|
|
|
| |
| | | |
Over de Naamvalsuitgangen: hun wezen en hunne beteekenis, hunne
geschiedenis en de kritiek, aan welke zij onderworpen zijn geworden.
| |
I.
In een opstel, in het vorige Stuk van dit Tijdschrift geplaatst
1), gaf ik met een
enkel woord te kennen, hoe groot het belang is, voor eene taal verbonden aan
het bezit van een middel om den aard der woorden en hunner betrekking in de
rede herkenbaar te maken, onverschillig welke plaats zij in den zin
innemen.
Is het gewicht der verbuiging (want in de verbuiging bezit de taal
zulk een middel) zoo groot, dan zal het wel de moeite waard zijn om te
onderzoeken, hoe de taal aan de verbuiging gekomen is, uit welke diepte (om zoo
te spreken) zij de verbuigingsklanken heeft opgedolven, en hoe die klanken aan
de verscheidenheid van beteekenis gekomen zijn, welke wij hen zien
bezitten.
En zulks heeft ook een praktisch nut. Immers slechts door de zaak
in haren diepsten grond na te gaan, kan men zich met de noodige middelen
toerusten om zekere dwa- | | | | lingen, waar zij, ook in dit deel der
taalkunde, tot schade van de gezonde wetenschap, bestaan, met genoegzaam gezag
te wederleggen.
Alle rede, met oorspronkelijk besef en overtuiging uitgebracht,
gaat met gebaren en aanduidingen gepaard, en deze gebaren en aanduidingen gaan
op hunne beurt weder gepaard met tonen en klanken.
De verbuiging nu vindt haren oorsprong in klanken, die het noemen
van een voorwerp vergezellen, ten einde de rol, welke dat voorwerp onder de
bestanddeelen der rede bekleedt, kenbaar te maken. Zulke klanken hechten zich
aan het uitgesproken woord en voegen er alzoo eenen uitgang aan toe.
De aanduidende klank, met zulk een doel uitgebracht, is
verschillend naarmate de aan te duiden betrekking van het voorwerp verschilt.
Immers waar verschil bestaat in de aan te duiden zaak, en de voorwerpen, die de
bestanddeelen der gedachte uitmaken, anders op het gemoed van den spreker
werken, naarmate zij een andere rol bij het feit, dat het voorwerp der gedachte
is, vervullen, - hoe zou daar eenvormigheid kunnen bestaan in de klanken, welke
die verschillende zaken aanduiden en van de wijze getuigen, op welke zij het
gemoed van den spreker hebben aangedaan?
Nemen wij een voorbeeld!
Ik wijt Hendrik uw
ongeluk.
Worden deze woorden met kracht en gevoel uitgebracht, dan gaat het
uitspreken van elk der naamwoorden, die in den zin voorkomen, met een
eigenaardigen toon gepaard. Ik heeft een lagen en onverschilligen toon.
Wanneer het uitgesproken wordt, is de gedachte nog niet aan het licht gekomen:
het geeft, met het werkwoord vereenigd, een bloot feit in zijne algemeenheid te
kennen, en slechts door de bijzondere toepassing krijgt dat feit het vermogen
om te roeren; nog staat het daar als element van een koel oordeel: ik
wijt.
Maar het noemen van den naam van den beschuldigde, hoe | | | | zou het anders dan gepaard kunnen gaan met eene verheffing van toon en
met eene vingerwijzing, die zich in de gemeenzame taal werkelijk door een
voornaamwoord: die Hendrik! uitdrukt. En dan de zaak, uw ongeluk,
zal zij niet uitgesproken worden met een gebaar, dat zoo veel zegt, als:
ziedaar! dat is het wat ik hier kom wraken; dit is het wat ik hier in het
midden kom brengen.
Nog een voorbeeld!
Hij erbarmt zich zijner.
Het ligt in den aard der zaak, dat hier de naam van het voorwerp
(zijner), hetwelk de oorzaak is der aandoening, weder van een gansch
anderen toon en bij gevolg van een anderen aanduidenden klank vergezeld ga, dan
(in het vorige voorbeeld) of de naam van den persoon, die daar staat, als
degeen, wien de aanklacht betreft, of de naam van het bedreven stuk, hetwelk
tegen dien persoon getuigt.
Zoo zijn de naamvalsuitgangen aanwijzende klanken, aan de
naamwoorden toegevoegd, en verschillend naarmate van de rol, welke de
voorwerpen, door die naamwoorden uitgedrukt, vervullen. Ter verklaring van hun
ontstaan moet men zich het gevoel van den spreker levendig werkzaam denken en
alle middelen aangrijpend om zich te uiten door toon en gebaar en klanken, die
de woorden vergezellen.
Zulks, zal men zeggen, kunnen wij ons eenigermate voorstellen,
wanneer de rede eene gewichtige zaak betreft, waar levende personen in
betrokken zijn. Maar de naamvalsuitgangen komen achter allerlei zelfstandige
naamwoorden, ook achter dezulke, die doode voorwerpen te kennen geven. Hoe nu
vermogen zulke voorwerpen eenige hartstochtelijke aandoening op te wekken? Wie
kan in geestdrift geraken, als hij spreekt van een boom of een steen? En de
namen van zulke voorwerpen hebben toch ook eene verbuiging, welke, wanneer die
voorstelling juist is, ze als wezens doet optreden, lijdelijk of deelnemend in
de handeling betrokken, of wel als onschuldige oorzaken eener handeling.
Dit bezwaar slaat mij geenszins uit het veld. Integendeel, | | | | ik maak van de tegenwerping gebruik om aan de waarheid gedachtig te
maken, dat, wanneer men let op den aard en de oorspronkelijke kracht van het
spreken, voor den sprekenden mensch alles leven heeft, zelfs het doode en
werktuigelijke. Het is niet mogelijk zelfs van een dood voorwerp iets te
zeggen, het als het onderwerp der rede te bezigen, zonder dat men het als iets
verrichtend, als kracht uitoefenend, als een verschijnsel bewerkend doe
optreden. Iedere volzin, waarin naamwoorden in verschillende naamvallen
voorkomen, is oorspronkelijk en uit zijnen aard een levend tafereel, een
tooneel met handelende personen; het is de afbeelding van een gespannen
vierschaar, waar aan rechter en getuigen eene plaats is aangewezen en het
bewijsstuk der handeling niet ontbreekt. Dat bewijsstuk, dat corpus
delicti, wordt uitgedrukt door het naamwoord in den accusativus
(vandaar deze naam). De voorwerpen, neen! laat ik liever zeggen, de personen,
door de naamwoorden in den genitief en den datief vertegenwoordigd, staan daar
als beschuldigde of getuige: de een is medeplichtig, is oorzaak en aanlegger,
ten minste is hij zedelijk verantwoordelijk; de ander is als belanghebbende in
de zaak betrokken: hem betreft zij, ter zijner bevoordeeling of benadeeling
strekt zij.
| |
II.
Doch, eenmaal uit het leven zelf en uit het levendig opgewekt
gevoel ontstaan, gingen de naamvalsuitgangen van lieverlede over tot den aard
van teekens van doode kategoriën, van mathematische en grammatische
betrekkingen. Van toen aan was het ware leven er uit, en er behoefde slechts
eene uitwendige oorzaak bij te komen om ze als onverschillig, als onnoodig of
overtollig te doen wegwerpen. Dit is voor de Latijnsche taal geschied bij de
overrompeling van de Provinciën des Romeinschen Rijks door de Germanen,
toen twee volken, verschillende talen sprekend, elkander in het leven
ontmoetten, en zich voor | | | | elkander, hoe dan ook, verstaanbaar
moesten maken. Toen verviel alle spreken tot eene ongekende barbaarschheid: 't
kwam slechts op een beduiden en noemen aan; de woorden, uit het grammatisch
verband gerukt, verloren van dat grammatisch verband ook de teekens:
één grondvorm verving de rijk gewijzigde naamvalsvormen van een
en hetzelfde woord.
Hetzelfde is voor de Germaansche talen teweeggebracht door den
invloed van het Latijn, welks uitspraak, sedert de vijfde eeuw
accentuërend, de geestelijken, die de kinderen op de scholen lezen
leerden, ook op het Duitsch toepasten, en bepaaldelijk door het voorbeeld van
de kerkelijke Latijnsche poëzij, aan wier vorm dezelfde geestelijken of
geletterden de weêrbarstige Duitsche taal onderwierpen. Het overwicht,
aldus aan den klemtoon gegeven, werkte verzwakkend op de uitgangen der woorden,
te meer omdat die klemtoon in het Duitsch de bij uitstek wezenlijke en
beduidende lettergreep, de stamsyllabe, trof, waarbij alle andere lettergrepen
als betrekkelijk onbeduidend min of meer verwaarloosd werden.
Maar wanneer een volk leeft en zich ontwikkelt, dan kan zijne taal
niet sterven, en, heeft die taal door de ongunst der omstandigheden een verlies
geleden, het wordt op eenigerlei wijze vergoed. Dus zien wij het verval der
naamvalsuitgangen door het opkomen van het gebruik van het lidwoord vergezeld
gaan. Het lidwoord is als het ware een losgeworden naamvalsuitgang, die zijne
plaats vóór het naamwoord is gaan innemen. De aanwijzing, waartoe
die uitgangen aanvankelijk strekten, verrichtte men van nu aan met behulp van
het lidwoord, eigenlijk niets anders dan een aanwijzend voornaamwoord. En ten
bewijze dat het lidwoord oorspronkelijk bestemd is om een gemis achter aan het
woord te vergoeden, kan dienen, dat het in het Deensch werkelijk achter aan het
substantief gehecht wordt; bij voorbeeld hesten, d.i. hest
dén (hengst dien! de hengst); barnet, d.i. barn
dét (kind dat! het kind). | | | |
Slechts in het Grieksch, die uitnemende en wonderlijk schoone
taal, die in een zeker tijdperk van haar bestaan zich kon ontwikkelen zonder
iets te verliezen, en het oude vermocht te vervangen, zonder dat het in onbruik
was geraakt, - slechts in het Grieksch ontstond het artikel, terwijl daarnevens
de naamvalsvormen in vollen tooi bleven bestaan. Ook waren het daar juist de
dichtvormen die teweeg brachten, dat geen der verbuigingsuitgangen gemist kon
worden. En onsterfelijke letterkundige voortbrengselen besten digden de taal in
die gedaante, in welke zij aan de uitdrukking van het schoone was dienstbaar
gemaakt.
Nu de naamvalsuitgangen in ons Duitsch door een bepaalden vorm van
uitdrukking vervangen waren, moesten zij, zou men zeggen, geheel en al
verdwijnen. Werkelijk scheelt het niet veel, of zulks is het geval geweest.
Behalve in staande bijwoordelijke uitdrukkingen is de datief zoo goed als
geheel verdwenen. Slechts in eene zegswijze als geeft Gode de eer! komt
nog een datief voor. Anders gebruiken wij, waar de betrekking niet door een der
voorzetsels aan of voor wordt omschreven, het naamwoord zonder
eigenaardigen verbuigingsvorm ook in de betrekking van den datief, en wij laten
den zamenhang spreken om te kennen te geven, dat het werkelijk in die
betrekking staat. Inderdaad de zamenhang, de plaatsing van het woord in den
zin, moet hier den datief als zoodanig kenbaar maken, en daarmede is de taal in
zoo verre teruggekeerd tot de barbaarschheid dier talen, welke, gelijk het
Chineesch, alle grammatische betrekking, ja, het soortelijk verschil zelfs der
woorden onuitgedrukt laten, en alleen de orde, door het woord in den zin
ingenomen, laten dienen om te doen blijken, tot welke woordklasse een
spraakklank behoort, en in welke grammatische betrekking hij geplaatst is.
Hoe de plaatsing van een woord verraadt, dat eenig naamwoord in
den datief staat, kan blijken uit de volgende voorbeelden: Ik geef mijnen
broeder het boek. Ik schrijf
| | | |
mijnen broeder eenen brief. Hij
zeide zijnen zoon de waarheid. Slechts de omstandigheid, dat de woorden
mijnen broeder, zijnen zoon, door het woord, hetwelk in den accusatief
staat, als het ware ondervangen worden, brengt hier teweeg, dat zij als in de
betrekking van den datief staande worden opgevat. Bij het spreken zou men zich
meer vrijheid kunnen veroorlooven en den datief achter den accusatief plaatsen:
dan kan de toon, aan het naamwoord gegeven, den datief kenbaar maken: in de
gesprokene rede toch is nog steeds in aanleg en kiem datgene aanwezig, wat zich
in de oorspronkelijke taal tot klanken en vormen ontwikkeld heeft. - Ook in:
het is hun naar den zin, en druk het hun op het hart, wordt het
persoonlijk voornaamwoord door de plaats, die het in de rede inneemt, als
datief openbaar, niet door den vorm: want hun heeft niets aan zich,
waardoor het meer een datief zijn zou dan hen, van welken vorm het
slechts een andere uitspraak is. Integendeel, hen, eene verbastering van
hem, blijft den meervoudigen datiefvorm van het Gothisch (im) nog
meer getrouw, dan hun. Doch hen (of eigenlijk hem) had,
als possessieve datief, de kracht van een bezittelijk voornaamwoord. Vandaar
dat het, in de gedaante hun, als zoodanig geldt. Eenmaal het karakter
van een bezittelijk voornaamwoord gekregen hebbende, werd het in plaats van het
persoonlijk voornaamwoord meervoud ze (zij) gebruikt, op dezelfde
wijze als mijn bescheidenheidshalve voor mij, uw voor gij,
en soms zijn voor hem. Van toen aan miste hen elk
karakter, waardoor het in het bijzonder de datief betrekking zou hebben kunnen
uitdrukken: wat nu hen niet vermag, vermag hun evenmin. Dus is
het slechts een gevolg van willekeur, zoo hun thans voor datief gelden
moet.
Hoe het zij, door zijne plaats in den zin wordt hun in die
voorbeelden als datief openbaar. Daar nu aan de aanwending van den datief des
persoonl. voornaamw., in plaats van het bezittel. voornaamwoord, eene zekere
fijnheid eigen is, zoo is de wending, welke wij in die voorbeelden aantreffen,
aan eene hoogere beteekenis gekomen. Immers leent | | | | zij zich tot eene
tropische opvatting. Vervang: druk het hun op het hart, met: druk het
op kun hart, zoo zult gij schijnen van het drukken van een stoffelijk
voorwerp op het ligchaam te spreken, terwijl in: druk het hun op het
hart, dit laatste woord slechts in den zin van gemoed kan opgevat
worden. Hetzelfde onderscheid bestaat er tusschen: het stuit ons tegen de
borst, en het stuit tegen onze borst, welk laatste weder een
stuiten in den eigenlijken stoffelijken zin zou beteekenen.
Maar, is de datief zoo goed als verloren, de genitief bestaat nog.
Evenwel, daargelaten de zoo gewone omschrijving van dezen naamval door
van, reeds zijn er wendingen ontstaan, die ons den genitief kunnen
leeren ontberen, en waarbij slechts het verband der rede of de aard der zaak
het naamwoord als in de betrekking van den genitief staande openbaar maakt. Dus
in: vader zijn huis, Mietje 'er pop, de menschen 'er gewoonte. Hier
beteekent het bezittelijk voornaamwoord zoo veel als eigen: vaders eigen
huis, Mietjes eigen pop, der menschen eigene gewoonte. Maar sedert het
bezittelijk voornaamwoord het bijvoegel. naamw. eigen verzelde en
welhaast verdrong, daar men zeide: vaders zijn eigen huis, en vaders
zijn huis, kon dat voornaamwoord de taak van de uitdrukking der
genitiefbetrekking overnemen en het substantief bleef vormloos over, terwijl
het slechts uit het verband blijkt, dat het eigenlijk in den genitief staat. -
In: wij waren met ons vijven jonge mannen; zij waren met hun tienen
studenten, staat een naamwoord vormloos in de genitiefbetrekking buiten het
grammatisch verband, omdat de taak om die betrekking uit te drukken, in dat
verband mede door het bezittelijk voornaamwoord is overgenomen. Aan alle
vereischten zou de uitdrukking beantwoorden, zoo zij luidde: wij waren
jonger mannen vijf. Zij waren van studenten tien. Maar de gewoonte, die
veld had gewonnen om in plaats van wij waren vijf, zij waren tien,
omschrijvend te zeggen, eerst: met ons was daar vijf, met hen was daar
tien; voorts; met ons waren er vijf, met hen waren er
| | | |
tien, en eindelijk: wij waren met ons vijven, zij waren met
hun tienen, deze gewoonte, zeg ik, liet zich ook daar gelden, waar een
soortnaam het telwoord begeleidde en zoo werd de uitdrukking algemeen: wij
waren met ons vijven jonge mannen.
Zijn dit eerste sporen, hoe de genitief zich kon laten vervangen,
en bijgevolg eerste stappen op den weg, waarop men hem verloren zou hebben
laten gaan, slechts aan eene toevallige omstandigheid, schijnt het, is het dank
te weten, dat hij behouden is. Staat de genitief vóór het
substantief, van hetwelk hij afhangt, bij voorbeeld in 's konings
verjaardag, 's lands geld, 's menschen lust 's menschen leven, dan vormt
zijn uitgang (s of en) een gemakkelijken overgang tot het
substantief, bij hetwelk hij behoort. Dus liep die uitgang geenerlei gevaar om
verwaarloosd te worden. De dienst, door hem als verbindingsklank bewezen, redde
hem. Vandaar dat in de taal, zooals zij gewoonlijk gesproken wordt, de genitief
(bepaaldelijk die op s) zoo veelvuldig voorkomt, maar alleen bij zijne
plaatsing vóór het naamwoord, van hetwelk hij afhangt, bij
voorbeeld: Willems hoed, moeders schoot. Zoo was evenwel die
genitiefvorm op weg om ten einde aan de uitspraak eenig gemak te bereiden, zich
in te dringen, waar hij niet te huis behoort, gelijk in het Engelsch geschied
is, in welke taal de s als genitiefteeken ook aan substantieven in het
meervoud wordt toegevoegd; bij voorbeeld, the oxen's strength, the geese's
fat. Op deze wijze zou de genitief geheel van natuur veranderd zijn.
Gelukkig evenwel is het gevaar nog tijdig gekeerd Betere tijden van
wetenschappelijke taalkennis kwamen, en de genitief werd in zijnen waren aard
herkend, in eere hersteld en, voor alle toevallige beperkingen en onbehoorlijke
gebiedsoverschrijdingen behoed, voor den hoogeren stijl bewaard.
Toch heeft die tijdelijke verduistering, als ik het zoo noemen
mag, van den genitief sporen achtergelaten, vooral in de theorie der taalkunde.
Gewoon den uitgang van den genitief als verbindingsklank te bezigen, is men
begonnen zekere | | | | verbindingsklanken voor genitiefterminaties te
houden. Deze vergissing Leeft plaats gehad ten aanzien van de
verbindingsklanken s en en tusschen de bestanddeelen eener
zamenstelling, als godsvrucht, heldenmoed. Stond hier het eerste
bestanddeel in den genitief, dan zou er van geene zamenstelling sprake kunnen
zijn, daar de zamenstelling de zelfstandige en volledige verbuiging van het
bepalende woord uitsluit. Dus zijn die s en en niets anders dan
verbindingsklanken. Dat men niettemin dergelijke klanken als genitief-uitgangen
aangemerkt heeft, bewijst de vorming van menig woord, als stadsontvanger,
menschenleven, waar met de inlassching der s en der en de
bedoeling om de genitiefbetrekking uit te drukken, verbonden schijnt.
Op het gebied van de theorie der taalkunde is van de miskenning,
aan welke de genitief tijdelijk blootgesteld is geweest, de toeleg overgebleven
om de rechtmatigheid van zijn bestaan in ons taaleigen te ontkennen, of andere
taalvormen als in wezen één met den genitief te verklaren. De
vertegenwoordiger dezer richting is de Hoogleeraar
Roorda. Bij zijn streven kwamen hem zekere
stellingen van
Bilderdijk uitnemend te stade. Deze man, met
zijnen voor allerlei ingeving open zin, was gewoon, wanneer eenig
wetenschappelijk vraagstuk zijne aandacht getrokken had, zich ter verklaring
met een min of meer geestigen inval te vergenoegen, en dien inval den volke als
ontwijfelbare, onschendbare waarheid te verkondigen. Hij had te weinig
degelijke kennis, dan dat hij zich immer genoodzaakt zou hebben kunnen achten,
zulk een verzinsel als door den aard der zaak zelven weêrsproken te
erkennen. - Een van zijne dusdanige invallen is, dat de genitief in onze taal
ten onrechte beschouwd wordt als een naamval, aan de naamvallen in het Latijn
gelijk: integendeel, beweert hij, het substantief in dien naamval is
‘eene adjectivale vorm,’ en de genitief dus eigenlijk een
adjektief. Wanneer dit zeggen eenigen zin heeft, moet het beteekenen, dat onze
taal daar waar de oude talen het substantief in den genitief bezigen, een
adjektief gebruikt, van het substan- | | | | tief afgeleid. Zoo zouden wij,
Willems boek, 's konings verjaardag zeggende, eigenlijk zoo veel zeggen
als het Willemsche boek, de koningsche of koninklijke verjaardag. - De
beschouwing der verschillende talen vertoont meer zonderlinge verschijnselen,
en wanneer er noodzakelijkheid bestond tot eene dergelijke verklaring van den
aard van den genitief in het Nederlandsch, zouden wij er vrede mede moeten
hebben. Doch die noodzakelijkheid bestaat niet. Niets ter wereld noopt ons den
genitief in onze taal als van anderen aard te beschouwen dan in al de talen,
met welke zij verwant is; alles, daarentegen, dringt ons in dien vorm het
overschot te erkennen van een verbuigingsorganisme, volkomen gelijk aan dat,
hetwelk zich in het Sanskrit, Grieksch, Latijn, Gothisch enz. ontwikkeld
vertoont.
Maar Bilderdijk wil zijn gevoelen bevestigen door eenheid
in vorm tusschen den genitief op s en zekeren bijvoegelijk
naamwoordelijken uitgang aan te wijzen. De uitgang sch, verklaart hij,
is slechts eene gewijzigde schrijfwijze van die s van den genitief
1).
Deze uitspraak strekt oneindig verder, dan men wellicht meenen zou. Immers kan
zij onmogelijk alleen voor onze tegenwoordige taal waar zijn: zij moet
noodwendig tevens waar zijn voor alle Indo-Europesche talen, in welke men en
eenen genitief op s en een adjektief op sk (sch) aantreft.
Dat nu die uitgang sk (want dit is de ware vorm van welken sch
slechts een Neder-Saksische verzwakking is) onmogelijk voor eene wijziging van
den klank s gehouden kan worden, is blijkbaar, en de poging om zulk eene
meening bij een deskundige aannemelijk te maken, zou inderdaad eene hopelooze
onderneming wezen. Doch ook de genitief op en is volgens
Bilderdijk eigenlijk een adjektief, en inderdaad er bestaan afgeleide
bijvoegelijke naamwoorden op en, te weten, de zoogenaamde stoffelijke,
als gouden, ijzeren, wollen. Maar ook hier kan het uitgesproken oordeel
niet bij uitsluiting ons Nederlandsch | | | | treffen: het strekt zich
weder noodwendig tot den ganschen Indo-Europeschen taalstam uit. Wat nu leert
ons de beschouwing van dat groot gebied? Dit, dat de n van den genitief
op en geen kenmerk van den genitief is, maar dat de s van den
genitief er achter is weggevallen. Dus vergelijkt Bilderdijk den
genitief met zekere adjektieven op grond van de overeenkomst van een element in
hem, dat niet tot den genitief als zoodanig behoort. Zijne geheele
overeenbrenging valt met deze opmerking in duigen.
Maar hem zweefde nog een denkbeeld in het brein, hetwelk een
oogenblik onze aandacht vordert. Na de eenheid van den genitief op s en
de adjektieven op sch verkondigd te hebben, laat hij zich dus uit
1):
‘Dat de genitivus bij ons - inderdaad en eigenlijk een adjectief is,
klinkt velen, buiten twijfel, zeer vreemd in de ooren, doch dit adjectief is
algemeen, en niet iets aan de buiging verknocht.’ De uitdrukking:
‘dit adjectief is algemeen,’ is hoogst gebrekkig. De schrijver
heeft willen zeggen: de taal heeft éénen klank, die haar dient,
nu eens om een adjektief te vormen, dan weder om eenen naamval of eenige andere
grammatische betrekking uit te drukken. - Deze stelling nu is volstrektelijk te
verwerpen. Geen spraakklank drukt van nature eene kategorie in het algemeen,
veelmin eene grammatische kategorie uit. Waar de afleidingsuitgang der
adjektieven in een pronominalen klank bestaat, dient deze klank om aan te
wijzen dat het begrip van den stam niet als op zich zelf bestaande, maar als
behoorende aan eenig voorwerp, moet worden aangemerkt: machtig is zoo
veel als macht in verband met een voorwerp, waaraan die macht toekomt:
de uitgang verwijst op het voorwerp, waaraan macht toegekend wordt. De
naamvalsuitgangen, op hunne beurt, geven oorspronkelijk den indruk terug, door
de voorwerpen zelven, naar gelang van de rol, die zij in een bijzonder geval in
de werkelijkheid spelen, op den spreker gemaakt. Dus gaat in de taal alles uit
van | | | | tegenwoordige waarneming van in de zinnen vallende dingen, en
de spraakklank ontstond niet dan om eene in de werkelijkheid verwezenlijkte en
aan te wijzen verbinding uit te drukken. Geen voorbestaand algemeen, begrip,
bij voorbeeld van soortelijke overeenkomstigheid
1), werd uitgedrukt door den een of anderen daartoe bestemden
spraakklank, die dan in verscheidenheid van opvattingen gebruikt zou geworden
zijn; maar uit het waarnemen en uitspreken van een bijzonder geval werd de
spraakklank geboren: de spraakklank kreeg zijnen stempel door het bijzonder
doel, met hetwelk hij werd uitgebracht. Wanneer hij van dezen bodem losgerukt
en hem zekere algemeene beteekenis toegeschreven wordt, gaat het begrip zelve
van spraakklank verloren, en men houdt slechts dat van een soort van hieroglyph
over.
Maar wat zullen wij zeggen? Er is eene woordsoort, waarbij ons de
taal zelve de eenheid van genitief en adjektief voor onze oogen vertoont, als
ware het om de Heren
Bilderdijk en
Roorda in het gelijk te stellen. Ik heb de
voornaamwoorden op het oog. In het Sanskrit, het Grieksch, het Latijn, het
Gothisch en nog in ons tegenwoordig Nederlandsch, om geen andere talen te
noemen, bestaat er onmiskenbaar verband tusschen den genitief der persoonlijke
voornaamwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden, die uit hunnen aard
adjektieven zijn. Om zulks te bewijzen behoef ik niet alles na te gaan. Slechts
het volgende. In het Sanskrit zijn de genitieven der persoonl. voornaamwoorden
van den eersten en den tweeden persoon meerv. (asmâkam en yu
mâkam) kennelijk possessiva. In het Gothisch luidt
de genitief in het enkel- en het meervoud van de persoonlijke voornaamwoorden
van den eersten en den tweeden persoon: meina, theina; unsara, izvara, en beide
in | | | | het enkel- en in het meervoud van den derden persoon: seina.
Vergelijkt men deze vormen met de bezittelijke voornaamwoorden van dezelfde
personen: meins, theins; unsar, izvar; seinis (de nominatief ontbreekt), zoo
blijkt er onmiskenbaar eenheid te bestaan. Die genitieven vertoonen, als het
ware, het thema, eenen van de bijvoegelijke verbuiging verstoken vorm van de
bezittelijke voornaamwoorden. En die bezittelijke voornaamwoorden van den
eersten en den tweeden persoon enkelvoud en van den derden persoon, wat zijn
zij anders dan adjektieven, van den wortel der persoonlijke voornaamwoorden
afgeleid, en wel door middel van denzelfden uitgang (-eins), die stoffelijke
adjektieven vormt, als gultheins (gouden)? De genitief der persoonlijke
voornaamwoorden van den eersten en den tweeden persoon meervoud in het Latijn
(nostri of nostrum, vestri of vestrum) is even zoo een, als het ware,
onbewegelijk geworden vorm van de als adjektieven verbuigbare bezittelijke
voornaamwoorden, noster en vester, welke wederom den stam van het persoonlijk
voornaamwoord vertoonen van een bijvoegelijken afleidingsuitgang voorzien, en
wel, even als het Grieksche
ημετερος
υμετερος, denzelfden, die
ook tot de vorming van den comparatief strekt. In het Gothisch is de uitgang,
die van de persoonlijke voornaamwoorden uns en izv (-is)
de bezittelijke voornaamwoorden unsar en izvar vormt, geen andere, dan welke in
de Grieksche en de Lat. possessieven van den eersten en den tweeden persoon
meervoud bespeurd wordt. Immers is de uitgang in unsar en izvar evenzeer voor
een comparatiefuitgang te houden, als in ufar van uf, in het
Grieksche υπερ van υπο,
en in het Lat. super van sub
1): in al deze voorbeelden toch schijnt
vóór den uitgang (ar of er) de muta lingualis
(t, th uit- | | | | gevallen, gelijk mede het geval is geweest in den
Gothischen uitgang -areis (als in laisareis, leeraar) voor
-thareis. Deze uitgang, namelijk? is volgens
Bopps hoogstwaarschijnlijk gevoelen
zamengesteld uit de terminaties ar en ja, in de eerste van welke
wij het Sanskr. tar, Gr. τηρ, Lat. tor,
terugvinden, door het wegvallen der stomme tongletter gewijzigd
1).
Zoo staat dan dit vast, dat de genitieven der persoonlijke
voornaamwoorden adjektieven zijn, en wel, in het Gothisch gedeeltelijk gevormd
door middel van den uitgang, die mede dient om stoffelijke bijvoegelijke
naamwoorden te vormen. Maar wordt daarom dat alles tot eene waarheid, wat wij,
bij de beoordeeling van Bilderdijks gevoelen aangaande den genitief
der substantieven, als eene onmogelijkheid erkenden? In geenen deele. Wat bij
de voornaamwoorden bestaat, kan bij de zelfstandige naamwoorden niet bestaan.
Immers dat bij de persoonl. voornaamw. de genitief een possessief adjektief is,
hangt eeniglijk zamen met den aard der bezittelijke voornaamwoorden. Dit moeten
wij thans duidelijk trachten te maken.
Van den wortel der persoonlijke voornaamwoorden ontstonden in het
Gothisch bezittelijke voornaamwoorden, deels door den uitgang eins,
welke de kracht heeft om aan te duiden, dat het voorwerp tot eenige gading of
soort behoort; deels door den comparatief-uitgang, welke hier te kennen geeft,
dat het voorwerp tot de aangewezen personen meer dan tot anderen, en alzoo in
tegenstelling van ieder ander, in betrekking staat.
Mijn beeld is dus het beeld, dat van mijne gading is,
dat mijnen stempel draagt, tot mij behoort, mij toekomt; onze
| | | | (eigenl. onzer) vader is de vader, die tot ons en
niet tot u in betrekking staat, en dus wederom tot mij behoort, mij
toekomt. Alzoo geyen de bezittelijke voornaamwoorden iets gansch
eigenaardigs en van de beteekenis van andere bijvoegelijke naamwoorden
verschillends te kennen. Andere adjektieven beteekenen eene eigenschap van een
voorwerp. Zeg ik een gouden beeld, dan is goud een eigenschap van
het beeld: zeg ik een machtig vader, dan is macht eene eigenschap
van den vader; maar zeg ik mijn beeld, dan ben ik; zeg ik onze
vader, dan zijn wij geen eigenschap van beeld en
vader; integendeel, niet ik, niet wij, behooren als iets bijkomends bij
het beeld, bij den vader, maar het beeld, de vader, komt aan mij, aan ons toe.
De aard van het begrip van persoon brengt mede, dat elk adjektief, van een
persoonlijk voornaamwoord afgeleid, noodwendig het voorwerp als dien persoon
toekomend te kennen geeft: het begrip van eigendom is de uitsluitende
beteekenis van elk zoodanig adjektief. Hieruit volgt, dat de bezittelijke
voornaamwoorden noodzakelijk en volstrekt dezelfde beteekenis hebben als de
genitief der persoonlijke voornaamwoorden. Vandaar dat of de genitief van het
persoonl. voornaamwoord of het bezittelijke voornaamwoord eene overtolligheid
was. Een van beiden kon verloren gaan, en de genitief der persoonl.
voornaamwoorden had daartoe te eerder kans, omdat de attributieve verbinding
van het voornaamwoord met het naamwoord vloeijender is dan de plaatsing van den
genitief van het voornaamwoord bij het naamwoord. Mijn beeld, onze
vader, maakt eene gereeder en inniger vereeniging uit, dan het beeld van
mij, de vader van ons. Zoo is zelfs de genitief des van het
aanwijzende voornaamwoord die, dat, in den vorm deze, welk
voornaamw. in het Gothisch nog niet bestaat, tot adjektief geworden: deze
tijding is eigenlijk de tijding des, de tijding daarvan, en
deze is des in een attributief adjektief vervormd. - Toen later
bij de invoering van meerdere fijnheid van syntaktische uitdrukking zich de
behoefte aan het bezit van eenen objektieven of eenen par- | | | | titieven genitief der persoonlijke voornaamwoorden deed gevoelen, leende men
deze kracht aan het bezittelijk voornaamwoord, in de gedaante van het onzijdig
enkelvoud, als in het Sanskr.: asmâkam en yu
mâkam; of in eenen vorm, ontdaan van de teekenen
der attributieve vereeniging met het substantief, als in het Goth.: meina,
theina, seina, unsara, izvara, of eindelijk met een genitiefterminatie, als in
het Lat.: mei, tui, sui, nostri of nostrum (voor nostrorum) en vestri of
vestrum (voor vestrorum), en in ons tegenwoordig Nederlandsch: mijns of
mijner, uws of uwer, zijns of zijner, haars of harer,
ons (voor onzes) of onzer, en huns of
hunner.
Zoo is de eenheid tusschen de bezittelijke voornaamwoorden en den
genitief der persoonlijke voornaamwoorden verklaard, en tevens gebleken, dat
zich daaruit niets ter wereld laat afleiden ter verdediging van het gevoelen
dat de genitief bij de zelfstandige naamwoorden eigenlijk een adjektief zijn
zou.
Toch wordt dit gevoelen nog in den laatsten tijd door Prof.
Roorda vastgehouden. Wel beseft hij, dat het bestaan van den genitief
en van naamvallen in het algemeen zich evenmin in den Duitschen taalstam, als
in het Sanskriet en in de oude klassieke talen, laat ontkennen, hoezeer hij ook
hier gaarne eenheid tusschen den genitief en andere grammatische vormen zou
vinden
1); maar aan onze ongekunstelde
Nederlandsche taal ontzegt hij het bezit van naamvallen. Hij kan den genitief
niet toelaten, dan in zooverre | | | | hij eerst van nature veranderd, en
tot een bijwoord of bijvoegelijk naamwoord geworden is. Bloots hoofds,
bij voorbeeld, is hem daarom Nederlandsch, omdat het een bijwoord is, en de
genitief menschen, harten is volgens hem daarom toe te laten, omdat zijn
uitgang één is onder anderen met dien der stoffelijke
bijvoegelijke naamwoorden. Anders behoort de genitief, volgens hem, slechts tot
eenen vorm van taal, dien hij onder den naam van schrijftaal als minder zuiver
wraakt, en die door klerken en klassiek gevormden zou ingevoerd zijn. Ik mag
mij ontslagen rekenen van de verdrietige taak om dat gevoelen, na al wat ik
reeds gezegd heb, nog opzettelijk te gaan bestrijden; maar dit wensch ik te
zeggen, dat de Heer
Roorda mij voorkomt, bij die onderscheiding
van schrijf- en spreektaal, eene bloote verscheidenheid van stijl
als een verschil van taal voor te stellen. Zoo menige oratorische figuur, die
men, zonder zich belagchelijk te maken, niet in de taal van het dagelijksch
verkeer kan aanwenden, is daarom niet te beschouwen als behoorde zij tot eene
andere taal. Even zoo volgt uit de omstandigheid dat men menigen grammatischen
vorm nimmer bij het gezellig onderhoud bezigt, volstrekt niet, dat hij
aangemerkt moet worden als tot eene andere taal behoorende. Neen! hier heeft
het geval plaats, dat in den hoogeren stijl in gebruik is gebleven, wat steeds
innig en zuiver Nederlandsch was, en die hoogere stijl zou slechts dan als
gekunsteld en onnatuurlijk te wraken wezen, wanneer het erkend moest worden,
dat het Nederlandsche volk van nature veroordeeld is om zich niet boven het
peil van het dagelijksch verkeer en van het gezellig onderhoud te verheffen.
Oratorische figuren zijn zoo weinig voor vreemdsoortigen tooi te houden, dat
veeleer de geheele taal in zoo verre zij meer is, dan een zamenstel van doode
elementen, ontstaan te achten is uit de bron, waaruit die figuren bij den
redenaar en den dichter wellen. Evenmin zijn zekere grammatische vormen voor
onnederlandsch te houden, omdat zij thans slechts in den hoogeren stijl
voorkomen. Integendeel, de ingeving, die den hoogeren stijl op de lippen
legt, | | | | maakt aan de echte oude taalvormen indachtig, en die ingeving
is, Goddank! steeds evenzeer het deel van den Nederlander geweest, als van de
bevoorrechtste volkeren van den aardbodem.
W.G. Brill.
|
1)Nederl. Spraakl. bl. 90.
1)Dit is, volgens Prof. Roorda
( Spreek- en schrijftaal, bl. 25), het begrip, dat de taal gelijkelijk
door den vorm van het adjektief, van den genitief, ja zelfs van het meervoud
teruggeeft.
1)Ufar, υπερ
en super beteekenen juist het tegenovergestelde van het woordje, waarvan
zij afstammen. Zij beduiden boven, terwijl uf,
υπο en sub onder beduiden. Dit laat zich
verklaren uit den comparatief-uitgang. Inderdaad, wat slechts betrekkelijk
onder is, vooronderstelt een nog lager gelegen punt, en met betrekking
tot dat punt is het boven.
1)Dit ja, het tweede bestanddeel van
den zamengestelden uitgang areis, vormt van een voorwerpsnaam den naam
van een werkenden persoon, als aurtja, planter, van aurts, plant;
arbja, erfgenaam, van arbi, erf. Dus hebben wij in areis
(ar-ja), gelijk meer voorkomt, de vereeniging van twee achtervoegsels van
dezelfde beteekenis, ontstaan toen de eerste min of meer krachteloos geworden
was.
1)Men zie Spreek- en schrijftaal,
bl. 28, Noot a, waar er op gewezen wordt, dat in het Latijn, bij
voorbeeld, mensae, domini, fructûs, zoowel genitieven zijn als
meervouden, en patris niet noemenswaard van patres verschilt. Dus
zou dan genitief en meervoud van gelijken aard zijn, en één vorm
beide betrekkingen uitdrukken. Maar bestaat er dan een meervoudsteeken in de
onverbasterde talen van den Indo-Europeschen stam? Immers neen! Wel heeft
aldaar iedere naamval een bijzonderen meervoudsvorm, maar van een algemeen
meervoudsteeken kan geene sprake zijn. Dit is eerst ontstaan, toen de
naamvalsvormen waren komen te vervallen.
|
|