|
|
|
| |
Over den tongval der Nieuw-Nederlandsche Klassische
Schrijvers.
Toen al de Nederlanders zich in de eerste helft der zestiende eeuw
tot eenen enkelen Staat zagen vereenigd, onder den machtigsten Vorst der
Christenheid, die in hunne geschiktheid tot het staatkundige leven, in hunne
beschaving, in de rijkdommen hunner Gemeenten en in de hulpbronnen, die hun ten
dienste stonden, den hechtsten steun van zijn gezag en de grootste kracht zag
van zijne Dynastie, toen ontwaakte bij hen een ongemeen nationaal zelfgevoel.
Zij hielden het er voor, dat zij bij geen volk meer achter stonden. Al wat eene
groote natie kenmerkt, mocht hun niet ontbreken: een eigen taal, een eigen
letterkunde - zij mochten er evenzeer aanspraak op maken, als de Franschen en
de Overlanders (zoo noemden zij de Duitschers). Doch een eigen taal - hoe mocht
een volk daarop roemen, welks gebieders sints eeuwen Fransch of Hoogduitsch
hadden gesproken; welks Overheden in de rechtzaal en de kanselarij eene taal
voerden, vol uitheemsche uitdrukkingen; welks dichters, zoo zij dichters heeten
mochten, er behagen in schepten om het eene Fransche woord op het andere te
stapelen; een volk, dat zelfs niet eenmaal in het bezit was van eene bij alle
vast staande spelling. In het midden van die zestiende eeuw, welke Nederland
zoo hoog verhief, voert
Jan de Laet, de Antwerp- | | | | sche drukker
en uitgever van den Schat der duitscher talen van Jan van den
Werve, de Nederlandsche Taal sprekend in en zich beklagend, dat men haar
beschuldigde kreupel en mank te zijn en geene genoegzame hulpmiddelen te
bezitten in zich zelve, en dat dien ten gevolge buitenlanders haar met geweld
verstooten en zich in haar erf gevestigd hadden. ‘Zeer weinigen,’
voegt De Laet er bij, ‘zeer weinigen zijn er van onze landzaten,
die zich anders laten voorstaan, dan dat onze taal is van haar zelve heel naakt
en berooid.’ En: ‘Hoe mocht onzer talen meer lasters geschien, dan
wij haar zelven aandoen? Wie is er onzer, die niet denkt, dat hij een veel
gezetter (d.i. is deftiger) man is, als hij zijn woord in eene vreemde taal
doen kan, dan in die, waarin hij geboren is. En al is het, dat zij zich
somwijlen daartoe (zoo hun dunkt) verkleinen, dat zij hun moeders tale bezigen,
zoo bekladden zij ze met geschuimde woorden.’ Maar De Laet is
daarom niet moedeloos. Dat zulke aanzienlijke mannen, als de Heer
van Hovorst (diezelfde
Jan van den Werve), zich de zaak aantrokken,
was hem een bemoedigend teeken. ‘Die vreemde indringers,’ zoo laat
hij de Taal verder zeggen, ‘moeten nu weg. Ik ben, Goddank, door Jan
van den Werve’ die voor al zulke vreemde termen thans de
Nederlandsche heeft aangewezen, ‘in mijn erfdeel hersteld.’
Met dit al kon niet allen het pleit zoo gemakkelijk voldongen
schijnen. Voor zoo menige zaak was nu eenmaal de vreemde uitdrukking ingevoerd,
en niet licht kon er eene Nederlandsche benaming voor in de plaats gesteld
worden, zonder dat het inlandsche woord iets bevreemdends en willekeurigs had.
Waar de uitdrukkingen vandaan te halen? Nu eens moest het woord niet voldoen
als verouderd, soms als gansch nieuw gesmeed, dan weder als slechts in een
enkel gewest of stad verstaan. Al deze zwarigheden deden zich gevoelen, nu er
mannen opstonden, die zich geroepen konden achten om over algemeene onderwerpen
tot het gansche Nederlandsche volk in letterkundigen vorm te spreken. Te voren
had men menigmaal zuiver genoeg Nederlandsch geschreven; maar de | | | | auteur had gesproken tot een bepaalden kring of met een bepaald
praktisch doel. Maar thans wist men, dat men het gansche Nederlandsche volk tot
gehoor zou hebben. Men overdreef zich de zwarigheid van het dialektverschil der
bijzondere Gewesten. Hadden de beschaafde Gentenaars of Bruggelingen van de
vijftiende eeuw, als zij zuiver schreven, eene taal gebezigd, die, hoezeer zij
niets dan Vlaamsch wilde zijn, niettemin door ieder beschaafd Nederlander
verstaan kon worden; thans nu men met meer bewustheid en opzet ging schrijven,
had men het vertrouwen op het algemeene recht van menige uitdrukking verloren,
en men stelde zich de vraag: in welken tongval zal ik schrijven? Sommigen
evenwel meenden zich het hoofd met zulk eene vraag niet te behoeven te breken.
Zij begrepen elk woord, dat over de gansche uitgestrektheid, waar de klank der
Duitsche tong gehoord werd, hier of daar in gebruik was, als hunne gading te
mogen beschouwen. Zoo zouden zij zich zelfs niet ontzien hebben een woord, in
Duitschland gebezigd, op te nemen en den lezer op te dringen, die, zoo hij het
niet verstond, den rijkdom zijner taal dan maar beter moest leeren kennen. Van
zulk een gevoelen was dezelfde Jan de Laet. ‘Deze onze
taal,’ zegt hij, ‘heeft met de Overlandsche (d.i. met de in
Duitschland gebruikte) spraak gemeenschap, wezende te zamen van gelijken
oorsprong, zoodat wanneer onze moedertaal iets ontbreekt, men het aan de
Overlandsche halen en rechtelijk mag gebruiken.’ Zoo liep men gevaar een
bont mengelmoes van dialekten te verkrijgen. Wat toch had ons bij de toepassing
van zulk eene leer voor de toelating van woorden met volstrekt Opperduitschen
vorm kunnen behoeden? Of ontbrak niet toen ter tijd wat ons thans tegen de
toelating van een Duitsch woord met eenen stempel, ons taaleigen vreemd, vermag
te waarschuwen, namelijk, het wetenschappelijk besef van het verschil tusschen
Opper- en Nederduitsch? - De vrees echter voor de verwezenlijking van zulke
denkbeelden, zoo zij al bestaan heeft, had geen ernstigen grond. De vreemde
Latijnsche en Fransche woorden, | | | | waren door het leven zelve
ingevoerd. De hoogere Standen en betrekkingen bewogen zich nu eenmaal in een
Latijnsche of Fransche sfeer. Maar daar het Hoogduitsch sedert het Beijersche
tijdperk geenerlei toegang had tot de hoogere levenskringen, zoo zou geen
letterkundige, die gemeend had een Opperduitsch woord in zijn opstel noodig te
hebben, er in geslaagd zijn, het werkelijk in het gebruik te doen opnemen. -
Ook gingen de schrijvers inderdaad met meer omzichtigheid te werk. In zijne
voorrede voor zijne vertaling van
Cicero de Officiis (1561) zegt
Coornhert, dat hij op Van den
Werve's voorbeeld eenige bastaartwoorden had vermeden. Zoo had hij
algemeen gebruikt voor generaal, vergelijking voor comparatie,
gezelligheid voor societas, hoezeer die woorden, zegt hij, nu om de
ongewoonte wat hard schenen. Doch, voegt hij er bij, zege voor
victorie, bijspel voor exempel, grondvest voor fundament,
grootachtbaarheid voor auctoritas had hij zich nog ontzien te
gebruiken. Ja conscientie en glorie zouden, meent hij, kwalijk
dus verduitscht kunnen worden, dat zij recht verstaan werden
1). De uitgevers van de
Twespraeck van de Nederduitsche Letterkunde
(1584) schreven zich geenerlei recht toe om te beslissen. Zij onderwierpen
slechts het resultaat van hun nadenken aan het oordeel van even goed of beter
ingelichten: hoe meer zij overtroffen werden, des te liever (zeiden zij) zou
het hun zijn. Op eigen gezag vertrouwden zij niet. ‘Zwaarlijk,’
meenden zij, was de invoering van al die Nederlandsche in plaats van
bastaartwoorden ‘gemeenen mans bedrijf.’ Het was ‘des
Landsheers en der Overheid werk.’ Mogelijk zou God eenig Vorst daartoe
verwekken, gelijk hij in Frankrijk eenen Frans I verwekt had om de Fransche
letterkunde op te heffen. - Hier hoort men uit den mond der leden van de
Amsterdamsche Rederijkerskamer de stem | | | | van het Romanistisch
vooroordeel. - Bovendien, ook de grammatische vormen en de woordschikking
vereischten keuze en regeling. Deze deelen der Spraakkunst trokken dan ook zeer
het ernstig nadenken van de uitgevers der Twespraeck. Met overleg en
weifelend spreken zij over het behouden of verwerpen van sommige
verbuigingsvormen, en wat de woordschikking aangaat, wenschen zij met het
toelaten van vrijheden ‘soberlijk’ te werk te gaan, ‘om
mettertijd in de wijze van construeren wat meer verandering in te voeren,
hetwelk van ouds meer geschied was, gelijk de rijmen van
Otfried, voor 700 jaren vervaardigd,
bewezen.’ Opmerkelijk is dit beroep op hetgeen in dien ouden tijd door
Otfried geschied was. Werkelijk had de toestand der Nederlandsche
auteurs in de 16de eeuw eene verre overeenkomst met dien der
Frankische schrijvers in de 9de. Dezen moesten waar maken, wat het
nationale zelfgevoel hun ingaf, dat de Franken ook in de letteren voor geene
Romeinen of Grieken behoefden onder te doen, en onze Nederlanders van de
16de eeuw moesten met de daad toonen, dat er een Nederlandsche taal
bestond, even zuiver en regelmatig, als de oude talen en de Fransche taal,
verstaanbaar voor alle Nederlanders, en waardig de grootheid en het aanzien van
de sedert hunne eeuw zoo ontzaggelijke Nederlandsche natie.
Middelerwijl, en dit was de ware weg om tot de oplossing van alle
moeijelijkheden te komen, togen de schrijvers aan het werk. En
Pontus de Heuiter schreef zijne
Res Burgundicae et Austriacae in het Latijn en in
het Nederduitsch, om den landzaat in zijne eigene taal over zijne eigene zaken
te onderhouden, volgens de leus der Amsterdamsche Rederijkers:
Laat dit land in 's lands taal uw geleerdheid genieten!
Begrijpende, dat zulk eene lectuur in hunne moedertaal den
Nederlanderen nog vreemd zou wezen, gaf hij in 1581 eene
Nederduitsche Orthographie uit, om den lezer al
vast aan zijne taalvormen, en bepaaldelijk: want zulke uiterlijkheden treffen
het eerst en schrikken het meest af, aan zijne spel- | | | | ling te wennen.
Maar meer dan de spelling had zijne aandacht getrokken. - Het Nederlandsch (dus
spreekt hij in dit zijn boekje
1)) een gemengelde taal makende,
volg ik de natuur van alle landsspraken, die het zuiverste hunner talen niet
juist in dit of dat land stellen (hoewel het eene land en stad beter spreekt,
dan 't andere), maar in der verstandigsten en der geleerdsten gewoonte en ook
oefening des Adels, die in alle talen altoos zeer gezocht heeft haar te
zuiveren en uit des gemeens slijm te helpen.’ - ‘Aldus heb ik mijn
Nederlandsch over 25 jaren gesmeed uit Brabantsch, Vlaamsch, Hollandsch,
Geldersch en Kleefsch.’ Dus aan de eene zijde sloot hij het Friesch, aan
de andere zijde, met het Hoogduitsch, dat Nederduitsch uit, hetwelk te ver
Duitschland in werd gesproken. Al wat binnen deze palen lag, tot aan de grenzen
der Fransche taal toe, rekende hij van de gading onzer auteurs. En hoe laat
Vondel zich uit? ‘Wat onze spraak belangt,
zegt hij, die is sedert weinige jaren herwaarts, van bastertwoorden en
onduitsch allengs geschuimd en gebouwd, en geeft den leerling nu veel vooruit,
om naar den palmtak in dit renperk te rennen, tegen en voorbij henlieden, die
met zulk een zure moeite en arbeidzaamheid dit spoor onlangs begonnen te
leggen. Zoo men uit hunne gedichten en schriften, ook uit Neêrlandsche
handvestboeken, de eigen manieren van spreken bijeenzamelt en zich eigen maakt,
daar is een schat van welsprekendheid bij der hand, veel tijds gewonnen, en
middel om machtig in nieuwe koppelwoorden (waarin onze spraak niet min gelukkig
dan de Grieksche is) aan te winnen, zoo men met oordeel te werke ga.’ Met
die benaming koppelwoorden bedoelt de auteur zamengestelde woorden.
‘Deze spraak,’ zoo gaat hij voort, ‘wordt tegenwoordig in 's
Gravenhage, de Raadkamer der Heren Staten, en het Hof van hunnen Stedehouder,
en te Amsterdam, de machtigste koopstad der wereld, allervolmaaktst gesproken
bij lieden van goede opvoeding, indien men der hovelingen en pleiteren en | | | | kooplieden onduitsche termen uitsluite: want oud Amsterdamsch is te
mal, en plat Antwerpsch te walgelijk en niet onderscheidelijk genoeg. Hierom
moeten wij deze tongen matigen en mengen en met kennis besnoeijen, ook niet al
te Latijnachtig, noch te naauwgezet en nieuwelijk Duitsch spreken, maar zulks
dat de tonge hare eigenschap niet verlieze, waarvan de hervormers onzer spraak
niet geheel vrij zijn. Men vermijde, gelijk een pest, de woorden tegen den aard
onzer taal te verstellen. Wij mogen hierin noch Grieken noch Latijnen navolgen.
Wordt hiertegen gezondigd, terstond verliest de spraak haren luister en ons oor
wraakt dat geluid: eenen valschen klank, die de muzijk der tale
bederft.’
Men ziet, Vondel beschouwt in 1650, toen hij dit schreef,
de zaak reeds als voor het grootste gedeelte gelukkig afgedaan. De jonge
vernuften kunnen oogsten, waar hunne voorgangers met zuren arbeid gezaaid
hebben. Bovendien die veelheid van Provinciale tongvallen geeft geen moeite
meer, nu het vrije en letteroefenende Nederland door den uitslag van den oorlog
beperkt is geworden tot de zeven Provinciën, in welke Holland zonder
mededinger den boventoon voert, en die gezamenlijk 's Gravenhage,
den zetel der Staten en des Stadhouders, als hare hoofdstad erkennen. Nu kan
het alleen nog maar te pas komen, zich voor zekere stedelijke idiotismen in
acht te nemen, en zoo dan zelfs Amsterdam geene aanspraak maakt om de
eigenaardigheden van de taal harer volksmenigte te laten gelden, maar zelve ze
als te mal, dat is niet waardig genoeg, veroordeelt, dan zal wel geene andere
stad zich een recht toekennen, waarvan de machtigste koopstad der wereld
afstand doet. Maar waartoe die vermelding van het plat Antwerpsch, dat door den
dichter als te gemeen om in eenige aanmerking te komen veroordeeld wordt? Is
deze vermelding een uitwerksel van de jaloezij der koopstad, die, zoolang
Willem II gestemd bleef, gelijk hij in April
1650 gestemd was, nog altijd grond had om te duchten, dat men
Antwerpen, haar ten spijt, tot de eerste | | | | handelstad
zou trachten te maken? Of is die uitval bedektelijk gericht tegen de
verachtelijke onaardigheid van den geestigen edelman
Constantijn Huyghens, die er vermaak in
geschept had, in zijne klucht
Trijntje Cornelis, het plat Antwerpsch ten
tooneel te voeren
1)? - Nog een
groot Heer wordt in de woorden, die op de vermelding van het plat Antwerpsch
volgen, ongenoemd door Vondel gelaakt. Want nu de taalvorm tegenover
de gewestelijke en stedelijke idiotismen vastgesteld, en wat daarin edels en
goeds was, in de algemeene taal der welopgevoeden was opgenomen, nu was er nog
slechts te waken tegen de ongepaste aardigheden of tegen eene of andere
verkeerde manier van enkele schrijvers, vooral wanneer zij om hunnen stand en
talent lichtelijk navolgers konden vinden. Die andere aanzienlijke schrijver,
dien Vondel bedektelijk veroordeelt, is niemand anders dan
Hooft. Hem geldt die waarschuwing, dat men niet
al te Latijnachtig moest schrijven. Dit ziet niet, zooals wel eens gemeend is,
op de invoering van verbuigingsvormen, die, aan de taal eigenlijk vreemd,
slechts in navolging van de Latijnsche spraakkunst zouden aangewend zijn
geworden; maar op den historischen stijl van den Drossaart van
Muiden, die zich
Tacitus tot model had gekozen, en soms der taal
met wonderlijke bekwaamheid geweld aandoet, om ze de Latijnsche taal in hare
woordschikking te doen nastreven. Op denzelfden beroemden schrijver doelt dat
niet te naauwgezet en nieuwelijk Duitsch. Dit schijnt het voorgaande
niet al te Latijnachtig uit te sluiten, en toch was het niet mede
Hoofts zwak, voor Latijnsche benamingen van ambten en waardigheden als
anderzins, Hollandsche namen te verzinnen en in te willen voeren? - Uit het
slot van de aangehaalde plaats van Vondel blijkt, hoeveel gewicht deze
dichter hechtte aan eene vloeijende woordschikking. Inderdaad het is een bewijs
van de echtheid van | | | |
Vondel's dichterlijke ingeving, dat
hij zich geene plaatsing der woorden heeft veroorloofd, die den gang der rede
iets manks en kreupels kon geven. Daardoor vooral is zijne taal zoo welluidend
en na meer dan twee eeuwen nog nieuw. De dichterlijke ingeving maakt de taal
harmonisch, maar de harmonie is aan zekere voorwaarden, verschillend naar het
verschillend taaleigen, gebonden. De dichter, bij wien de stroom der ingeving
het onbelemmerdst vloeit, ontziet die voorwaarden het meest; of liever de eisch
zijner uitdrukking is van zelve en ongezocht in overeenstemming met de
voorwaarden en perken der taal, die hij bezigt. Immers is hij juist daarom
dichter, omdat hij het orgaan is van den geest der natie, van den geest, die in
de leden der natie leeft, en aan welken zij hun taalscheppend vermogen dank
weten.
Waar zulk eene ingeving bij de letterkundigen, en waar tevens
waarachtig staatkundig leven bestaat, daar is van zelve het vraagstuk opgelost,
dat de Nederlandsche letterkundigen in de zestiende eeuw bezig hield. Green
taalkundige met al zijne geleerdheid en omzichtigheid, met alle stoutheid
zelfs, zoo gij hem daarmede toegerust wilt denken, is in staat om, alleen door
het vermogen van zijne kunde en wil, een enkel woord bij de natie ingevoerd te
krijgen. IJdele, zichzelven behagende vernuften vermogen zulks, God dank, nog
veel minder. Aan woorden, die geen anderen oorsprong hebben, blijft steeds een
merkteeken van willekeurigheid, grilligheid of ingebeeldheid kleven, en zij
worden met spot of weerzin afgewezen. Maar, laat een bezield schrijver een
woord vinden: bij aldien geene laatdunkendheid, maar de aanschouwing van zijn
voorwerp het hem op de lippen leide, dan zal zulk een woord, hoe strijdig
veellicht in der geleerden oog met de regels van alle rede- en taalkunde,
niettemin gereeden ingang vinden. Zulk een woord ziet men het aan, uit welke
bron het geweld is; met het meesterstuk, waarin het vervat is, blijft het in
het geheugen des volks geprent, en het noodigt anderen uit, het op 's dichters
voorbeeld te gebruiken. Ja! de letterkundige meesterstukken geven een | | | | vaste gestalte aan eene taal. Terwijl zij het hart eener natie
innemen, winnen zij haar oor; de val en zwier van den zinbouw; de gekozen
woorden en grammatische vormen, prenten zich in het geheugen, en al wil men
niet, maar men wil zoo gaarne, toch moet men dat voorbeeld navolgen. Waarlijk
onze letterkundigen en taalkundigen van de zestiende eeuw hadden zich de zaak
niet zoo moeijelijk moeten denken, noch zich behoeven te kwellen om ze door
overleg of invloed van hooger hand tot stand te brengen. Zoodra er
letterkundige meesterstukken waren, en letterkundige meesterstukken komen
zonder moeite ter wereld, was de tongval gevonden.
Doch nog iets, en niet het minste. Denk u eenen staatsman aan het
werk. Voor de grootheid der belangen, die hij behartigt, treedt zijn eigen
persoon en al zijne ingenomenheid met de vertooning, die zijne geleerdheid en
gaven zouden kunnen maken, volkomen terug. Hij moet de zaak zijns volks tegen
het vijandige buitenland, de zaak der staatkundige beginselen, die hij
voorstaat, tegen leugen en zelfzucht bepleiten.... wat dunkt u? Zullen de
woorden en vormen, die hij bezigt, ook van gemaakte sierlijkheid en ongepaste
geleerdheid, of soms van onbekwaamheid en botheid getuigen? Neen! met de groote
zaak door een groot man bepleit is een waardige taalvorm gevonden.
Nevens onze dichters en schrijvers zijn onze groote staatslieden
nevens
Hooft en
Vondel zijn
Oldenbarnevelt en
Hugo de Groot, in den grooten en bangen strijd
van de jaren van het Bestand, de stichters van het Nieuw-Nederlandsch geworden,
en dezen misschien in nog meerdere mate dan genen.
Op deze wijze dan is de taal ontstaan, waarin ook de
Van Harens gesproken en gezongen hebben; waarin
Borger en
Van der Palm gepredikt,
Bilderdijk en
Da Costa hebben gedicht; waarin onlangs de
zoete klacht van
De Génestet klonk; waarin nog menig
auteur, mits diepzinnig en eenvoudig, zijne gedachten uit. | | | |
Werkelijk is deze taal één met die, waarin alle echte
Nederlanders, hoe ook door gewestelijke grenzen gescheiden, van de dertiende
eeuw aan, gedacht hebben. De ware auteur toch, ik herzeg het, put uit geen
andere bron dan den geest zijner natie, die één is, hoezeer in
tijd en ruimte uitéénliggend. Die eenheid te vatten vermag en
begeert niet iedereen.- De Jezuit
Laevinus de Meijer gaf in het begin der
achttiende eeuw te Leuven eene berijmde vertaling uit van een vele jaren
vroeger door hem zelven in het Latijn vervaardigd en uitgegeven gedicht Over
de schadelijkheid der gramschap. In de voorrede zegt hij: ‘ik hebbe
over veel jaeren een Latijnsch schrift door de pers laeten uitgaen, in welkers
eerste deel ontdekt worden de oorsaeken die onse gemoederen tot gramschap
plegen te verwekken enz Dit boekske is meer als eens in veelderleide gewesten
herdrukt. Maar aengezien dat het grootste deel der menschen in de Latijnsche
tael niet ervaeren is, hebb' ik dit in Nederduitsche rijmen overgeset, om dat
't voor ieder nuttig en behulpsaem kan zijn. - Ik hebbe mij bedient van de
tael, die bij de Vlamingen en Brabanders hedensdaegs in gebruik is, om dat dese
beter als de Hollandsche tael (die my ook niet natuerlijk is) van hun kan
verstaen worden.’ Is het mogelijk in zuiverder Hollandsch te zeggen, dat
men geen Hollandsch verstaat noch gebruiken wil? Bij de scheiding, die er in
het staatkundige en godsdienstige tusschen de beide deelen der
ééne Nederlandsche natie bestond, was het den Jezuit misschien
onmogelijk om de treffende eenheid van de taal dier beide deelen te erkennen.
Nog heden ten dage trachten de clericalen in België het onderscheid
tusschen Vlaamsch en Hollandsch ten breedste uit te meten, en door een nietig
spellingsverschil te staven en vast te houden; maar de geest der Nederlandsche
natie, hoe smartelijk ook, ofschoon noodwendig, in zichzelven verdeeld, staaft
zijne eenheid waar dichters zingen en de harten roeren over de grenzen heen, in
weerwil van alle staatkundige verdeeling en godsdienstige verdeeldheid. Want er
zweeft een geest over de gescheurde | | | | deelen eener natie, ja over de
gansche menschheid, een geest, waarin alle scheuring is opgeheven en alle
vijandschap verzoend is, en uit dien geest put de ware dichter in poezij of
proza. Hoe jammer! dat er zoo weinig ware dichters zijn, en dat die het zijn,
zoo spoedig verstommen of vertwijfelen aan 't geloof hunner beste
oogenblikken!
W.G. Brill.
|
1)Voor ons, die voor die beide woorden de
uitnemende tot den oudsten schat en vorm der taal behoorende woorden
geweten en roem bezitten, klinkt de bedenking van
Coornhert zonderling. Victorie en autoriteit bleven
inderdaad in de 17 de eeuw tot de politieke taal behooren. En
exempel en fondament hebben ook de Bijbelvertalers niet door
Nederl. woorden vervangen.
1)Deze klucht moge vóór 1650
niet uitgegeven zijn, lang vóór de uitgave was zij bij 's
dichters letterkundige betrekkingen bekend. Zie de voorrede.
|
|