De in de koloniën gebruikte kaas wordt nagenoeg uitsluitend uit Nederland ingevoerd, in den regel in kistjes. De waarde van den invoer bedroeg voor Suriname in 1911 ƒ93024, in 1912 ƒ91857 en in 1913 ƒ90.099, voor de kolonie Curaçao in 1911 ƒ24490, in 1912 ƒ38975. en in 1913 ƒ43760.
Eertijds werd in Suriname op de meeste plantages voor eigen gebruik een kaassoort gemaakt, zeer goed van smaak, maar die niet kon bewaard worden. Waar men op Curaçao te ver van de hoofdplaats woont om de melk van koeien en geiten daarheen ten verkoop te kunnen brengen, worden er kaasjes (keesji boericoe, pap.) van gemaakt in het bijzonder van geitenmelk; met behulp van leb slaat men de kaasstof neer; deze wordt uitgeperst, daarna even in kokend water gebracht, dan gekneed en in vormen gedaan. Na 2 à 3 dagen is het product gereed voor verbruik. Echte kaas is dit niet, daar men, door het koken, de bacteriën die de ontleding tot kaas teweeg zouden moeten brengen, doodt. Twee liters melk zijn noodig voor één kaasje, welk voor 25 cent wordt verkocht. Op St. Martin is meer dan eens het kaasmaken beproefd maar nooit gelukt, waarschijnlijk omdat de temperatuur te hoog en ijs er niet verkrijgbaar is. (Zie Prof. F.A.F.C. Went, Rapp. omtrent den toestand v. land- en tuinbouw op de Ned. Antillen. 1902, blz. 19 en 45, R.H. Rijkens, Curaçao, Tiel 1907, blz. 48).
Omtrent de verschillende ambachten en bedrijven vindt men in de officieele bescheiden zeer weinige gegevens. Voor den arbeid van ‘sjouwers, waagdragers en kruyers’ in Suriname was reeds bij Publ. van 11 Maart 1817 (G.B. no. 8) een tarief vastgesteld. Zij werden tevens onder opzicht gesteld van een commissaris, aan wien door den werkgever het loon moest worden betaald. Deze commissaris was niet alleen verplicht de noodige slaven voor zijne rekening te huren en te zorgen dat hij altijd een genoegzaam aantal in zijn dienst had, maar ook om, boven den huurprijs, dien hij aan den meester betaalde, aan iederen slaaf tot diens onderhoud wekelijks nog te geven ƒ2.10 en ‘iederen avond een glas dram of anderen gewonen sterken drank.’ Deze regeling werd bij Publ. van 24 Dec. 1853 (G.B. no. 12) vervangen door een andere waarbij de commissaris verviel. In 1857 (G.B. no. 22) werd deze regeling weer ingetrokken. Thans zijn de bedrijven van sjouwer, kruier, karreman, besteller en roeier geregeld bij verord. van 23 Jan. 1899 (G.B. no. 7), die toelating vordert door den Commissaris van Politie, een loon vaststelt en bepaalt dat de toegelatenen de van hen gevorderde diensten niet mogen weigeren. De regeling geldt alleen voor hen, die in het openbaar hun diensten aanbieden. (Zie hierover het Rapport der Suriname-commissie blz. 206 en 207).
Het Koloniaal Bestuur, gegevens willende verzamelen omtrent de verschillende bedrijven, stelde - in afwachting van eene regeling bij verordening - bij resolutie van 22 Sept. 1913 no. 4189 eene kamer van arbeid in, welke tot taak heeft het inwinnen en verzamelen van gegevens betreffende de toestanden in de verschillende bedrijven (bosch- en landbouwbedrijven uitgezonderd) het verzamelen van statistieken daaromtrent, het geven van adviezen, het doen van voorstellen aan het bestuur den vakarbeid betreffende en het in studie nemen van de instelling van een arbeidsbeurs. Jaarlijks vóór 1 April dient de kamer aan den Gouverneur een verslag in van hare werkzaamheiden in het afgeloopen jaar.
De uitschakeling van bosch- en landbouwbedrijven vindt, voor zooveel de eerste betreft, waarschijnlijk haar grond in het tot stand komen van de verordening van 24 Juni 1911, gewijzigd bij die van 4 Juni 1914 (G.B. no. 36) tot vaststelling van eene arbeidsverordening, regelende de overeenkomsten van huur en verhuur van diensten van arbeiders voor het onderzoek naar de aanwezigheid en de ontginning of oxploitatie van delfstoffen, houtsoorten, balata en andere boschproducten. Hierbij is een livretten-stelsel ingevoerd, die het verzamelen van statistieke en andere gegevens zeer gemakkelijk maakt.
Op Curaçao bestaat geen kamer van arbeid. Voor een deel wordt haar werk gedaan door de kamer van koophandel en nijverheid (Zie aldaar). Omtrent de loonberekening van en het politietoezicht op de sjouwerlieden bevatten de Publicatiën van 1863 no. 31 en 1865 no. 5 voorschriften.
In 1890 werd te Paramaribo een K. van K. en F. ingesteld (G.B. no. 19) die echter geen levensvatbaarheid bleek te bezitten en in 1894 (G.B. no. 23) werd opgeheven. Bij verordening van 14 Jan. 1910 (G.B. no. 11) werd op nieuw een zoodanige kamer ingesteld, die bevoegd is 1o. het Koloniaal Bestuur en het bestuur van andere gemeenschappen, binnen welker gebied zij gevestigd is, hetzij uit zich zelve, hetzij op daartoe haar te kennen gegeven verlangen, inlichtingen te geven, adviezen uit te brengen of voorstellen te doen in zake onderwerpen, die den handel of de nijverheid betreffen, 2o. aan hen, die bij den handel en (of) nijverheid betrokken zijn, zoodanige mededeelingen te doen als bedoelde besturen zullen verlangen of als zij zelve in het belang van handel en (of) nijverheid noodig of nuttig zal achten.
Van de Kamer verschenen reeds overzichten van hare werkzaamheden in 1911 en 1912 en verslag over 1913, dit laatste ook in het Engelsch vertaald.
Op Curaçao dagteekent deze instelling van 1884 (Publ. bl. no. 11). De bestemming der kamer is: aan den Gouverneur, aan kooplieden, landeigenaren en ondernemers adviezen en inlichtingen te geven omtrent onderwerpen den handel, den landbouw en de nijverheid betreffende. De leden worden gekozen. In 1886 (Publ. bl. no. 20) werd de verordening herzien. Bij een herziening in 1905 (Publ. bl. no. 7) werd het getal leden, dat eerst 7 bedroeg, op 9 gebracht. Het reglement van orde werd bij Publ. 1905 bl. no. 25 goedgekeurd.
n.e. Volgens Focke, Neger-Engelsch woordenboek ‘een gewas dat tegen de boomen klimt’ en waarvan de stengel in 't bosch als touw wordt gebruikt. Bij de Saramaccaner boschnegers heet het sipò. Martin, Westindische Skizzen, blz. 69, vermeldt onder den naam kamina een palmsoort van 5 meter hoogte, met vele witte ringen om den stam, waarschijnlijk een Astrocaryum-soort.
Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 102, BOSCHNEGERS blz. 162 en BOVENL. INDIANEN, blz. 171 en 176.
n.e. Aan de Kongo nkandoe. Beschermingsmiddel der Boschnegers van hun eigendom (huis, kostgrond, enz.). Hiertoe kan elk mogelijk voorwerp dienen, naar de fantasie van hem, die de kandoe plaatst, b.v. een met den steel in de aarde gestoken schop of andere stok waaraan gebonden een wit of gekleurd lapje, houtspanen, een rood en zwart geschilderde koehoorn, de schaal van een schildpad, een bezem gemaakt van den vruchttros van den palissadepalm, een stuk van een termietennest, enz. enz. De boschneger weet dat zulk een kandoe zijn eigendom afdoende beschermt. Ook reizigers nemen dit middel te baat, wanneer zij in hun kamp goederen onbeheerd moeten achterlaten. Zie Kappler, Surinam, blz. 264, Verslag der Coppename-expeditie, blz. 58, Verslag van de Saramacca-expeditie, blz. 153, Verslag der Toemoekhoemak-expeditie, blz. 217, H. Weiss. Ons Suriname, blz. 64. Men vindt deze manier van bescherming des eigendoms op ver uiteenliggende plaatsen van de wereld.
sur. (n.e. Kanti) noemt men in Suriname de eigenaardige wijze waarop de negerin haar zuigeling pap toedient. Zij legt daartoe het kind op haar schoot, met het hoofd achterover op haar knieën. Met de eene hand houdt zij den neus van het kind dicht en met de andere giet ze het pap in den mond tot 't kind vol en zijn buik gespannen is als een tromvel. Dit heet dan in den volksmond sokà. Daarna blaast zij het een paar malen krachtig in den neus om de daarin aanwezige pap naar onderen te brengen; soms wordt, om na te spoelen, een mondje water op dezelfde wijze ingegoten. Onder dit alles gilt het wicht en spartelt het met de beentjes, die door de moeder met den ellenboog worden vastgehouden. Op dezelfde wijze worden water en medicijnen toegediend. Het einde van de kunstbewerking is dat de moeder het kind een paar maal in de hoogte gooit om de pap goed te doen ‘zakken’. Dit voor de kinderen hoogst nadeelige gebruik is met de negers uit Afrika gekomen en reeds door Hartsinck II, 911 beschreven. Zie ook F.A. Kuhn, Beschouwing v.d. toestand der Surin. plantageslaven, Amst. 1828, blz. 33 en M.D. Teenstra, De Landb. in de Kol. Suriname, Gron. 1835, II, 187. En voor een analoge O.-Ind, manier van voeden: Reisverhaal Sumatra-Exped. Leiden, 1881, I, 127.
porceleinaarde, komt in Suriname op vele plaatsen in zeer zuiveren toestand voor (Zie AARDKUNDE, blz. 14). Volgens berichten in de Surinaamsche nieuwsbladen is men in 1911 begonnen met den uitvoer van deze stof ten einde na te gaan of een loonende ontginning mogelijk is. In het Kol. Verslag wordt Kaolin niet genoemd onder de artikelen van uitvoer; het is wellicht begrepen in de ‘diverse ongenoemde artikelen.’ Ook Rodway, Guiana, 1912, blz. 34 deelt mede dat kaolin verscheept is, maar nog geen geschikte markt heeft gevonden. Volgens een mededeeling in Bulletin 52 (1913) van het Kol. Museum te Haarlem heeft een Amsterd. firma getracht het product uit Suriname te zuiveren en het gezuiverde product te exploiteeren.
geb. te Mannheim 10 Nov. 1815, verliet na de lagere school bezocht te hebben en eenigen tijd in den handel werkzaam te zijn geweest, in 1835 zijn geboorteplaats en nam te Harderwijk dienst voor het O.-I. leger, zonder handgeld. Daar een detachement op vertrek naar Suriname was en het zich nog niet liet voorzien, wanneer er een voor Oost-Indië compleet zou zijn, verzocht hij overplaatsing bij het naar Suriname vertrekkende detachement, hetgeen toegestaan werd. Hij verliet Nederland op 16 Dec. 1835 en bereikte de monding der Suriname-rivier reeds op 18 Jan. 1836.
Zes jaren bracht hij in den militairen dienst door en bereikte den rang van fourier. Hoewel hij gunstig uitzicht op bevordering had, vertrok hij, na afloop van zijn dienstverband, 28 Nov. 1841 over Nederland naar Stuttgart.
De zes jaren, in militairen dienst doorgebracht, zoowel te Paramaribo, als op de militaire posten, welke toen over de kolonie verspreid waren, heeft hij beschreven in het in 1854 te Utrecht uitgegeven werk ‘Zes jaren in Suriname’, (ook in het Duitsch uitgegeven, Stuttgart 1854). In dit werk ontwaart men den geweldigen indruk, dien het land op den schrijver heeft gemaakt. Hij hield zich op de posten bezig met het verzamelen van voorwerpen uit het dieren- en plantenrijk, waarvan hij eene belangrijke hoeveelheid vóór zijn vertrek uit de kolonie naar Nederland verzond, en daar verkocht.
In Duitschland geen hem passenden werkkring en het klimaat niet naar zijn zin vindende, vertrok hij weer naar Suriname, waar hij 26 Juli 1842 aankwam, met het vooruitzicht door opnieuw, te verzamelen zich een onafhankelijk bestaan te verzekeren. Hij sloot zich daartoe aan bij Dr. Hostmann, een geneesheer te Paramaribo, die veel van zijn tijd wijdde aan natuurhistorisch onderzoek, Deze samenwerking duurde echter niet lang, daar Hostmann het natuur-historisch onderzoek kort daarna liet varen.
Met het doel zich met den houtkap te gaan bezighouden en te gaan handeldrijven met Indianen en Boschnegers, vertrok Kappler Feb. 1845, vergezeld van vier Indianen van Para en voorzien van 3 maanden levensmiddelen naar de Marowijne, ten einde zich te orienteeren. Hij liet zijne keuze vallen op een verlaten Indiaansch dorp, ongeveer 3 M. gelegen boven het hoogste peil der rivier en waar de Marowijne een groote bocht maakt en zich sterk verbreedt. Hij maakte de in de buurt wonende Indianen en Boschnegers met zijn plan bekend en keerde naar Parama-
ribo terug, vanwaar hij in Juni 1845 naar Amsterdam vertrok met eene rijke verzameling planten, vlinders en andere insecten.
Op 15 Maart 1846 keerde hij ten derden male naar Suriname terug, met het voornemen, zich voor goed aan de Marowijne te vestigen. Hij verkreeg van den Gouverneur daartoe vergunning en den titel van ‘assistent-posthouder’, zonder eenige belooning, alleen om bij voorkomende gevallen officieel te kunnen optreden tegen de Indianen en Boschnegers.
Hij vertrok 13 Dec. 1846 naar de uitgekozen plek, die den naam van Albina kreeg - dien zijner toekomstige vrouw. Maar spoedig bleek hem, dat, hoe gemakkelijk hij, schoon op eenvoudige manier, in zijn levensonderhoud kon voorzien, het isolement van de Marowijne, ten gevolge van het totale gebrek aan gemeenschap met de hoofdplaats, een haast onoverkomelijke hinderpaal zijn zou, om zich eene toekomst te scheppen. Planten, met veel zorg verzameld en gekweekt en naar Paramaribo gezonden, doorstonden niet de reis over zee in het ranke, kleine vaartuig, waarover hij beschikken kon. De houthandel bleek geen winsten te kunnen afwerpen, tenzij op groots schaal gedreven en daarvoor ontbraken hem de fondsen. Eene uitkomst was het dus, toen een welgesteld planter, Bukh, bereid werd gevonden, deelgenoot te worden in Kappler's zaak en hem de noodige fondsen te verstrekken. Maar Bukh verdronk toen de schoener waarop hij zich bevond op de Tijgerbank, aan de monding der Marowijne, strandde.
Na de vrijverklaring der slaven in Fransch Guiana, die de vrees deed ontstaan dat de slaven uit Suriname over de Marowijne naar den Franschen oever zouden vluchten, werd Kappler in Juni 1849 definitief posthouder, op eene bezoldiging van ƒ56.- 's maands.
Kort daarna ontving hij een voorstel van de firma Kreglinger & Co. te Amsterdam, om voor gezamenlijke rekening eene houtexploitatie te ondernemen aan de Marowijne, met deskundige arbeiders, uit Europa aan te voeren. Daartoe was noodig, dat Kappler naar Europa ging, om Zuid-Amerikaansche houtsoorten, die eene gereede markt vonden, te leeren kennen en bekwame Europeesche houthakkers aan te werven. Zoo vertrok hij 21 Sept. 1852 naar Amsterdam, bezocht eerst Stuttgart, om in het huwelijk te treden, daarna Hamburg, om daar ingevoerde Z.-Amer. houtsoorten te leeren kennen en keerde met de inmiddels aangeworven arbeiders, ten getale van 10 mannen, 5 vrouwen en 3 kinderen, allen Wurtembergers, naar de Marowijne terug, waar hij 6 Juni 1853 aankwam. De kolonisten kregen één gulden daags en behoefden niet voor hunne voedingsmiddelen te betalen. Zij voerden, volgens Kappler, vaak dubbel zooveel uit als negers.
Deze werkkrachten werden door meerderen aanvoer versterkt, zoodat in 1856 de bevolking van Albina bestond, behalve uit 2 Hollandsche familiën, uit: 27 mannen, 16 vrouwen en 28 kinderen, allen Wurtembergers. Zie verder EUROPEESCHE KOLONISATIE.
In 1857 vatte de Nederlandsche Regeering het plan op een nieuwe proef te nemen met eene kolonisatie onder Kappler's leiding, en knoopte dienaangaande onderhandelingen met hem aan. Hij kreeg in opdracht een plan te ontwerpen voor 100 familiën, die zich voornamelijk met de cacaocultuur aan de Marowijne zouden bezig houden.
Bij K.B. van 27 Aug. 1857 werd tot de kolonisatie besloten, maar de kort daarna opgetreden Minister van Koloniën Rochussen wilde liever eene kolonisatie van Javanen beproeven, waarvan hij, als oudgouv. gen. van Ned. Oost-Indië, betere uitkomsten verwachtte. Het daarop ingewonnen advies van de Indische Regeering viel zoo ongunstig uit, dat besloten werd geen uitvoering te geven aan het Kon. Besluit (zie IMMIGRATIE, blz. 378) en Kappler voor zijne bemoeiingen in deze eene schadevergoeding van ƒ12500.- toe te wijzen. Deze schadevergoeding stelde hem in staat, de firma Kreglinger & Co. het haar verschuldigde uit te betalen, waardoor hij den vollen eigendom van Albina terug verkreeg. Hij zette met behulp van Chineesche immigranten het landbouwbedrijf voort en legde zich ook op den handel toe, die eene groote uitbreiding kreeg, door de nederzetting aan den Franschen oever der Marowijne, eerst van politieke overtreders, later van misdadigers, die de Fransche regeering daarheen deporteerde. Daardoor ontstond een druk verkeer met Fransch. Guiana en werd het isolement opgeheven, waarin Albina tot nu toe verkeerd had. De scheepvaart nam zoodanig toe, dat het bouwen van een vuurtoren noodig werd aan de monding der Marowijne op den Franschen oever; in 1871 volgde de bouw van een tweeden aan den Hollandschen oever, voor rekening van het Fransche Gouvernement.
Kappler, bekend met de gewoonten der Boschnegers, vergezelde in 1860 eene Nederl.-Fransche expeditie naar de Lawa voor de vrijverklaring der Boninegers, die met behulp van de Aucaners waren overwonnen en sedert onder de overheersching van laatstgenoemden leefden. Bij de tweede Nederl.-Fransche expeditie, uitgezonden in 1861, ter beslechting van de kwestie der grensscheiding tusschen Fransch en Nederl. Guiana, droeg hij, door zijne bekendheid met de Marowijne en hare bewoners, niet weinig bij tot de goede uitkomst dezer expeditie. Van deze reis gaf hij eene beschrijving in Petermann's Mittheilungen, 1862, blz. 173-179.
Hij bleef voortgaan met handeldrijven en zijne zaken kregen langzamerhand eene grootere uitbreiding, vooral in 1876, na de ontdekking van goud aan de Marowijne. In dat jaar begon men met de goudontginning aan den Hollandschen oever en deze nam in korten tijd zoo in belangrijkheid toe, dat het Gouvernement niet lang daarna te Albina een geregeld districtsbestuur vestigde en een maandelijksche, later veertiendaagsche, verbindings-dienst tusschen Albina en de hoofdstad instelde. Aan Kappler werd eervol ontslag uit 's lands dienst verleend met toekenning van pensioen en een districts-ambtenaar werd aangesteld; zijne woningen, benevens de helft van het hem toebehoorende terrein werden door het Gouvernement aangekocht voor de vestiging van het districtsbestuur.
Hij wenschte echter niet de tweede plaats in te nemen op het door hem gestichte Albina, waar hij tot nu toe heer en meester was geweest. Hij besloot het plaatsje te verlaten, dat hij met zooveel moeilijkheden uit de wildernis had opgebouwd en waar hij zijne beste levensjaren had doorgebracht en ten slotte door noesten ijver een vermogen had bijeengebracht. Zijne handelszaak deed hij over aan een neef, die eenige jaren te voren uit Duitschland was gekomen om hem behulpzaam te zijn en verliet met zijn vrouw op 4 Juli 1879 de kolonie.
Na zijn terugkomst in Duitschland ondernam hij nog een reis naar Italië, naar het Oosten en om de wereld. (In 1883. Zie het hieronder genoemde werk ‘Surinam’, blz. 110) Voor en na is hij onvermoeid werkzaam geweest om Suriname en zijne hulpbron-
nen bekend te maken in Duitsche dagbladen en tijdschriften. Maar zijn voornaamste verdienste zijn de door hem uitgegeven boekwerken over de kolonie, waaruit een diepgaande bekendheid spreekt met land en volk van Suriname; zijn omgang met en zijn groote liefde voor planten en dieren hebben hem op de hoogte gebracht van allerlei bijzonderheden op botanisch en zoölogisch gebied, die aan zijn geschriften een bijzondere bekoring geven.
Behalve de reeds genoemde geschriften heeft hij uitgegeven: Over kolonisatie met Europeanen in Suriname, Amst. (1875). Eine Reise zu den Auca-Buschnegern in Holländisch Guiana. Globus 1880, 38 blz., 121 vlg. Holländisch-Guiana, Erlebnisse und Erfahrungen während eines 43 jährigen Aufenthalts in der Kolonie Surinam, Stuttg. 1881, (in het Nederlandsch vertaald door F.L. Postel, Winterswijk 1883). Surinam und seine Vegetation, Ausland 1885, blz. 96 vlg. Die Thierwelt in Holländisch Guiana. Ausland 1885, blz. 537 vlg. Surinam. 3 en 4 Jahresbericht des Würtemb. Vereins für Handelsgeographie, Stuttg. 1886. Surinam, sein Land, seine Natur, Bevölkerung und seine Kultur-Verhältnisse mit Bezug auf Kolonisation, Stuttg. 1887.
Hij ontsliep 20 Oct. 1887 te Stuttgart en op zijn verlangen werd de kist met zijn stoffelijk overschot gedekt met de Nederlandsche vlag ‘als blijk van erkentelijkheid voor hetgeen hij onder de bescherming van het Nederlandsch Gouvernement genoten had’. In de voorrede van zijn laatstgenoemde werk had hij verklaard nog met hartstochtelijke liefde te hangen aan de kolonie, waarin hij van zijn 20ste tot zijn 65ste jaar had geleefd.
Zie over Kappler het art. BOTANISCH ONDERZOEK, blz. 167; verder: Dr. F. Voltz. De Duitsche Volksplanting Albina als grondslag beschouwd voor eene kolonisatie van Suriname door Europeanen. Hand. en gesch. v.h. Ind. Genootsch. te 's Gravenhage, VI (1859) blz. 121-160. Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861, blz. 736-739. Julius E. Muller. August Kappler. Surinaamsche Almanak voor 1903, blz. 9-20, met portret Dr. A. Pulle, An enumeration of the vascular plants known from Surinam. Leiden 1906, blz. 3-5. Allgemeine Deutsche Biographie, Leipzig 1906, Band 51. blz. 41-44.
Deze wordt begrensd ten N. door de Groote, ten O. door de Kleine Antillen, ten Z. door de kusten van Venezuëla, Columbia, en Panama ten W. door de kusten van Centraal Amerika en Yucatan en door eene lijn gaande van Kaap Catoche naar kaap San Antonio op Cuba, welke laatste lijn de Karaïbische Zee scheidt van de Golf van Mexico. Het middendeel der zee is geheel zonder gevaren voor de scheepvaart. De zee bevat twee bekkens, die Oost-West van elkander liggen en gescheiden zijn door een rug met minder dan 1000 meter water en enkele ondiepe plekken, waar slechts 9 meter water staat. Deze rug is het verlengde van het Wind-ward kanaal tusschen Cuba en Haïtï en loopt ongeveer WZW-ONO; op het midden van dezen rug ligt het eiland Jamaica. Het grootste, oostelijke bekken is 4000 m. diep. De diepste plek van dit oostelijke bekken is het Curaçao-diep met meer dan 5000 meter; het ligt NO-waarts van Curaçao. De ondiepste plek is de zoogenaamde Sababank, Z.-waarts van Saba, waarop als minste diepte 12 meter wordt gevonden.
Het westelijke beken is kleiner dan het oostelijke; het bevindt zich tusschen Cuba en de kusten van Honduras en Yucatan; de diepten zijn zeer afwisselend van 1000 tot 7000 meter met enkele ondiepe plekken, zooals de Misteriosa bank, waarop slechts 12 meter staat.
De stroom loopt in den regel van het O. naar het W; aan de westzijde der Bovenwindsche-eilanden worden soms noordelijke stroomen ondervonden. De snelheid van den stroom kan gemiddeld op 1 Eng. mijl per uur worden gesteld.
De zee bevindt zich in het gebied van den vollen N.O.-passaat, die gewoonlijk krachtig waait; van Juli tot October kan de wind eene veranderlijke richting hebben, doch waait overigens het geheele jaar door uit het NO. tot ONO.
Het deel der Karaïbische Zee, dat begrensd wordt door de Groote en kleine Antillen wordt ook wel de Coral of Kraal genoemd.
sur. Kruising van een mulat met eene negerin of van een neger met een mulattin. De karboeger heeft dus drie vierden negerbloed. Indiaansche karboegers of Karboeger-indianen zijn kruisingen van een indiaan en een negerin of van een neger en een indiaansche vrouw. Zie BENEDENLANDSCHE INDIANEN, blz. 113.
sur. Van het Portug. Castiço of het Spaansch Castico; kind van een blanke en een mesties. Zie KLEURLINGEN en P.J. Veth. Uit Oost en West, blz. 101, vlg.
Sea Island katoen (Gossypium Barbadense) en de Peru- of nierkatoen of bokke-katoen (Gossypium Peruvianum), welke men aantreft; de Amerikaansche Upland katoen (Gossypium herbaceum) komt hoogst zelden voor.
De katoen is een meerjarig struikachtig gewas met drie tot vijf lobbige bladeren; de bloemen zijn eerst geel, later roodachtig; de vruchten drie tot vijfhokkig, de zaden met lange haren, de katoen, bezet. De Sea Island katoen werd op de plantages gekweekt, de Peru-katoen vindt men veelal bij de boschnegers en indianen in de omgeving van hunne hutten aangeplant.
In de laatste helft der 18de eeuw en de eerste helft der 19de nam Suriname een belangrijke plaats in onder de katoen produceerende landen. De eerste uitvoer van katoen vond plaats in 1706 nl. 300 K.G.; tot 1763 bleef de uitvoer gering; daarna breidde de cultuur zich in korten tijd snel uit, en had een belangrijke stijging van den uitvoer plaats; in 1783 was die reeds 563000 K.G., in 1825 1165000 K.G. Van dien datum af nam de uitvoer gestadig af; in 1860 was ze weer tot 309000 K.G. teruggegaan.
Tijdens den Amerikaanschen burgeroorlog, toen de Amerikaansche katoenteelt op den rand van den ondergang gebracht werd, maakten de Surinaamsche plantages, wegens den hoogen prijs van de katoen, groote winsten. Na de beeindiging van den oorlog en den snellen opbloei van de katoenteelt in Noord-Amerika, welke onder gunstiger cultuurvoorwaarden dan in Suriname kon plaats vinden, daalde de prijs van de katoen dermate, dat concurrentie onmogelijk was. De plantages konden hunne kosten niet meer dekken en de een na de andere werd verlaten; in 1885 eindigde men de cultuur op de laatste katoenplantage, Estersrust in de Warappakreek, en toen was 't met de eenmaal zoo belangrijke uitvoer van dit artikel gedaan.
Het volgende staatje, waaruit de wisselvalligheid der oogsten blijkt, geeft den uitvoer aan:
| jaar. | K.G. |
|---|---|
| 1706 | 300 |
| 1710 | 771 |
| 1715 | 890 |
| 1720 | 775 |
| 1725 | 432 |
| 1735 | 158 |
| 1740 | 1 917 |
| 1745 | 264 |
| 1750 | 57 |
| 1753 | 4 176 |
| 1764 | 17 170 |
| 1770 | 84 130 |
| 1775 | 72 214 |
| 1780 | 325 400 |
| 1785 | 465 206 |
| 1790 | 471 290 |
| 1794 | 611 585 |
| 1805 | 2 552 |
| 1810 | 3 701 |
| 1816 | 533 468 |
| 1820 | 664 121 |
| 1825 | 1 164 803 |
| 1830 | 1 002 940 |
| 1835 | 502 153 |
| 1840 | 996 628 |
| 1845 | 420 252 |
| 1850 | 453 370 |
| 1855 | 468 090 |
| 1860 | 308 821 |
| 1865 | 193 061 |
| 1870 | 156 458 |
| 1875 | 219 179 |
| 1880 | 25 922 |
| 1885 | 1 766 |
De katoenplantages waren aan zee gelegen, hoofdzakelijk in de districten Nickerie, Coronie, langs de Warappa- Mot- en Oranjekreken en aan de Matapica. Het zeeklimaat van Suriname is voor de katoencultuur gunstig. Waar de kust aan den zeewind blootgesteld en waar de grond zouthoudend is slaagde de teelt goed, in het binnenland op de zwaardere kleigronden gedijde de katoen, n.l. Sea Island katoen, niet; de boompjes groeiden goed, doch de katoen kwam dikwijls niet tot ontwikkeling, de vruchten bleven gesloten. De Peru-katoen heeft doorvan minder last.
De beste gronden voor de katoencultuur waren de biri-biri-landen, lage met biezen begroeide vlakten en parwalanden welke werden ingepolderd en drooggelegd. In tegenstelling met de cultuurwijze, die thans gevolgd wordt, werd katoen in Suriname gekweekt als een meerjarig gewas, de velden bleven zes jaren en langer in cultuur zonder herplanting.
In den regel werd de grond verdeeld in bedden van 20 voet breedte en werden drie rijen per bed gezet; in de rijen was de afstand 9 tot 10 voet, zoodat van 600 tot 640 boompjes per Surinaamschen akker kwamen te staan. Het aanleggen der velden vond plaats in Maart en April; na zes maanden begon de oogst.
Twee oogsttijden had men nl. den hoofdoogst in den grooten drogen tijd, Sept. tot Nov. den tweeden oogst van Febr. tot April. De katoen van den grooten drogen tijd was altijd beter dan die van de maanden Febr.-April. Na den tweeden oogst werden de struiken gesnoeid en de jonge takken leverden in den drogen tijd weer hun oogst. Voor aanleg en onderhoud werd gerekend op een man per drie akkers. Een gemiddelde oogst was van 120 tot 150 K.G. schoone katoen per akker; een man kon 30 à 60 K.G. zaadkatoen per dag plukken, gelijkstaand met 8 à 10 K.G. schoon. Na het plukken werd de zaadkatoen eerst gedroogd, daarna met zeer eenvoudige werktuigen gegind, vervolgens, om de weinige gebroken zaden te verwijderen, geklopt en dan tot balen van 150 K.G. samengeperst.
De meeste plantages waren in handen van Engelsche of Schotsche eigenaars; de katoen werd veelal naar Engeland uitgevoerd.
Als klein landbouwbedrijf wordt de katoenbouw niet uitgeoefend; bij de negerbevolking bestaat een groote afkeer voor de cultuur, vermoedelijk een gevolg van mindere aangename herinneringen aan vroegere tijden toen de slavernij nog bestond. Pogingen door het Landbouwdepartement aangewend om op de bestaande plantages de katoenteelt te bevorderen mislukten; de in werking zijnde plantages zijn te ver van zee gelegen en hebben te zwaren, vasten bodem. De katoen groeide goed doch de vruchten bleven gesloten; alleen in Coronie gaven de struiken een voldoend product, waarvan de marktwaarde door experts om den langen stapel en de mooie, heldere kleur, 50% hooger gewaardeerd werd dan Amerikaansche good middling.
Het zaad werd in Suriname niet verwerkt, maar op hoopen geworpen en naderhand als meststof soms weer op den akker gebracht.
De katoenteelt is een zeer intensieve cultuur en aan veel wisselvalligheden onderhevig. Hoofdzakelijk hangt zij af van een regelmatig seizoen met standvastigen drogen tijd.
Een halve eeuw na de verovering van Curaçao begon Van Erpecum (1683) de katoencultuur; de Compagnie zond hem 100 spinnewielen met hunne haspels. Niettegenstaande het product op de Europeesche markt een goeden naam had, ging de cultuur te niet. Volgens het verslag van den Gouv.-Gen. A. Kikkert van 2 Juli 1817 - medegedeeld door Dr. J. de Hullu in de Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned.-Indië, deel 67, 1913 - bestond er toen zoo goed als geen katoencultuur op het eiland. De katoenrups vernielde de oogsten en de maïsteelt bleek voordeeliger.
Ook op St. Eustatius verbouwden de eerste kolonisten katoen. In 1666 verwoestten de Engelschen verscheidene katoenplantages en maakten 50000 pond buit. In 1740 werd er nog katoen geplant; maar het suikerriet was er het hoofdgewas geworden en de
cultuur werd opgegeven. In de 19de eeuw is alleen van 1862-1870, gedurende den Amerikaanschen burgeroorlog, sprake van katoen-uitvoer. In 1864 verscheepte men 164 balen ter belaste waarde van ƒ9100. In 1903/4 werden van Gouvernementswege de eerste stappen gedaan om de lang vergeten cultuur te doen herleven. Het bleek dat de langvezelige Sea-Island katoen in uitstekende kwaliteit wilde groeien en dat de teelt met winst kon geschieden. Onder de krachtige leiding van den gezaghebber G.J. van Grol werd spoedig de cultuur door particulieren ter hand genomen. In 1908/9 legden 6 ingezetenen 28 H.A. aan; in het volgende oogstjaar vermeerderde het aantal kleine planters met 11. In 1911 werd door ruim 100 ingezetenen 117 H.A. in katoen gezet. Op de Brusselsche tentoonstelling van 1910 verwierf de katoen van St. Eustatius 5 gouden medailles. De uitvoer bedroeg in K.G. in:
| katoen, gezuiverd. | katoen, ongezuiverd. | katoenzaad. | |
|---|---|---|---|
| 1908 | 293 | 17782 | ---- |
| 1909 | 1935 | 9665 | ---- |
| 1910 | 2361 | ---- | 1865 |
| 1911 | 17881 | 200 | 51699 |
| 1912 | 17150 | 240 | 45994 |
In 1911 en 1912 gaf het product een netto provenu van ƒ29 200 en ƒ33 000. De uitvoer bedroeg in 1913 27 803 K.G. met een netto-provenu van ruim ƒ38000.
In 1914 werd te 's-Gravenhage opgericht de ‘Cultuurmaatschappij der Nederlandsche Antillen’, goedgekeurd bij K.B. van 9 Juli 1914 ten doel hebbende o.m. het kweeken van katoen en andere gewassen. De Maatschappij zal de katoencultuur op St. Eustatius ter hand nemen, zoodat spoedige uitbreiding dier cultuur te verwachten is.
De zaaitijd op dit eiland valt tusschen Juni en Sept. en hangt af van het invallen van het regenseizoen. De cultuur geschiedt op ruggen van 1-1½ voet hoogte, die 4 voet van elkander liggen, terwijl de plantgaten op onderlingen afstand van 2-2½ voet gemaakt worden. Na 4½ maand is de pluk in vollen gang. Is deze afgeloopen dan worden de struiken ontworteld, in hoopen gezet en verbrand. De grond wordt dan opnieuw voor katoen of een andere cultuur toebereid.
Een goede arbeidster plukt 10 à 15 K.G. zaadkatoen per dag van 9 uur. (Zie over de bereiding tot aan de verscheping G.J. van Grol, De Katoencultuur op St. Eustatius, Ind. Mercuur van 17 Oct. 1911).
In Jan. 1902 zag Prof. Went op St. Martin in de nabijheid van het dorp Koolbaai een katoenaanplant. Sedert is de aanplant vrij belangrijk toegenomen. De uitvoer bedroeg in K.G. in
| katoen, gezuiverd. | katoen, ongezuiverd. | katoenzaad. | |
|---|---|---|---|
| 1908 | 5240 | ---- | 2600 |
| 1909 | 12830 | ---- | 34430 |
| 1910 | 9636 | ---- | 41718 |
| 1911 | 28440 | 1300 | 93425 |
| 1912 | 24759 | 1110 | 55365 |
De uitvoer van St. Martin was in 1913 naar schatting het dubbele van die van 1912. saba voerde in 1913 voor ± ƒ1000, aan katoen uit.
Litt. Anthony Blom. Verh. over den landb. in de col. Suriname, Haarl. 1786, blz. 286-328. - Essai hist. sur la colonie de Surinam, Paramaribo 1788, II, 88 vlg. - Albert von Sack, Reize naar Suriname, Haarl. 1821, III, 115 vlg. - Teenstra, De landb. in de in de kol. Suriname, Gron. 1835, I 264-294. - Dr. C.J.J. van Hall, Katoenteelt, Inspectie van den landb. in West-Indië, Bull. no. 2, Param. Jan. 1905. - Idem. Bokke- of Indiaansch katoen. Bull. no. 3., Maart 1905. - G.J. van Grol. De Katoencultuur op Sint-Eustatius, De Ind. Mercuur 17 Oct. 1911. en 4 Aug. 1914. Idem. Verslag over 1911 en 1913 v.h. Dept. v.d. Landb. in Suriname. - Kol. Verslagen, Curaçao 1909-1914.
n.e. Spindel der Boschnegers en Indianen. Zie BOSCHNEGERS blz. 159 en 160. Afbeelding bij Kappler, Surinam., blz. 226.
Art. IV van het Octroy der W.-I. Compagnie schreef voor, dat van alle goederen, die uit Suriname naar het moederland gezonden of in de kolonie verkocht werden, 2,5 perc. van de waarde aan de Compagnie moest betaald worden ‘sullende ten dien eynde, ende specialyck mede tot voor kominge van veele frauden ende disordres aldaer een of meer Wagen werden opgerecht, ende op yder Wage gestelt een bequame Keurmeester die de Suyckeren sullen moeten keuren, of
die bequaem zyn om gelevert te konnen werden’, enz. De eerste keurmeester, Jan Rycke, werd in Jan. 1684 aangesteld. De planters schenen veel last te hebben van de keurmeesters. Onder de Verzoekpunten van Redres in 1753 door planters en ingezetenen tot de Commissarissen Spörcke, Bosschaart en de Swart Steenis gericht kwam ook het verzoek voor, dat ‘voortaan geen Keurmeesters meer mogen weezen’, omdat deze ‘alleen tot overlast en onnoodige onkosten der Planters zijn, ja ter groote belemmering der Navigatie’. Op dit verzoek werd door den Stadhouder, na ingewonnen bericht van de Directeuren der Societeit, afwijzend beschikt; 20 Juli 1753 werd het besluit door de Staten Generaal bekrachtigd. Het ambt bleef lang bestaan. Nog in den Surinaamschen Almanak voor 1828 vindt men, en voor het laatst, een keurmeester der suiker vermeld. (Zie Hartsinck, II, 843 en 890 en Oudschans Dentz, Geschiedk. Aant. over Suriname, enz. 1911, blz. 42).
pap. Waarschijnlijk een verbastering van keisteen. Op Aruba een plat steenblok waarop men, met een kleineren steen, maïs en koffie fijn wrijft. Zie Martin, West-indische Skizzen blz. 131 en de afb. op tab. XIV, no. 23. Deze voorlooper van den handmolen is op vele plaatsen van den aardbol nog in gebruik.
Hetgeen betrekking heeft op de kleeding der Boschnegers en Indianen is medegedeeld in de artikelen die over hen handelen. Omtrent de kleederdracht van het overige deel der bevolking valt het volgende op te merken. De burgerij in de koloniën kleedt zich, voor zooveel het klimaat dit toelaat, min of meer Europeesch, waarbij gedurende den dag de witte kleeding overheerscht. De man uit het volk in Suriname vergenoegt zich op werkdagen met broek en hemd, met of zonder schoenen. De vrouw heeft de Europeesche kleeding nog niet aangenomen; de koto-misi (koto = rok, misi = juffrouw) draagt wijd uitstaande geplooide rokken, bij feestelijke gelegenheden met een groot aantal onderrokken, van zooveel stijfsel voorzien dat ze, op den grond neergezet, blijven staan. De bovenrokken reiken tot aan de oksels; nadat er om de heupen een of meer schuin gevouwen doeken zijn gebonden, laat men het bovendeel van den rok zakken en verkrijgt zoodoende een groote dof of panier om het midden of hooger: de koto-béré. Daarover een kort, wijd uitstaand, al of niet laag uitgesneden jakje, waaraan van achteren twee stukjes gewoon wit band hangen, die verder tot niets dienen. Soms wordt daarover een omslagdoek, de tapoe-skienpanji, gedragen. De kleuren zijn veelal hel en bont; het geheel is eigenaardig, schilderachtig als men wil, maar foei leelijk. Bij de deftiger koto-misies zijn de kleuren in den regel stemmiger. Het schreeuwendst zijn ze bij de marktmeiden bij feestelijke gelegenheden. Het ondergoed komt sedert de laatste jaren min of meer overeen met het in Europa gebruikelijke. Broeken werden vroeger niet gedragen en nu nog niet door de minst beschaafden uit het vrouwvolk. Om het hoofd wordt een doek gebonden, de tai-hedé, waaraan veel moeite en fantasie worden ten koste gelegd en waarin veel afwisseling bestaat, zoowel in vorm als in kleur. De mooie tai-hédés worden op en afgezet als een hoed.
Dikwijls hebben de hoofddoeken een naam, betrekking hebbende op voorvallen van den dag; soms ook krijgt een nieuw uit Europa ontvangen hoofddoek een Neger-Engelsch spreekwoord tot naam.
Van grooten invloed op den verkoop is het dat de naam inslaat. Iedere meid, die zich respecteert, moet dan zulk een doek bezitten.
De paletot-misi gebruikt de te lange panier-vormig opgenomen rokken niet en heeft voorts een soort hoogsluitende, loshangende blouse aan. De paletot-misi is - anders dan de koto-misi - gewoonlijk geschoeid, veelal zonder kousen. Dan heeft men nog de kréiti-misi, wier dracht niet veel verschilt van de Europeesche. Zeer deftig is, voor haar, die de eerste jeugd voorbij zijn, een panamahoed boven den hoofddoek. De rouwkleur is zwart of wit, voor lichten rouw lichtblauw of paars, terwijl de tai-hédé dan eenvoudiger en stemmiger is.
De Britsch-Indische en Javaansche immigranten behouden als regel hun nationale kleederdracht. Die van de Br.-Ind. vrouwen is zeer elegant. De Chineezen in de kolonie, hebben deels hun nationale kleeding, deels zijn zij Europeesch gekleed. De Chineesche meisjes kleeden zich gaarne half Chineesch, half Europeesch.
Ter bevordering van de openbare zedelijkheid schrijft de Surinaamsche wetgeving voor wat men moet aanhebben, ‘om als gekleed te worden aangemerkt’. (Art. 168 van de Herziene Strafverordening van 1874, G.B. 1893 no. 28).
Op de Nederl. Antillen is de kleeding van de vrouwen uit de volksklasse eenvoudiger dan in Suriname, minder afwijkend van die der blanke vrouwen, althans in de hoofdplaatsen. De panier-rokken zijn er niet in gebruik, de hoofddoeken wel. Schoenen of liever sandalen en alpargatas - zie aldaar - zijn algemeener dan in Suriname. (Zie L.C. van Panhuys, De Vrouw in Nederl. Westindie, Amst. 1898; H. Conradi, Surinaamsche vrouwen, Vragen van den Dag, 1898, afl. 8; De vrouw in Suriname. Uitgegeven door het Surin. sub-comitee ‘De Vrouw' 1813-1913’
Dec. 1912; W. Wynaendts Francken-Dyserinck, Drie Maanden in de West, Haarlem, 1913, blz. 111; Dr. C.J. Wynaendts Francken, Door West-Indië. Haarlem 1915, blz. 165).
Tetanus, spierkramp en bewegeloosheid, komt in Suriname veel voor, hoofdzakelijk bij de negerbevolking. In vroeger jaren schijnt deze ziekte onder de kinderen groote verwoestingen te hebben aangericht. Schrijvers in het tweede gedeelte der 18de eeuw komen allen daarin overeen. Zoo schrijft Philippe Fermin, Traité des maladies les plus fréquentes à Surinam, Maastricht 1764, blz. 92: ‘Mais le Klem est d'autant plus fréquent parmi les Esclaves, et particulièrement dans certaines Plantations, où ce mal emporte la plupart des enfans nouveauxnés, qui n'en sont à l'abri qu'après avoir passé le huitième jour’. De berichten luidden soms zeer geheimzinnig. Zoo zegt Anthony Blom, Verhandeling over den landb. in de col. Suriname, Haarlem 1786, blz. 396: ‘Een ongelukkige plaag heerscht op veele plantagiën, naamlijk de Klem. Men heeft plantagiën, alwaar alle de kinderen daaraan op den vijfden of zesden dag sterven; op sommigen sterven alle de jongens, en de meeste meisjes krygen deeze kwaal nooit; op anderen sterven de meisjes en de jongens krijgen ze niet; maar wanneer de kinderen den negenden dag beleeven, zijn ze buiten gevaar van deeze ziekte; men heeft plantagiën alwaar het iets zeldzaams is als een kind dezelve krijgt, en welke moeite zig groote Doctoren en de oplettendste Planters of Directeurs ook hebben gegeeven om de oorzaak daarvan natespooren, is al hun arbeid tot nu toe vergeefsch geweest; men heeft somwijlen wel reden gehad om te vermoeden dat deeze kwaal uit geenen natuurlijken oorsprong voordkomt, maar men heeft het nooit verder als tot vermoeden kunnen brengen’. Daargelaten de waarschijnlijk onjuiste waarneming van de voorkeur der ziekte voor de sekse op sommige plantages, heeft men dus gedacht aan een ingrijpen der slaven, terwijl de verklaring wel zal zijn dat de sterfte te wijten was aan het eenmaal aanwezig zijn van de infectie. De groote kindersterfte aan de klem werd omstreeks 1740 door Pierre Barrère ook in Fransch Guiana opgemerkt (Essai sur l'histoire naturelle de la France équinoxiale, Paris 1741). Zie ook Dr. van Leent, La Guyane Néerlandaise, Paris 1881.
Hieronder verstaat men in de Nederl. W.-I. Koloniën niet als elders (Zuid-Afrika b.v.) de geheele niet-blanke bevolking, maar alleen de personen ontstaan uit kruising van blanken met negers of indianen of met andere kleurlingen. Naar gelang van de bloedmenging worden de kleurlingen onderscheiden in mulatten (blanke en neger), mestiezen (blanke en mulat), kasties (blanke en mesties), poesties (blanke en kasties). Door verruiming van de denkbeelden, als ook door de kruising der kleurlingen onderling, waaruit tallooze nieuwe ontstonden, hebben deze onderscheidingen vrijwel afgedaan. Een bepaald type van kleurlingen bestaat niet. Er zijn donkere en lichte mulatten, met het kroeshaar der negers zoowel als met het sluike haar der blanken. In vele gevallen onderscheidt zich reeds de mesties niet van den blanke, terwijl bij den kasties en den poesties als regel elk verschil verdwenen is. Men heeft er met blond haar en blauwe oogen.
In gezinnen van kleuringen komen bij de eerste graden (tot en met mesties, zelden bij kasties) vaak spelingen voor in kleur en in haar. Uit dezelfde ouders kunnen twee kinderen voortspruiten waarvan het eene blank (soms met sluik, soms met gekroesd haar) is en het andere zeer donker, op het zwarte af, met sluik of ook met gekroesd haar. De Surinaamsche kleurlingen zijn voor een groot deel afstammelingen van de Portugeesche Joden, die zich sinds de 17e eeuw in Suriname gevestigd hebben. Het Essai historique sur la colonie de Surinam, II, 39 maakt op het einde der 18de eeuw melding van bijna ‘100 Mulatres Juifs libres’, behoorende tot de Portug. en de Hoogduitsche Joden. Voorts zijn er kleurling-afstammelingen van alle blanke bevolkingsgroepen, die in de koloniën geleefd hebben of nog leven.
Voor Curaçao gaf M.D. Teenstra, De Nederl. W.-I. Eilanden, Amst. 1836, I, 166 de volgende opsomming: ‘Een blanke verwekt bij eene negerin een mulat of mulattin. Een mulat met eene negerin brengen een Sambo voort (in Suriname Caboeger). Een neger en eene mulattin verwekken eene Grief. Een blanke en mulattin een Mestiche. Een blanke en mestiche een Castiche. Een blanke en castiche een Poestiche. Een blanke en poestiche een Liestiche. Een blanke en liestiche een Liplap. Een blanke en liplap een Blanke.’ Ook op Curaçao zijn deze onderscheidingen in onbruik geraakt.
Kruising van blanken en Indianen heeft, behalve op Aruba (zie aldaar, blz. 58) weinig plaats gehad. (Zie ook KARBOEGER.)
De in Suriname gebruikelijke inlandsche kleurstoffen zijn vermeld in het artikel BENEDENL. INDIANEN, blz. 102 en 106 en onder BIXA, GENIPA en KROPONI. Zie ook HAEMATOXYLON en RENEALMIA EXALTATA.
Een van Regeeringswege georganiseerde meteorologische dienst in de West-Indische koloniën is eerst in 1895 tot stand gekomen. Wel werden reeds sinds 1847 aan het Militair Hospitaal te Paramaribo waarnemingen vericht en zijn ook van enkele andere posten en plantages in Suriname en op Curaçao waarnemingsreeksen van meerendeels korten duur bewaard gebleven, doch ten gevolge van gebrek aan geldmiddelen bleef het toezicht op de waarnemingen onvoldoende, zoodat zij, die, belang in de zaak stellende, de opdracht tot het verzamelen en bewerken der waarnemingen verkregen - in 1874 de ambtenaar bij de belastingen C.J. Hering, in 1876 de militaire apotheker Bresser, wiens werk later weer door Dr. Epp werd voortgezet - deze veelal onbetrouwbaar hebben geacht. Hierdoor is het te verklaren, dat de Directie van het Kon. Ned. Meteor. Instituut te Utrecht, die herhaaldelijk op het nemen van maatregelen in de gewenschte richting had aangedrongen en door het uitzenden van instrumenten de zaak heeft trachten te bevorderen, in haar Jaarboeken geen volledige waarnemingsreeksen van langen duur heeft kunnen publiceeren. Een gunstige uitzondering vormen de waarnemingen op het Placer L. en F. de Jong. waarvan een overzicht hierachter is opgenomen.
Bij de oprichting van den Cultuurtuin te Paramaribo werd het hoofdstation voor de weerkundige waarnemingen daarheen overgebracht en in 1898 werd de leiding van dien dienst in de geheele kolonie aan den Directeur van den Cultuurtuin opgedragen, terwijl de hoofddirecteur van het Kon. Ned. Meteor. Instituut te De Bilt zich bereid verklaarde de hoofd-
leiding van den dienst op zich te nemen. De waarnemingen in de districten werden aan gouvernementsonderwijzers opgedragen; de veelvuldige overplaatsingen en verloven van dezen waren echter oorzaak van gebrek aan volledigheid en regelmatige inzending der staten.
Bij een latere reorganisatie werd in 1904 de geheele leiding van den dienst aan den Inspecteur van den Landbouw in de West-Indische koloniën opgedragen. Met behoud van het hoofdstation aan den Cultuurtuin wordt sedert hoofdzakelijk gestreefd naar uitbreiding van het aantal regenstations. De temperatuur- en windwaarnemingen op verschillende plaatsen langs de kust hadden - hoe onvolledig zij ieder ook waren - immers voldoende aangetoond dat langs de geheele kust der kolonie Suriname het klimaat vrijwel hetzelfde karakter heeft, en er zoowel wat tijd, als wat plaats betreft, slechts zeer geringe verschillen vast te stellen zijn. Daarentegen is de neerslag zoo wisselvallig, dat uitbreiding van deze metingen noodzakelijk was. De vestiging van een goed uitgerust termijnstation meer in het binnenland blijft echter zeer gewenscht.
Op de hoofdplaatsen van de eilanden Curaçao en St. Eustatius worden thans driemaaldaagsche waarnemingen der verschillende meteorologische elementen verricht. Voorts zijn er 28 regenstations in Suriname, 9 op Curaçao, 3 op de benedenwindsche eilanden en 7 op de bovenwindsche eilanden.
Het Departement van den Landbouw in Suriname maakt jaarlijks een verslag van al deze waarnemingen openbaar.
Ten slotte zij vermeld, dat van wege den meteorologischen dienst der Vereenigde Staten van Noord-Amerika van 1898 tot 1903 op Curaçao uitgebreide waarnemingen, ook met zelfregistreerende instrumenten, zijn verricht, welker uitkomsten in deze bewerking zijn gebruikt.
De voornaamste factoren, die het klimaat van West-Indië bepalen, zijn de ligging binnen de keerkringen, wat Suriname betreft zelfs zeer nabij den evenaar, de groote stand vastigheid der heerschende winden en de invloed der zee, niet alleen bij de eilanden, maar in verband met den krachtiger NO-lijken wind tot ver in het binnenland van Suriname merkbaar. Hier doet zich bovendien eenige invloed van de verheffing van den bodem gevoelen, die naar het Zuiden toe toppen tot omstreeks 1300 M. hoogte vertoont.
Zoowel de standvastige winden als de geringe schommelingen in den luchtdruk (jaarlijksche variatie 1.5 mM. te Paramaribo, 2.2 op Curaçao, 2.6 op St. Eustatius, uiterste waarden over het geheele gebied over een reeks van jaren 754.1 en 765.9) wijzen op de afwezigheid van locale storingen van eenige beteekenis, al wordt op St. Eustatius wel eens invloed van verwijderde cyclonen ondervonden. Onweders daarentegen zijn in Suriname, vooral in het binnenland, in de meeste maanden een bijna dagelijks voorkomend verschijnsel. In groote trekken wordt het wisselend karakter van het weder in de verschillende maanden beheerscht door de regelmatige verplaatsing met den zonnestand van den gordel van lage drukking aan den evenaar, en dien van hooge drukkingen bij de keerkringen, inzonderheid dien bij de Azoren.
Hoewel van April tot begin September de zon ten noorden van Paramaribo staat, is tengevolge van de sterke verwarming van Zuid-Amerika de laagste gemiddelde luchtdrukking steeds op dit vasteland te vinden, terwijl de hoogste, ook als de zon het meest in het zuiden is, ten noorden of noordoosten van de bovenwindsche eilanden wordt aangetroffen. De Noordoostpassaat heerscht dientengevolge het geheele jaar met betrekkelijk weinig wisselende kracht.
Te Paramaribo vormen de noordelijke tot oostelijke winden in Februari 82%, in November 64% van alle winden, gemiddeld 72%; de windkracht wisselt slechts tusschen 4.1 Beaufort in Februari en 3.5 in Juni. Veel stand vastiger nog is de windrichting op Curaçao, waar de gemiddelde richting nooit meer dan 5° van het Oosten afwijkt, en alleen in October 14% der winden buiten het quadrant NO-ZO vallen, terwijl over Januari tot Juli alle winden tot dat quadrant behooren en de gemiddelde kracht van 3.7 in Mei en Juni tot 2.6 in October varieert. Veel veranderlijker is de wind weer op St. Eustatius. Alleen in Juni vallen alle winden binnen NO tot ZO, in October 24% daarbuiten; de windkracht schommelt tusschen 4.1 in Juni en 2.6 in October.
De gemiddelde verdeeling over het jaar is:
| N. | NO. | O. | ZO. | Z. | ZW. | W. | NW. | Stilte | Gem. kracht Beaufort. | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Paramaribo | 14 | 36 | 22 | 16 | 4 | 1 | 1 | 3 | 4 | 3.8 |
| Curaçao | -- | 10 | 76 | 10 | 1 | -- | -- | -- | 3 | 3.4 |
| St. Eustatius | 2 | 50 | 31 | 10 | 3 | 2 | -- | 1 | 1 | 3.6 |
Terwijl voor de cijfers voor elke maand afzonderlijk naar de tabellen wordt verwezen, willen we enkele algemeene opmerkingen laten voorafgaan. Herleidt men de gemiddelde jaartemperatuur van Paramaribo uit de termijnwaarnemingen, zooals die in de tabel is aangegeven, op 24-uurswaarnemingen, dan blijkt de ware gemiddelde temperatuur 26°0 te zijn, juist dezelfde als die van Batavia, terwijl Placer de Jong, meer in het binnenland iets hooger is, 26°8, wat weer overeenkomt met Pekalongan en Pasoeroean op Java. De uiterste temperaturen van Suriname loopen meer uiteen, zooals bij de meer continentale ligging te verwachten was: 37.4 en 16.6 voor Paramaribo, 39.3 en 17.0 voor Placer de Jong, tegen 35.6 en 18.9 voor Batavia. Waar door de overdag vallende maxima meer indruk wordt gemaakt, kan men zeggen dat Suriname iets warmer is dan Java. Het is aan de veel grootere windkracht, gemiddeld 7 resp. 5 M. per secunde, te danken, dat het klimaat van Suriname niettemin als ‘niet onaangenaam’ wordt beschreven - Batavia heeft 's nachts vrijwel windstilte, overdag slechts 1-3 M., of 1 à 2 Beaufort. Hierbij komt nog dat (in tegenspraak met een mededeeling van Kappler) het minimum van den wind 's avonds en 's nachts, het maximum tegen den middag valt, hetgeen de hitte dragelijk moet maken.
Voor Willemstad (Curaçao) is de jaartemperatuur, op 24-uurswaarnemingen herleid, 27°5, aanmerkelijk hooger dus dan te Paramaribo in weerwil van het zuivere zeeklimaat dat hier heerscht, en nog meer afwijkende van St. Eustatius, dat slechts 24°7 heeft.
Het is het groote verschil in gemiddelde bewolking, dat voor het eerste verschil aansprakelijk gesteld moet worden: Paramaribo 6.3, Curaçao slechts 4.6, en daarbij de bijna zuiver oostelijke richting van den wind op Curaçao, zoodat de wind bij Willemstad reeds vrij ver over het land heeft gewaaid.
De cijfers voor zonneschijn spreken in denzelfden zin: Paramaribo 46%, Curaçao 65%. Ter vergelijking zij vermeld dat Batavia 55%, De Bilt 32% heeft.
Bij St. Eustatius spelen zoowel de kleinere afmetingen als de meer noordelijke ligging een rol; de bewolking is hier nog geringer, gemiddeld slechts 3.2. Het duidelijkst spreekt het zeeklimaat der eilanden in de gemiddelde dagelijksche amplitude: 4°9 op Curaçao, 3°8 op St. Eustatius tegen 7°7 te Paramaribo. De absolute extremen loopen niet zooveel minder uiteen: 34.4 en 19.4 op Curaçao, 31.0 en 18.0 op St. Eustatius (hier uit slechts vijf jaren).
De jaarlijksche gang der gemiddelde temperatuur te Paramaribo bedraagt slechts 2°1; hij wordt geheel bepaald door den stand der zon, die in April en Mei een eerste, in September en October een tweede, hooger maximum veroorzaakt. De zware bewolking en regen in April en Mei verklaren de geringe beteekenis van het April-maximum.
Op Curaçao is de jaarlijksche variatie nog 2°3, op St. Eustatius zelfs 3°3; hier treedt de invloed van de meer noordelijke ligging zeer duidelijk aan den dag. De jaarlijksche gang vertoont op Curaçao juist nog een dubbel maximum, in Juni en September; op St. Eustatius zijn deze tot een enkel maximum in Augustus samengetrokken. Hier ziet men den overheerschenden invloed van de zeetemperatuur, die, vooral in verband met het windmaximum op de beide eilanden in Juni, het eerste temperatuur-maximum onderdrukt.
Veel meer uiteenloopend dan de tot nu toe besproken cijfers zijn die voor den regenval. Mag de jaarsom in Suriname, die voor zoover bekend tusschen 2000 en 3000 mM. varieert, tropisch worden genoemd, die voor de bovenwindsche eilanden, ongeveer 1100 mM., matig, Curaçao met gemiddeld slechts 572 mM. regen lijdt in een groot deel van het jaar aan droogte.
Ook de jaarlijksche gang is zeer verschillend. In Suriname spreekt men van een grooten en kleinen regentijd en grooten en kleinen drogen tijd. Inderdaad vertoonen de maandcijfers voor Paramaribo over 56 jaren een kleine vermindering van den regenval in Februari, hoewel 183 mM. volgens Nederlandsche begrippen nog niet bepaald droog kan genoemd worden. De beide stations in het binnenland, waarvan voldoende waarnemingen voorhanden zijn, Placer de Jong en R'Awa vertoonen slechts een vertraging in de toeneming van den regen in de eerste maanden van het jaar, zoodat hier alleen de tegenstelling van grooten regentijd (Januari tot Juli) en drogen tijd (Augustus tot December) overblijft. Voor Paramaribo moet ook December tot den regentijd gerekend worden. Het maximum valt voor Paramaribo en Placer de Jong in Mei met ruim 300 mM., voor R'Awa in Maart met ruim 400 mM., de minima in September of October met 50 tot 70 mM. Zeer droog is hier dus geen enkele maand.
Letten we er op dat de zonneschijn te Paramaribo in Februari een duidelijk maximum vertoont, terwijl bewolking en aantal onweders te Placer de Jong in die maand een duidelijk minimum vertoonen, dan wordt het waarschijnlijk dat Februari zich hoofdzakelijk door een ander karakter van den regenval onderscheidt: een sterke vermindering van de onweders op den middag, die voor den indruk van het weder op de ooggetuigen van veel meer beteekenis is dan regen, die in den nacht valt. Gaande van de kust naar het binnenland schijnt eerst de regenval af te nemen, zooals op theoretische gronden ook verwacht mag worden. Placer de Jong, nog vrijwel in de vlakte gelegen, een kleinen graad zuidelijker dan Paramaribo, heeft ongeveer 5% minder regen, in weerwil van het wat grooter aantal onweders. Verder naar het Zuiden, waar de bodem zich verheft, moet de neerslag toenemen. Tot voor korten tijd was hieromtrent niets bekend; sinds 1907 zijn echter te R'Awa, even boven 't dorp Cottica, regenmetingen verricht, die een veel hoogere jaarsom geven, van 1907-1911 gemiddeld 3035, tegen 2298 in Paramaribo. Geen wonder dat bij dergelijken regenval in hellend terrein in den regentijd uitgestrekte overstroomingen voorkomen.
Het hoogste dagcijfer van den regenval, 202 mM., viel te Paramaribo toevallig in Februari; 60 à 80 mM. op één dag komt bijna elk jaar voor.
Groot is de tegenstelling met Curaçao. Slechts van October tot December is de regenval boven dien van de droogste maanden van Paramaribo; Februari tot Juli hebben slechts 131 mM. samen, wat bij de hooge temperatuur en den sterken wind tot groote bezwaren aanleiding geeft. En daarbij komen dan nog vrij groote schommelingen van jaar tot jaar voor, zoodat nog kort geleden de droogte van Augustus tot October 1911, toen gemiddeld over 10 stations slechts 17 mM. regen viel tegen 153 mM. normaal, tot een ware ramp werd. Weinig plaatsen zullen zoo groote schommelingen van den regenval in één maand vertoonen: October 1904 gaf 413 (meer dan het geheele jaar 1911), October 1911 1.4 mM.!
De jaarlijksche gang op de eilanden is bijna tegengesteld aan dien in Suriname. Maximum op Curaçao in November ± 140 mM., op de bovenwindsche eilanden in September (130-180). Minimum op Curaçao in Mei, 9 mM. slechts, op de andere eilanden in Maart (20-40).
Het phaseverschil van omstreeks twee maanden zal vermoedelijk met de meer noordwestelijke ligging der bovenwindsche eilanden samenhangen; voor het groote verschil in jaarsom moeten andere oorzaken worden aangewezen. Wij zagen dat de herkomst der heerschende winden steeds dezelfde is; practisch gesproken waait het geheele jaar een Noord-oostpassaat over West-Indië, strijkende over een vrij sterk verwarmd zeeoppervlak, en blijkens de vochtigheids-waarnemingen ook steeds vrij veel waterdamp bevattende. Maar de verticale uitgebreidheid dezer vochtige laag moet in den loop van het jaar groote veranderingen ondergaan en is dicht bij den gordel van lage drukkingen in het algemeen grooter dan dicht bij het hooge-drukgebied. De groote regenval van Suriname wordt nu eensdeels verklaard door de nabijheid van het lage-drukgebied, maar verder door de locale factoren, die opstijgende luchtstroomen veroorzaken. Dit zijn 1o wrijving van den wind over land, die verhoogden neerslag even achter de kust geeft; 2o locale verwarming, die middagonweders veroorzaakt; 3o gedwongen stijging der lucht tegen berghellingen, die den verhoogden neerslag in het Zuiden teweegbrengt.
Geen van deze laatste oorzaken kan op de eilanden veel neerslag veroorzaken; de veel geringere jaarsom is daarvan het onvermijdelijke gevolg.
Wat den jaarlijkschen gang betreft, wordt in Suriname de toeneming in de laatste en eerste maanden van het jaar waarschijnlijk door de ligging van een
duidelijk centrum van lage drukking ten Zuiden en Zuidwesten van Suriname verklaard. De groote regentijd van Maart tot Juni valt samen met de krachtigste ontwikkeling van den passaat op Curaçao en St. Eustatius, terwijl die in Suriname een minimum vertoont - er is dus veel aanvoer van lucht, die in verband met den zonnestand boven de zee veel waterdamp kan bevatten, terwijl de afneming van den wind in Suriname op stijgende stroomen wijst. De droge tijd in Augustus en September valt samen met een afnemenden en meer Oostelijken passaat op de eilanden, waarbij de vochtige windlaag boven Suriname waarschijnlijk slechts geringe hoogte bezit.
Zooals we reeds zeiden kunnen op de eilanden de locale oorzaken weinig regen geven, en moeten deze hun regen hoofdzakelijk krijgen door onregelmatigheden in de algemeene luchtdrukverdeeling, die het meest op de grens tusschen het standvastige hoogeen lage- drukgebied optreden, terwijl de hoeveelheid sterk moet wisselen met de verticale uitgestrektheid van den passaat. De enkelvoudige jaarlijksche periode, het minimum op St. Eustatius wanneer de hooge druk zich het verst naar het Westen uitstrekt en het phaseverschil tusschen St. Eustatius en Curaçao zijn in dit verband gemakkelijk te verklaren, al ontbreekt het materiaal voor een nader onderzoek naar hun verband.
Blijft nog slechts over te verklaren, waarom speciaal Curaçao zoo weinig regen heeft. Hier is nu licht ontstoken door het onderzoek der hoogere luchtlagen door wijlen luitenant Rambaldo, later door Hergesell, die beiden hebben aangetoond, dat zich op vrij geringe hoogte boven de zee (1000 M. of minder) af en toe een zeer droge luchtstrooming (20% tot 40% betr. vochtigheid) met zuidelijke componenten boven den passaat beweegt, die o.a. in den buitengewoon drogen Maart 1909 sterk ontwikkeld was. Deze strooming is een gevolg van den stijgenden stroom boven Zuid-Amerika, en dus het sterkst ontwikkeld in den grooten regentijd - de tegenstelling tusschen den jaarlijkschen gang op Curaçao en in Suriname is hiermede zeer natuurlijk verklaard. Het maximum in November valt samen met de ligging van het minimum boven Suriname.
Waar dus de regenarmoede van Curaçao in hoofdzaak te wijten is aan de groote droogte van de hoogere luchtlagen en onvoldoende ontwikkeling der stijgende luchtstroomen, zal men inzien, dat de proeven met kunstmatige verwekking van regen, waarop men uit Curaçao herhaaldelijk heeft aangedrongen, van te voren als vruchteloos zijn veroordeeld. Immers, het altijd nog twijfelachtige succes van dergelijke pogingen kan alleen worden verkregen, waar verzadigde of oververzadigde lucht aanwezig is. Noch de vereischte vochtigheidsgraad, noch de stijgende luchtstroomen kunnen in voldoende mate door kunstmiddelen worden in het leven geroepen.
Litt. Jaarboek Kon. Ned. Metor. Inst. 1877 en 1880-1904. Verslag van het Departement van den Landbouw in Suriname, afz. Bijlage Metorologische Waarnemingen 1905-1912.
Dr. E. van Everdingen, Drachen beo bach tungen an Bord. S. Ms Panzerschiff ‘de Ruyter’. Angestellt vom Marineleutnant A.E. Rambaldo während der Fahrt nach Ost-Indien und während des Aufenthalts in W.-Indien. Oct. 1908-Juli 1909. (Med. en Verh. K.N.M.I. No. 11,1911.) Dr. Hergesell. Passatstudien in West-Indien. Beih. z. Phys. der freien Atmosph. 4, blz. 153, 1912.
Een volgens sommigen in de Surinaamsche bosschen voorkomende boom, waarvan de balatableeders het melksap, dat bij inkerving uit den stam vloeit, gebruiken om de balata te vervalschen. De boom wordt in Suriname ook kwatta bobi genoemd. Of men hier te doen heeft met de tot de familie der Urticaceae behoorende Galaktodendron utile Kth. die o.a. in het kustland van Venezuela voorkomt, is niet zeker.
Met dezen naam duidt men in Suriname de Britsch-Indische immigranten aan. Het woord is afkomstig uit het Tamiel of de taal van Malabar, beteekent een gehuurden arbeider, een daglooner, bij uitbreiding een sjouwer (zie ook Veth. Uit Oost en West, blz. 297-302) en komt in Suriname in allerlei samenstellingen voor; zoo wordt b.v. de agent-generaal koelie-papa genoemd. De Br. Ind. tolken heeten er koelie-tolken. Men spreekt van koelie-boter, koelie-rijst, enz.
| Jan. | Febr. | Maart | April | Mei | Juni | Juli | Aug. | Sept. | Oct. | Nov. | Dec. | Jaar. | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gemiddelde luchtdrukking | 761.4 | 62.0 | 61.4 | 61.4 | 61.6 | 62.1 | 62.2 | 62.0 | 61.6 | 61.3 | 60.7 | 60.9 | 61.5 | } in m.M. kwik van O° C. op middelbare zeehoogte. |
| Hoogste luchtdrukking | 765.6 | 65.9 | 64.7 | 64.6 | 64.8 | 65.0 | 65.5 | 65.2 | 65.5 | 65.0 | 65.5 | 64.7 | - | } in m.M. kwik van O° C. op middelbare zeehoogte. |
| Laagste luchtdrukking | 757.8 | 58.5 | 58.7 | 57.9 | 58.2 | 56.5 | 59.5 | 57.9 | 58.8 | 57.2 | 56.9 | 56.7 | - | } in m.M. kwik van O° C. op middelbare zeehoogte. |
| Gemiddelde temperatuur | 25.9 | 26.0 | 26.1 | 26.4 | 26.4 | 26.2 | 26.6 | 27.3 | 28.0 | 27.9 | 27.4 | 26.4 | 26.7 | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde dagelijksche maximum-temperatuur | 29.0 | 29.1 | 29.0 | 29.2 | 29.4 | 29.8 | 30.4 | 31.3 | 32.2 | 32.3 | 31.5 | 30.2 | 30.3 | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde dagelijksche minimum-temperatuur | 22.1 | 22.0 | 22.4 | 22.6 | 23.0 | 22.7 | 22.5 | 22.9 | 23.1 | 22.8 | 22.7 | 22.3 | 22.6 | } in graden Celsius. |
| Hoogste temperatuur | 32.6 | 31.5 | 32.9 | 32.3 | 32.2 | 33.2 | 34.5 | 33.8 | 34.4 | 36.5 | 37.4 | 33.7 | - | } in graden Celsius. |
| Laagste temperatuur | 16.9 | 17.3 | 16.6 | 16.9 | 18.2 | 19.4 | 16.7 | 19.9 | 19.6 | 19.7 | 19.9 | 18.0 | - | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde betrekkelijke vochtigheid | 86 | 85 | 85 | 85 | 87 | 87 | 85 | 82 | 80 | 80 | 83 | 85 | 84 | in procenten. |
| Laagste betrekkelijke vochtigheid | 56 | 54 | 53 | 55 | 48 | 49 | 48 | 44 | 43 | 42 | 42 | 40 | - | in procenten. |
| Gemiddelde windrichting | N 60° O | 54 | 55 | 58 | 69 | 73 | 73 | 72 | 74 | 75 | 79 | 75 | 67° | |
| Gemiddelde windkracht | 4.0 | 4.1 | 4.0 | 3.9 | 3.7 | 3.5 | 3.7 | 3.9 | 3.8 | 3.9 | 3.6 | 3.6 | 3.8 | Schaal 1-12. |
| Gemiddelde zonneschijn | 38 | 46 | 32 | 32 | 29 | 38 | 52 | 66 | 61 | 64 | 54 | 37 | 46 | in procenten. |
| Gemiddelde bewolking | 6.5 | 6.6 | 7.2 | 7.0 | 7.1 | 7.0 | 6.1 | 5.6 | 5.3 | 5.3 | 5.9 | 6.5 | 6.3 | Schaal 1-10. |
| Gemiddelde hoeveelheid neerslag *) | 221 | 183 | 220 | 236 | 312 | 295 | 215 | 144 | 69 | 67 | 124 | 212 | 2298 | in m.M. hoogte. |
| Grootste hoeveelheid neerslag *) | 508 | 552 | 479 | 584 | 558 | 454 | 450 | 285 | 203 | 158 | 399 | 409 | 3170 | in m.M. hoogte. |
| Grootste dagelijksche neerslag | 61 | 202 | 99 | 137 | 97 | 92 | 62 | 80 | 35 | 47 | 63 | 55 | - | in m.M. hoogte. |
| Gemiddeld aantal dagen met onweer | 1 | 0 | 3 | 3 | 8 | 9 | 10 | 8 | 4 | 5 | 5 | 4 | 60 | dagen. |
| *) Ontleend aan de tijdperken 1847-1854 en 1864-1911. |
| Jan. | Febr. | Maart | April | Mei | Juni | Juli | Aug. | Sept. | Oct. | Nov. | Dec. | Jaar. | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ‘L. en F. DE JONG’. | ||||||||||||||
| 4° 9 N.br, 55° W.l. | ||||||||||||||
| Gemiddelde temperatuur | 26.7 | 26.6 | 26.5 | 27.1 | 27.1 | 27.1 | 27.4 | 28.2 | 29.0 | 29.2 | 28.4 | 27.4 | 27.6 | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde dagelijksche maximum-temperatuur | 32.0 | 32.2 | 32.0 | 32.7 | 32.4 | 33.0 | 33.2 | 34.5 | 35.6 | 36.2 | 35.1 | 33.2 | 33.5 | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde dagelijksche minimum-temperatuur | 21.6 | 21.1 | 22.2 | 22.0 | 22.5 | 22.2 | 21.7 | 21.7 | 21.8 | 21.7 | 21.6 | 21.7 | 21.8 | } in graden Celsius. |
| Hoogste temperatuur | 36.6 | 35.5 | 34.4 | 35.8 | 36.2 | 35.6 | 36.0 | 38.1 | 37.9 | 39.3 | 38.4 | 37.6 | - | } in graden Celsius. |
| Laagste temperatuur | 17.4 | 17.0 | 19.1 | 17.7 | 19.0 | 20.1 | 19.8 | 19.6 | 18.5 | 19.4 | 18.8 | 19.4 | - | } in graden Celsius. |
| Gemiddelde windkracht | 2.5 | 2.5 | 3.0 | 3.4 | 3.1 | 3.3 | 2.7 | 3.2 | 3.4 | 3.2 | 3.5 | 2.8 | 3.0 | Schaal 1-12. |
| Gemiddelde bewolking | 3.8 | 2.9 | 4.5 | 3.8 | 3.8 | 3.2 | 3.4 | 2.4 |