|
|
|
| |
Beantwoording van eenige vragen.
| |
No. 33. ‘In sommige spraakkunsten wordt
geleerd dat het werkwoord worden in den onvolmaakt verleden tijd der
aantoonende wijs werd en in den onvolm. verl. tijd der aanvoegende wijs
wierd heeft. Is die bewering juist?’ (Zie Jaarg. III, blz.
236).
Indien deze bewering waarheid mogt bevatten, zou het werkwoord
worden in dit opzigt geheel alleen staan; het zou het eenige wezen dat
in de aanvoegende wijs een klinker, vreemd aan al zijne andere vormen, hebben
zou. Eenen geheel anderen klinker? Het is toch bekend dat de aanvoegende wijs
in het enkelvoud den klinker van het meervoud der aantoonende wijs heeft. Waar
de klinker van het enkelvoud van de aantoonende wijs gesloten en die van het
meervoud open is, daar heeft de aanvoegende wijs den open klinker in al hare
vormen. Dit verschijnsel neemt men waar bij de sterke werkwoorden der eerste
1) en derde klasse en
wel alleen in den zoogenaamden onvolmaakt verleden tijd: ik sprak,
hij
| | | |
sprak; ik sprake, hij sprake; ik bad, hij bad; ik bade,
hij bade. Bij de regelmatige werkwoorden hebben alle vormen van den
tegenwoordigen tijd denzelfden stam; in dezen tijd is dus aan geene verandering
van klinker te denken: ik spreek, hij spreekt; ik spreke, hij spreke; ik
bid, hij bidt; ik bidde, hij bidde. Waar het enkelvoud van den verleden der
aantoonende wijs eene scherpe en het meervoud eene zachte e of o
heeft, daar hebben alle overeenstemmende vormen van de aanvoegende wijs de
zachte e of o. Dit heeft plaats bij de sterke werkwoorden van de
vijfde en zesde klasse: ik schreef, hij schreef; ik schreve, hij schreve; ik
bood, hij bood; ik bode, hij bode. Oppervlakkig beschouwd heeft deze
onderscheiding weinig te beteekenen, zelfs wordt zij niet eens altijd begrepen.
Dat de ee van ik schreef, ik bleef, ik leed van eene andere
natuur is dan de ee van gij schreeft, gij bleeft, gij leedt kan
men aan het gesproken woord niet hooren en aan het geschrevene niet zien; om de
ee goed te kennen moet men bekend zijn met hare geschiedenis. Hetzelfde
is waar met betrekking tot de oo van bood en boodt.
Dit zijn dan de eenige veranderingen, die de klinkers ondergaan,
wanneer de werkwoorden, als men zegt, in de aanvoegende wijs staan. Eene
klasse, wier e van den verleden tijd der aantoonende wijs eene ie
wordt, is niet aanwezig. Wat meer zegt, er bestaat geene klasse, die in den
verleden tijd der aant. wijs eene gesloten e vertoont. Er moet dus met
het werkwoord worden iets bijzonders hebben plaats gehad. En dit is
werkelijk zoo. Vooreerst zien wij dat het twee stammen heeft, waarvan de
personen van den verleden tijd gevormd zijn: werd en wierd; dit
staat, vast. De vraag is nu maar of werd alleen tot het gebied van de
aantoonende en wierd alleen tot dat van de aanvoegende wijs behoort. Hoe
zullen wij dat uitmaken? Mij dunkt door iets van de geschiedenis van het woord
na te gaan, door oplettend te luisteren naar het gebruik, dat er in het
dagelijksch gesprek van gemaakt wordt, en door acht te geven op het gebruik,
dat onze beste prozaschrijvers en dichters er van gemaakt hebben. | | | |
Lezen wij b.v. in de wellevenheidskonste van
Dirk Volkertz. Coornhert, dat de vader de
predicant en de schoolmeester zijner kinderen is, dat hij hun in hunne jeugd
moet leeren wat hun later te pas zal komen, en dat hij daarbeneven alle vlijt
moet aanwenden ‘dat sij nyet een onnutte last maar vruchtbare ledekens
mogen werden voor 't gemeene beste,’ dan
bespeuren wij, wat bij nader onderzoek bevestigd wordt, dat de e
oorspronkelijk in de onbepaalde wijs en in den tegenwoordigen tijd der
aantoonende wijs gevonden werd, zoodat de vervoeging overeenstemde met
schelden, schold, scholden, gescholden; smelten, smolt, smolten, gesmolten;
zwemmen, zwom, zwommen, gezwommen en dus was werden, word, worden,
geworden. Eigenlijk bevat deze opgaaf nog eene kleine onnaauwkeurigheid; de
klinker van het enkelvoud van den onvolmaakt verleden tijd van de werkwoorden
der 2e klasse was niet o maar a; de vervoeging ging
dus werden, ward, worden, geworden. Als wij dit laatste nu buiten
rekening laten, mogen wij zeggen, dat de verleden tijd in de plaats van den
tegenwoordigen en de tegenwoordige in de plaats van den verledenen is gekomen.
In dezelfde klasse van sterke werkwoorden treffen wij er nog eenige aan, die
thans in den onvolmaakt verleden tijd eene opene ie bezitten: help,
hielp; zwerf, zwierf; werp, wierp; sterf, stierf; bederf, bedierf; verwerf,
verwierf; van enkele dezer is de stam met de gesloten o niet geheel
buiten gebruik: holp, zworf, worp, verworf, ofschoon bijna uitsluitend
in de volkstaal en bij dichters. In den tijd van
Ten Kate schijnt de onderscheiding van
worden en werden niet voltooid geweest te zijn, aangezien hij in
den derden rang onzer Nederduitsche Verba worden en in den vierden
werden vermeldt. Bij worden merkt hij aan dat het imperf.
wierd oulings ook ward en werd was; doch dat het woord,
indien men den infinitief werden verkiest, gelijk sommige geleerden
doen, dan tot eene volgende klasse behoort. Bij werden, imperf.
wierd en word, zegt hij, dat de duidelijkheid voor worden
zou pleiten, waaruit volgt dat het gebruik dit laatste verkoos; anders is er
niets aannemelijks | | | | aan te voeren, waarom worden duidelijker
zou wezen dan werden. In onzen tijd bestaat er geen zweem van twijfel
meer, zelfs de grootste geleerde zal de beide stammen wel niet meer met
elkander verwisselen.
Uit de geschiedenis van het woord blijkt niets, dat ons regt geven
zou om te zeggen: wierd mag in de aant wijs en werd in de
aanvoegende niet gebruikt worden. Hier komt ons echter de beschaafde uitspraak
te hulp. Heb ik niet verkeerd waargenomen, dan mag ik stellen, dat men
menigmaal hoort: ik wier, hij wier, tegen eenmaal ik werd,
hij werd. Dat men de d van wierd niet uitspreekt, kan niet
verwonderen, als men denkt aan rij, glij, bloei, bedui, voor rijd,
glijd, bloed, beduid; men zegt ook ik wor, niet ik wer, en
men zou daaruit haast opmaken, dat werd als verledene tijd in de
spreektaal uit de boekentaal is opgenomen. In ieder geval blijkt, dunkt mij,
overtuigend, dat wierd wel degelijk tot de aantoonende wijs behoort, dat
men dus volstrekt geene fout maakt als men schrijft: Jozef
wierd door zijne broeders als slaaf verkocht. Wij wierden
uitgenoodigd om den avond bij den heer A. door te brengen. Zij wierden
beschuldigd en gevonnisd. Gij wierdt, geprezen.
De laatste quaestie, die wij moeten uitmaken, is deze, of
werd al dan niet in de aanvoegende wijs mag voorkomen en of daar
uitsluitend wierd gebruikt wordt. Gaan wij na, dat wij in het spreken
weinig meer van deze wijs waarnemen, dat in de schrijftaal de aanvoegende
dikwijls door de aantoonende wijs vervangen wordt, en waar dit niet kan,
meestal een hulpwerkwoord optreedt, dan moeten wij erkennen, dat dit onderzoek
zijne groote moeilijkheden heeft. Daar komt bij, dat het woord, dat thans het
onderwerp onzer beschouwing uitmaakt, nog aan bijzondere bezwaren onderhevig
is. Worden wordt gebruikt als hulpwerkwoord voor den lijdenden vorm, zoo
men wil, het lijdend geslacht; of als werkwoordelijk bestanddeel van een
naamwoordelijk gezegde: A. wierd sedert lang genoemd en wordt
thans als eerste candidaat voorgedragen; indien de benoeming doorgaat,
wordt hij meteen secretaris van het polderbestuur. In beide gevallen zal
een goed stilist niet gemak- | | | | kelijk de aanvoegende wijs van
worden gebruiken. Zal men, in den optatief, lang dralen, als men te
kiezen heeft tusschen: wierde (werde) ik nog eenmaal van dit
eenzaam eiland verlost, en mogt ik nog eenmaal van dit eenzaam eiland
verlost worden! En in den eigenlijken subjunctief, zal men daar zeggen:
hij vreesde dat de prijs zijnen vijand toegewezen wierde - of zal men
liever zoude worden of mogt worden gebruiken? Ik geloof het
laatste. Indien nu deze vorm zoo zelden wordt gebruikt, dan verliest de
quaestie voor de practijk veel, zoo niet al hare belangrijkheid; alleen blijft
zij gewigtig voor eenen knaap, die eenen lijdenden vorm van een werkwoord, of
het werkwoord worden alleen, moet vervoegen. Gaan wij na hoe alle andere
vormen van de aanvoegende wijs ontstaan, namelijk door de aanhechting van den
uitgang e, dan moeten wij aannemen dat naast werd, werde en naast
wierd, wierde bestaat. Het gebruik moge den eenen vorm boven den anderen
verkiezen, dit geeft geen vrijheid om willekeurige bepalingen in de spraakkunst
op te nemen. Het is alsof degene, die het eerst den in de vraag bedoelden regel
gesteld heeft, met den rijkdom der taal geen raad wist en willekeurig tusschen
de beide wijzen verdeelde, wat ondeelbaar tot beider bezitting behoorde. Wint
deze zucht tot verdeelen veld, dan hebben wij welligt nog eens een voorschrift
te wachten dat holp, zworf, worp, verworf tot de aantoonende en
hielp, zwierf, wierp en verwierf tot de aanvoegende wijs
behooren. Gelukkig zijn zulke voorschriften onschadelijk, omdat niemand, een
enkelen letterknecht uitgezonderd, er zich aan stoort. Bij de nieuwere en
betere grammatici vindt men er ook geen spoor van.
J.A. van Dijk.
| | | |
| |
No. 37. Nu en dan vindt men in dag- en weekbladen
en tijdschriften melding gemaakt van onze nijveren, dat is, onze
industriëlen. Dit woord wil mij maar niet bevallen. Weet iemand daarvoor
een beter woord in de plaats te stellen? - Wat denken de lezers van de
Taalgids van het woord nijverheidslieden?
Het is zeer moeijelijk, een woord, wanneer het werkelijk gebruikt
en verstaan wordt, wanneer het tegen geene enkele taalwet indruist, door een
beter woord te vervangen. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat de geachte
inzender zijne bezwaren tegen het woord nijveren hadde opgegeven, dan
zouden wij beter in de gelegenheid geweest zijn om te overwegen, in hoeverre
het zaak kan wezen het gebruik daarvan af te raden. In de meeste gevallen zal
dit echter wel onnoodig zijn; want, hoewel het Nederlandsche woord
nijverheid vrijwel het uitheemsche industrie vervangt, meen ik
wel dat de nijveren of nijverheidslieden (wij willen nog niet
beslissen) bijna altijd als industriëlen
1) zullen optreden. Wij willen echter beproeven of wij
kunnen ontdekken, wat er tegen het gebruik van het woord gezegd kan worden.
Als meervoudig zelfstandig naamwoord gebruikt, staat het gelijk
met vromen, geleerden, blinden, zwarten, doch het komt bij deze in
zooverre te kort, dat het enkelvoud niet gebruikt kan worden. Men zal immers
niet zeggen van iemand die eene fabriek bestuurt, een handwerk uitoefent, zich
op den landbouw of eene andere tak van nijverheid toelegt: Hier woont een
nij vere, A. is een nij vere. Als die jongen zoo
voortgaat wordt hij nog eens een nijvere. Een ander bezwaar is gelegen in
de beteekenis van het woord. Oorspronkelijk | | | | gelijk met
ijver, heeft het zich uitwendig door voorvoeging eener n van zijn
grondwoord onderscheiden; ook de beteekenis is gewijzigd en toch is er een
krachtig sprekende trek van gelijkheid blijven bestaan. Nijver wil thans
zooveel zeggen als ijverig in de voortbrenging van hetgeen de
maatschappelijke behoeften kan vervullen, bij voorbeeld de nijvere boer,
de nijvere bijen. Het onderscheidt zich soortelijk van ijver en niet met
betrekking tot den graad. De verklaring dat nijver wil zeggen zeer
ijverig moge vroeger juist geweest zijn, ik geloof dat zij tegenwoordig
niemand meer voldoen kan; het woord doet aan eene bijzondere soort van ijver
denken. Of dit onderscheid altijd krachtig genoeg gevoeld wordt, betwijfelen
wij zeer, en gelooven dat daaraan is toe te schrijven, dat ons woord in eenen
veel te ruimen zin wordt opgevat.
Welligt werpt iemand mij tegen, indien het woord nijveren
gevaar loopt verward te worden met ijverigen, waarom is dan niet
evenzeer het woord nijverheid onbruikbaar? Wij kunnen daarop antwoorden,
dat dit woord zich zeer kennelijk van het andere substantief ijver
onderscheidt; nijver is als bijvoegelijk naamwoord opgevat en heeft het
zelfstandig naamwoord nijverheid opgeleverd, terwijl ijver als
zelfstandig naamwoord is gebleven, waarvan het bijvoegelijk naamwoord
ijverig is afgeleid, dat geen nieuwe spruit ijverigheid
voortbragt. Vraagt men mij of de beide aangevoerde gronden krachtig genoeg zijn
om het gebruik van den meervoudsvorm nijveren te ontraden, dan zou ik
aarzelen daarop een bevestigend antwoord te geven; maar minder schroomvallig
zou ik de vraag beantwoorden of er een beter woord te geven is, en eenvoudig
wijzen op het verworpene industriëel, dat door ieder verstaan wordt
en plaats neemt onder zoovele andere, zoogenoemde bastaardwoorden, die we,
zonder onduidelijk of gekunsteld te wezen, niet missen kunnen.
Het woord nijverheidsman zou ik ook niet kunnen aanbevelen.
Ik ben aan den geëerden inzender verpligt te zeggen waarom niet. De
zamenstelling van het zelfstandig | | | | naamwoord man met een
woord, dat op het achtervoegsel heid eindigt, is onaangenaam, vreemd en
gelukkig zeldzaam. Het eenige, dat ik mij op het oogenblik herinner, is
vrijheidsman: een voorstander van vrijheid te genieten, zoo voor zich
zelven als voor anderen. Zouden nu gezondheidsman, zindelijkheidsman,
billijkheidsman, er bij analogie door kunnen? Nijverheidsman klinkt zeker
niet minder onaangenaam. En is de beteekenis wel duidelijk? Ik twijfel er aan.
De minister, die alle maatregelen neemt, welke naar zijne zienswijze de
nijverheid moeten doen bloeijen, is een nijverheidsman (zou men kunnen
zeggen) maar de fabrikant, de werkbaas of de boer is een
industriëel.
J.A. v. D.
| |
No. 38.
Van der Palm
schrijft o.a. boven het twaalfde en dertiende hoofdstuk van
Jozua: ‘Aan de overzijde der
Jordaan, Sihon en Og, wier landen den
twee en een halve stammen ten deel vielen’ en ‘De heer gebiedt
Jozua tot de verdeeling des lands, onder negen en een halve stammen over
te gaan.’ - Zijn er nog andere schrijvers van naam, die aldus geschreven
hebben? Verdient hun voorbeeld navolging?
Of er nog andere schrijvers van naam zijn, die aldus geschreven
hebben, kan ik niet bevestigen noch ontkennen. Bedriegt mijn geheugen mij niet
geheel, dan heb ik meest altijd in eene dergelijke constructie den vorm van het
enkelvoud ontmoet, zelfs bij Van der Palm; ik heb er echter geene
aanteekening van gehouden. In den bijbel voor de jeugd, uitgegeven in 1821,
lees ik in het zevende stuk op blz. 120: ‘De verdeeling des lands, in het
groot beschouwd, leed ten aanzien van twee en een halven stam, in 't
geheel geene, en ten aanzien van twee andere weinig zwarigheid.’
De vraag of, indien al eenige schrijvers van naam zich | | | | in dergelijke gevallen van een meervoudsvorm bediend hebben, hun
voorbeeld gevolgd moet worden, schijnt mij voor eene zeer eenvoudige
beantwoording vatbaar te wezen. Altijd heeft er bij uitdrukkingen als twee
en een halve appel, drie en een halve peer, vier en een halve beschuit eene
uitlating plaats; bij twee, drie en vier behoort een meervouds-
bij een half een enkelvoudsvorm. Bij eene volledige uitdrukking zoude
hetzelfde zelfstandig naamwoord tweemaal voorkomen, gelijk wij het ook
ontmoeten Jozua 13 vs. 7: En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen
stammen en den halven stam van Manasse. Somtijds moge eene
dergelijke uitvoerigheid gevorderd of geduld worden, meestal wordt zij
afgekeurd; voor ons gevoel is aan den eisch der duidelijkheid volkomen voldaan,
wanneer alleen het laatste van de twee zelfstandige naamwoorden genoemd wordt.
Het is bekend dat het Fransch juist andersom te werk gaat en den vorm van het
meervoud gebruikt, terwijl die van het enkelvoud verzwegen wordt. Verliest men
uit het oog dat deze weglating heeft plaats gehad, dan komt men tot een
besluit, dat volgens onze bescheidene meening met ons taaleigen in lijnregten
strijd is. Het is waar, met het enkelvoud wordt één individu,
ééne soort, ééne verzameling, één
begrip, en wat al meer, benoemd, en men zou, gelijk in het aangehaalde geval,
meer dan één individu bedoelende, zich geregtigd achten om het
meervoud te gebruiken, hetgeen volkomen juist zoude wezen, indien er maar van
geene uitlating sprake was. Om onze meening met een voorbeeld op te helderen
wijzen wij op een ander verschil. De een zegt dat op zijne inrigting onderwijs
wordt gegeven in de Fransche, Engelsche en Hoogduitsche taal, terwijl de
ander spreekt van de Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen. De
laatste verdedigt zich zeer natuurlijk door de opmerking, dat hier sprake is
van drie talen en dat dus buiten twijfel alleen de meervoudsvorm van het woord
in aanmerking kan komen. Het zijn drie vreemde talen, drie nieuwe talen, hoe
men ze noemen of omschrijven wil, maar in ieder geval zijn het talen.
Tegen deze beschouwing is werkelijk | | | | niet veel in te brengen, zij is
klaar als de dag, en toch volgt er volstrekt niet uit, dat het meervoud
talen in de aangehaalde uitdrukking goed is. Volledig is zij de Fransche
taal, de Engelsche taal en de Hoogduitsche taal, en verkort de Fransche,
Engelsche en Hoogduitsche.... De een zegt taal, want voor de
welluidendheid en beknoptheid der uitdrukking wordt tweemaal het lidwoord
de en evenzeer tweemaal het zelfstandig naamwoord taal
weggelaten; de ander beweert wat wij boven reeds hebben opgegeven, en wij
merken op, dat geen van beiden zich van de volledige uitdrukking bedient. Wie
heeft gelijk? Mij dunkt deze vraag kan alleen beantwoord worden door te letten
op de overeenkomst met andere voorbeelden, waaromtrent geen verschil bestaat.
Het aangevoerde is niet het gelukkigste, de lezer ziet bij het volgende, waarom
niet: De rijke man en de arme man, waarvoor we eenvoudiger zeggen, als
we het eerste der twee gelijkluidende zelfstandige naamwoorden weglaten: de
rijke, en de arme man. Hier zouden we met hen, die in het vorige voorbeeld
talen wilden schrijven, ook den meervoudsvorm mannen hebben
moeten kiezen; want evenzeer als daar van drie talen, is hier van twee mannen
sprake, maar ieder weet, dat wij dan iets anders zouden zeggen dan bedoeld is:
de rijke en de arme mannen, de rijke en arme mannen beteekent de
rijke mannen en de arme mannen, en wij zouden daaruit afleiden dat de
Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen zou
beteekenen de Fransche talen, de Engelsche talen en de Hoogduitsche
talen. Aan de onmogelijkheid om aan deze afzonderlijke meervouden te
denken, is welligt toe te schrijven, dat juist bij deze woorden eene
schrijfwijze is blijven voortduren, die in andere gelijkstaande gevallen blijkt
onhoudbaar te wezen.
Hebben wij voldoende gronden aangevoerd om te bewijzen, dat in
deze uitdrukkingen aan eene uitlating gedacht moet worden en dat van de
gelijkluidende woorden alleen het laatste is blijven staan, gelijk wij b.v. nog
zien in: de trouwste mijner vrienden, het grootste mijner kinderen voor
de
| | | |
trouwste vriend mijner vrienden, het grootste kind
mijner kinderen, enz., dan mogen wij de vraag, of wij in dezen op het
voorbeeld van V.d. P. moeten schrijven twee en een halve en
negen en een halve stammen, ontkennend beantwoorden, vooral
wanneer wij bij denzelfden schrijver dezelfde uitdrukking meer in
overeenstemming met ons taaleigen aantreffen.
J.A. v. D.
|
1)Wij volgen hier de verdeeling, die in de
Spraakleer van
Brill gevolgd wordt. De verdeeling in de
handleiding van
Dr. Kern is eenigszins anders. De
1 e van B. is de 2 e van K., de 3 e van B. is ook
de 3 e van K., de 5 e van B. is de 4 e van K. en
de 6 e van B. is de 5 e van K.
1)Industriëelen schrijven wij
met de scherpe ee. Wij hebben hier te denken aan het achtervoegsel
eel, dat wij in kasteelen, juweelen, tafereelen en
truweelen aantreffen. Omtrent de ee van eel bestaat immers
geen verschil?
|
|