijk onderdeel bijwerken.

Langendyk, hebben wij gezegd, onderhield zijne moeder. Daarom kon er voor hem geen sprake zijn van een huwelijk; maar het hart luisterde weinig naar de klachten der beurs, en ontzeide zich niet eene amsterdamsche schoone boven alle andere tot koningin te verkiezen. Als ik haar aan u voor zal stellen, voert ons dit in een kring, die ons niet geheel en al vreemd is.

III.

Er zijn bijna twintig jaar verloopon sedert wij samen eene vergadering der toen vreedzame Christenen, die men Quakers noemde, bezochten. Wilt mij thands vergezellen naar eene andere stichting op de Keizersgracht, en wel in de nabijheid van de Runstraat.

Wij gaan naar de komedie. Haar voorpoort is nog aanwezig. 't Is die van het ‘R.C. Oude Armen-Comptoir’. Tegenover

[p. 461]

deze ingang had men niet, als thands, de zijkamer van den huisbewaarder, maar de ruime, met twee ingelaten kolommen geflankeerde binnenpoort. Als wij in het ‘groot portaal’ links een trap opgaan, komen wij niet in den schouwburg; maar in de Regenten-kamer, en daar willen wij juist wezen. Deze schouwburg is in 1665 volbouwd, hoewel niet naar de plannen van Jacob van Campen*), den bouwmeester van 't Stadhuis, want deze was den 13n Septr 1657 reeds overleden.

Den 21n December, 1716, was het in de Regentenkamer een groote drukte. Tegen 3 uur zoû er een ‘nanoensverversching’ worden aangeboden aan een beroemd personaadje. Alles was in de weer om de verwachte gasten den besten dunk van de Hollandsche keuken in te boezemen. Toch was deze sommigen hunner van ouds bekend. Gij zult het licht beseffen, als gij u met mij begeven wilt naar den boekwinkel van Hendrik van de Gaete, die gelegen was op den hoek van de Warmoesstraat en Vijgendam. Wat was daar een ophooping van menschen! Had men er een dronken man of zenuwachtige vrouw in huis gedragen? Een nieuw verschenen boek zoû toch zoo veel belangstelling niet licht trekken. Wij zullen het dadelijk weten.

Na dat de vergaderde menigte, een geruimen tijd, reikhalzend, deels in schaduw van den luifel, deels bestraald door het vallicht van den helderen winterdag hier tusschen de huizen, door de neêrgelaten glazen bovendeur in den winkel had gestaard, - werd plotselijk dat schuifvenster opgeschoven, de onderdeur van de klink gedaan, en traden een paar vreemd toegetakelde soldaten, met zware knevels en schuin oploopende beerenmutsen vercierd uit den winkel, en maakten ruimte onder de menigte. Zij werden op den voet gevolgd door een rijzig kloek gebouwd man, wiens vrolijk gelaat een groote energie uitdrukte, en die in een fraai groenen militairen rok met bonte randen†) en gouden lussen gekleed was. De zwarte haren hingen hem vrij slordig op rug en schouder; een hartsvanger, met een rijk gevest van jaspis, stak in zijn gordel. Hij betoonde zich, op zijne wijze, zeer galant voor twee vrouwelijke personen, die aan zijn rechter en linker arm gingen. De jongste, een buitengewoon mooi meisjen, met donkere bruine oogen en een gelaatskleur, die schitterend uitkwam, bij de zwarte zijden met een strook

[p. 462]

omzoomde kap, die zij op het hoofd droeg, was allerlevendigst. Zij gaf den forschen kavalier den arm, had de handen samengeslagen, en zag en sprong haast naar hem op, bij ieder woord, dat gewisseld werd. De andere betoonde zich zediger: zij was eene magere blondine, wier groote oogen een gelaat, dat doorgaands te-leur-stelling scheen uit te drukken, geen agrement konden bijzetten. Met zekere bedaardheid stond zij den Officier te woord. En toch is zij, met hare Fontange-muts, niemant anders dan Sara Séwel, ons welbekend; maar vergeten wij niet dat er twintig jaren liggen tusschen haar zang in de Quakerskerk en eene boodschap haars vaders voor den boekverkooper, waar zij door het grootste toeval werd aangetroffen door den Tsaar van Muskovië, dien we in haren tegenwoordigen geleider te herkennen hebben.

Achter dit drietal aan, volgden eenige Heeren; voor-eerst Peters Grootkancelier, de Graaf Golowkin*), aan de zijde van den Russischen Rezident Brandt, ten wiens huize, op de Keizersgracht bij de Wolvestraat, de Tsaar uit de Utrechtsche schuit voet aan wal had gezet; de Reismaarschalk Sjepelow, en de Reissekretaris Tsjerkassow.

De groep werd gekompleteerd door den boekverkooper Van de Gaete, dien Peter expresselijk genoodigd had in zijn gezelschap te zijn, den bijna 70-jarigen, half doven en kreupelen, maar zeer vrolijken Lambert Bidlo†), den lustigen arts en oudheidkenner Ludolf Smids en - de leste, licht de beste - onze Pieter Langendyk.

Zoo ging het over den Dam, door de Kalverstraat, St-Luciënsteeg en verdere straten naar den Schouwburg.

Het was de tweede reis, dat Tsaar Peter hier in 't land kwam. Hij was de verwezenlijking zijner groote hervormingen wel wat nader gekomen; maar had, bij hare behartiging, toch andere meer persoonlijke belangen, niet geheel verwaarloosd. Hij had als opperste schoonheid bijv. geproklameerd Catharina Alfendey, een meisjen van geringen stand, maar met eigenschappen bedeeld die hem zeer aanstonden. Sedert 5 jaar had hij haar dan ook naast zich ten throon geheven§). Bij zijne tegenwoordige

[p. 463]

tocht was zij hem nagereisd; maar had het niet verder kunnen brengen dan de Stad Wezel*). Men weet, welk een groote liefde Peter aan ons volk, vooral den minderen man, bizonder onzer scheepvaart, gewijd had†). Drie groote hartstochten, en nog een goed getal van minder edelen aard, woonden in de ziel van dezen beroemden man: heerschzucht, weetlust, en, wat men zoû kunnen noemen, nautomanie - eene buitensporige liefde voor alles wat met de scheepvaart in verband stond. Natuurlijk wilde hij van de Russen een maritieme natie maken§). Uit de voor-handen dagboeken blijkt, dat hij te Zaandam, waar men het huisjen van Gerrit Kist* *), dat hij er betrok, in zoo buitengewone eere houdt, eigenlijk maar 8 dagen verbleven heeft† †); maar 't is niet te minder waar, dat hij in 1697 hier te Amsterdam, dat ter liefde der handelsbelangen, zich veel overlast om hem heeft getroost, vele maanden vertoefde. Hij was hier altijd met het streelende gevoel van behaalde overwinningen: voor 20 jaren hadden de Russen de Turken voor Azof getuchtigd; dit-maal kwam Peter hier overdekt met de lauweren, in den Zweedschen oorlog geplukt. Hij werd door zijn schier kinderachtige liefhebberij in kleinigheden volstrekt niet afgetrokken van zijn groote denkbeeld om Rusland tot het peil van beschaving te verheffen, dat hij met den adelaarsblik van het genie in het Westelijk Europa, ook voór dat hij het had bezocht, herkend had. Gewoon aan blinde gehoorzaamheid bij zijn volk, - zich niet ontziende de vrouw, die hij in eerste echt getrouwd had, ter zijde te zetten, zijn zwakken broeder en mederegent vervallen te achten van de Regeering, - zich een moed en kracht bewust, als maar aan weinigen gegeven is, meende hij, dat de beschaving een invoerartikel was gelijk tabak of thee, en hij had besloten zijn volk hiervan de zegeningen te doen genieten. Hij begon met door zijn heele

[p. 464]

rijk de voorvaderlijke dracht der groote baarden te verbieden*): en de ondervinding heeft hem nooit geleerd, dat een volk, al schéert men het nog zoo zorgvuldig, daarom nog geen plaats neemt op den historischen pedestal der opvoeding, der polijsting bij ontwikkeling, der humaniteit†).

Onder groot bekijk der Amsterdammers was het zonderling gezelschap welhaast zijne bestemming genaderd, niet zonder dat bij herhaling de wrevel van den Tsaar werd opgewekt, die nooit velen kon, dat zijne zonderlingheden de aandacht trokken. Bij herhaling sloeg hij met zijn beroemden spaanschen rotting Dubina§) in 't rond, als de straatjeugd het gezelschap wat te na kwam, of dat hij wat al te onbescheiden werd aangegaapt.

Aan de voorpoort van den Schouwburg ontvingen hem de Regenten Joannes Baalde en Mr Joan van Heuvel - de eerste van wege het Oûmanhuis, de tweede van wege het Burgerweeshuis, die onder éen Bestuur met den schouwburg stonden* *). Hij had anders voor alle eerbewijzen van staats- of stadswege uitdrukkelijk bedankt† †), en verzocht dat geen Magistraatspersoon hem hier begroeten zoû dan alleen zijn vriend, de scheepsbouwkundige Nicolaas Witsen; maar de stokoude man, sints lang geen Burgemeester meer, hield ongelukkig het bed§ §).

Zonder naar het kompliment te luisteren, dat de 60-jarige

[p. 465]

dichter Joan Pluimer, een vermogend man, vercierd met de gouden medalië van Koning Willem den IIIe, en adsistent der Heeren Regenten, hem te gemoet voerde, drong hij, met zijn Dames en gevolg, naar voren, en riep maar: ‘Wáar moeten we wezen, wáar moeten we wezen? We spreken van daag timmermans-hollandsch, niet waar? geen stadhuistaal*).’ En zoo ging het, vrolijk en wel, de trap naar de Regentenkamer op. Hier prijkte aan het boveneind der tafel een soort van throonzetel, die juist op den vorigen speelavond nog voor den Perzischen Koning Assuërus uit het Treurspel Hester of de Verlossing der Jooden gediend had. Beleefdelijk verzocht men Tsaar Peter daarop, vóor de tafel, plaats te nemen; men noodigde de Heeren Golowkin en Brandt zich rechts en links van den Vorst te zetten, en schikte het overig gezelschap - ofschoon men op de Dames niet gerekend had - verder zoo goed als het ging om de tafel. Mr Everhard Kraeyvanger - wiskunstenaar en dichter, vriend van Langendyk - en nog een paar andere Muzenzonen, ook Adam Silo, een schilder, die uitmuntte in de naauwkeurige voorstelling van schepen en schuiten, en zeer in de gunst stond van den Tzaar, - behoorden tot de dischgenoten.

Op het onderdanig verzoek, of het Zijn Majesteit behagen zoû den voor hem ingerichten zetel te gaan bekleeden, andwoordde hij: ‘Wat Majesteit, weet jijluî niet, dat ik incognito reis? Ik ben Mijnheer, zonder meer; en ik ga ook niet zitten in die mooye stoel. Die is goed voor den anderen Pieter, voor den dichter, wiens klucht wij strakkies zullen zien vertoonen.... Dat 's mooi; dat 's heel aardig... van die “miester Jochem”, en die fransche kok, en den mageren Don Quichot....’

Bij dit zeggen keken de schouwburgregenten elkaâr verlegen aan; Joan Pluimer nam het woord, en zeide: ‘Mijnheer! uw Czaarsche genade kan gaan zitten, waar het haar belieft, - natuurlijk; maar hoe gaarne wij u ook Don Quichot op de Bruiloft van Kamacho zouden laten zien (dat wij ook heel aardig vinden), had de Regeering gedacht, dat het deftig en u welgevallig zoû wezen, als men dezen avond Gijsbreght van Amstel de ondergangh van zijn stadt en zijn ballingschap voor u vertoonde....’

[p. 466]

- ‘Wát Gijsbreght van Amstel,’ zeide Peter, ‘wát ondergang en ballingschap, wil jeluî me daarmeê opvrolijken?’*) en hij trok eens met zijn oog en schouder, zoo als hij gewoon was. ‘Neen, jeluî moet Kamacho spelen: dat is mooi.... da 's aardig... Maar kom aan, laten we gaan zitten; ik heb sints 12 uur niets over mijn hart gehad;’ en Peter wenkte Pieter Langendyk, dat hij plaats zoû nemen in den throonzetel; liep achter eenige gasten om, tikte den Heer Kraeyvanger, die tusschen de Dames te-recht gekomen was, op zijn schouder, en flankeerde zich-zelven aan tafel, gelijk hij het op de wandeling was geweest. ‘Ik zit tusschen Jaantjen en Saartjen,’ zeide hij, ‘niet waar Dames? dat is place retenue; zoo als mijn vrind Lefort zaliger zoû gezeid hebben.’

Wie Saartjen was, is den Lezer bekend; Jaantjen is het mooye meisjen, dat ik even heb aangeduid en dat, voluit, den naam van Joannette Sennepart voerde, en te gast was bij den boekverkooper, haar oom, toen de Tsaar er onverwachts met haren 34-jarigen vereerder, Pieter Langendyk, en de andere Heeren was binnengekomen, om een text-boekjen van den Don Quichot te halen - het stuk, dat de Tsaar zich herinnerde voor 20 jaar reeds op stapel te zijn gezet, en dat hij plotslijk besloten had van avond weêr eens te zien zee kiezen.

Ik noem Langendyk de vereerder van de 19-jarige Joannette, - hij was méer dan dat. Zijne ingenomenheid met eene of meerdere der gezusters Séwel was van zeer voorbijgaanden aard geweest; maar zijn geheele ziel en zijn zinnen had hij nu al sints een jaar of vijf gezet op het mooye Jaantjen, en de geschiedenis van zijn hart, met betrekking tot dit bekoorlijk schepsel, maakt een belangrijk deel uit van zijn droevigen levensroman. Zij was allerbevalligst; maar had het menig-maal gehoord; zij was braaf, maar niet, zoo als onze geboren Quaker, met een tint van echte vroomheid. Een goede opvoeding had haar het praetensiëuze in haar natuur leeren maskeeren; zij was in zoo verre koket, dat zij wel wat deed om te behagen, zelden iets om iemant af te schrikken en dat zij niet zeer keurig was in de waardeering der genen, die haar huldigden. Redeneerend zoû zij de strengste veroordeeling overhebben voor iemant van slechte zeden, maar ondervindend, dat ook hij voor

[p. 467]

den indruk boog harer schoonheid, verborg zij niet geheel haar welgevallen daarover. Rijkdom en maatschappelijk aanzien had ook veel aantreklijks in haar oog, al betuigde zij immer ez voor zich niet te begeeren.

Toen de bedienden der schouwburgregenten zich gereed maakten de spijzen te laten rondgaan, zeide Peter, dat hij die hulp kon missen. Alle vreemde knechts hadden zich te verwijderen; de twee russische soldaten, die hij met den titel van densjtsjeks (Edeljonkers) vereerde en die nu wacht hielden aan de deur, zouden bedienen. Het geschiedde gelijk hij begeerde. Hij zeide ook, dat voor elk der mannelijke gasten een flesch wijn behoorde gesteld te worden; niet voor de Dames: want hij had gehoord, dat men dit in Frankrijk, van waar hij de gewoonte ontleend had om Dames aan de tafel toe te laten, niet gewoon was. ‘We hebben anders met de Franschen niets te maken,’ zeide hij*), ‘en daarom, ofschoon ik nog wel eens naar Parijs denk te gaan, spreek ik ook geen Fransch.’ Op zijn bevel werd nu het inmiddels voorgesneden stuk rundvleesch met den grooten schotel door een der soldaten opgenomen om rondgeprezenteerd te worden. De Tsaar zag, dat hij zijn beerenmuts op het hoofd had gehouden, en gaf hem een teeken; de soldaat schudd'e met het hoofd, zoodat de beerenmuts afviel†), in het voorbijgaan eene hoeveelheid vleeschnat van den schotel meêvoerde en te-recht kwam op den rug van Joan Pluimer, die zich juist een weinig vooroverbukte om iets bevalligs te zeggen aan Joannette, aan wier linker hand hij gezeten was.

De arme schouwburg-direkteur had in der haast eenige woorden gewisseld met Pieter Langendyk, om zich te beraden over de mogelijkheid als-nog ten minste een gedeelte van de Bruiloft van Kamacho, ware 't dan ook met de dekoraties van den Gijsbreght, te vertoonen. Een der mindere goden werd afgevaardigd om die zaak in orde te brengen.

‘In Parijs,’ zeide Peter, ‘is er altijd muziek achter tafel; dat konden wij óok wel hebben.’

- ‘Met genoegen,’ zeide Pluimer: ‘de muzikanten zijn in het gebouw.’

[p. 468]

Oogenblikkelijk werden er eenige ontboden. Toen echter een harpiste, twee violen, een violoncel, een fagot en nog een ander blaasinstrument een bevallig orcheststukjen van Lully begonnen te spelen, - zeide de Tsaar: ‘Neen, geen vedelstrijkerij! De fagot kan blijven, maar er moeten een paar schuiftrompetten en helderklinkende bekkens aanrukken. Ik wil ook wel een scheepslied hooren, met trommels en fluiten*).’

Inmiddels verried het muziek van vorken en messen, dat men alle eer aan de maaltijd deed, en een genoeglijk gegons, nu en dan zelfs geschater, gaf getuigenis van de opgewekte stemming der gasten en van de opinie, dat men zich met den zelfheerscher van al de Ruslanden volstrekt op zijn gemak kon gevoelen.

Natuurlijk waren de beide Dames, in-zonderheid Joannette, het uitverkoren voorwerp der dringende gastvrijheid van den Tsaar, die, om dat zijn soldaten de tafel bedienden, zich-zelven diets maakte, dat het zijne maaltijd was. Schuins tegenover den Vorst zat de dichter Kraeyvanger, die het wel heel veel eer had gevonden zijn plaats te moeten ruimen aan een zoo groot Heer, maar toch nog min of meer in de stilte was.

‘Kom aan, Mijnheer de poëet en mathematikus,’ zeide Peter, ‘gij moet goed eten,’ en met-een een gebraden kip, die aan zijn rechter-hand stond, bij de bontjens grijpende, wierp hij den vogel, druipend van jus, heel handig op het bord van den begenadigde†).

Deze had verstand en gevoel genoeg om in de onderscheiding een soort van amende honorable te zien, en betreurde niet al te zeer de vetvlak op zijn gebloemd satijnen vest.

Onophoudelijk spoorde de Tsaar het gezelschap tot drinken aan§); vooral toen tegen half vier de talrijke kaarsen opgestoken waren en alles nog levendiger dan vroeger begon te blinken en te gloeyen. De blazers en bekkenslager deden geweldig hun best,

[p. 469]

en het had eenige moeite in voor Joan Pluimer om het woord machtig te worden, Peters gezondheid in te stellen, en een 12-regelig vaers tot hem te richten, dat ons in zijn 4°-dichtbundel bewaard is gebleven*). De twee laatste regels luiden:

 
‘Wat heeft men grooter eer als ons geschiet van noden?
 
Terwijl we een Keizer zien 't Afbeeldzel van de Goden.’

Pieter Langendyk was weinig opgewekt. Hij maakte, meende hij, een mal figuur in zijn mooyen stoel, en de gemeenzaamheden, die de Tsaar zich met Joannette veroorloofde, waren, op deze eereplaats, hem nog ondraaglijker.

Toen het uur van half vijf naderde, waarop de tooneelvoorstelling een aanvang zoû nemen, zeide Peter, dat hij drinken wilde op de scheepvaart van Holland en Rusland en op de vrinden, die hem hier en aan de Zaan van zoo veel dienst waren geweest. Ieder moest zijn glas ten bodem ledigen. Joannette zett'e het hare slechts even aan de lippen. De Tsaar, die het gebrek had veel misbruik van geestrijke dranken te maken, viel haar al lachend en schertsend hierover aan.

‘Je kunt naderhand zooveel koekies en konfituren eten, als je lust,’ zeide hij: ‘maar de gezondheid, die ik ingesteld heb, moet je eer doen.’

Zij bleef weêrstand bieden. De Tsaar, altijd lachend, schoof hierop een eind van de tafel af, pakte het meisjen onverhoeds om haar middel en zett'e baar op zijn linker knie. Daarop nam hij haar wijnglas en noodzaakte haar te drinken. - De gasten waren in een stemming om dit aardig te vinden; Jaantjen liet zich de eer welgevallen, Saartjen faisait bonne mine à mauvais jeu, en de arme Langendyk zat zich te verbijten.

Nog al rap werd dit tooneeltjen afgespeeld; Joannette maakte zich los en hervond haar plaats. De Tsaar wilde met nog éene galanterie besluiten.

Hij stelde vóor een rondgaand liedtjen te zingen ter eere der uitverkoren vriendin van elk der gasten. Het bestond uit éen koeplet, dat bij elk der Heeren herhaald zoû worden, aan wie, hoofd voor hoofd, de naam der geliefde gevraagd werd, terwijl met een luid referein hare gezondheid werd gedronken.

‘Wij beginnen natuurlijk bij mijn vriend Langendyk,’ zeide Peter: Kom aan:

[p. 470]
 
Nog weêr reis volgeschonken!
 
De wijn is zoet en frisch!
 
Het welzijn moet gedronken
 
Van wie zijn liefjen is!
 
Den roemer dan geheven!...
 
Wie moet, wie moet er leven?...

‘Kom aan, Heer Langendyk, de naam! is het Antje, Klaartje, Geertrui, Marietje.... hoe is 't?’

Pieter Langendyk verbleekte; het glas beefde in zijn hand.

‘Het is Joannette!’ riep hij uit.

‘Haha, bravo, bravo,’ riepen allen en de Tsaar het luidst:

 
‘Joânnette die moet leven; Joânnette die moet leven!’

zong hij krachtig; en zongen allen. Met gulheid klonk de Tsaar met onzen Pieter. Joannette was min of meer uit het veld geslagen. Zij nam de ‘gezondheid’, die haar werd toegebracht niet geheel aan, en zij weigerde ze niet. Toen echter Langendyk op haar toetrad en met zijn glas in de linker hand haar de rechter toestak, drukte zij die met hartlijkheid.

‘En nu naar de komedie!’ riep de Tsaar. ‘Deze gezondheid moet al het overige bekroonen!’

- ‘Met verlof van uwe Genade!’ riep Everhard Kraeyvanger uit, ‘wilde ik wel nog éene gezondheid instellen, die alvast niet onbelangrijker dan deze zal gekeurd worden. Ik drink op de groote Catharina, de Tsarinne van Rusland!’

- ‘Dank je, Heer wiskunstenaar!’ riep Peter door het gejuich van allen heen. ‘Ik neem des te liever je wenschen aan, om dat de Tsarin, die mij is nagereisd, ieder oogenblik mij met de tijding kan verheugen, dat ons een throonopvolger geboren is!’

- ‘Leve de Tsaar en de Tsarin! leve de aanstaande jonge Vorst!’ riepen de Heeren, en men marcheerde met minder vasten stap, dan waarmeê men de eetzaal was binnengekomen, door het portaal, dat het gezelschap toegang gaf tot de Regentenen de Tour-loge.

Welke gedeelten van den Gijsbreght gespeeld, welke onderdrukt zijn*), wat men van het stuk van Langendyk vertoond

[p. 471]

heeft, kan ik niet meêdeelen. Wel, dat de Tsaar blij was weêr in de inmiddels aan kant gemaakte Regentenkamer terug-gekeerd te zijn, en daar ‘bier’ te hebben kunnen bestellen.

't Is historiesch, dat toen men hem hier een glas prezenteerde, hij naar de kan vroeg, en die voor zijn mond zett'e.

Al de gasten waren hem uit de loges gevolgd, met uitzondering van Pieter Langendyk, die nog even achter op het tooneel was gegaan, om Don Quichot en Vet-la-soepe een kompliment te maken. Toen hij weêr binnenkwam, nam de Tsaar met meer deftigheid dan hij gewoon was het woord:

‘Het is gebruik,’ zeide hij, ‘dat Vorsten giften doen en gunsten bewijzen, - welnu, mijn waarde naamgenoot, ik wil dat gebruik in eere houden.’ Met-een nam de Tsaar Joannette bij de hand: ‘Pieter, ik geef u de hand van haar die je liefhebt. Als je samen naar Sanct-Peterburg wilt komen, zal ik voor je zorgen. In ieder geval ben ik peter van Pieter Langendyk Junior; begrepen?’ Daarop verwaardigde de Tsaar zich de door hem geproklameerde bruid te omhelzen, drukte Langendyk hartelijk de hand, en vertrok.

 

Het leed toch nog tot 1727 eer de goede Langendyk zijn vaak bestreden, maar toch altijd weêr boven komenden hartewensch gehoor kon geven en, van de zorg voor zijne onlangs gestorven moeder*) ontslagen, met Joannette Sennepart in het huwelijk kon treden†).

De levensbeschrijvers zeggen, dat hij niet gelukkig is geweest. De Magistraat van zijn vaderstad Haarlem kon hem wel tot haar historieschrijver benoemen§), maar schijnt geen kans te hebben gezien het humeur en de zienswijze zijner vrouw te veranderen:

[p. 472]

die was gelijk we haar geschetst hebben: en bovendien heerschzuchtig, spilziek en sukkelend*).

Zij stierf den 28sten April 1739. Van dat oogenblik af, voelde Langendyk eene rust om hem heen, gelijk hij zijn leven lang, onder de pantoffel van moeder en vrouw, niet gekend had.

Hij heeft geene kinderen nagelaten: maar wij, zijne nakomelingschap, waardeeren zijn goedheid, zijne plichtgetrouwheid en zijne onmiskenbare gave voor het blijspel.

 

4 Jan. -80.

J.A. Alberdingk Thijm.

[p. 473]

Quakerslied.



illustratie