te Paramaribo, opgericht 28 Nov. 1827, had ten doel de ondersteuning van behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. Nadat deze de school verlaten hadden, zorgde de Maatschappij voor hunne opleiding tot een of ander ambacht of beroep. Een door haar opgerichte spaarbank had in Dec. 1858 een fonds van ƒ23.833.91. De maatschappij schijnt verloopen te zijn. Het laatst wordt zij onder de liefdadige instellingen genoemd in den Surinaamschen Almanak van 1899.
Deze maatschappij, 14 Mei 1890 opgericht, en erkend bij K.B. van 1 Nov. 1890 no. 77, stelt zich ten doel de uitbreiding der kennis van land en volk in de Overzeesche Bezittingen en Koloniën van Nederland, zoowel met het oog op de belangen der wetenschap, als op die van landbouw en nijverheid. Zij beweegt zich meer bepaaldelijk op het gebied der zoölogie, botanie, geologie, anthropologie en ethnographie en vervult hare taak o.m. door het toekennen van geldelijke hulp aan Nederlandsche of in Nederlandschen dienst staande natuuronderzoekers. Voor zooveel West-Indië betreft heeft de Maatschappij geldelijk gesteund: in 1901 het landbouwkundig onderzoek van professor F.A.F.C. Went in Suriname; van 1901-1907, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni- en de Toemoekhoemak-expeditie; in 1904-1905 Dr. J. Boeke's onderzoek van de marinefauna der Nederlandsche Antillen; in 1906 de botanische reis van I. Boldingh naar St. Eustatius, Saba en St. Martin en in 1909-1910 de botanische reis van Dr. J. Boldingh naar Curaçao, Aruba en Bonaire. Zie verder ONDERZOEKINGSTOCHTEN.
In 1902 werd te Paramaribo een West-Indisch comité opgericht, dat echter na eenige jaren door vertrek of overlijden van de leden verloopen is.
Een departement van deze maatschappij werd in 1794 te Paramaribo opgericht, maar bleef niet langer bestaan dan tot 1800. Op 1 April 1816 werd er een nieuw departement opgericht. Dit maakte zich o.m. verdienstelijk door de uitgave van de Surinaamsche Almanakken van 1825, 1827-1843, 1845-1847 en van de ‘Gouvernementsbladen in de Kolonie Suriname uitgegeven sedert 1816 tot en met 1835’. Amst. 1837. Wanneer dit departement heeft opgehouden te bestaan is niet bekend, vermoedelijk kort na 1847, want in het Kol. Verslag 1850 wordt het niet genoemd onder de in de kolonie bestaande instellingen.
Een op Curaçao in 1807 opgericht departement leefde niet langer dan tot 1827.
Urb. Fam. Rubiaceae. Paaloe di heeroe, ben. e. Boom of heester met naar top en basis scherp toeloopende, tot 4 cm. lange bladeren; de bloemen staan in sterk samengestelde, pluimvormige bloeiwijzen en hebben een zachtbehaard vruchtbeginsel; de plant heeft scherpe doornachtige takken.
Van ouds bestond op de werkplaatsen van het Dep. der Koloniale Vaartuigen te Paramaribo de gelegenheid om een praktische opleiding tot machinist te verkrijgen. In 1897 werd er een meer stelselmatige opleiding in het leven geroepen. Op 1 Maart van dat jaar werd de cursus tot opleiding van machinist-leerlingen geopend met 5 leerlingen. Volgens het nieuwe reglement, vastgesteld bij gouv. res. van 14 Oct. 1908, moeten de leerlingen, die den 3-jarigen cursus gevolgd hebben, nog gedurende ten minste één jaar op de zeeschepen van het departement in de machinekamer praktisch werkzaam zijn. Daar na wordt hun gelegenheid gegeven om het examen af te leggen tot het verkrijgen van het diploma van machinist. De eischen voor dit examen zijn gelijk aan die welke in Nederland voor het diploma A gesteld zijn. Verscheidene leerlingen dezer school hebben met goeden uitslag in Nederland de machinisten-examens gedaan. De cursus telde op 31 Dec. 1912 13 leerlingen.
Katoenen stof onder dezen naam in vroeger jaren in Suriname veel ingevoerd. De naam is afkomstig van het in 1789 tijdens een cycloon door een vloedgolf weggespoelde industriedorp Madapolam in het presidentschap Madras, Britsch-Indië. Het dorp is verdwenen, de naam van de stof heeft zich gehandhaafd.
Karoe, n.e. Koren of Turksch koren, sur. Marisi, arow. Maisji grandi, ben. e. Maïs, bov. e. De maïs (Zea Maïs L. Fram. Gramineae, vermoedelijk uit Mexico afkomstig) een meer dan manshoog gras met eenslachtige bloemen, waarvan de vrouwelijke bloeiwijze een kolf, de mannelijke een samengestelde pluim is, wordt in Suriname alleen voor inlandsch gebruik, en wel hoofdzakelijk als hoendervoer, geteeld. Maagdelijk land of oude kapoeweri zijn de beste gronden voor den maïsbouw. Van kleigrond kan men meerdere oogsten achter elkaar verkrijgen; zandgrond is gewoonlijk na den eersten oogst voor de maïsteelt uitgeput. Het branden van het bosch werkt gunstig op den groei; volgens de meening der planters is branden noodzakelijk om een goed gewas te verkrijgen. Na het boschvellen en branden wordt het land met het oog op het meerjarige gewas, dat naderhand geplant zal worden, in bedden verdeeld en gedraineerd. Men plant de maïs in Nov. of Dec. in den kleinen regentijd; de oogst valt dan in den kleinen drogen tijd of in Juni of Juli, waarbij dan in den grooten drogen tijd de oogst binnenkomt; maïs in den kleinen regentijd geplant geeft echter als regel een grootere opbrengst. Alle grondbewerking, planten en oogsten geschiedt door handenarbeid. Een goede plantwijdte is 2½ bij 3 of 3 bij 3 voet. Over 't algemeen wordt echter dichter geplant. Een normale oogst levert 25 à 30 zakken van 300 kolven (spieren); een zak spieren geeft ± 45 K.G. korrel, d.i. 100 tot 1400 K.G. per Surinaamschen akker. Het gehalte der Surinaamsche maïs stond tot voor eenige jaren niet hoog; door het Dep. van Landbouw is hierin veel verbetering gebracht en een ras verkregen met 18-24 rijige kleinkorrelige kolven. De inlandsche markt is zeer afwisselend, en schommelingen, waarbij binnen een paar maanden de prijs van een zak spieren van ƒ1 tot ƒ8 oploopt, komen bijna jaarlijks voor. Bij groote oogsten, wanneer een sterke daling van den prijs is te vreezen, worden kleine hoeveelheden maïs uitgevoerd, welke om de kleine korrels gezocht is en een goede markt vindt. De uitvoer bedroeg in 1913 133.733 K.G. ter waarde van ƒ3348. In de vijftiger jaren der vorige eeuw was er te Paramaribo een windmolen ter vermaling van het koren. In tegenstelling met andere Amerikaansche landen, waar koeken of brooden van maïsmeel bereid, het hoofdvoedsel der plattelandsbevolking en lagere klassen uitmaken, wordt maïs in Suriname weinig als voedsel voor menschen gebruikt. Men gebruikt het meel tot het koken van pap; ook worden de maïskolven, als ze nog onrijp en zacht zijn, wel gekookt of geroosterd gegeten. Verder maakt men er lekkernijen van, taartjes, welke bojo genoemd worden. Van de rijpe, geroosterde korrels, maakt men koekjes al of niet met pinda's gemengd en verder asogrì (zie aldaar). De droge spieren, sterk gebrand, en in kokend water getrokken met een stuk kaneel, zijn een volksgeneesmiddel tegen diarrhee.
Alleen door de Indianen en Boschnegers in de Marowijne, wordt een donkerbruine, bijna zwarte maïssoort geteeld.
De maïs heeft, zoowel te veld staande, als wanneer ze reeds geoogst is, vele vijanden. Van de plantaardige parasieten zijn vooral de builenbrand, Ustilago Maydis Lév., en, in mindere mate, de roest, Puccinia Maydis Carr., de belangrijkste; van de dierlijke vijanden zijn veenmollen (koti-koti) schadelijk voor het pas geplante koren; aardrupsen voor de groene stengels, bladeren en jonge kolven; apen en parkieten voor de rijpe kolven. Het opgeslagen koren heeft, vooral wanneer het niet volkomen ge-
droogd is, te lijden van klanders en korenmotjes.
Op Curaçao wordt deze maïs algemeen op kleine schaal gekweekt, vooral door den kleinen landbouwer, wegens de vroegrijpheid (Jan.-Feb.). Voor zaaizaad kiest men bij voorkeur het inheemsche (criollo), liever dan zaad van Venezuela, Haïti of Porto Rico; de inheemsche soort geeft grootere oogstzekerheid, doch geringe opbrengsten: één kolf per stengel, zeer kleine, licht gele korrels, bijzonder kleine, doch goedbezette kolven. In den drogen tijd wordt deze maïs wel gekweekt onder bevlooiïng: 1o. voor groenvoer voor paarden en runderen; ze moet dan na elke snede opnieuw gezaaid worden, terwijl het vee de stengels en bladeren slechts in verschen toestand eet; 2o. door hoveniers, wegens de vraag naar melkrijpe kolven voor bereiding van soep, o.a. Spaansche groentesoep (sancochi).
(Andropogon sorghum Brot., zie aldaar), verreweg het voornaamste cultuurgewas der Benedenwindsche eilanden, levert het hoofdvoedsel der bevolking.
In den drogen tijd (Juni en Juli), wordt het land schoongemaakt met de hak; sommige groot-grondeigenaars ploegen het land; bemesting heeft niet plaats. Met de Aug.-regens wordt soms geplant, maar deze aanplant mislukt meestal; gewoonlijk plant men met het invallen der eigenlijke regens, n.l. in Sept. of eerst in Dec. Met de hak worden kleine plantkuilen geslagen van 75 à 90 c.M. in het vierkant, en daarin 5 à 6 korrels geplant. Soms wordt geplant vóór er regen is gevallen; in dit geval gebruikt men als plantmateriaal kleine trosjes korrels, die van een aar zijn afgescheurd: planta begas. De aanplant wordt met de hak van onkruid gezuiverd, tegelijk met de aanaarding.
(pester, peliger): droogte maakt herhaald planten noodig, doet den oogst veelal mislukken; rupsen (bichi) vreten het zeer jonge gewas op, vooral na de eerste behakking, beschadigen den groetop of leven in de bijna rijpe aren; vliegen verhinderen de vruchtzetting; twee soorten brand, Ustilago (parie pretoe en castool) doen schade, vooral in minder gunstige regenjaren. Middelen tot bestrijding worden niet toegepast.
Heeft plaats in Maart-April; de aren (tapoesji) worden stuk voor stuk afgesneden; de hoofdstengel draagt aan den top één groote aar, geeft meerdere zijtakken, die kleinere aren dragen (criollo); de criollo rijpt iets later, en daarop wordt meestal gewacht. Een gewone oogst bedraagt 1500 tot 2000 K.G. maïs in de aar, maar kan door goede voorafgaande grondbewerking en bemesting worden opgevoerd tot 3500, wellicht 4000 K.G. per H.A.
Wordt niet uitgezocht. Bovengenoemde begas wordt uit de opgeschuurde voorraden genomen. Korrels worden uitgedorscht spoedig na den oogst en bewaard in flesschen of kruiken van 8,5 L. inhoud (damoejaan, labijan en boetisji), welke vooraf met een weinig petroleum worden gespoeld; vóór het kurken wordt de hals gevuld met asch. Het zaad kan meerdere jaren goed blijven.
De geoogste aren zijn op stam in den regel volkomen droog geworden en kunnen dadelijk in de schuur. Zij worden ruw gestapeld en licht aangestampt; de buitenkant van zulk een hoop wordt regelmatig gestapeld, met de stelen naar buiten. De wanden en vloer van de goed gesloten schuur worden vooraf met koemest bestreken. Aldus opgeschuurde maïs kan eenige jaren goed blijven. Naar behoefte wordt daarvan dagelijks afgenomen; voor het vee worden de aren in enkele stukken gescheurd; voor den mensch worden ze gedorscht op een harden vloer pleinchi) of wel uitgestampt in een houten vijzel (pilon). De korrels worden tusschen twee steenen tot meel gewreven; tegenwoordig meer in handen windmolens gemalen. Het malen met Amerikaansche windmolens heeft zich tot een bedrijf ontwikkeld. De zemelen behoudt de molenaar voor varkensvoeder. Van het meel maakt men een stijve, grijswitte pap (Fonsje of Foensji) en deze is het gewone volksvoedsel.
Na het afsnijden der aren blijven de bebladerde stengels (maïsstokken, paloe maisji) op het veld staan drogen, waarna ze worden afgekapt en soms opgeslagen in schelven (monton), waardoor ze een paar jaren bewaard kunnen blijven. Daarna wordt het vee in het veld gedreven om de restanten der stengels en de afgevallen bladeren te vreten. De oudere groene stengels en bladeren, even als de gedroogde maïsstokken worden met graagte door het vee gegeten; de jonge, groene spruiten zijn giftig (blauwzuur?).
Somtijds kweekt men met afwisselend gevolg, voor het komende seizoen de spruiten op, die uit de stronken der afgekapte planten opgroeien.
Bij verbouw van maïs op de plantages door de opgezetenen zijn de korrels voor den verbouwer, de maïsstokken voor den grondeigenaar.
Een soort, de maisji raaboe of maisji sjeete siman (maïs van 7 weken), gekenmerkt door ijlere aren, grootere korrels, en ijler bebladerden stengel, is het hoofdgewas van Aruba. Op dit eiland mislukt de oogst zelden; meestal komt het zaaisel van Aug. goed terecht en heeft men twee oogsten. Bij het oogsten wordt de geheele plant omgekapt; na droging in de zon worden de aren uitgesneden. Daarna past men een lichte grondbewerking toe en krijgt van de spruiten in hetzelfde saizoen nog een tweeden oogst. Pogingen, om deze soort op Curaçao te kweeken, zijn niet gelukt; 1o. heeft de maisji raaboe op Curaçao steeds veel last van Thrips; 2o. hebben de weinige, kleine aanplantingen door hunne vroegrijpheid bijzonder veel te lijden van vogels.
Op Aruba onderscheidt men talrijke variëteiten, die verschillen in voorkomen van de aar, in kleur en grootte der korrels en in kleur van de kelkkafjes. Deze maïssoort kan niet lang bewaard worden; het best nog de kleine, harde, roode korrels, het minst de groote, parelwitte korrels. Uit het meel wordt eveneens foensji gemaakt, die echter minder smakelijk en donkerder van kleur is (foensji pretoe).
Litt. R.F. van Raders. Eenige woorden ter aanprijzing v.d. Maïsbouw in de kol. Suriname. Paramaribo, 1849. (Herdruk 's Gravenh. 1854; ook opgenomen in de Tuinbouw-flora van 1855). A.W. Drost. Maïs- of Builenbrand. Bulletin no. 4 (Mei 1905), v.h. Dept. v.d. Landbouw in Suriname. De jaarverslagen van dit departement. R.H. Rijkens. Curaçao. Tiel, 1907, blz. 25-31. G.B. Dussel. Kort overzicht over den landb. op Curaçao. (Uitg. v.d. Kol. landbouwtentoonst. te Deventer, 1912).
pap. Manden, op Curaçao gevlochten van de in tweeën gespleten dunne twijgen van den kalebasboom (Crescentia); van mindere kwaliteit zijn die van tamarinde- en van manggletwijgen. In Suriname wordt het woord - dat van Indiaanschen oorsprong is - in den vorm van het verkleinwoord gebruikt; men spreekt van een sigaren-makotje = sigaren-koker. Zie ook MATEN EN GEWICHTEN.
Jacq. Fam. Malvaceae. Giambo sjimarón, ben. e. Rechtop groeiende plant met zwak drielobbige bladeren met drie hoofdnerven; de voet van het blad is zeer breed, tot 5 cm. terwijl de lengte van het blad dikwijls minder is; de bloemen staan in dichte, lang gesteelde, zeer ineengedrongen bloeiwijzen, voorzien van schutbladen; de kelkbladen zijn scherp behaard.
MOERASKOORTS, PALUDISME. Van de oudste tijden af hebben de zoogenaamde moeras- of periodieke koortsen de aandacht bezig gehouden van ontelbare onderzoekers, die de meest uiteenloopende theorieën voor haar ontstaan hebben verkondigd. De meest verspreide meening was dat vergiftige uitwasemingen van moerassen de oorzaak waren. In 1880 publiceerde Laveran zijne ontdekking van een in het bloed van malarialijders voorkomende parasiet, de malaria-plasmodiën (Zie PROTOZOA) en sedert is de kennis van de oorzaak der ziekte snel vooruitgegaan. Golgi vond dat de periodiciteit der koortsaanvallen samenviel met de verschijning van een nieuwe generatie der parasieten in de roode bloedcellen. Ronald Ross ontdekte de parasieten in zeker stadium in den maagwand van de Anopheles-muskiet (zie aldaar en onder DIPTERA) en sedert hebben tal van onderzoekers de ontwikkelingsgeschiedenis der parasieten bestudeerd en aangetoond dat de Anopheles de overbrenger der malaria is. De in vele landen met uitstekend gevolg ondernomen bestrijding van de malaria gaat uit van deze algemeen aangenomen theorie. Toch schijnt het niet afdoende bewezen dat men niet malaria-lijder kan worden ook op andere wijze. Jhr. C.J. van Reigersberg Versluys, die den spoorweg van Paramaribo naar de Sarakreek aanlegde, trekt op grond zijner waarnemingen, de geheele muskieten-theorie in twijfel. Daarentegen verzekert Flu dat de gezond-heidstoestand van het leidend personeel bij den spoorwegaanleg heel veel beter werd, toen het niet langer behoefde te huizen in noodkampen, die niet muskietvrij waren. Het karakteristieke van de koorts bestaat in haar periodieken terugkeer, om den anderen dag (tertiana) of met andere intervallen (quartana, quintana, enz.). De gewone malaria-aanval begint met koude rillingen, die van één tot twee uur aanhouden; daarop wordt de eerst koude huid brandend heet en droog, en de temperatuur, die reeds in het koude stadium verhoogd was, stijgt tot 40° en hooger. Na 3-5 uur volgt een overvloedig zweeten, waarbij de temperatuur snel daalt. Tusschen de aanvallen voelen de lijders zich in den regel vrij wel. Bij de ‘pernicieuze’ malaria, die vooral in de tropen voorkomt en daarom de tropica heet, vertoonen zich, behalve de genoemde verschijnselen, ook nog bewusteloosheid, deliriën en krampen.
Tot dusver zijn drie verschillende parasieten bekend, n.l. die van de tertiana, die van de quartana en die van de tropica, welke zoowel in grootte, bewegelijkheid, pigmentvorming, sporenvorming als door den duur van haar ontwikkelings-cyclus verschillen. Deze duur is bij de tertiana en de tropica 48 uur, bij de quartana 72 uur. Door dubbele of gemengde infectie ontstaan de quotidiana en de andere vormen.
De miltzwelling, die na elken malaria-aanval sterker wordt, heet in Suriname koekoe.
In de kolonie komt de malaria in alle vormen voor; in de kuststreek is ze gewoonlijk goedaardig, in de binnenlanden heerscht de tropica, die te Paramaribo alleen voorkomt bij lijders die haar uit de bosschen medebrengen. Zooals reeds in het art. BOSCHNEGERS is opgemerkt, meent Flu dat de pernicieuze malaria in de binnenlanden van Suriname is gebracht door de uit Afrika ingevoerde en naar de bosschen gevluchte slaven, die de Afrikaansche malaria meebrachten. Bij de Indianen zou deze malariavorm zijn opgetreden door hun aanraking met de boschnegers en later met de goudzoekers. Andere vormen van malaria zijn waarschijnlijk aan Zuid-Amerika eigen geweest, daar het specifieke middel tegen deze koortsen, de kinabast, door de Indianen is ontdekt, zeker vóór 1638. Onder de Boschnegers is de tropica zeer verbreid; nagenoeg allejonge kinderen worden er door aangetast en vertoonen ook miltzwelling; de mortaliteit schijnt bij hen echter niet groot te zijn en langzamerhand ontwikkelt zich bij hen een betrekkelijke immuniteit, die op lateren leeftijd toeneemt; de miltzwelling verdwijnt geheel. Anders is dit bij de Indianen; deze verkrijgen de immuniteit niet, en juist hierop grondt Flu zijne meening, dat zij vóór hunne aanraking met de Boschnegers niet aan de tropica leden. In de districten komen het meest de tertiana en de quartana voor, de eerste onder de Britsch-Indische, de laatste meer onder de Javaansche immigranten, die de infectie uit Oost-Indië schijnen mede te brengen. Waar op de plantages de tropica voorkomt, is zij er gebracht door menschen, die in de binnenlanden werkzaam zijn geweest. Sprekende in 't algemeen kan men zeggen, dat het zwarte ras het best, het blanke ras het minst weerstand biedt aan de malaria, terwijl bij kleurlingen de weerstand des te geringer is naarmate zij meer blank bloed hebben.
De bestrijding der malaria kan plaats vinden 1o. door uitroeiing der muggen, 2o. door de ontwikkeling der larven tegen te gaan, 3o. door de bronnen, waaraan de Anopheles zich infecteert - d.i. den malarialijder - door een stelselmatige chinine-behandeling onschadelijk te maken. In de zeer schaarsbevolkte binnenlanden kunnen de eerste twee methoden geen toepassing vinden en de derde methode zou afstuiten op den onwil of de onverschilligheid van de Boschnegers en de in de bos-
schen vertoevende arbeiders, zooals bij den spoorwegaanleg gebleken is. Die zich daar tegen malaria wil beschutten, zal dit geheel persoonlijk moeten doen, door zich te vrijwaren tegen den steek van muskieten en door een chinine-prophylaxe. Op de plantages en vooral in de hoofdplaats is de bestrijding zeer goed mogelijk, maar tot dusver is het koloniaal bestuur (zie HYGIËNE) hierin te kort geschoten. Toch zouden de uitgaven, aan de bestrijding besteed, opgewogen worden door de winst aan arbeidskrachten, in een kolonie, die lijdt aan bevolkingsnood, een zaak van groot belang.
Op Curaçao schijnt de Anopheles niet voor te komen. Malaria heerscht er dan ook niet, tenzij bij personen die in Venezuela en Columbia werk zijn gaan zoeken. Daar de Anopheles ontbreekt geven deze lijders, die in den regel spoedig herstellen, geen aanleiding tot besmetting van anderen. Ook op de andere eilanden komt malaria slechts sporadisch voor, wanneer ze van buiten wordt ingevoerd.
Litt. Van de verbazend uitgebreide litteratuur, worden hier slechts vermeld de geschriften, die meer in het bijzonder op de W.I. koloniën betrekking hebben: Jhr. C.J. van Reigersberg Versluys. Aanteek. betr. spoorwegaanleg in Suriname (De Ingenieur van 29 Febr. 1908). - D.G.J. Bolten. Visschen als muskietenverdelgers (Bulletin no. 19, Juli 1909, van het Dept. van Landb. in Suriname). - Julius J. Halfhide. Schadelijke insecten en dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen. Haarlem 1911, 6e gedeelte (met zeer uitvoerig historisch overzicht en litteratuuropgave). - P.C. Flu, Rapport omtr. Malaria-onderzoek in de binnenlanden van Suriname. 's-Gravenh. 1912. - H. Ferguson. Eenige mededeelingen omtr. de hygiënische toestanden op Curaçao (Bijlage E van het Kol. Verslag 1914).
L. Fam. Malpighiaceae. Geribde kers, sur. Moontji-moontji-keersi, n.e. Sjimaroekoe maatsjoe, ben. e. Cherry, bov. e. Kleine boom met spatelvormige, aan den top afgeronde bladeren, die aan kortloten staan. De roode, eetbare vruchten hebben de grootte van de Europeesche kers, maar het vruchtvleesch vertoont van buiten een aantal ondiepe, overlangsche groeven.
De Zoogdieren of Mammalia vormen een duidelijk omschreven Klasse van zgn. Gewervelde Dieren. Toch bieden de talrijke vertegenwoordigers oneindige verscheidenheid, zoowel in levenswijze als in maaksel en uiterlijk of in trap van ontwikkeling. Wel leven de meeste op het land, maar talrijke soorten verkiezen een verblijf in het water, al moeten zij ook om adem te halen telkens boven water komen. Naar mate zij zich meer uitsluitend in water ophouden, zijn de ondergane wijzigingen grooter. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat zulke waterzoogdieren afstammen van land-zoogdieren. Het sterkste voorbeeld vindt men in de Cetacea of Walvischachtige Dieren, waarvan de meeste op het land ten eenenmale hulpeloos zijn. Hun gedaante is vischvormig, hun pooten zijn vinvormig, ja in vele gevallen bezitten zij niet eens vier pooten en in ieder geval geschiedt de voortbeweging evenals bij de Visschen in hoofdzaak door den staart. Hebben deze zoogdieren zich klaarblijkelijk regressief ontwikkeld, de evolutie is bij andere progressief voortgeschreden. Er is reden om aan te nemen, dat (afgezien van Monotremata) de Buideldieren de laagste trap van ontwikkeling vertoonen en dus hun maaksel het naast aansluit aan de stamvaders der Zoogdieren. Reeds hooger ontwikkeld zijn de Insectivora. In verschillende richting ziet men volmaking; zoodat het in vele gevallen eigenlijk niet aangaat van hoogere of lagere ontwikkeling te spreken.
Wel komen de hersenen bijv. bij de Simiae tot de hoogste ontwikkeling en staat onder hen de mensch in dit opzicht bovenaan, in vele andere opzichten is dit geenszins het geval. Hun maaksel is bijv. zeer zeker niet het meest geschikte wat betreft snelle voortbeweging. Daarvoor zijn geheel anders gebouwde extremiteiten noodig als de Simiae bezitten. In dit opzicht hebben zich de Perissodactyla en Artiodactyla vooral ontwikkeld. Zij zijn, zooals men het uitdrukt, in die richting veel meer gespecialiseerd, staan daardoor van de oorspronkelijke Zoogdieren veel verder af.
Groot is de verscheidenheid in uitwendig voorkomen en in maaksel. Met uitzondering alleen van de Sponsdieren, loopen de afmetingen bij geen dierklasse zóó uiteen als bij Zoogdieren (bijv. muis en walvisch). Het is onder de Zoogdieren dat de grootste thans levende dieren voorkomen. Geen dierklasse is voor den mensch van zulk een oeconomisch belang als de Mammalia. Zij leveren voor talrijke menschenrassen het meest belangrijke dierlijk voedsel: zij alleen kunnen den mensch noemenswaard van dienst zijn als werkkracht; zij verschaffen ons een groot deel onzer kleeding. In al deze opzichten staan bovenaan bepaalde hoefdieren (met name Perissodactyla en Artiodactyla): paarden, ezels, runderen, schapen, enz.
Maaksel. De twee voornaamste organen waardoor de Zoogdieren gekenmerkt zijn en zich van alle andere dieren onderscheiden, zijn produkten van de huid: haren en melkklieren. Verreweg de meeste Zoogdieren hebben als huidbekleeding een haardos. Ieder haar is zeer ingewikkeld gebouwd: het bestaat uit een overgroot aantal min of meer verhoornde cellen. Nu eens zijn het fijne, zachte, soepele draden, dan weder stijve ‘borstels’, of wel harde stekels (Stekelvarken). Bij sommige dieren echter zijn haren spaarzaam en is er van een algemeenen haardos geen sprake (Olifant, Rhinoceros, Mensch). Merkwaardig is het feit, dat de haren volgens een bepaald stelsel zijn gerangschikt, verschillend naar gelang van de soort of het geslacht. Uit het bovenstaande volgt, dat
de kleur der Zoogdieren in den regel afhangt van de kleur der haren. Behalve de haren komen als huidbedekking ook nog andere hoorn-vormsels voor, n.l. schubben. Niet zelden vindt men zulke schubben op den staart (bijv. ratten en muizen); zeer zelden op kop en romp (Schubdieren, Gordeldieren). Met uitzondering van de Cetacea zijn ook de uiteinden der vingers van hoorn-vormsels voorzien (nagels, klauwen, hoeven). De huid bevat een menigte klieren waarvan het produkt - en dus de functie - zeer verschillend is. De meest belangrijke zijn de melkklieren, daargelaten of het vocht, dat uit die klieren komt en dat het pasgeboren jong tot voedsel strekt, bij Monotremata werkelijk ‘melk’ mag genoemd worden.
Het geraamte der Mammalia bestaat uit een zeker aantal, gedeeltelijk onderling bewegelijk verbonden stukken been en kraakbeen. De schedel bestaat uit een aantal afzonderlijk gevormde beenstukken, die langzamerhand onderling versmelten, met uitzondering van de onderkaak, die door een gewricht met de rest van den schedel verbonden is. Aan het achterhoofd bevinden zich twee knobbels (condyli), die een bewegelijk gewricht vormen met den eersten wervel. De geheele wervelkolom bestaat uit verscheidene afzonderlijke stukken, wervels. Hoezeer de lengte van den nek ook moge verschillen, het aantal halswervels is altijd zeven; op dezen regel zijn slechts een paar uitzonderingen bijv. Manatus (6), Bradypus (8-10). De overige wervels wisselen in aantal; dit geldt vooral voor de staartwervels (3-46). Sleutelbeenderen zijn al of niet aanwezig. Normaliter hebben de Zoogdieren twee paar extremiteiten; kenmerkend is het feit, dat het voorste paar nooit ontbreekt; het achterste paar kan rudimentair of zelfs geheel afwezig zijn. Het aantal vingers (resp. teenen) is meestal vijf; dikwijls zijn niet alle vijf even ontwikkeld. Zoo raken bijv. bij het varken slechts twee teenen den bodem, bij het paard slechts één. Toch zijn van de overige bijna altijd sporen in het skelet waarneembaar.
Kenmerkend voor het zenuwstelsel is de groote ontwikkeling der hersenen, die de schedelholte nagenoeg geheel opvullen. De groote hersenen bedekken de kleine in meerdere of mindere mate. Zij zijn bij de Monotremata en Marsupialia bijkans glad, bij de hoogere Zoogdieren op verschillende wijze gegroefd; in het algemeen meer naar mate het dier intellectueel hooger staat. Het aantal groeven en ‘windingen’ hangt echter òok samen met de grootte van het dier. Zoo hebben bijv. de kleine zijde-aapjes bijkans gladde hersenen, ofschoon niets er op wijst, dat zij intellectueel lager staan dan de groote apen met talrijke hersen-windingen. Oogen zijn wel altijd aanwezig, maar bij sommige in den grond levende dieren zóó klein en verborgen, dat zij nauwelijks als gezichtswerktuigen dienst kunnen doen. De uitwendige ooren zijn meestal groot en door afzonderlijke spieren beweegbaar. Het reukorgaan is doorgaans scherp ontwikkeld. Terwijl de haren eensdeels als uitwendige bedekking dienen, is ieder haar op zichzelf als het ware een tastorgaan; bovendien zijn sommige haren in deze richting bijzonder ontwikkeld. Zulke ‘tastharen’ komen vooral voor aan de lippen. Smaak-organen zetelen in hoofdzaak op de bijna altijd zeer ontwikkelde tong.
Met uitzondering van de Walvisschen is de mond omgeven door bewegelijke lippen. De mondhoek zet zich voort in de pharynx, die in rechtstreeksche gemeenschap staat met den slokdarm. Deze doorboort het middenrif en gaat over in een wijder gedeelte, maag, in welke zoutzuur en pepsine afscheidende klieren op bepaalde wijze gerangschikt, voorkomen.. De maag is aan het einde vernauwd (pylorus) om over te gaan in den darm. Meestal kan men hieraan nauwere en wijdere gedeelten onderscheiden: dunne darm en dikke darm. vaak voorzien van blinde aanhangsels (blinde darm). De dikke darm gaat over in den endeldarm (rectum), die óf, wat regel is, rechtsstreeks naar buiten mondt met den anus, óf met de uitvoerbuizen van urine en geslachtsklieren in een gemeenschappelijke ruimte (cloaca). In den wand van het geheele spijsverteringskanaal, dat altijd aanmerkelijk langer is, dan de buikholte en dus daarin in kronkels ligt, bevinden zich verschillende klieren, die het voedsel helpen verteren. Behalve de reeds vermelde klieren in de maag, zijn er nog andere grootere klieren welker uitvoerbuizen in het spijsverteringskanaal uitmonden. De voornaamste zijn: de speekselklieren, die in de mondholte lozen; de lever, die de gal bereidt, en de alvleeschklier (pancreas), die evenals de galbuizen in den dunnen darm nabij den pylōrus uitmonden. Die klieren zijn dus hulporganen van het spijsverterings-stelsel. Als zoodanig zijn ook de tanden op te vatten. Naar gelang van het voedsel, dat de Zoogdieren gebruiken, zijn de individueele tanden zoowel als deze gezamelijk (gebit) zeer verschillend. De gebitten van een Roofdier, een Knaagdier, een Hoefdier, zijn zóó verschillend en zóó karakteristiek, dat men hieruit alleen reeds meestal de groep kan bepalen waartoe het dier behoort. Bijkans altijd kan men onderscheiden: snijtanden, hoektanden en kiezen. Men is er in den laatsten tijd in geslaagd niettegenstaande het enorme verschil alle tanden van een gemeenschappelijken grondvorm af te leiden. Meestal wordt een deel van het gebit ‘gewisseld’, d.w.z. de oude tanden worden vervangen door nieuwe. Aangezien dit wisselen bij den mensch op zeer jeugdigen leeftijd geschiedt, noemt men de eerste tand-generatie ‘melk-gebit’. Andere Zoogdieren leveren het bewijs, dat dit wisselen niet alleen in de prille jeugd voorkomt. Intusschen, niet altijd worden de tanden gewisseld. Het komt ook voor, bijv. bij de snijtanden der Knaagdieren, dat tanden, naarmate zij aan het vrije einde afslijten, aan het in de kaak verborgen deel blijven groeien en de tand op die wijze opgeschoven wordt. Het voornaamste bestanddeel der tanden is het tandbeen of ivoor.
Alle Zoogdieren zijn luchtademend. De lucht wordt door de neus ingeademd en komt dan in de pharynx; nabij de plaats waar in deze de slokdarm uitmondt, is de opening van de luchtpijp, die door een klep kan gesloten worden, zooals bijv. gebeurt bij het slikken. De luchtpijp vertakt zich weldra in tweeën en ieder der beide stammen herhaalde malen in steeds fijner wordende, blind eindigende buisjes, die te zamen long genoemd worden. In het begin van de luchtpijp (het strottenhoofd) achter de bovengenoemde klep zijn eigenaardige vliezen; worden deze gespannen en wordt dan met kracht lucht uit de longen daar langs geperst dan geraken de vliezen (stembanden) in trilling, waardoor geluid ontstaat. Met uitzondering van den mensch kan echter geen zoogdier het stemgeluid zóó harmonisch tot stand brengen als vele vogels: het bepaalt zich tot schreeuwen, brullen, knorren. In sommige gevallen bestaan eigenaardige inrichtingen om het geluid te versterken. (Zie MYCETES).
De Zoogdieren zijn zgn. warmbloedig, d.w.z. de temperatuur van het lichaam is binnen zekere grenzen onafhankelijk van die der omgeving: het bloed
heeft een nagenoeg standvastige temperatuur. Evenals bij de Vogels, zijn in volwassen toestand het linker en het rechter gedeelte van het hart volkomen gescheiden. In tegenstelling met hen buigt bij de Zoogdieren echter de aorta naar links om. Kenmerkend voor de Mammalia is voorts dat, met uitzondering der Kameelen, de roode bloedlichaampjes ronde, kernlooze schijfjes zijn.
Denieren zijn boon vormig, meestal glad; hun ureters monden in de pisblaas; deze mondt door de urethra vóór den anus naar buiten. De testes liggen aanvankelijk in de buikholte; bij Monotremata en Cetacea blijven zij daar. Maar in den regel treden zij later door het lieskanaal buiten de buikholte en komen in een dubbele huidplooi, scrotum, te liggen. Bij sommige (bijv. vele Knaagdieren) treden zij na den bronsttijd weder in de buikholte. De eierstokken zijn bijna altijd gepaard en beiderzijds gelijkelijk ontwikkeld. Bij Monotremata is echter, evenals bij de Vogels, slechts de rechter eierstok volkomen ontwikkeld. De eileiders monden in een gemeenschappelijken uterus, of zwellen ieder afzonderlijk tot uterus aan. Tusschen deze uitersten zijn velerlei overgangen. De geslachten zijn steeds gescheiden en vertoonen bij de meeste zoogdieren uitwendige verschillen. Zoo zijn in den regel de mannetjes grooter en krachtiger ontwikkeld, hebben een luider stem, een sterker gebit. Bij vele hoorndragende zoogdieren hebben alleen de mannetjes hoorns.
De bronsttijd valt in gematigde streken meestal in het voorjaar; bij vele huis-zoogdieren meer dan eens per jaar. Onafhankelijk van de paring geraken tegen het einde van den bronsttijd één of meer eieren uit het ovarium los. Zij komen in den eileider en kunnen daar bevrucht worden. Bij Monotremata komt het ei, evenals bij de Vogels, voorzien van een schaal buiten het lichaam. Bij alle andere Zoogdieren komt het in de baarmoeder en hecht zich daar vast indien het bevrucht is. De draagtijd (zwangerschap) is zeer verschillend van duur; het langst bij de zeer groote zoogdieren. Het aantal jongen per worp wisselt tusschen 1 en 24.
Zoogdieren worden aangetroffen zoowel in de poolstreken als in de tropen. De meeste groote groepen hebben echter een bepaald gebied waar zij leven. Zoo worden Apen bijkans uitsluitend in tropische streken gevonden en wel één groep in de Nieuwe en één groep in de Oude Wereld (Zie SIMIAE). Andere groepen bijv. Vleermuizen en verreweg de meeste Roofdieren ontbreken alleen in de poolstreken; weer andere worden alleen dààr aangetroffen. Sommige groepen zijn uitermate beperkt: Monotremata bijv. komen alleen voor in Nieuw-Holland, Tasmanië en Nieuw Guinea.
Men verdeelt de Zoogdieren tegenwoordig in drie onderklassen: Monotremata, Marsupialia en Monodelphia. De Monotremata zijn gekenmerkt door het bezit van een cloaca; zij zijn de eenige zoogdieren, die eierleggend zijn. Men kent van deze zonderlinge dieren slechts drie geslachten; de meest bekende zijn Echidna en Ornithorhynchus.
De Marsupialia zijn o.a. gekenmerkt door het bezit van een ‘buidel’, gesteund door bijzondere beenstukken van het bekken, de buidelbeenderen (Zie overigens MARSUPIALIA).
De derde onderklasse, omvat alle andere zoogdieren; de Monodelphia worden in de volgende Orden verdeeld.
I. Insectivora. Over het algemeen kleine dieren; meestal 5 vingers met klauw-nagels. Gebit voltallig. In den regel nachtdieren. In tropische en gematigde streken (behalve Z.-Amerika en Australië). Mol, Egel, Spitsmuis.
II. Chiroptera (Zie aldaar).
III. Galeopithecidae. Terwijl bij de Vleermuizen de vlieghuid uitgebreid is en gesteund wordt door sterk verlengde vingerkootjes is dit bij de G. niet het geval. Vliegende Maki (O.I. Arch).
IV. Tubulidentata. Spaarzame beharing; gebit onvolledig, weinig verschil in de tanden onderling. Aardvarken (Afrika).
V. Pholidota. Lichaam grootendeels bedekt met schubben; slechts enkele weinige haren. Geen tanden; tong rolrond. Manis (O.I. Arch. en Afrika).
VI. Xenarthra (Zie aldaar).
VII. Rodentia (Zie aldaar).
VIII. Tillodontia. Alleen fossiel bekend. Wellicht stamvaders der tegenwoordige Knaagdieren.
IX. Carnivora (Zie aldaar).
X. Cetacea (Zie aldaar).
(De XI-XX Orde worden ook wel tezamen gevat als Hoefdieren, Ungulata).
XI. Perissodactyla. Herbivore dieren. Althans de achterste extremiteiten hebben een oneven (3 of 1) aantal vingers. Tapir (zie TAPIRUS), Rhinoceros. Ook het geslacht Equus behoort hier te huis, waarvan Paard, Ezel, Zebra voorbeelden zijn. In Europa, maar vooral in N.-Amerika zijn talrijke vondsten gedaan van fossielen ‘Paarden’, die de genealogie der talrijke levende soorten en rassen ophelderen. Daaruit is gebleken, dat zij alle afstammen van veel kleinere vormen (grootte van een vos) en duidelijk het bewijs leveren hoe zich het karakteristieke gebit en de eigenaardige éénhoevige extremiteiten hebben ontwikkeld.
XII. Artiodactyla. Herbivore of omnivore dieren. Even aantal vingers. Zij omvatten een groot aantal uiterlijk zeer verschillende dieren. Vermeld mogen worden: 1. De niet-herkauwende Artiod. bijv. Nijlpaard, Varken, Pakira (zie DICOTYLES). 2. De Tylopoda, waartoe Kameel en Lama behooren. 3. De Pecora, gekenmerkt door het gemis van snijtanden in de bovenkaak, het feit dat zij veelal hoorns dragen en een samengestelde maag bezitten. Tot de Pecora rekent men de Cervidae (zie aldaar), de Bovidae (antilopen, schapen, runderen). Ook de Giraf behoort tot de Pecora.
XIII-XVII. Alleen fossiel.
XVIII. Hyracoidea met het geslacht Hyrax.
XIX. Proboscidea. Groote, herbivore dieren; weinig behaard. Neus en bovenlip vormen een lange slurf. In bovenkaak twee snijtanden, die enorme lengte kunnen bereiken; geen hoektanden. Olifant (Azië en Afrika).
XX. Sirenia. Groote, plompe, herbivore dieren, in het water levende, spaarzaam behaard. Voorste extremiteiten vinvormig; achterste ontbrekend. Staart vinvormig. Dugong, Zeekoe (zie MANATUS).
XXI. Prosimiae. Op boomen levende schemer- of nachtdieren. Eerste vinger van elke extremiteit tegenoverstelbaar. Behalve het in zoo veel opzichten anatomisch en embryologisch belangrijke spookdiertje (Tarsius), behooren hiertoe de zgn. Halfapen of Lemuridae, bijna alle voorkomende in Afrika en Madagaskar.
XXII. Simiae (Zie aldaar).
Litt. M. Weber. Die Saügetiere. 1904. - W.H. Flower en R. Lydekker. Introduction Study Mammals. 1891. - C.G. Giebel en W. Leche. Mammalia in Bronn's Kl. u. Ordn. Thierr. - H.F. Osborn. The Age of Mammals. 1910.
C.G.J.V.
Mammi, sur., n.e. en bov. e. Mamaja, arow. Mammeia, ben. e. Een groote boom met dikke, leerachtige glimmende, kort gesteelde, naar den voet wigvormig toeloopende bladeren tot 15 cm. lang. De bladeren hebben een groot aantal evenwijdige zijnerven, die bijna loodrecht op de hoofdnerf staan. Uit de groote, witte, welriekende bloemen wordt of werd de odeur eau de créole gestookt. De groote bolvormige vruchten hebben een dikke, leerachtige schil met groote pitten. Het oranje-kleurig vruchtvleesch smaakt zeer goed. Zie verder onder VRUCHTEN.
n.e. In plantennamen gebruikt, als manbarklak, man-letterhout, enz., in tegenstelling van oeman (vrouwelijke) barklak, oeman-letterhout, enz. De onderscheiding houdt slechts in enkele gevallen, zooals bij de papaja (zie CARICA) verband met het geslacht der bloemen.
Dit geslacht behoort tot de Orde der Sirenia (zie MAMMALIA). De Amerikaansche Zeekoe, M. americanus (= M. latirostris). kar. Jaroa of Jalawa, arow. Kojoemoloe, fr. Lamantin, is in Suriname niet zeldzaam. Hij bereikt een grootte van meer dan 3 meter. Kop breed, snoet plat, oogen klein. Oorschelp nauwelijks te zien. Kleur grijs. Gebit in volwassen toestand alleen kiezen, die voortdurend gewisseld worden. Zes halswervels. De Indianen en de visschers maken jacht op het dier, van wege zijn smakelijk vleesch. Hij leeft voornamelijk in de groote rivieren, vooral nabij de monding.
L. Fam. Anacardiaceae. Manje, sur. Manja, n.e. Manggo, ben. e. Mangotree, bov. e. Groote, uit Oost-Indië afkomstige, boom met langwerpige, dikke, leerachtige bladeren, die tot 2 dm. lang en 6 cm. breed zijn en aan de einden der takken dicht op elkaar staan. De bloemen zijn in pluimvormige bloeiwijzen geplaatst. De vrucht bevat een oranjegeel vruchtvleesch en één groote pit. Zie verder onder VRUCHTEN EN VRUCHTBOOMEN.
n.e. Zie RHIZOPHORA. Mangro heet in Suriname ook het voorland der plantages in de benedenlanden, dat buiten den voordam gelegen is en dat gewoonlijk met deze boomen begroeid is. Ook Conocarpus erecta Jacq. en Laguncularia racemosa Gärtn. f., beide behoorende tot de Combretaceae, worden in Suriname mangro genoemd.
Gaertn. Fam. Palmae. Troeli, sur. en n.e. Timiti, arow. Een lage palm met groote, weinig ingesneden bladeren. De plant komt vooral aan de benedenrivieren voor; de bladeren zijn een uitstekende dakbedekking en duren 5 jaar. De gedroogde middennerf wordt door de Indianen (Waraus) gebruikt om door wrijving vuur te maken.
Müller. Fam. Euphorbiaceae. Bittere kassave, Cassave di moondi, Marihoeri, Yucca amara, ben. e. Heester met driedeelige bladeren, waarvan de lobben aan den voet smaller zijn dan aan den top. Zie verder onder AARDVRUCHTEN.
var. Aipi Muller arg. Fam. Euphorbiaceae. Zoete kassave, sur. Switi kassaba, n.e. Boesoeli, arow. Zie verder onder AARDVRUCHTEN.
Pohl. Fam. Euphorbiaceae. Bittere kassave, sur. Aleba of Alepa, kar. Kassaba, n.e. Cassave, bov. e. Amerikaansche cultuurplant, thans in alle tropische landen verspreid. Heester. Onderscheidt zich van M. Carthaginensis door de meerlobbige bladeren. Zie verder onder AARDVRUCHTEN.
de vrijgeving van slaven, dagteekent vermoedelijk reeds van het begin der slavernij in de W.I. Koloniën.
In 1733 werd in Suriname voor de gemanumitteerden een reglement vastgesteld, waarbij zij gelast werden ‘geene de minste stoutheid, moedwil of eenige feitelijkheden aan eenige Blanken te doen, noch gedoogen, dat die door Slaaven word gedaan, maar in tegendeel dat zij aan alle Blanken, alle ontzag, eerbied als anderszins moeten bewijzen, met uitdrukkelijke waarschouwing, dat schoon zij in alle andere zaaken egaal recht genieten met Vrijgeboornen, zij echter in zulken geval aangemerkt zullen worden als de zulken die het onwaardeerlijke Pand van Vrijheid aan Blanken verschuldigd zijn.’ De Blanken daarentegen waren gehouden van het reglement geen misbruik te maken, ‘dewijl hen vrij staat, om wanneer een Vrijgemaakte ergens in misdoet daar over te klaagen aan de Overigheid, doch gantsch niet om zich zelven te rechten; gelijk hen ook ten scherpste verbooden werd uit baldaadigheid een Vrijgemaakte Slaaf te mishandelen, op straffe van
anderszins, als verstoorders van de gemeene Ruste, gestraft te zullen worden.’ (Hartsink II, 917 en 918).
Het was er echter ver van af dat de gemanumitteerden aanspraak konden maken op alle burgerlijke en staatkundige rechten. Volgens een reglement van 4 Febr. 1761 waren niet alleen zij maar ook hunne nakomelingen verplicht hun voormaligen eigenaar, diens vrouw en kinderen en de afstammelingen van deze ‘alle Eere, Respect ende Reverentie’ te bewijzen.
Voor vergrijpen als het slaan of beleedigen van zijn voormaligen meester of diens vrouw en voor het ten tweeden male bij wonen van een slavendanspartij moest de gemanumitteerde in slavernij terugkeeren.
Art. 8 van het reglement schreef voor ‘dat alle vrij gelatene Mulatten, Indianen, Negers en Negerinnen, die zich met Slave of Slavinnen mogten komen te vermengen en daarmede kinderen procreeren voor de eerste reize zullen werden gemolcteerd met een arbitraire pecuneele Boete de helft voor den Heer Raad Fiscaal, en de andere helft voor het Hospitaal, de tweede reize met corporeele correctie en de derde reize in de vorige slavernij geredigeert.’ Bij notificatie van 27 Dec. 1779 (gehandhaafd bij die van 6 Juni 1825, G.B. no. 2) was het aan gemanumitteerden verboden om zich op de wegen, velden en bosschen rondom Paramaribo met schietgeweer te vertoonen.
In 1788 werd verordend dat iedere gemanumitteerde slaaf ƒ100, en iedere gemanumitteerde slavin ƒ50, aan de kas tegen de wegloopers (zie BELASTINGEN, blz. 81) moest betalen. De mannen konden, zoo zij daartoe geschikt waren, door driejarigen dienst bij het vrijcorps (zie KRIJGSMACHT, blz. 426) van de betaling van genoemde som worden vrijgesteld. Hun rechtstoestand liet nog steeds veel te wenschen over. Aan gemanumitteerden, zoowel als aan ‘vrije gecouleurde’ personen werd in 1794 verboden genootschappen te vormen onder de benaming van ‘does’ (zie DANSEN) op straffe van arbitraire correctie, zelfs ‘naar exigentie van zaaken aan lijf en leven.’ Eene notificatie van 17 Aug. 1799 verbood in die onrustige tijden aan vrijlieden, ‘tenzij dezelve aanhebben kousen en schoenen,’ om zich na 6 uur 's avonds op straat te bevinden; blijkens de intrekking van het verbod op 30 Aug. d.a.v. was bedoeld met die bepaling ‘vrije couleurlingen’ te treffen.
Een groote belemmering voor de manumissie was het voorschrift bij Publ. van 6 Jan. 1804, dat ieder, die een slaaf wilde vrijgeven, een borgtocht van ƒ2000 moest stellen. Nog erger werd dit onder het Engelsche bestuur, toen bij Publ. van 11 Juli 1804 bepaald werd dat het bedrag, aan de kas tegen de wegloopers te betalen voortaan zou zijn: ƒ500 voor elken man of elke vrouw boven de 14 jaar en ƒ250 voor kinderen beneden 14 jaar. Er werd n.l. geconsidereerd ‘dat de voordeelige staatsverwisseling van dergelijke voorwerpen de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentelijkheid’.
Bij notificatie van 16 Dee. 1816 (G.B. no. 11) werd aan alle gemanumitteerden verboden zich buiten de kolonie te begeven dan na jaar en dag nadat zij de brieven van vrijdom hadden verkregen, ten ware hun dispensatie van het verbod werd verleend. Gelijke bepaling werd voor Curaçao vastgesteld bij Publ. van 1837 no. 201.
Uit de opvolgende wetgevingen krijgt men den indruk dat de koloniale besturen niet bijzonder gesteld waren op die vrijgevingen, ze althans niet in de hand werkten. Zoo werd bij Publ. van 2 Sept. 1825 bepaald dat geen slaaf zich van zijn meester mocht vrijkoopen. Op Curaçao ziet men den Directeur Jacob van Rosveld in 1762 aan de X schrijven, dat hij zich niet kon vereenigen met de ‘te groote faciliteit der ingezetenen en eigenaren der slaven om deze in vrijheid te stellen’, daar hij vreesde ‘dat dit in tijd en wijlen zoude kunnen wezen van nadeelige gevolgen’. Op zijn voorstel werd daarom door bewindhebberen bepaald, dat voor de manumissie van elken slaaf onder de 60 en van elke slavin onder de 50 jaar aan de Compagnie Ps. 100, - zou worden betaald. Onder zijn opvolger, Rodier, werd in 1764 deze bepaling echter weer buiten werking gesteld. (J.H.J. Hamelberg. De Nederlanders op de West-Indische Eilanden. Benedenw. Eil. Amst. 1909 blz. 177 en 178).
Voor de vrijgegevenen was de vrijdom niet altijd een weldaad. Velen, vooral ouden van dagen, hadden het onder de hoede van een goeden meester beter dan als vrijen, die voor zichzelven te zorgen hadden. Volgens art. 6 van het K.B. van 3 Maart 1831 no. 69 (G.B. no. 13) zouden personen, die brieven van manumissie ontvingen, eerst twee jaren daarna, bij goed gedrag, het volle genot van het burgerrecht genieten.
Een uitvoerig reglement op de manumissie van slaven in de West-Indische bezittingen bracht het K.B. van 23 Oct. 1831 no. 83 (G.B. 1832 no. 2, Publ. bl. 1832 no. 165), waarbij bepaald werd, dat de aanzoeken tot het verleenen van manumissie vergezeld moesten gaan van een bewijs dat de aanzoeker in de generale geldkamer had gestort een som van ƒ300 tot ƒ500 of een goed goedgekeurden borgtocht en van een bewijs, dat de vrij te laten slaaf in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De genoemde bedragen moesten ter cautie verstrekken voor de openbare schatkist, dat die niet te eeniger tijd schade of winstderving zou lijden door de verleende manumissie. Minderjarige gemanumitteerden stonden van rechtswege onder de voogdij van hun voormaligen meester, zoo de ouders nog slaven waren.
Wanneer een slaaf meende recht te hebben op den vrijdom, werd door de daartoe aangewezen autoriteit een ‘kurator ad hoc’ voorgedragen, die de manumissie van den slaaf had te bevorderen.
De bovengenoemde bedragen werden bij Publ. van 22 Aug. 1843 (G.B. no. 7) gewijzigd.
Gunstig schijnt de ervaring omtrent den arbeidszin der gemanumitteerden niet geweest te zijn; schrijvers uit die dagen berichten dat deze lieden verklaarden het landbouwbedrijf niet te kunnen beoefenen, omdat zij geen slaven hadden. Zoo wordt het verklaarbaar dat de publ. van 3 Oct. 1844 (G.B. no. 5) houdende voorzieningen tegen lediggang en vagebondage, voorschreef dat voortaan geen brieven van manumissie zouden worden verleend dan onder de voorwaarde dat de vrijgegevenen een bepaald beroep of bedrijf zouden uitoefenen binnen de kolonie Suriname. Hij, op wiens aanzoek een vrijbrief werd uitgereikt, zou verstaan worden zich te hebben verbonden om gedurende tien jaren over den vrijgemaakten het patronaat te voeren, ten einde dezen met raad en daad bij te staan in de vervulling der voorwaarde waarop de vrijheid was verkregen. Eerst na dien termijn, gedurende welken hij de kolonie niet mocht verlaten, zou den gemanumitteerde het burgerrecht worden verleend.
In 1850 eindelijk werden zoowel in Suriname als op de W.I. eilanden de kosten verbonden aan de manumissie opgeheven en de formaliteiten vereenvoudigd. (G.B. no. 6 en Publ. bl. no. 298)
Hier volgt een staatje van het aantal vrijgevingen
in de laatste jaren vóór de afschaffing der slavernij; een deel der vrijgevingen geschiedde door de in 1829 opgerichte, in Oct. 1862 ontbonden ‘Nederl. Maatschappij tot afschaffing der Slavernij’ (Zie Gedenkboek t. gelegenh. v.h. Gouden Emancipatiefeest in Suriname op 1 Juli 1913, blz. 32).
| Jaren | Suriname, | Curaçao. | Bonaire. | Aruba. | St. Eustatius. | Saba. | St. Martin. |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1851 | 331 | 95 | - | - | 14 | - | 18 |
| 1852 | 281 | 60 | 5 | 4 | - | - | - |
| 1853 | 302 | 58 | 7 | 3 | - | - | - |
| 1854 | 328 | 59 | 8 | 2 | - | - | - |
| 1855 | 237 | 91 | 2 | 3 | - | - | |
| 1856 | 281 | 146 | 19 | - | - | - | - |
| 1857 | 215 | 139 | 8 | 3 | 3 | - | 3 |
| 1858 | 236 | 40 | 4 | - | - | - | - |
| 1859 | 253 | 82 | 4 | 4 | - | - | - |
| 1860 | 253 | 102 | 1 | 2 | 14 | 31 | 2 |
| 1861 | 293 | 72 | 85 | 30 | 8 | 7 | 6 |
| 1862 | 392 | 94 | 50 | 7 | 13 | 8 | 19 |
| totaal | 3402 | 1038 | 193 | 58 | 52 | 46 | 48 |
kar. Indiaansche rammelaar. (Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 110). Kappler, Surinam, blz. 236 noemt de rammelaars marassa. Kleine maraka's van vlechtwerk dienen als kinderspeelgoed.
L. Fam. Marantaceae. Arrowroot, sur., bov. en ben. e., Araroetoe, n.e. Plant met dikken wortelstok, waarvan het zetmeel gebruikt wordt. Bladeren met duidelijken steel; bloeiwijze zeer ijl. Volgens De Candolle is de plant van Amerikaanschen oorsprong. Zie verder onder AARDVRUCHTEN.
Vahl. Fam. Marcgraviaceae. Katjoesi-Anjalali, kar. Een liaan, waarvan de tegen het steunpunt, - meest boomstammen - gedrukte bladeren een geheel anderen vorm hebben dan de bladeren, die zich in de ruimte ontwikkelen. De Karaïbische naam beteekent ‘tijgervingers’; waarschijnlijk naar den vorm der bloeiwijze, waarvan de bloemen alle op een punt bij elkaar zitten op telen. Daartusschen zitten lange groene honingbekers, van denzelfden vorm (doch grooter) als bij Norantea guyanensis. (Zie aldaar).
ben. e. Zie PASSIFLORA FOETIDA. In Suriname is Markoesa zonder meer, gewoonlijk de naam van P. Laurifolia, de Para-markoesa.
De grensrivier tusschen Nederl. en Fransch Guiana, door de Franschen Maroni genoemd, in stroomlengte de Corantijn nabijkomende, ontspringt op het Toemoekhoemakgebergte op ± 2° 25′ N.B. en loopt in algemeen noordelijke richting naar zee. De Itani (of Litani), een der bronrivieren, neemt de uit het zuidwesten komende kreken Loë en Oelemari op en vereenigt zich op ± 3° 15′ N.B. met de oostelijker gelegen, even groote Marowijnekreek. Hier krijgt de rivier den naam Lawa; deze stroomt eerst naar het noorden, neemt rechts de Aroea en iets noordelijker de Inini op en krijgt dan een noordwestelijke richting. Van links neemt zij de Drietabbetjeskreek op en nog verder naar het noorden, op ± 4° 10′, de van zuid naar noord loopende Gonini, die zelve ontstaat uit de Wilhelminaen de Emmarivieren. Op 4° 24′ vindt de samenvloeiing met de Tapanahoni plaats. Deze ontspringt eveneens op het Toemoekhoemakgebergte, op ± 2° 35′ N.B., loopt eerst in noordelijke, daarna in noordoostelijke richting, vereenigt zich op ± 3° 20′ met de uit het zuiden komende, recht noord loopende Paloemeu, gaat verder in noordoostelijke, daarna in nagenoeg oostelijke richting tot het punt waar zij rechts de Pimba- of Pratikreek opneemt. Van hier af is de algemeene richting weer nagenoeg noord tot waar zij op ± 4° 10′ links de uit het noorden komende Tosokreek opneemt. Van dit punt tot de samenvloeiïng met de Lawa stroomt zij in noordoostelijke richting. Na de vereeniging van Lawa en Tapanahoni draagt de rivier dan naam Marowijne en stroomt recht noord tot 5° N.B. van waar af zij naar het noordoosten ombuigt om hij 5° 45′ N.B. en 54° W.L. van Greenwich met een meer dan 4 K.M. breeden mond in den Atlant. Oceaan te stroomen. Tusschen het punt van samenvloeiïng van Lawa en Tapanahoni en den mond - een lengte van 180 K.M. - vallen in de Marowijne rechts de Aboenami-, de Armina-, de Sipariwini-, de Maipoeri-, de Buffel- en de Zeekoe-kreek, links de Djoeka- of Auca-, de Gran-, de Paramakka-, de Aroewarwa-, de Matoeri-, de Anjoemara- en de Wane kreek. Laatstgenoemde kreek vormt eene voor kleine vaartuigen bevaarbare verbinding met de Coermotibo en verder met de
Cottica, zoodat men te water de hoofdplaats kan bereiken zonder over zee te gaan. Tusschen de Wanekreek en de Coermotibo ligt n.l. een uitgestrekt moeras, waarvan de bevaarbare geul - in 1747 door Louis Nepveu ontdekt - vroeger de Levaartenvaart heette.
De Marowijne is een der schoonste rivieren van Suriname. Haar stroomgebied is één oerwoud, slechts hier en daar onderbroken door kale bergtoppen, waarvan de bij de Paloemeu gelegen Kassikassima de merkwaardigste is. Open savannen treft men alleen nabij de zuidgrens aan. De geheele Marowijne is buitengewoon rijk aan eilanden: nabij de monding de Aroeabo eilanden, voorts de eilanden Portal, Blakarébo, Guidala, verder zuidelijk het Paroe- of Feti-eiland, het Tamara-eiland, het Lange eiland, het Tapir- en Kapassi-eiland; in den mond van de Lawa Stoelmanseiland, in de Lawa tal van grootere- en kleinere eilanden, evenals in de Tapanahoni; op een van deze laatste, een van de eilandengroep Drietabbetjes, woont het opperhoofd der Aucaners.
Daar de alluviale strook in het oostelijke deel van Suriname het smalste is, beginnen in de Marowijne de riffen in de bedding en de stroomversnellingen dichter bij de monding zich te vertoonen dan in de andere rivieren. De eerste stroomversnelling heeft men reeds bij den voormaligen militairen post Armina; boven dit punt is de rivier, die rijk is aan stroomversnellingen en watervallen, alleen bevaarbaar met vaartuigen, die over de vallen gesleept kunnen worden. Tot Armina kunnen kleine stoombarkassen komen, schepen van 5 M. diepgang tot Albina, kleinere schepen tot het eiland Blakarébo. Verder naar het zuiden heeft men de Merian- en de Bonnidoro-versnellingen. Van de vallen zijn de voornaamste de Pedresoengoe-, de Gonsoetoe-, de Dakaba-, de Ketré-, de Manbari-, de Singatétéi- en de Poeloegoedoe-vallen; in de Lawa, om slechts de voornaamste te noemen, de Linsidédé, de Langatétéi en de Gransoera; in de Tapanahoni de Granholo; in de Gonini de Nassauval. Ook in de kleinere kreken vindt men talrijke grootere en kleinere vallen. Tusschen de vallen heeft men - als in al de Surinaamsche rivieren - gedeelten, waarin het water in de droge jaargetijden bijna stil staat.
Geen der Surinaamsche rivieren is zoo dikwijls en zoo goed geëxploreerd als de Marowijne. Reeds de oudste reizigers in deze streken, Lawrence Keymis en Thomas Masham in 1596, Leonard Berrie en Cabeliau in 1597, David Pieterz. de Vries in 1634 en anderen bezochten het mondingsgebied der rivier. De kaarten uit de 17de eeuw (Sanson 1650 en 1656) die den midden- en den bovenloop afbeeldden, deden dit naar berichten van Indianen. In 1720 ondernamen Paters Jezuïten een reis naar de Boven-Marowijne, voeren door de Aroea en trokken over land naar de Camopi, een bronrivier van de Oyapoc. Simon Mentelle bereisde de Aroea in 1767, de botanist Dr. Patris in 1769 van de Oyapoc uitgaande, welke reisroute in 1787 ook werd gevolgd door Le Blond. Van onze zijde werd de Marowijne door den ingenieur J.C. Heneman omstreeks 1780 opgenomen; op zijne in 1784 uitgegeven kaart komt de Lawa, door hem Marowijne genoemd, voor tot ± 3° N.B., de Tapanahoni tot aan de samenvloeiïng van de Boven Tapanahoni - door hem Laavakreek genoemd - en de kreek, die sedert de expeditie-Franssen Herderschee in 1904 als de Paloemeu bekend staat. Ter vervolging van de benden van Bonni (zie BOSCHNEGERS, blz. 154) werden op het eind van de 18de eeuw in de Lawa verscheidene militaire tochten gedaan; bij een van deze, op 3 Nov. 1793 onder bevel van Majoor Zeegelaar naar de Boven Lawa ondernomen, voer men de rivier op tot 20 dagreizen boven den militairen post aan den mond dezer rivier, in de militaire rapporten van die dagen ‘Lava’ genoemd. Toen deze post, na het eindigen van den strijd tegen de Bonni-negers, verlaten werd, geraakte de Marowijne min of meer in het vergeetboek, hoewel het koloniaal bestuur bij de Aucaners een ‘posthouder’ onderhield. Eerst in 1836 is er weer sprake van een reis naar de Lawa, ondernomen door een Franschman van Cayenne, Le Prieur.
Tot het midden van de vorige eeuw waren de Marowijne en hare zijrivieren zoo goed als uitsluitend bewoond, de Beneden-Marowijne door Indianen, grootendeels Karaïben. de Boven-Marowijne door Paramakka-negers, de Tapanahoni door Aucaners, de Lawa door Bonni-negers, de zuidelijkste deelen dezer beide rivieren door Indianenstammen, waarvan men toen weinig wist. Onze militaire post, Prins Willem Frederik, aan de monding van de Marowijne was in 1842 opgeheven. Door de vestiging van Kappler op Albina (zie aldaar, onder EUROP. KOLONISATIE en onder KAPPLER) en de spoedig daarop gevolgde stichting van straf-etablissementen op den Franschen oever, werd de Beneden-Marowijne op eenmaal een druk bevaren rivier. Dr. F. Voltz zag in zich 1855 door de Boschnegers genoopt zijn reis bij de Albina-stroomversnelling af te breken. In 1860 werd door een commissie, door het Surinaamsche bestuur benoemd, een tocht ondernomen naar de Tapanahoni en de Lawa, met het doel de Bonni's te ontheffen van de voogdij der Aucaners. Een jaar later werd een Nederl.-Fransche commissie uitgezonden om, in verband met de grensregeling, de Tapanahoni en de Lawa te exploreeren. Door de weigering van de Aucaners om hulp te verleenen kon de commissie de Tapanahoni niet zuidelijker verkennen dan tot 3° 26′ N.B. Zij kon echter de Lawa opvaren en de Itani tot nabij hare bronnen opnemen. De van deze reis vervaardigde kaart, gebaseerd op talrijke astronomische waarnemingen, mag als een verbetering van die van Heneman beschouwd worden. De volgende expeditie van onzen kant was die van Mr. P. Alma in 1874 (zie GOUDINDUSTRIE, blz. 312). Door de goudindustrie aan den Franschen en weldra ook aan den Hollandschen oever was nu ook de Boven-Marowijne een druk bevaren rivier geworden, waarbij men echter geheel afhankelijk bleef van de Boschnegers voor het transport der booten over de vallen.
In 1891 werd de vraag, of de Lawa dan wel de Tapanahoni de grensscheiding tusschen Nederl. en Fransch Guiana vormde, in ons voordeel beslist. (Zie GRENZEN VAN SURINAME).
Over de reizen van Dr. Crevaux en Coudreau is gehandeld onder hunne namen. Dr. H. ten Kate bereisde in 1886 de Marowijne, voornamelijk om ethnographische en anthropologische gegevens te verzamelen. Prof. W. Joest in 1890 met gelijk doel. De reizen van W.L. Loth, G.C. du Bois, Prof. C.J. van Loon, A. Franssen Herderschee (Gonini-expeditie en Tapanahoni-expeditie) en C.H. de Goeje (Toemoekhoemak-expeditie) zullen vermeld worden in het artikel ONDERZOEKINGSTOCHTEN. De mijnbouwkundige onderzoekingen in het Lawagebied onder leiding van den mijn-ingenieur E. Middelberg zijn genoemd in het artikel GOUD-INDUSTRIE, blz. 314. Hier zij nog melding gemaakt van de reis van C.A.J. Struycken de Roysancour in 1909 (Zie Kol. verslag 1909, supplement), in opdracht van het
koloniaal bestuur, ten einde de Djoeka-kreek, de heilige kreek der Aucaners, waarin deze tot dien tijd geen blanken toelieten, voor het verkeer te openen, hetgeen op 1 Mei van dat jaar plaats vond.
Als gevolg van de zich ontwikkelende goudindustrie werd in de Marowijne in 1879 een districtsbestuur, op Albina, ingesteld. Sedert dien tijd zijn de reizen naar de Bovenrivier, ter aanvulling van de voorraden der goudplacers, in het bijzonder de aan de Lawa gelegen goudonderneming, de Compagnie des Mines d'or, en die aan de Fransche zijde, zeer veelvuldig geworden. Zooals te verwachten was hebben benden stroopers in deze goudstreek meermalen de rust verstoord en tot ernstige tooneelen aanleiding gegeven, het laatst nog in het begin van 1915.
Voor meer bijzonderheden zij verwezen naar het artikel van Jhr. L.C. van Panhuys, De Marowijnerivier en hare geschiedenis, in Bulletin no. 12 (1908) van het Kol. Museum te Haarlem, naar J.G. Spalburg's Schets van de Marowijne en hare bewoners, Paramaribo, 1899 en voor de verdere litteratuur naar het artikel ONDERZOEKINGSTOCHTEN.
De Buideldieren, Marsupialia of ook wel Didelphia of Metatheria genaamd, vormen de laagste en meest primitieve levendbarende Zoogdieren (Zie MAMMALIA). De talrijke soorten zijn in uiterlijk, bouw en levenswijze zeer verschillend. Toch hebben zij vele anatomische kenmerken gemeen, waardoor hun vereeniging in één Subclassis in allen deele gerechtvaardigd is.
De tandwisseling is uiterst beperkt; slechts één kies (praemolaris) in iedere kaakhelft wordt vervangen. Het aantal en de vorm der tanden zijn zeer verschillend; echter kunnen steeds de 3 (4) soorten van tanden onderscheiden worden. Merk waardigerwijze is het aantal snijtanden in onder- en bovenkaak nooit hetzelfde. De vrouwelijke geslachtsorganen zijn eigenaardig door het feit, dat de beide eileiders ieder in een afzonderlijken uterus uitmonden. De groote tepels bevinden zich aan de buik in een min of meer ontwikkelde huidplooi (buidel of marsupium). De jongen zijn bij de geboorte uitermate hulpbehoevend; zij blijven aan de tepels hangen, waarbij de mondlippen tijdelijk vergroeien, en worden door den buidel beschut.
Terwijl in vroegere geologische tijdperken de Buideldieren overal in Amerika en Europa werden aangetroffen, zijn zij thans bijna uitsluitend beperkt tot Australië en N.-Guinea. Slechts één Familie, Didelphydae, wordt in de N.-Wereld aangetroffen; in Suriname komt alleen het geslacht Didelphys voor. Men verdeelt de recente Buideldieren in zeven Families, waarvan de volgende het meest bekend zijn. Didelphyidae (Opossums): Buidelrat (zie DIDELPHYS). Dasyuridae: Buidelwolf, Myrmecobius. Phascolomyidae: Wombat. Phalangeridae: Koeskoes, Vliegende Eekhoorn, Koala. Macropodidae (Kangoeroes): Macropus etc.
Litt. O. Thomas. Catalogue of Marsupialia of the British Museum. 1888.
G.C.J.V.
in de veertiger jaren der 19de eeuw als slavenkind geboren op de plantage ‘Twijfelachtig’ aan de Cottica-rivier in Suriname, werd in 1854 met zijne moeder, de slavin Aletta, gemanumitteerd. Zijn vader was vermoedelijk de Duitsche (?) ingenieur of machinist Martzilger. De zoon was dus geen neger, zooals Amerikaansche bladen (die hem Matzeliger noemen) vermeldden, maar een kleurling. Als knaap legde hij een groote voorliefde aan den dag voor machines, die hij steeds in een knutselde. Zonder veel schoolonderwijs genoten te hebben, ging hij in de leer op een smederij. Een kapitein van een koopvaardijschip nam hem op 18 jarigen leeftijd als kajuitsjongen mede naar de Vereenigde Staten, vanwaar hij na een jaar naar Suriname terugkeerde; maar hij vertrok spoedig weer naar Noord-Amerika en bleef in Philadelphia tot 1875, in welk jaar hij naar Lynn in Massachusetts vertrok. Hier bleef hij tot zijn dood in Aug. 1889. Hij schijnt in deze schoenenstad in het schoenmakersvak te zijn gegaan. Zijne jeugdliefhebberij voortzettende begon hij met de eenvoudigste hulpmiddelen eene machine samen te stellen, die een omwenteling in de schoenmakerij zou teweegbrengen. Zes jaren werkte hij aan de verbetering van het werktuig om schoenen te leesten, dat in Amerika ‘niggerhead laster’ genoemd wordt. Toen hij aan de vierde verbetering bezig was overviel hem de dood. Het patent zijner uitvinding werd gekocht door Sydney W. Winslow en George W. Brown en werd de kern van de groote United Shoe Machinery Company, die 5000 werklieden in dienst heeft. ‘Deze machine - zegt een Amerikaansch vakblad - heeft het product verbeterd, de productiekosten verminderd en ook de werktijden korter gemaakt; zij is een zegen voor den arbeider geweest, maar nog meer voor den verbruiker’. Martzil liet de rechten op zijne uitvinding na aan de North Congregational Church in Lynn, die in 1904 nog 10860 dollars ontving, waarmede een hypotheek op de kerk werd afgelost. ‘Te midden van groote vreugde en lofzangen werd de hypotheekacte verbrand en een portret van Matzeliger in de kerk tentoongesteld’. (Zie Munsey's Magazine van Aug. 1912, blz. 723 in een artikel getiteld: ‘The millionaire yield of Boston; het nieuwsblad Suriname van 19 Sept. 1913 en Het Koloniaal Weekblad van 4 Dec. 1913.)
kar. en n.e. Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 103 en 106. Afbeelding o.a. in Martin's Westindische Skizzen, Leiden 1887, Tab. IV.
pindaceae. Koenatepi, kar. en n.e., Doekaliballi, arow. Een groote boom, die een zeer mooi meubelhout oplevert, maar niet veel voorkomt en weinig gebruikt wordt. Men noemt het hout ook wel Surinaamsch mahonie, evenals enkele andere Surin. houtsoorten, die eenigszins op mahonie gelijken. De hars van den bast wordt gezegd tegen kiespijn te helpen.
Het metrieke stelsel werd bij K.B. van 22 Maart 1871 no. 22 (G.B. no. 3) in Suriname ingevoerd, te beginnen 1 Jan. 1874. Vóór dien waren en zijn nog gedeeltelijk in gebruik:
Lengtematen: de Amsterdamsche el, de Rijnlandsche voet en de vadem van 6 voet. Voor de landmaat de ketting van 66 Rijnl. voet = 20,72 M. Vlaktematen: de Surinaamsche akker = 10 vierkante kettingen = 43560 vierkante Rijnl. voet = 4294 M2. Inhoudsmaten voor droge waren gebruikte men niet, daar deze gewoonlijk per kist, barrel (vat) enz. verkocht werden; het brandhout werd verkocht bij vademen van 5 of 6 Rijnl. voet in het vierkant bij een diepte van 3 Rijnl. voet. Voor natte waren was algemeen in gebruik het gallon = 6 pint = 3,6 L. De pul of merkpul = 3 gallons, werd op de plantages gebruikt om de dram en de melasse te meten. Gewichten: het Amsterd. pond waaggewicht = 0,494 K.G. Ook het Engelsche pond = 0,453 K.G.
Een rooimeester der melasse-vaten was er reeds in de 18de eeuw. In 1857 (G.B. no. 21) werd de waagmeester met deze functie belast, alsook met die van ijkmeester en meter van sterke dranken. Een behoorlijk ijkwezen, met een ijker aan het hoofd, bijgestaan door een adjunct-ijker, werd ingesteld in 1873.
Het volk koopt en verkoopt nog steeds vele artikelen, zooals gomma, pinda's, rijst, bij het kommetje of de kalebas.
Vóór de invoering van het metrieke stelsel op Curaçao op 1 Juli 1876, gebruikte men als lengtemaat de Amsterd. el, de Engelsche yard, de Spaansche el of vara = 0,835 M. en soms ook de Grieksche el, voor houtwaren de Amsterd. de Engelsche en de Rijnl. voet. Voor landmaat de Nederl. el; Op St. Martin de acre. Inhoudsmaat was de Curacao'sche of Amsterd. kan, het gallon en soms de Amsterd. pint. Het gewicht was het Amsterd. of het Engelsche pond. IJkkantoren werden ingesteld bij Publ. van 1875 no. 27.
Hoewel de metrieke maten en gewichten de gangbare geworden zijn, gebruikt men daarnaast ook andere. Natte waar wordt gerekend per Curaçaosche kan (cana) van 1,2 L. inhoud; 1 kan = 2 pint (pinchi) = 4 halve pint (mei pinchi) = 8 maatjes (móesji). Ook met gallons van 3 kan wordt veel gerekend. Voor droge en natte waar kent men nog het schepel (sképel) van 24 kan. Men gebruikt een houten bakje van 10 × 10 cM. wijd en 12 cM. diep; alleen voor pinda wordt een afzonderlijke kan gebruikt van gelijken inhoud maar halve hoogte en dubbel bodemoppervlak. Een verdere eigenaardigheid is nog, dat de gewone kan vlak wordt afgestreken, dus zonder kop, de kan pinda's echter moet met zoo groot mogelijken kop geleverd worden. Voor lengtemaat wordt algemeen met Eng. voeten (pia) en duimen gerekend en met den vadem (brasa) van 6 voet. Katoenen stof wordt verkocht per yard (yarda) of per blok (pesa) = 28 yard. Voor afstanden bestaat geen maat. De buitenneger spreekt wel over een afstand van een bunder, het begrip van oppervlakte verwarrend met dat van lengte: hij bedoelt dan 100 M. Water wordt verkocht per petroleumblik van 5 gallons. Bevloeiïngswater rekent men wel eens per okshoofd of bóco. Velerlei minder kostbare producten worden gerekend per vat (bari) van 96 kan, zooals geitenmest, zand, kalk, kraaksteentjes, klei, enz. Zout per vat van 80 K.G. Bouwsteen wordt steeds per stapelmeter, d.i. een kubiek meter verkocht, onder den naam meter.
Den maïs-oogst berekent men in manden of makoeto van omstreeks 30 pond, ook wel per koffiezak van 50 tot 60 pond. Maïsstokken (paloe maisji) meet men per vaam, dracht of carga, d.i. een bos, die in het midden een omvang heeft van 6 Eng. voet, goed gepakt en ongerekend de meerdere of mindere lengte der stokken. Aloëhars gaat per petroleum-kistje van circa 115 pond.
Op Aruba noemt men de vaten, waarin het sap van de aloë wordt verzameld, halivats (halve vaten). Zij hebben een inhoud van ongeveer 8 gallon.
Dividivi-peulen gaan per mand, zak, blik; in de stad per K.G. Houtskool gaat steeds per kleine zak (± 25 L. inhoud). Paragras per pakje van 25 cents, behoort 25 pond te wegen, maar is in den slechten tijd meest veel lichter.
Een bij vele volken bestaande rechtstoestand, waarbij het kind niet aan den stam van den vader, maar aan dien van de moeder behoort. De kinderen erven niet van hun vader, maar van den broeder hunner moeder. Zie over het M. in Suriname BENEDENL. INDIANEN, blz. 107 en BOSCHNEGERS, blz. 158 en 159.
n.e. op Curaçao pilon genoemd. Groote uit één blok gevormde houten vijzel, algemeen gebruikt, in Suriname, voor het stampen van de ‘Surinaamsche’ koffie, om deze van de schil te ontdoen, en voorts voor het stampen van bananen (voor de bereiding van tomton, zie aldaar) en van rijst; op Curaçao voor het stampen van maïs. In Suriname worden ze veel op de houtgronden in het district Boven Para gemaakt en ook door de Boschnegers, vermoedelijk naar Afrikaansch model. Een afbeelding van de matta en van den daarbij behoorenden houten stamper geeft Dr. Schmeltz op Taf. IV, fig. 7 en 7a behoorende bij zijn artikel Geräthe der Caraiben von Surinam. Intern. Arch. f. Ethn. Bd. X, 1897. De matta wordt door de Indianen echter weinig of niet gebruikt, omdat rijst en bananen niet tot hunne gewone voedingsmiddelen behooren.
dam 3 Mei 1692, overl. te Hamburg*) 21 Maart 1768, was de zoon van Johannes Mauricius, een tot den Hervormden godsdienst overgegaan priester van de orde der Dominicanen, die zich als koopman te Amsterdam vestigde. Deze was geen Nederlander van geboorte. Jan Jacob was een buitengewoon vroegrijp kind, zooals blijkt uit het feit, dat hij, nauwlijks 6½ jaar oud, op 11 Jan. 1699, in de Gasthuiskerk te Amst., tot verwondering van de geheele stad, een preek van een uur hield naar aanleiding van Matth. VII vers 15 en 16. Van zijn vader leerde hij reeds zeer vroeg Latijn en Grieksch. Op zijn 8ste jaar maakte hij Nederl. en Latijnsche verzen, op 12jarigen leeftijd schreef hij een heldendicht. Na het gymnasium bezocht te hebben werd hij, 13 jaar oud, als student in de godgeleerdheid te Leiden ingeschreven, welke studie hij spoedig verwisselde met die der rechtsgeleerdheid. Op 16jarigen leeftijd (16 April 1708) werd hij, na verdediging van een proefschrift ‘de Gallorum Germanorumque origine’ tot doctor in de beide rechten bevorderd, waarna hij zich als advocaat bij het Hof van Holland in den Haag liet inschrijven. Zijn naam van ‘wereldswonder’ was dus niet misplaatst. Spoedig daarop werd hij aangesteld tot kommies bij den Raadpensionnaris Mr. Isaak van Hoornbeek. In 1719 werd hij voor den tijd van 1½ jaar verkozen tot schepen en pensionnaris van Purmerend en in hetzelfde jaar tot gedeputeerde ter vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland, kort daarna tot pensionnaris voor het leven, en vervolgens tot president-schepen en burgemeester van Purmerend. In 1725 volgde zijne aanstelling tot Resident van den Staat der Vereenigde Nederlanden bij den Neder-Saksischen Kreitz te Hamburg, in welke betrekking hij den Staat vele gewichtige diensten bewees, die op verschillende wijzen erkend en beloond werden. In 1740 deed hij eene reis door Europa en bezocht ook Parijs, waar hij o.a. met Voltaire kennis maakte. Uit zijne vele geschriften blijkt, dat Mauricius een man was van veelomvattende studie en geleerdheid, vooral op het gebied van taalkunde en geschiedenis.
In den aanvang van 1742 deden de Directeuren van de Societeit van Suriname aan Mauricius het aanbod om als Gouverneur-Generaal daarheen te gaan. Bij eenig inzicht hadden de heeren op hun vingers kunnen narekenen, dat een man als M. - die daarbij geen geringen dunk van zich zelf had - niet hoorde in de koloniale maatschappij van die dagen, een maatschappij waarvan hij later zou dichten:
Hoewel aanvankelijk huiverig om de betrekking te aanvaarden, besloot M. ten slotte daartoe, voornamelijk ter wille van zijne gezondheid, waarvoor hij een warm klimaat goed achtte. Hij werd 7 Febr. 1742 aangesteld, vertrok in Aug. met het doel voor goed in Suriname te blijven en kwam daar 14 Oct. aan. Op 17 Oct. nam hij het bestuur over.
Aanvankelijk ging alles goed. Met grooten ijver trachtte de nieuwe gouverneur de verdedigingsmiddelen der kolonie in behoorlijken staat te brengen en als rechtsgeleerde was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige rechtspleging te verbeteren. Maar spoedig kreeg men botsingen te zien en grieven van allerlei aard te hooren tegen des gouverneurs bestuur. In het eerst was de tegenstand meer bedekt, doch het duurde niet lang of er vormde zich een partij, die hem openlijk bestreed en hem het leven zeer onaangenaam maakte. Mauricius noemde deze partij de cabale en zijn journaal is vol van de daden en wandaden der cabale, waarvan de voornaamste leden waren: Chambrier, L'Archier van Keenenburg, Halewijn van Werven, Mevrouw Audra (zie aldaar), de Raden van Politie Salomon Duplessis, Nicolaas Freher, Jan David Cellier, Dirk Guldensteeden, Mr. Samuel Paulus Pichot, Johannes Moll, Isaac Godefroy en Johan Godfried Sultz, de Raden van civiele Justitie Jan Pieterse Visser, Estienne Couderc, Jean Paul Taunay en den Secretaris van het Hof van Politie Ephraïm Comans Scherpingh, benevens de vrouwen van velen dezer heeren. Taunay was belast met het voeren der briefwisseling en het stellen der belangrijkste stukken, waarom Mauricius hem den pensionaris der cabale noemde. Bijna allen waren rijke en invloedrijke personen, grootendeels met elkander verwant.
In Maart 1747 besloten deze ontevredenen Duplessis op gezamenlijke kosten naar Nederland te zenden ten einde klachten over Mauricius' be