Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 112


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 112. Stichting Dimensie, Leiden 1996


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 189]

Signalementen

Tussen cultuur en politiek: het Algemeen-Nederlands Verbond 1895-1995 / onder redactie van Pieter van Hees en Hugo de Schepper. - Hilversum: Verloren; Den Haag: Het Algemeen-Nederlands Verbond, 1995. - 256 p.: ill.; 24 cm.
ISBN 90-6550-505-9 Prijs: ƒ 25, -
Kenterende culturele identiteit. - 's-Gravenhage: Algemeen-Nederlands Verbond; Hilversum: Verloren [distr.], 1996. - 32 p.; 22 cm. - (ANV-reeks; 2) - Bevat o.m. de gelijknamige inaugurele oratie van prof. dr. L. Beheydt als bijzonder hoogleraar Cultuur der Nederlanden aan de Universiteit van Amsterdam, uitgesproken op 30 oktober 1995.
ISBN 90-6550-147-9 Prijs niet opgegeven.

‘Het Algemeen-Nederlands Verbond werd onder de bezieling van Hippoliet Meert op 27 april 1895 opgericht te Brussel en naderhand versterkt met een gelijkaardig initiatief van Hermannus Jacobus Kiewit de Jonge uit Dordrecht. Op 11 juli 1896 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Neerlandia dat de denkbeelden van het Verbond zou gaan verspreiden. Sindsdien functioneert het ANV als de waakvlam die de culturele saamhorigheid van alle Nederlandssprekenden aanwakkert, blijvend voedt en door de wisselende tijdsopvattingen heen in goede banen leidt’. Zo begint het ‘Ten geleide’ in Tussen cultuur en politiek, een werk dat een overzicht biedt van de activiteiten van het Algemeen-Nederlands Verbond in de achter ons liggende honderd jaar. Tussen cultuur en politiek is een verzorgd en rijk geïllustreerd

[p. 190]

boek, waarin gedetailleerd verslag wordt gedaan van de wijze waarop het doel van het verbond, ‘de handhaving en de ontplooiing van de Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap waar ook ter wereld’, is nagestreefd.

De geschiedenis van het ANV wordt, net als Gallië, in drie delen verdeeld. Na een beknopt overzicht van de ontwikkelingen in de Nederlandse taal en cultuur tot 1895 (het wordt betreurd dat we zo weinig weten van de omstreeks het begin van onze jaartelling gesproken varianten van het Nederlands, p. 17) volgen stukken over de perioden 1895-1940 (Frank van Berne), 1940-1945 (Pieter van Hees), en 1945-heden (Geert Groothoff en Henk Waltmans). Gelet op het doel van het ANV verbaast het niet dat elke periode eigen problemen en eigen gevoeligheden kent. Ik noem er enkele. Voor de eerste periode ligt het accent op Vlaanderen en de perikelen die te maken hadden met de Eerste Wereldoorlog. Hippoliet Meert, ooit hoogleraar aan de Nederlandstalige universiteit van Gent, vluchtte naar Hannover, waar hij een winkeltje in postzegels en kantoorbenodigdheden begon. Hij werd bij verstek tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld (p. 73). In de jaren 1940-45 wist het bestuur het Verbond behoedzaam door de oorlog heen te loodsen, na een kortstondig voorzitterschap (1940-1941) van de niet onomstreden Leidse hoogleraar Jan de Vries (p. 123-124). De welgestelde joodse intellectueel Mr. H.L.A. Visser, overleden in 1943, liet de helft van zijn vermogen na aan het ANV, waardoor het Visser-Neerlandia Fonds, kern van het werk van het ANV na de Tweede Wereldoorlog (p. 151), kon gaan draaien. In de beschrijving van de naoorlogse periode wordt ook de wisselende relatie met Zuid-Afrika aan de orde gesteld.

Drie bijlagen bieden lijsten met namen van functionarissen binnen het ANV. Er is geen zakenregister, wel een index op personen, waarin evenwel niet de namen uit de bijlagen zijn verwerkt. De in het boek opgenomen foto's en lijsten laten zien dat het ANV vroeger vooral een mannenaangelegenheid is geweest die het odium droeg een ‘deftige club’ (p. 98) van ‘invloedrijke’ heren (cf. p. 239) te zijn. Tussen cultuur en politiek is een gedetailleerde ‘kroniek’ (p. 7), opgeschreven in een vaak wel erg feitelijke stijl en voornamelijk samengesteld op basis van materiaal dat berust in de ANV-archieven in Antwerpen en Den Haag. Er zijn geen voetnoten; er is wel een bescheiden literatuurlijst.

In het laatste hoofdstuk wordt verteld over de plannen voor het instellen van een bijzondere leerstoel Algemeen-Nederlandse cultuur. De aldaar uitgesproken verwachting kon vervuld worden mede dankzij het ANV-Tijmen Knechtfonds dat de benodigde middelen ter beschikking stelde. Op 30 oktober 1995 sprak de Leuvense neerlandicus Ludo Beheydt, benoemd tot bijzonder hoogleraar Cultuur der Nederlanden aan de Universiteit van Amsterdam, zijn inaugurele rede uit onder de titel ‘Kenterende culturele identiteit’. In zijn betoog ging hij onder meer in op de relatie die er bestaat tussen de eigen culturele identiteit en het Nederlands. In Vlaanderen, meer dan in Nederland, wordt die relatie als onlosmakelijk beschouwd. Beheydt keert zich tegen modieus cultuurrelativisme, bestrijdt recent gelanceerde linguïstische legendes en houdt een pleidooi voor cultuurbouw en ‘een open cultuurpolitiek gebaseerd op een besef van culturele identiteit en op het geloof in de volwaardigheid van het Nederlands’ (p. 30). Een uitwerking van Beheydts ideeën over een gezamenlijke Vlaams-Nederlandse taalpolitiek wordt ons in het vooruitzicht gesteld.

 

Jan Noordegraaf

Afrikaans in een veranderende context: taalkundige en letterkundige aspecten / onder red. van Hans Ester en Arjan van Leuvensteijn. - Amsterdam: Suid-Afrikaanse Instituut, 1995. - 350 p.; 23 cm. - (SAI-reeks, ISSN 0926-5783; 5)
ISBN 90-74112-11-0 Prijs: ƒ 29,50 / R 50
- Uitg. n.a.v. een congres georganiseerd door de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, gehouden op 19-21 januari 1994 aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Verkrijgbaar bij Folmer, Posbus 11607, Queenswood 0121, Suid-Afrika.

Dit boek is de neerslag van een congres dat de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek

[p. 191]

in januari 1994 aan de V.U. organiseerde. Het is een redelijk verzorgde verzameling van gemiddeld zeer behoorlijke artikelen over uiteenlopende onderwerpen, waar ieder met belangstelling voor Zuid-Afrika en het Afrikaans iets van zijn gading kan vinden. Een register ontbreekt. De zeventien medewerkers aan de bundel zijn in meerderheid verbonden aan Zuidafrikaanse universiteiten; de minderheid bestaat uit kenners van het Afrikaans ‘extra muros’: Jerzy Koch (Wroclaw), Luc Renders (Diepenbeek) en Hendrik Schott (Keulen). Vijftien bijdragen zijn in het Afrikaans, die van Koch en Renders in het Nederlands. Er zijn drie afdelingen: ‘context’, taalkunde en letterkunde, met drie, vijf en negen bijdragen, maar doordat de taalkunde-artikelen gemiddeld veel langer zijn dan die over letterkunde, krijgen de twee ‘kundes’ vrijwel evenveel ruimte.

Nederlandse lezers zullen vrijwel geen taalproblemen ondervinden; het Standaard-Afrikaans is voor ons goed te begrijpen en iedereen is zuinig met vakbargoens. Wel gaan sommige Zuidafrikaanse auteurs er vanuit dat de lezer meer over hun land weet dan Nederlanders meestal doen.

De inleiding vermeldt dat de initiatiefnemer, de hoogleraar Van der Elst uit Potchefstroom, een congres ‘over de toekomst van het Afrikaans’ op het oog had. Zoals de titel aangeeft, beslaat de bundel een wat breder terrein, al kan men die veelbesproken toekomst, zeg maar de dreigende achteruitgang van het Afrikaans in het nieuwe Zuid-Afrika, toch wel als kern-onderwerp beschouwen.

De eerste afdeling gaat er het directst op in. Hoe is deze achteruitgang te voorkomen? Hier is onder meer belangrijke feitelijke informatie te vinden over de positie van het Afrikaans in de grondwet en in het onderwijs.

Men lijkt het (althans op dit congres) in hoofdzaak met elkaar eens. De keuze voor een nationale eenheidstaal (het Engels) wordt afgewezen, vooral om twee redenen. Ten eerste verstaat nog niet de helft van de inwoners van Zuid-Afrika Engels, ten tweede is een dergelijk beleid ongunstig voor alle andere talen.

In plaats daarvan moeten al de elf nu erkende talen bevorderd worden, bij voorbeeld allemaal schooltaal kunnen zijn (maar natuurlijk niet alle elf in het hele land). In overeenstemming daarmee kiest men ook voor een veelheid van culturen, en tegen het streven naar een nationale cultuur.

De talen en culturen die onder de apartheid zijn achtergesteld, verdienen extra steun. Vanuit de Afrikaanse cultuur moet men zich actief inzetten voor de gewenste cultuurvrijheid. Alleen zo kan die cultuur zichzelf in de nieuwe samenleving onmisbaar maken en kan het Afrikaans ‘ontmitologiseer en ontluis word van die assosiasies met diskriminasie, rassisme, manipulasie en uitbuiting’ (P.H. Swanepoel). Dit is het eerste doel: afbreken van de reputatie van het Afrikaans als onderdrukkerstaal. Hiertoe moeten de ‘onderdrukte Afrikaanssprekendes’, d.w.z. de kleurlingen, die meer dan de helft van de Afrikaans-sprekenden uitmaken, veel nauwer bij de cultuur en vooral bij het onderwijs worden betrokken.

De buitenstaander kan zich hierbij het een en ander afvragen. In de eerste plaats: hoeveel tijd dit programma gegund zal zijn. Vooralsnog is het ANC, de partij met de absolute meerderheid onder de kiezers, voorstander van het Engels als eenheidstaal. Maar de ‘open’ benadering die hier bepleit wordt, verdient hoe dan ook de voorkeur boven het non-alternatief van een geïsoleerde ‘Afrikaner volksstaat’.

Ook een tweede moeilijkheid springt in het oog. De slechte reputatie van het Afrikaans heeft vooral betrekking op het Standaard-Afrikaans, zodat pleidooien voor een soepele opstelling tegenover andere varianten voor de hand liggen. Ze zijn in deze bundel ook te vinden. Maar aan de andere kant is een sterke standaardtaal in elke taalstrijd onmisbaar.

De afdelingen taalkunde en letterkunde sluiten in zoverre bij het hoofdonderwerp aan, dat hier inderdaad vanuit open geest gedacht en geschreven wordt over Afrikaanse onderwerpen, maar niet uitsluitend over de toekomst van het Afrikaans. De ‘veranderende context’ van de titel wordt wat ruimer opgevat, waarbij verschillende auteurs voor deze Amsterdamse gelegenheid extra aandacht besteden aan de band met Nederland.

Bij de taalkunde is dit laatste het geval bij H.J. Lubbe, die Nederlands en Zuidafrikaans fonologisch onderzoek vergelijkt (en daarbij onze landgenoten een veertje op de hoed kan steken), en

[p. 192]

ook in het informatieve artikel van W.P. Rautenbach over de rol van het Nederlands bij de Afrikaanse bijbelvertalingen. In deze afdeling heeft alleen de bijdrage van Barbara Bosch en Vivian de Klerk rechtstreeks met de bedreigde positie van het Afrikaans te maken. Zij hebben in Oost-Kaapland, waar 30% Afrikaans spreekt, 12% Engels en 57% Khosa, een interessant onderzoek gedaan naar hoe mensen uit deze drie groepen aankijken tegen de verschillende talen. De resultaten geven voor de toekomst van het Afrikaans te denken: van de Afrikaanssprekende ondervraagden wil de helft het Engels als schooltaal voor de eigen kinderen, en een nog iets groter deel verlangt het Engels als enige ambtelijke taal. Naast deze bewuste voorkeur voor het Engels tonen de onderzoeksters overigens ook ónbewuste voorkeur voor de eigen taal aan.

De letterkundige artikelen vestigen bijna allemaal de aandacht op ‘vooruitstrevende’ (deels anti-apartheids-) ontwikkelingen in de moderne Afrikaanse literatuur. De nagestreefde open houding tegenover andere culturen bestaat al; in de Afrikaanse literatuur blijkt dat het Afrikaans de reputatie van onderdrukkerstaal niet verdient. Meest besproken schrijver is de romancier Karel Schoeman; zijn werk komt in vier artikelen aan de orde.

Ook enkele letterkundigen hebben oog voor de band met Nederland, bij voorbeeld Schott en Wium van Zyl (zijn beschouwing over Nederlandse bijdragen aan de Afrikaanse letterkunde is eerder bij wijze van voorproef zowel in Zuid-Afrika als in Nederland gepubliceerd, men zie TNTL 111 nr. 3). In een beschouwing over literatuur tussen twee (of meer) culturen geeft F.R. Gilfillan een eervolle plaats aan H.C. ten Berge, terwijl W.F. Jonckheere schrijft over Vincent van Gogh als motief in de Afrikaanse poëzie.

 

Eep Francken

‘Ik heb mijzelf in woorden weggegeven’: K. Heeroma als literator / Dirk Zwart (red.). - Rotterdam: Bloknoot, 1996. - 208 p.: ill.; 24 cm. - (Bloknoot, ISSN 0927-9962; 10) Prijs f 25, -
- Themanummer Bloknoot, christelijk literair tijdschrift. Te bestellen bij Bloknoot, Noordsingel 51a, 3035 EJ Rotterdam, tel. 010-4666862.

De vertraging die dit themanummer van Bloknoot opliep, blijkt voor de liefhebbers een ‘blessing in disguise’ te zijn, want tijdens de verlengde voorbereiding kon het nummer uitgroeien tot een ‘special’ van behoorlijke omvang. ‘Ik heb mijzelf in woorden weggegeven’ is gewijd aan de neerlandicus Klaas Hanzen Heeroma (1909-1972), als dichter bekend onder de naam Muus Jacobse. Er zijn veel illustraties in opgenomen, deels onbekend materiaal uit het familie-archief. De befaamde foto waarop men de vierde generatie WNT-redacteuren en assistenten in 1948 aan het werk ziet in de Leidse UB, ontbreekt uiteraard niet.

Als overzicht van leven en werken van K.H. Heeroma, leerling van Albert Verwey, WNT-redacteur, hoogleraar Nederlands te Batavia en hoogleraar Nedersaksisch te Groningen, dient een herdruk van het levensbericht dat P.J. Meertens voor de Maatschappij over Heeroma schreef. Daarna volgen zes beschouwingen van vrienden en tijdgenoten (J.W. Schulte Nordholt, Gerrit Kamphuis e.a.); ze zijn gewijd aan de huisvriend, dichter en essayist die Heeroma was. Redacteur Dirk Zwart biedt daarna een gedetailleerde, zeventig pagina's tellende studie over ‘K. Heeroma en “Het derde réveil”’, en vervolgens een artikel over de poëzie van Muus Jacobse. Afzonderlijke bijdragen zijn gewijd aan Heeroma's kerkliederen en z'n taaltheologie. Johan Oosterman maakt de balans op van hetgeen Heeroma als mediëvist het vak heeft nagelaten. Na een herdruk van een tweetal weinig bekende stukken van Muus Jacobse wordt dit boek besloten met een primaire bibliografie (van poëzie en van beschouwend proza) en een beknopte secundaire bibliografie. Er is wel een rubriek met de ‘personalia’ van de auteurs, maar er zijn helaas geen registers.

De literator Heeroma heeft in het interbellum een interessante rol gespeeld in het protestants-christelijk letterkundig leven; daarin ligt dan ook de aanleiding tot dit themanummer. De redactie wijst erop dat de opzet van het boek ‘allicht’ leidt tot een ‘wat brokkelig’ beeld. Terecht, dunkt me. Heeroma is een veelzijdig mens geweest en een productief scribent die

[p. 193]

ook de nodige weerstanden wist op te roepen. Daarom zijn er nog wel wat losse draden af te hechten. Er blijkt materiaal genoeg te zijn, ook voor de geïnteresseerde taalkundige.

Het nummer telt 208 pagina's. Een abonnement op Bloknoot (vier nummers per jaar) kost f 55,-

 

Jan Noordegraaf

A bibliography of Dutch dictionaries / Frans Claes, Peter Bakema. - Tübingen: Niemeyer, 1995. - xviii, 377 p.; 24 cm. - (Lexicographica. series Maior, ISSN 0175-9264; 67)
ISBN 3-484-30967-9 Prijs: DM 196, -

Deze opvolger van Claes' A Bibliography of Netherlandic Dictionaries (1980) is tot stand gekomen op initiatief van enkele Leuvense taalgeleerden. Had Claes tot 1984 persoonlijk nog een duizendtal aanvullingen en verbeteringen opgetekend, tijdgebrek dwong hem daarna die activiteiten te staken. Om gezondheidsredenen stond hij begin 1991 zijn materiaal definitief af aan de KU Leuven, zoals hij in 1992 elders meedeelde. De verantwoordelijkheid van deze uitgave berust dus geheel bij de tweede auteur, zoals uit de wat cryptische een na laatste zin van de inleiding valt op te maken. Dat de bibliografie niet alleen is gebaseerd op ‘l'annotation systématique des références’, maar mede steunt op ‘la compétence de diverses personnes dans le domaine de la lexicographie néerlandaise’ (Franse samenvatting op p. 377), doet daar niets aan af. Maar het is goed te weten dat enkele tientallen deskundigen, onder wie diverse leden van het Matthias de Vriesgenootschap van woordenboekliefhebbers, ‘substantial comments’ hebben kunnen leveren.

Het werk van Claes is door een kenner ooit een ‘verbluffende verzameling van titels en bijbehorende gegevens’ genoemd, wat kritische kanttekeningen beslist niet uitsloot. Bakema's Bibliography of Dutch Dictionaries nu is een ‘extended edition’ van Claes' boek uit 1980 en streeft ernaar, een ‘practical reference work’ te zijn. Het aantal ingangen is gestegen van 3000 naar 4500. Het oudste genoemde werk is de Teuthonista of Duytschlender (1477) van Gerard van der Schueren (p. 135). Ik noem hier enkele majeure wijzigingen t.o.v. de vorige editie. In deze herziene uitgave zijn ook biografische woordenboeken en encyclopedieën opgenomen. Voor de laatste categorie wordt alleen voor de periode 1477-1900 volledigheid geclaimd. Wat betreft de macrostructuur is gekozen voor een primaire ordening naar thema in plaats van ordening naar het aantal behandelde talen. Wie alles wil weten over de puzzelwoordenboeken van Dr. Verschuyl vindt in de rubriek ‘Puzzle’ een twaalftal nummers hierover. Binnen de (sub)rubrieken is een alfabetische opzet gevolgd. Daarmee is het werk veel meer gebruikersvriendelijk geworden.

Hoe is het net verder geknoopt? Er is een index van auteurs opgenomen en een index van talen. De functie van een index rerum wordt overgenomen door de opsomming van de eerder genoemde thema's in de inhoudsopgave. Voor sommige gebruikers was waarschijnlijk een bijlage met daarin een beknopte chronologische lijst een welkom hulpmiddel geweest. Al met al vermeldt de Bibliography zeer uiteenlopend werk: een Curriculum vitae van de ministers en staatssecretarissen van de Belgische regering uit 1983; Ten Kate's Aenleiding uit 1723; Lodewicks Literaire kunst (een editie uit 1983); Jac. (niet: Jacob, zoals op p. 18) van Ginnekens Drie Waterlandsche dialecten (1954). Ruysendaals Terminografische index op de oudste Nederlandse grammaticale werken (1989) ontbreekt.

In de inleiding wordt gewaarschuwd dat een bibliografie van deze omvang uitputtend noch volmaakt kan zijn, zeker waar het de soms zeer gecompliceerde publicatiegeschiedenis van diverse woordenboekjes betreft. Dat lijkt me juist. De waarde van een naslagwerk als dit laat zich daarom alleen in de praktijk van een groot aantal goed ingevoerde gebruikers bewijzen.

 

Jan Noordegraaf

[p. 194]

Nederlands, een en veelzijdig: een selectie artikelen van Guido Geerts, hem aangeboden ter gelegenheid van zijn emeritaat. - Leuven: Universitaire Pers Leuven, 1995. - 287 p.: portr.; 25 cm. - (Symbolae facultatis litterarum Lovaniensis. series A; 19)
ISBN 90-6186-694-4 Prijs: BF 1750

Op 5 mei 1995 werd Guido Geerts zestig en op 1 oktober 1995 trad hij terug als hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de K.U. Leuven. Ter gelegenheid van zijn emeritaat hebben Willy Smedts en William van Belle een bundel samengesteld uit de artikelen die Geerts tussen 1955 en 1995 heeft geschreven. Daarbij hebben ze zich beperkt tot de Nederlandstalige artikelen en geen artikelen opgenomen die Geerts in samenwerking met anderen schreef.

De dissertatie van Geerts uit 1966 ging over de ontwikkeling van het genus in de zeventiende eeuw; de genusproblematiek, in verleden en heden, komt terug in vier artikelen in deze bundel. Geerts is echter het meest bekend als co-auteur van de grote Van Dale, als één van de redacteuren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst en als voorzitter van de laatste spellingcommissie. Hiermee zijn drie andere belangrijke onderwerpen van de bundel genoemd. In de artikelen over de Van Dale en de ANS gaat Geerts vooral in op de problematiek van taalnormering, niet in de laatste plaats voor Vlaamse gebruikers van deze werken. Taalvariatie en normering in Vlaanderen zijn ook in de overige artikelen regelmatig terugkerende onderwerpen. Een aantal van deze stukken is taalpolitiek van aard, maar de bundel bevat ook een aantal van de concrete taaladviezen die Geerts schreef in het tijdschrijft Taalbeheersing in de Praktijk. Drie artikelen gaan over het taalgebruik van Hugo Claus, met name in Het verdriet van België. Op het terrein van de spelling bevat de bundel onder meer een overzicht van spellinghervormingen in Duitsland, Groot-Britannië en Frankrijk, en een heldere uiteenzetting over de beruchte tussenklankproblemen (als in pereboom en druiventros). In het laatstgenoemde artikel, oorspronkelijk verschenen in 1989, presenteert Geerts al het voorstel om de tussenklank -e- als -en- te schrijven wanneer het eerste lid een meervoud op -en heeft.

Tot slot bevat de bundel een volledige bibliografie van het werk van Guido Geerts.

 

Ronny Boogaart

Zingen in een kleine taal: de positie van het Nederlands in de muziek / onder red. van Louis Peter Grijp. - Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 1995. - p. 151-329.: ill.; 24 cm. - (Volkskundig bulletin, ISSN 0166-0667; jrg. 21, [nr.] 2 (oktober 1995))
ISBN 90-70389-48-7 Prijs: ƒ 25, -

In september 1994 organiseerde het P.J. Meertens-instituut een symposium onder de titel ‘Zingen in een kleine taal’; de lezingen die op die dag ten gehore gebracht werden, zijn nu gebundeld in een themanummer van het Volkskundig bulletin. Wie achter het woord ‘kleine’ uit de titel politieke bedoelingen vermoedt, kan gerustgesteld worden: de bedoeling van het symposium was niet het Nederlands te kleineren, maar te wijzen op de beperkte betekenis die deze taal internationaal gezien als drager van muzikale composities heeft. Een van de oorzaken daarvan is de geografische ligging van het taalgebied, ingeklemd tussen drie ‘grote’ talen (Engels, Duits, Frans) met elk een invloedrijke culturele traditie; een andere reden is de dominante positie van het Italiaans als muziektaal. Niettemin heeft het Nederlands een enorme hoeveelheid liederen en andere vocale werken voortgebracht, een productie die ook heden ten dage voortgaat - men denke bijvoorbeeld aan rock- en rapteksten, musicals en opera's.

De opzet van het symposium was een zo breed mogelijk spectrum van de muzikale mogelijkheiden van het Nederlands door de eeuwen heen aan de orde te laten komen, met uitzondering van zangtechnische aspecten en - zeer tot spijt van de organisatoren - ook het Vlaamse taalgebied, maar inclusief concurrenten voor het Nederlands als de dialecten en het Fries. In de artikelen komt een heel scala van invalshoeken aan bod: behalve aan artistieke, ideologi-

[p. 195]

sche en commerciële aspecten wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan genre-conventies en verwachtingspatronen bij kunstenaars en publiek. Juist deze diversteit - naast de Souterliedekens staan onder meer Huub Oosterhuis en het Songfestival - verdiept het thema en stimuleert de lezer tot beschouwingen op meta-niveau. Een korte inhoudsopgave moge dit illustreren: L.P. Grijp verzorgt een algemene beschouwing (‘De muzikale taalkeuze van Nederland’) en een artikel over zingen in dialect (‘Muziek, taal en regionale identiteit’); M. Streevelaar belicht ‘Het vergeten verleden van de nederlandstalige opera’, terwijl J. Vos ingaat op ‘Frits Coers en het Nederlandse lied’. A. Vernooij onderzoekt ‘De ware taal van het lied in liturgie en devotie’, R. de Groot ‘De taalkeuze in de hedendaagse Nederlandse muziek’. J. van Marle gaat in ‘Standaardtaal of dialect’ in op het probleem van de taalkeuze en P. Rutten beziet de ‘Nederlandstalige popmuziek’ als een synthese van de eigen en mondiale cultuur. Alle artikelen zijn voorzien van een Engelstalige samenvatting.

 

Lia van Gemert

De grote schouwburg: schildersbiografieën van Arnold Houbraken / samenst.: Jan Konst en Manfred Sellink. - Amsterdam: Querido, 1995. - 175 p.: ill.; 19 cm. - (Griffioen)
- Uitg. gebaseerd op: De Groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. - Amsterdam: Israël, 1976. - Fotomech. herdr. van de 2e herz. ed.: 's-Gravenhage: Swart [etc.], 1753.
ISBN 90-214-0584-9 Prijs: ƒ 12,50

Rond 1715 begon de schilder Arnold Houbraken (1660-1719) met het schrijven van een handboek over zeventiende- en achttiende-eeuwse schilders uit de Nederlanden. Het verscheen in drie delen onder de titel De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1719-1721) en was bedoeld als een vervolg op het beroemde Schilder-boeck (1604) van Karel van Mander. Bij het vervaardigen van zijn schildersbiografieën baseerde Houbraken zich op bronnen van uiteenlopende aard, zoals gepubliceerd materiaal, manuscripten en grafschriften. Daarnaast verwerkte hij graag mededelingen van mensen die een bepaalde schilder persoonlijk gekend hadden. Ruime aandacht schonk hij aan het karakter van een schilder, dat zich volgens hem vaak manifesteerde in diens oeuvre. Kenmerkend voor Houbrakens levensbeschrijvingen zijn verder de anekdotes waarmee ze zijn doorspekt, en de moraliserende en kunsttheoretische uitweidingen.

Op basis van de (facsimile-editie van de) licht gewijzigde herdruk van De Groote Schouburgh uit 1753 hebben Jan Konst en Manfred Sellink een Griffioendeeltje samengesteld dat levensbeschrijvingen bevat van veertien zeventiende-eeuwse schilders: Hercules Segers, Pieter Bodding van Laer, Adriaen Brouwer, Rembrandt van Rijn, Anna Maria van Schurman, Gerrit Dou, Govert Flinck, Emanuel de Witte, Philips Wouwermans, Claes Berchem, Jan Baptist Weenix, Paulus Potter, Jan Steen en Melchior d'Hondecoeter. Zij hebben juist voor de biografieën van bovenstaande kunstenaars gekozen omdat die volgens hen representatief zijn voor Houbrakens werkwijze en tevens een aardige indruk geven van het genre van de schildersbiografie. Nadat de bloemlezers in een nawoord zijn ingegaan op de geschiedenis van dat genre, schetsen zij kort het leven van Houbraken en geven een karakterisering van De Groote Schouburgh. De daaropvolgende bibliografie bevat verwijzingen naar (voor het merendeel recente) publicaties over schildersbiografieën, Nederlandse schilderkunst in de zeventiende eeuw en de behandelde schilders. Vreemd genoeg wordt daarin geen melding gemaakt van de door P.T.A. Swillens in drie delen uitgegeven editie van de eerste druk van De Groote Schouburgh (1943-1953). De pagina's 145-173 van dit Griffioendeeltje zijn gevuld met aantekeningen. Per schilder wordt daarbij Houbrakens visie bekeken in het licht van wat er tegenwoordig over een bepaalde kunstenaar bekend is. Tevens vindt men daarin gegevens over personen, gebeurtenissen en schilderijen waaraan in de tekst gerefereerd wordt.

Momenteel wordt van De Groote Schouburgh - een van de belangrijkste en meest betrouw-

[p. 196]

bare bronnen voor onze kennis van de schilders uit de Gouden Eeuw - een kritische, volledig geannoteerde tekstuitgave voorbereid. De vlot hertaalde en met 32 afbeeldingen rijk geïllustreerde bloemlezing die Jan Konst en Manfred Sellink van dat boek hebben gemaakt, kan gezien worden als een smakelijk voorafje.

 

Roland de Bonth

Het bloedig moord-thonneel in Don Renory / Jacobus de Ridder; met inleiding over het Europese gruwelspel. - Brussel: Facultés Universitaires Saint-Louis, 1995. - 2 dl.; 25 cm. - (Cahier / Studiecentrum 18de-eeuwse Zuidnederlandse Letterkunde; 11A-B)
- Dl. A: Inleiding en tekst / Kaere Langvik-Johannessen. - 49 + 45 p. Dl. B: Woord- en tekstverklaring / Werner Waterschoot. - 37 p.
Prijs: BF 500 / ƒ 31, -

Zoals hij in zijn studie over de Brusselse hoofdtonelen al had aangekondigd, heeft Kåre Langvik-Johannessen nu een editie gepubliceerd van dit bloedige treurspel van de onderwijzer aan de stadsschool van Ninove Jacobus de Ridder. Het is een facsimile-editie, met een uitvoerige inleiding, en met woordverklaringen in een apart deel. Omdat er nog altijd maar weinig Zuidnederlandse toneelteksten toegankelijk gemaakt zijn, is deze uitgave een welkome aanvulling. De woordverklaringen zijn overvloedig, misschien zelfs te overvloedig, hoewel - het spel speelt op Mallorca - een explicatie van het verschil tussen een ‘Barbâersche slaaf’ en ‘Inlandse’ slaven nog wel te wensen was (p. 2). Overigens is het verbazingwekkend hoezeer het taalgebruik van deze Zuidnederlander aansluit bij dat van de Amsterdamse toneelschrijvers. Het is jammer, dat de beide editeurs in hun biografische gegevens op p. 2 van beide delen erg langs elkaar heen werken.

Er worden geen bibliografische inlichtingen gegeven over het voor de facsimile gebruikte exemplaar. Is dit ook het exemplaar van de UB Gent, dat voor de woordverklaringen gebruikt is? Aan het gebruikte exemplaar ontbreken in ieder geval enkele stukjes, die met de tikmachine en de balpen gerestaureerd zijn (maar niet volledig). Het exemplaar van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde had gebruikt kunnen worden om tot een complete tekst te komen.

De inleiding van Langvik-Johannessen geeft nauwelijks een analyse van het spel. Worp wees al de door De Ridder gebruikte bron aan, namelijk het dertiende verhaal uit het tweede deel van Bandello's Tragische historien, in het Nederlands vertaald door M. Everaerts: ‘Hoe dat een Moor, die slave was, gheslaghen zijnde van synen Heere, daer over wrake nam met een groote ende zeer wonderlijcke wreetheyt’. Langvik-Johannessen noemt deze bronvermelding ‘slechts ten dele juist’, en inderdaad heeft De Ridder het verhaal uitgebreid en veranderd. Maar het thema van de redeloze wraak en de machteloze woede is daarmee alleen maar versterkt. Het zou mooi geweest zijn, als aan deze uitgave van het toneelstuk ook de tekst van Bandello/Everaerts was toegevoegd; de lezer had dan de uitbreiding door De Ridder en de gevolgen daarvan voor de karaktertekening der personages zelf goed kunnen volgen. Nu is men aangewezen op de summiere mededelingen van Langvik-Johannessen, die ook niet uitmunten door nauwkeurigheid: op p. 13 spreekt hij van ‘Ermissano’ waar de exemplaren in de KB te Den Haag ‘Ernizzano’ hebben, en zegt hij dat ‘Faxa’ (moet zijn: Faxta) in het verhaal voorkomt, wat niet juist is. Ook elders permitteert de editeur zich opvallend veel transcriptiefouten: hij beweert dat in een treurspel van Herzog Heinrich Julius von Braunschweig raadsheren ‘Hipocrita’ en ‘Sedetiosus’ voorkomen, en dat deze laatste naam is afgeleid van ‘sedetio’. Ik ken alleen een Latijns woord seditio, en bij controle bleken de raadsheren inderdaad ‘Hypocrita’ en ‘Seditiosus’ te heten.

Don Renory is een gruwelijk drama - de vadermoordenaar ziet zijn familie uitgeroeid worden en wordt gedwongen zichzelf gruwelijk te verminken. Dat geeft Langvik-Johannessen aanleiding een ‘inleiding over het Europese gruwelspel’ in te lassen. Dit is een verhandeling

[p. 197]

van ruim dertig bladzijden, waarin de gruwelijke elementen in het werk van Seneca, Shakespeare, Jan Vos, Geeraerdt Brandt, Braunschweig (met zijn Nederlandssprekende komiek), het Weense toneel, Robert Garnier, Virey du Gravier, Causinus, Biderman, Gryphius en Lohenstein worden naverteld. Dat is op zich niet erg, maar wel dat de navertellingen zeer oppervlakkig zijn, soms niet op het stuk maar op de synopsis gebaseerd (zoals in het geval van De veinzende Torquatus door Brandt), en dat zij opgesteld zijn zonder aandacht voor de opvoeringspraktijk van die dagen: Juliane wordt in het spel van Brandt door keizer Noron verkracht, wat Langvik-Johannessen aan bepaalde moderne bioscoopfilms doet denken; maar dit spel dateert uit 1644, en was al driemaal gedrukt voordat de eerste vrouwelijke toneelspelers op de Amsterdamse schouwburg speelden. Verbazingwekkend is de vergelijking (op p. 37) van de ‘martelaarsschilderijen waarop de ingewanden uit de buik van de martelaren getrokken worden’ met De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp door Rembrandt - toch een bijzonder ingetogen schilderij van een zeer vreedzame sectie. Nog verbazingwekkender is de conclusie van deze hele tirade (p. 49): ‘deze afloop van de persoonlijke tragedie van Don Renory kan alleen met de tragiek van koning Oidipous bij Sofokles worden vergeleken’. Oedipus is een drager van het noodlot, die door helder en moedig redeneren tot inzicht in zijn eigen schuld komt; Don Renory een hebzuchtige en paranoïde vadermoordenaar, die met instemming van het publiek gestraft wordt, al zal de toeschouwer het zielig vinden dat ook zijn vrouw, zijn personeel en zijn kleine kindertjes daar het slachtoffer van worden. Groter verschil tussen twee toneelpersonages is naar mijn idee haast niet denkbaar, en Langvik-Johannessen geeft ook geen argumenten voor zijn onthutsende conclusie.

Van groot belang is de facsimile-uitgave van het Handschrift Goethals 443 uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, dat gegevens over De Ridder bevat, waarover Langvik-Johannessen al eerder in Spiegel der letteren een artikel schreef. Wij moeten hopen, dat het Brusselse studiecentrum belangrijke en moeilijk toegankelijke stukken zoals dit treurspel en dit handschrift wil blijven publiceren. Hun opmaak wordt steeds beter. Als zij weer Duitse citaten te drukken hebben kunnen zij (bij gebrek aan een font met een ß) beter ‘sz’ transcriberen dan een Griekse β te gebruiken.

 

Ton Harmsen

Verzen / Willem Kloos; bezorgd door P. Kralt. - Amsterdam: Amsterdam University Press, cop. 1995. - VII, 119 p.; 24 cm. - (Alfa)
- Oorspr. uitg.: Amsterdam: Versluys, 1894.
ISBN 90-5356-149-8 Prijs: ƒ 25, -

Wat deze bloemlezing meer nog dan vroegere onderstreept, is dat Willem Kloos de dichter is van één bundel. Zijn roem berust op de gedichten die hij geschreven heeft tussen 1880 en 1894. Hij debuteerde met het dramatische fragment Rhodopis in mei 1880 en een jaar later schreef hij een reeks van vier sonnetten: Charaxes aan Rhodopis. Al sinds Albert Verwey is de gangbare opvatting in de literatuurgeschiedenis dat Rhodopis de aankondiging is van een talentvol dichter, die definitief doorbreekt met de vier sonnetten een jaar later. Dit was de ‘nieuwe poëzie’, of zoals P. Kralt het omschrijft: ‘Woordkeus en beeldspraak zijn gedurfd, de toon is krachtig, het liefdesgevoel hartstochtelijk’ (p. 1). En vooral dat laatste is kenmerkend voor de poëzie van Kloos: bijna al zijn gedichten gaan over de liefde. Wellicht is dat ook de reden dat zijn dichterlijke loopbaan zoveel weg heeft van een komeet. Als het in zijn privéleven gedaan is met de grote liefde, is het ook voorbij met de grote poëzie. Het zijn vooral de homo-erotische vriendschappen met achtereenvolgens Jacques Perk (1880-1881) en Albert Verwey (1881-1888), die Kloos tot zijn gedichten hebben geïnspireerd. In 1894 bundelde hij bijna alles wat hij tot dan toe geschreven had in Verzen. Het is niet zo dat Kloos daarna niets meer geschreven heeft - in 1902 en 1913 verschenen nog Verzen II en Verzen III en veel van zijn werk bleef ongebundeld -, maar wat ‘hij daarna produceerde, kan de toets der kritiek niet doorstaan’ (p. 5). Kralt heeft dus alle reden om zich voor een bloemlezing uit Kloos' poëzie

[p. 198]

tot deze eerste bundel te beperken. Ook eerdere bloemlezers als Hubert Michaël (1965) en Harry Prick (1980) hebben dat in feite gedaan. Maar toch heeft de strikte beperking van Kralt tot alleen Verzen een nadeel. Hierdoor kon de eerder genoemde, belangrijke sonnettenreeks Charaxes aan Rhodopis, die in eerdere bloemlezingen niet ontbreekt, niet worden opgenomen. Een nog groter nadeel is, dat de bundel Verzen zo buitengewoon slordig is samengesteld. Om Harry Prick in de inleiding bij zijn bloemlezing te citeren: ‘Er is dan ook in onze literatuur geen tweede verzamelbundel aanwijsbaar die zo lukraak in elkaar werd gezet: met verwaarlozing, respectievelijk verstoring van de chronologie, met schrapping van bijna alle oorspronkelijk titels en met volledige weglating van - overigens niet talrijke - opdrachten; dit alles ook nog ontsierd door ontoelaatbare slordigheden’. Het had daarom meer voor de hand gelegen om deze bloemlezing niet uitsluitend op Verzen te baseren, maar om een editie te verzorgen, waarin de poëzie van Kloos beter tot zijn recht komt. Kralt had dat ook gemakkelijk kunnen doen. Zelf schrijft hij dat er een ‘vrij volledige reconstructie mogelijk’ is van de volgorde waarin deze gedichten geschreven zijn. En vervolgens toont hij in zijn inleiding aan dat er op grond van die reconstructie een indeling in drie fasen te maken valt, waarin Kloos' poëzie een duidelijke ontwikkeling doormaakt (p. 5-7). Maar bij het afdrukken van de gedichten kiest hij vervolgens weer voor de ‘verstoorde’ volgorde. Een gemiste kans dus. Maar de lezer kan zich troosten met de gedachte dat afgezien van de vier genoemde sonnetten alle bekende gedichten erin staan. En in de annotaties worden de ‘slordigheden’ gecorrigeerd, de oorspronkelijke titels weer vermeld, de gedichten zo nauwkeurig mogelijk gedateerd, en degenen aan wie ze waren opgedragen bij name genoemd. Met plakband en schaar kan men zo alsnog de editie maken, die Kralt heeft laten liggen.

 

Olf Praamstra