Een deel van de geschiedenis van de Surinaamsche bevolking en van hare wijze van denken en doen, en een zij het ook onvolkomen beeld van de groepen, waaruit zij is samengesteld, zou kunnen worden opgespoord in de namen, familie- en voornamen, die in de kolonie worden aangetroffen, of die men bij het doorbladeren van geschriften over Suriname terugvindt.
Voor de namen van Portugeesche Israëlieten zij verwezen naar het artikel JOODE SAVANE. Aan de Labadisten, die er onder Van Aerssen's bestuur kwamen, wordt de herinnering levendig gehouden door de namen hunner nakomelingen. Van de namen van de talrijke réfugiés (zie aldaar) die in het 3de kw. van de 17de eeuw naar Suriname waren uitgeweken en die verscheidene gouverneurs aan de kolonie hebben geschonken, is in persoonsnamen niet veel overgebleven. De Engelschen en Schotten, die in Nickerie en Coronie de eerste plantages aanlegden, lieten er hunne afstammelingen en hunne namen achter. Niet altijd werd de oude familienaam volledig gegeven. Wilde men verwantschap, zij het ook buiten huwelijk aantoonen, of wel aanduiden dat iemand aan een zekere familie als slaaf had toebehoord, dan werd de naam omgekeerd, of in tweeën gekapt. Op Curaçao scheen dezelfde wijze van naamgeving (omkeering) gebruikelijk.
Volgens het reglement op de manumissie van slaven (G.B. 1832 no 2 art. 22) mochten aan gemanumitteerden geen andere namen of voornamen gegeven worden ‘dan die men gewoon is in Nederland te dragen,’ maar geen familienaam van eenig in de respectieve koloniën woonachtig geslacht of individu en ook niet de familienaam van den vorigen meester. Naar Teenstra, De Negerslaven in de Kol. Suriname, blz. 65 mededeelt, behielp men zich met het woordje van tusschen den voornaam van den vrijgelatene en den familienaam van hem of haar, die de vrijlating aanvroeg.
Zooals in het art. BURGERLIJKE STAND is vermeld kregen de slaven eerst bij de voorbereiding van de emancipatie geslachtsnamen ‘zooveel doenlijk familiesgewijze’. De fantasie van slaaf of meester had hier vrij spel; onder deze nieuwe namen zijn er dan ook zeer eigenaardige, aan alles en nog wat ontleend. Daar de slaven niet huwden was het de door de moeder gekozen naam, die de familienaam werd. De oude slaven-namen (Mentor, Present, Juno) verdwenen bij de emancipatie.
Ten opzichte van aanvragen om naamsverandering worden thans in het algemeen dezelfde regelen toegepast, als in Nederland. Verzoeken om een naam van een in Nederland voorkomende familie aan te nemen, worden niet ingewilligd; daarentegen wordt het gemakkelijk gemaakt om namen te wijzigen, die aan de naamdragenden aanstootelijk of bespottelijk klinken.
Bij de Roomsch-Katholieken zal men de meeste voornamen hooren ontleend aan namen van heiligen, en wel namen met Latijnschen uitgang.
De in de kolonie gevestigde Chineezen hebben naast hun Chineeschen, soms verbasterden, achternaam, Nederlandsche voornamen aangenomen (Paulus Lijkwan = Li-kwan). De Britsch-Indiërs en Javanen voeren hunne Aziatische namen, onder bijvoeging van nummer en letter van het transport, waarmede zij naar de Kolonie werden overgebracht (Ramtohul, 375/R, Bok Sorso 307/N). Zie omtrent het aannemen van een geslachtsnaam door niet onder contract verbonden immigranten het slot van het art. BURGERLIJKE STAND.
Van een in Suriname zeer verspreide gewoonte, n.l. het geven van bijnamen, worde hier nog melding gemaakt. Niet zelden geven deze bijnamen blijk van veel zin voor humor. Soms werden die bijnamen reeds gegeven, wanneer de ‘nieuwkomers’ bij aankomst van schepen door de op een verzetje beluste negerbevolking werden opgewacht. Nu is het merkwaardig, dat van de negers van een gedeelte van Afrika, waarvan de creolen-bevolking voor een groot deel afstamt, een zelfde gewoonte wordt vermeld: ‘Zoodra zet geen Blanken zijn voeten aan wal of de Negers en Negerinnen bevlijtigen zich heur eenen bijnaam te geven, welke hij altoos behoudt.’ (J.A. de Marrée, Reizen op en beschrijving van de Goudkust van Guinea. 's Gravenh. 1818, blz. 192).
Over naamgeving, dubbele namen, schuilen geheime namen bij de Indianen (en familienamen bij de Arowakken), zie de artikelen BENEDENL. INDIANEN blz. 108 en BOVENL. INDIANEN, blz. 176. Daaraan worde toegevoegd, dat de Indianen, behalve hun geheimen naam, ook namen of bijnamen dragen, ontleend aan plaatsen, aan namen van beschaafden en aan lichamelijke eigenaardigheden (Kappler, Surinam, blz. 238). De laatstbedoelde, aan lichamelijke eigenaardigheden ontleende naam komt bij de Indianen slechts in de tweede plaats, terwijl zij in Europeesche landen vaak tot familienaam is geworden: (de) Lange, (de) Roode, enz.
Bij hen komen geen familienamen voor. De naam van elk dier, elk voorwerp of elke gebeurtenis kan tot naam dienen. Zoo heette een Aucaner-kapitein ‘Broko-amaka’ (kapotte hangmat). Zij behouden even wel niet altijd levenslang den in de jeugd ontvangen naam, maar noemen zich later wel eens naar een woord, dat zij opgevangen hebben of naar iemand te Paramaribo. Namen als Kappler, Maroni, Nickerie, Brigadier, Kanapée komen voor. Velen houden er ook verscheidene namen op na, voor elk dorp waarop zij een vrouw hebben, een anderen naam, ‘eine Gewohnheit, - schrijft Kappler, Surinam, blz. 266 - die weniger den Zweck hat, seine Ausschweifungen zu verbergen als gewissermassen sich seiner Vielseitigheit zu rühmen’.
Behalve de hierbedoelde namen hebben de niet-gedoopte boschnegers - en hadden in den slaventijd ook de overige negers - een naam naar den dag der week waarop zij geboren zijn, een uit West-Afrika medegebrachte gewoonte. Hier volgt een lijst dier namen voor mannen en vrouwen, met de overeenkomstige namen in de Ewe- en Tsji-talen, twee verwante talen aan de Goudkust:
| DAGEN DER WEEK | MANNELIJKE NAMEN | VROUWELIJKE NAMEN | ||
|---|---|---|---|---|
| Suriname | Ewe en Tsji | Suriname | Ewe en Tsji | |
| Zondag | Kwassì | Kwasi, kwasi | Kwassìba2) | Akósiba, Akwasiba |
| Maandag | Kodjò | Kodro, Kwadjo | Adjoebà3) | Adzóa, Adwowa |
| Dinsdag | Kwamìna1) | Komla, Kwabenan | Abeniba, Abenì of Abramba4) | Abra, Abenamba, Abramba |
| Woensdag | Kwakóe | Kwakóe, Kwakoe | Akóeba5) | Akóea, Akoewa |
| Donderdag | Jaóe of Jau | Jáwò, Jawo | Jabà | Jawa, Jawa |
| Vrijdag | Kofì | Kofi, Kofi | Affì of Affiba | Afìba, Afìba. |
| Zaterdag | Kwámi | Kwàmi, Kwamena | Amba of Amimba | Amà, Amma |
Opmerking verdient, dat, volgens heidensch negergeloof, de dag waarop men geboren is, invloed blijft uitoefenen. Zoo was Zaterdag in Ashanti een ongeluksdag (zie Boschnegers blz. 164); de op Zaterdag geborene moest dus in het leven veel treurigheid ondervinden, een bijgeloof, dat thans ook onder tot het Christendom bekeerde negers nog niet geheel is verdwenen. Geen wonder, waar ook in Europa het geloof in geluks- en onge uksdagen, als overblijfsel uit den heidenschen tijd, zoolang is blijven bestaan. Teenstra (zie Litt.) geeft de karakter-eigenschappen aan, die de dragers der onderscheidene dagnamen zouden kenmerken.
De dagnamen zijn op Curaçao niet gebruikelijk geweest, vermoedelijk door den invloed van de Roomsche kerk, waartoe de slaven reeds vroeg behoorden.
Het kind, dat op een tweeling volgt, heet bij de Boschnegers Dosóe zoo het een jongen, Agosi zoo het een meisje is (Zie ook Aubin, En Haïti, blz. 222, omtrent tweelingen en den naam Dossou aan het kind dat op een tweeling volgt). Tweelingen - jongen en meisje - heeten Adam en Eva, zeker geen Afrikaansch gebruik. Zijn de tweelingen jongens, dan worden zij, volgens Hostman, Adam en Augussu, genoemd, zijn zij beiden meisjes dan Sussi en Simba.
Het is zeer waarschijnlijk dat ook de Boschnegers bovendien geheime namen hebben, die een blanke nooit te weten komt.
De geheime naam van het in 1914 overleden opperhoofd der Aucaners Oseisie was Bimpenìe (Van Panhuys, de Marowijne-rivier, 1908, blz. 55).
Tusschen de jaren 1894-1896 werden door ons te Albina aan de Marowijne de volgende namen van Boschneger-mannen en -vrouwen (Aucaners en enkele Bonni's) opgeteekend. Het is opvallend hoe betrekkelijk weinig namen van Europeeschen oorsprong daaronder voorkomen. Van een verandering van naam bij de hieronder genoemde Boschnegers en Boschnegerinnen heeft de toen te Albina gevestigde waarnemer (Van Panhuys) in het aangeduide tijdvak niets bemerkt. Wel is het hem opgevallen, dat Boschnegers tegenover vreemden (beschaafden) niet hun eigenlijken, maar een dagnaam Kofì of Kwakoè opgaven (anders bij De Goeje, l.c., blz. 55).
Mannennamen.*) |
|
| A-bankoe (de bank) | |
| A-bjensi | |
| A-broko | |
| A-djontoe | |
| Akoman | |
| Alamoe | |
| Aloepi | |
| Andoni | |
| Andreassi (Andreas) | |
| A-mana | |
| A-mampa | |
| A-nape | |
| A-patoe (de pot, het dikhoofd, de bekende Bonnineger) | |
| A-piento (Pinto) | |
| A-starri (de ster) | |
| A-tau | |
| A-titoe | |
| Bandi | |
| Benkini | |
| Bienta | |
| Boomsi | |
| Damaloe | |
| Di-censi (Tien cent) | |
| Dorisi (Dorus) | |
| Gégé-skien | |
| Gwinti-mati (heet ook A-gloe) | |
| Kikenki | |
| Kruishaki (Kruishaak) | |
| Kwakkoe-da | |
| Laseki | |
| Londoo | |
| May | |
| Paiso | |
| Pitoe | |
| Sampaké | |
| Séni | |
| Simpi | |
| Soenkodjo | |
Vrouwennamen. |
|
| A-bena | |
| A-djaka | |
| Amajé | |
| A-tila | |
| A-mejija | |
| Dendé | |
| Dobaria | |
| Go-ösema | |
| I-jemba | |
| Koba | |
| Koenia | |
| Koewéda | |
| Kottoe (Katoen?) | |
| Kwakoea | |
| Oeanda | |
| Sophie | |
| Wemina | |
De oorspronkelijke heidensche volksnamen worden door Europeesche (heiligen)namen vervangen, wanneer Indianen en Boschnegers tot het Christendom overgaan en gedoopt worden. Daar-door wordt, naar onze meening menigmaal een deel van het eigenaardige en eigenlijk ook van de waardigheid van het ras prijsgegeven. Bij Friezen, Zweden en Noren bleven de heidensche volksnamen bestaan, ook na de bekeering; in de Vereenigde Staten voert de beschaafde Indiaan, naast den nieuwen, ook menigmaal nog den ouden Indiaanschen naam, waarop hij trotsch is. Men zal wel moeten aannemen, dat de macht van de heidensche begrippen op den bekeerden Indiaan en Boschneger in den eersten tijd nog zoo sterk is bevonden, dat de aangeduide naamsverandering door de geestelijkheid noodwendig is geoordeeld. Vooral de R.K. geestelijkheid heeft overal ter wereld, waar dit zonder schade voor de R.K. leer kon plaats hebben volkseigenaardigheden onder hare volgelingen gehandhaafd en de volkstaal in bescherming genomen; wellicht zal men later van een absoluut weren van de oude Indiaansche en Afrikaansche volksnamen kunnen terugkomen (Zie ook NAMENVREES).
Litt. J.D. Herlein. Beschrijvinge v.d. Volk-Plantinge Zuriname, Leeuwarden 1718, blz. 156. - M.D. Teenstra, De Landb. in de Kol. Suriname, Amst. 1835, II 202. - Mr. H.C. Focke, Neger-Engelsch Woordenb. Leiden 1855, blz. 1. - Kwamina, Jetta, Amst. 1869, blz. 23. - Prins Roland Bonaparte. Les habitants de Suriname, Paris 1884, blz. 174. - R. Kleinpaul. Menschen und Völkernamen, Leipzig, 1885. - Prof. Dr. W. Joest. Ethnogr. und Verwandtes aus Guayana. Intern. Arch. f. Ethnogr. Suppl. zu Band V, 1893, blz. 23 en 24. - L.C. van Panhuys, Beiträge zur Ethnographie u.s.w. 's Gravenh. 1904, blz. 23. - F.P. en A. Ph. Penard. De Menschetende Aanbidders der Zonneslang, Paramaribo, 1907, 160-162. - C.H. de Goeje, Verslag der Toemoekhoemak-Expeditie, Leiden 1908, blz. 55 en 112. - Dr. J. Sack, Pharmaceutisch Weekbl. 21 Oct. 1911, blz. 1153. - Dr. Jac. van Ginneken, S.J. Handb. d. Nederl. Taal. Nijmegen 1913. I, 262.
L.C.v.P.
of, juister, de vrees om namen te noemen, vindt men zoowel bij de Indianen en Boschnegers als ook bij een groot deel van de negerbevolking van Suriname. Volgens Crevaux, Voyage dans l'Amérique du Sud, Paris 1883, blz. 250 en Coudreau, Chez nos Indiens, Paris 1894, blz. 305, noemen de Ojampi's den naam van een waterval niet, vóór ze dien voorbij zijn. Ook rotsen met inscripties, waarvoor zij een heilige vrees hebben, noemen de Indianen niet bij naam. C.H. de Goeje, Verslag der Toemoek-hoemak-expeditie, blz. 55, zegt van de Aucaners sprekende: ‘De vrees namen te noemen is vermoedelijk ook uit Afrika medegebracht. Vroeger zou geen neger het wagen, bij het voorbijvaren van eene plantage den naam daarvan uit te spreken; bij de boschnegers zal men eerst hooren hoe een val in de rivier heet, nadat men de gevaarlijke plek voorbij is.’ In dit verband mag vooral de plantage Acaribo aan de Suriname-rivier genoemd worden. De negers, ook stadsnegers, gelooven vast, dat hun een ongeluk zal overkomen, zoo zij, bij het voorbijvaren, den naam der plantage noemen. De rivier vertoont hier een verbreeding en bij harden wind kan het water daar zeer onstuimig zijn. Wellicht vindt het bijgeloof hierin zijn grond. Zie ook K. Martin. Westindische Skizzen, Leiden 1887, blz. 60. Boschnegers aan de Marowijne (Aucaners) koesteren ten opzichte van den naam van de Sipariwini-kreek dezelfde vrees.
Hier is nog op te merken, dat de neger bij nacht op reis of in de wouden ongaarne zich bij zijn naam hoort noemen. Kan hij het vermijden dan geeft hij geen of een ontwijkend antwoord.
Geslacht van Roofdieren, behooren tot de Familie der Procyonidae (zie CARNIVORA) aldus geheeten naar den eenigszins verlengden, naar boven gerichten en dus in het oog vallenden neus. Ook de nederlandsche naam, Neusbeer, wijst daarop; arow. Kibihi, n.e. Kwassi-Kwassi. Nasua behoort tot de weinige Roofdieren, welke in troepjes leven (8-20). Men vindt hen in de bosschen, snuffelende naar vruchten, insekten en eieren, zoowel in de boomen als op den grond. Lichaam gestrekt; staart lang; kleur grijs-bruin; hals en buik geel-rossig; staart grijs en geel geringd. Er leven in Amerika twee soorten; de Surinaamsche soort schijnt N. rufa te zijn.
Fam. Lauraceae. Pisi, n.e. Groote boomen, die een bruikbaar hout leveren voor binnenwerk en ook voor kasten. Verschillende soorten worden Pisi genoemd b.v. N. globosa Mez. en N. Pichurim Mez. Het versche hout heeft een eigenaardigen, sterken reuk, door de aanwezigheid van skatol. (Zie Dr. J. Sack. Pharm. Weekbl. 1911 blz. 309).
Meissn. Fam. Lauraceae. Demerara-groenhart, sur. Een der beste en duurzaamste Surinaamsche houtsoorten, in groote afmetingen te verkrijgen. (Zie Bulletin no. 23 blz. 59 v.h. Dept. v.d. Landbouw in Suriname). In 1911 vond de houtvester Gonggrijp rijke opstanden van dezen boom in het westen der kolonie. Uit een verslag van H. Buys en P.F. Jansen van 1840 (Zie in de litt. bij HOUT EN HOUTHANDEL) blijkt dat men toen reeds wist, dat deze boom aan de Coppename veel voorkomt.
In Suriname, eene kolonie van Nederland, is het Nederlandsch de officieele taal en het wordt er zooveel gesproken, dat men Suriname de meest Nederlandsche kolonie heet. De verbreiding van het Ned. in S. had geleidelijk plaats. De eerste Europeesche taal, waardoor men ginds zich verstaanbaar maakte was het Engelsch. Ofschoon de Hollanders in 1667 de kolonie op de Engelschen veroverden en haar onafgebroken behielden tot 1799, had de Engelsche taal reeds zoodanig veld gewonnen en vooral in verbasterden vorm zich ingeburgerd bij de slaven en de lagere klassen, dat het Nederlandsch beperkt bleef tot een kleinen kring. Hierbij kwam dat tot in het midden der 19e eeuw de Hollanders hunne taal als een soort kaste-taal beschouwden en haar ongaarne door hunne minderen hoorden bezigen; voorts dat in de leidende klasse het aantal Hollanders in verhouding tot de Portugeesche Joden, die een andere taal spraken, steeds zeer gering was, en eindelijk, dat de verbreiding van den godsdienst onder de lagere bevolking en de slaven voor het grootste gedeelte overgelaten was aan vreemdelingen (Duitsche Hernhutters). Dit laatste vooral heeft de ontwikkeling van het Nederlandsch zeer belemmerd. De Hernhutters bedienden zich van het Neger-Engelsch, niet alleen bij de verkondiging van het Evangelie, maar ook bij het gewoon onderwijs aan de kinderen en zulks was tot in het laatste vierde deel der vorige eeuw nog het geval. De arbeid van den eersten Inspecteur voor het Onderwijs (1878-1907) heeft hierin geleidelijk verbetering gebracht; thans is het Nederlandsch op alle scholen (met uitzondering van de Hernh.-bewaarscholen) de voertaal van het onderwijs en ook bij de godsdienstoefeningen - hoewel nog niet bij alle - wordt nu het Nederlandsch ook door de Hernh. gebruikt.
Onder de geheele inheemsche bevolking (met uitzondering van Boschnegers en Indianen) wordt Nederlandsch gesproken en verstaan, en zelfs onder de ingevoerde Br. Indische bevolking maakt de kennis dier taal vorderingen. De omgangstaal van het volk is het Nederlandsch evenwel niet.
Het Nederl. wordt is Suriname vrij zuiver gesproken. Doordien de Hollanders, die in den loop der tijden naar de kolonie overstaken uit verschillende provincies afkomstig waren, hoort men er allerlei gewestelijke uitdrukkingen. Tot de onzuiverheden kan men rekenen de woorden die, via het Neger-Engelsch, uit het Fransch, Portugeesch en Engelsch overgekomen zijn; tot de eigenaardigheden de vele vreemde woorden, dikwijls van onbekende herkomst, die geen Nederlandschen synoniem hebben en ter aanduiding dienen van lokale zaken en toestanden.
Hier en daar laten woord- en zin-accent (een gevolg van den invloed der Romaansche talen envan het Neger-Engelsch) te wenschen over, en verraden de uitspraak van a en w den invloed van het Engelsch; ook de k wordt onder den invloed van onbeschaafd Engelsch (care = tjare) niet zelden liquide uitgesproken vóór de i en de e, b.v. tjip (kip) en tjeel (keel).
Deze gebreken schijnen gemakkelijk te overwinnen en verdwijnen allengs.
Met uitzondering van een stichtelijk blaadje, een nieuwsblad met algemeenen inhoud en een Engelsch blaadje, verschijnen alle couranten in het Nederlandsch.
Op de Nederl. W.-I. Eilanden is het Nederlandsch de officiëele taal, de taal der ambtenaren. Op de hoofdplaats van Curaçao kan elk beschaafd Curaçaonaar Hollandsch spreken, lezen en schrijven; toch wordt deze taal weinig gebruikt, veel minder dan het Spaansch en het Engelsch, hetgeen te verklaren is uit de geschiedenis van het eiland. De Curaçaonaar heeft grooten aanleg voor het spreken van vreemde talen; het is dan ook geen zeldzaamheid, waar eenige menschen gezellig vereenigd zijn, drie of vier verschillende talen te hooren spreken. De omgangstaal van het volk en zelfs van de groote meerderheid der ontwikkelden is echter het Papiamentsch (zie aldaar). Op Aruba en Bonaire, waar ook Papiamentsch gesproken wordt, hoort men weinig Hollandsch. Op de Bovenwindsche eilanden spreekt men Engelsch. Niettegenstaande het Hollandsche onderwijs op de scholen, is het niet te verwachten dat het Engelsch op de Bovenwindsche en het Papiamentsch op de Benedenwindsche eilanden verdrongen zullen worden.
Over de taalkwestie op deze Nederlandsche eilanden is er heel wat te doen geweest. Men zie daarover o.m. M.D. Teenstra, De Nederl. W.I. Eilanden, Amst. 1836, I 182; G.A.F. Molengraaff. De geologie van het eiland St. Eustatius, Leiden 1886, blz. 4-7; K. Martin, Westindische Skizzen, Leiden 1887, blz. 111 en 124; H. van Kol, Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 175, 196, 277 en 383-386; Dr. Hendrik P.N. Muller, Door het land van Columbus, Haarlem 1905, blz. 415-418; J.H.M. Chumaceiro, De Nederl. taal op Curaçao, in het Curaçao-nummer van Neerlandia, Juli-Aug. 1905, blz. 156-158; H. Michelsen, Het openb. onderw, op Curaçao, in het zelfde tijdschr. blz. 148 en 149; P.A. Euwens, Het verval van Curaçao, in Neerlandia 1906 blz. 21-29; Idem in idem, Het beschavingswerk op Curaçao, blz. 45-48 en 87-88. G.J. van Grol. Het eiland St. Eustatius. Ind. Mercuur 19 Maart 1907, blz. 9 van den overdruk; J.A. Snijders, De Nederl. taal op de Benedenw. eilanden onzer Kolonie Curaçao, in De Vragen van den Dag, 1907, blz. 835-839, 842-846, 920-928; M. Victor Zwijsen. De Kolonie Curaçao, in Onze West (uitgave v.d. Vereeniging Oost en West. 1910, blz. 52-54). Dr. Jacq. van Ginneken S.J. Curaçaosch en Arubaansch Nederlandsch, in Handboek der Nederl. Taal, Nijmegen 1913, I, blz. 275-277. Kol. Verslagen, in het bijzonder 1910, bijlage L en 1914, bijlage M.
Van de talrijke nieuwsbladen op Curaçao verschijnen er vier in het Nederlandsch, 1 in het Spaansch en 1 in het Papiamentsch.
De eerste vestigingen van blanken, welke van blijvenden invloed geweest zijn, op de ontwikkelings-geschiedenis van Suriname waren die van de Engelschen onder Lord Willoughby, Graaf van Parham, en die der Portugeesche Joden aan de Boven-Suriname, beide omstreeks het midden der 17e eeuw. Zoowel Engelschen als Israëlieten voerden negerslaven aan uit verschillende deelen van Afrika. Deze slaven trachtten de taal hunner meesters te spreken, en zoo ontstonden door den invloed der Afrikaansche dialecten en de geringe verstandsontwikkeling der slaven, twee bastaard-talen, het Neger-Engelsch of ningré tongo (negerspraak) en het Neger-Portugeesch of Djoetongo (Jodenspraak). Het laatste kreeg later door de talrijke naar Saramacca gevluchte slaven ook den naam van Saramaccaansch. Beide talen waren natuurlijk rijk aan Afrikaansche woorden en uitdrukkingen. Aangezien de vestiging der Engelschen aan de bened nrivier het overwicht had en zich daar de hoofdplaats van het land ontwikkelde, waarheen
ook de Joden der Boven-Suriname geleidelijk verhuisden, loste zich het Neger-Portugeesch allengs op in het Neger-Engelsch, evenwel niet zonder zijn stempel hierop te drukken, waaraan voor een deel de liquide val der meestal op een vocaal eindigende woorden van het Neger-Engelsch toegeschreven moet worden. Alleen bij de Saramacca-Boschnegers heeft het Neger-Portugeesch zich nog gehandhaafd. Vrouwen en kinderen van dezen stam, die Paramaribo minder dikwijls bezoeken dan de mannen, hebben dan ook moeite het stads-Neger-Engelsch te verstaan.
Ook het Fransch van kolonisten, van Cayenne naar Suriname verhuisd, alsmede het Hollandsch, het Hebreeuwsch en verschillende Indiaansche talen, hebben elementen aan het Neger-Engelsch afgestaan. Elementen van de volgende taalgroepen zijn te onderkennen:
1. Europeesche talen: Engelsch, Portugeesch, Nederlandsch, Fransch, Spaansch. 2. Afrikaansche talen: vooral Kongo, Ewe, Tsji, Yoruba (Zie ook BOSCHNEGERS, blz. 159 en 160). 3. Indiaansche talen: Karaïbisch, Arowaksch, Warausch. 4. Hebreeuwsch.
Ofschoon de kolonie Suriname sinds 1667, met een korte tusschenpoos (1804-1816), in handen van de Hollanders bleef is het Hollandsch slechts zeer langzaam in het Neger-Engelsch gevloeid. Vermoedelijk zijn de eerste elementen van de Hollandsche taal daarin doorgedrongen, door tusschenkomst der Hernhuttersche zendelingen die, voor hun taak in Suriname, in Nederland (Zeist) voorbereid werden. Merkwaardig echter dat van de taal dezer Duitsche zendelingen weinig te bespeuren valt in de taal hunner bekeerlingen. Vermoedelijk is het aan de omstandigheid dat zij, en niet Nederlandsche zendelingen het evangelie aan de slavenbevolking van Suriname brachten, voor een deel toe te schrijven, dat het Neger-Engelsch zulk een taai leven gehad heeft. Zij bezigden n.l. steeds het Neger-Engelsch in den omgang met en bij het onderwijs aan de lagere volksklassen. Zelfs voeden zij hunne eigen kinderen in die taal op. Waar bij hun bekeeringswerk het Neger-Engelsch te kort kwam aan uitdrukkingen voor abstracte begrippen, werden die door hen aan het Hollandsch ontleend. Voor een ander deel moet het taaie leven van het Neger-Engelsch worden toegeschreven aan de gewoonte der Hollanders om met de inlandsche bevolking niet Hollandsch maar Neger-Engelsch te spreken*) eene gewoonte die in de laatste jaren aan het afnemen is. Voorts moet in het oog gehouden worden, dat de immigranten en vreemdelingen in het algemeen, voor hun verkeer met de creolen-bevolking, zich het gemakkelijk aan te leeren Neger-Engelsch eigen maken en niet het voor hen zoo moeilijke Hollandsch.
Na de definitieve teruggaaf der kolonie aan Nederland in 1816 begint de invloed van het Hollandsch op het N.E. duidelijk merkbaar te worden. Het bijna volslagen gebrek aan uitdrukkingen voor abstracte begrippen en aan taalnuances wordt zoodoende verholpen, terwijl ook de zaaknamen verhollandschen. Nadat een 35 tal jaren geleden het Hollandsch algemeen de voertaal van het onderwijs was geworden - op de scholen der Hernhutters had het N.E. tot dusver dienst gedaan - is die invloed gegroeid en het N.E. ziet men thans van karakter veranderen en Neger-Hollandsch worden.
Het Neger-Engelsch bezit weinig ‘grammatica’, Meervoudsvormen, geslachts-onderscheidingen kent het niet; buigingsvormen - op een enkele uitzondering na - evenmin. Bijvoegelijke naamwoorden worden vóór zelfstandige naamwoorden geplaatst en vaak verdubbeld, soms, als in 't Maleisch, ter versterking, soms ter verzwakking van de beteekenis van het enkele woord. Zoo zegt men: A hori mi tranga = Hij hield me stevig vast: A hori mi tranga-tranga = Hij hield me zeer stevig vast. Daarentegen: Wan redi japon. een roode japon; en wan redi-redi japon, een roodachtige japon. Ook werkwoorden ondergaan een dergelijke verdubbeling. A broko a tiki. Hij heeft den stok gebroken; maar a broko-broko a tiki, hij heeft den stok in verscheidene stukken gebroken. De verdubbeling is overigens een zeer algemeen verschijnsel: boni-boni (Sciurus), frei-frei (vliegen), moto-moto en toko-toko (modder, klei), koti-koti (veenmol), sara-sara (garnalen), sjin-sjin (kruidje-roer-me-niet), enz. Met behulp van de woorden a (het) en de (doen, speciaal als hulpwerkwoord, anders is doen: doe) geeft de verdubbeling zoowel het tegen woordig deelwoord als de romaansche zinswending uitgedrukt o.a. in het Fransche Je viens de, A kom mi de kom = ik ben komende; maar ook: ik ben zoo juist gekomen (Je viens d'arriver).
Lidwoorden zijn: van bepaaldheid da meestal verkort tot a: van onbepaaldheid wan. Soms wordt het laatste weggelaten, b.v. mi weri empi, ik heb een hemd aan.
De persoonlijke voornaamw. - die onverbogen blijven - doen tevens dienst als bezittelijke voornaamw. Uitzondering hierop maakt de 3e persoon enkelv. a. die als buigingsvorm (de eenige in het N.E.) en als bezittelijk voornaamw. heeft: hem (uitspr. ing). De 1ste persoon meervoud beschikt over twee vormen, waarvan vroeger een (wi) de grondvorm - pers. vnw. eerste nv. - was en de andere (oen, uitspr. oeng) verbogen vorm, tevens bezitt. voornaamwoord. Later werden beide in alle vormen gebezigd, terwijl de laatste (oen) ook voor den 2en persoon meervoud (jullie) persoonlijk en bezittelijk gebruikt wordt.
De tijden der werkwoorden worden door middel van hulpwerkwoorden aangegeven; de tegenwoordige tijd door het hulpwerkwoord de (de e in het N.E. wordt steeds uitgesproken als de i in lid); de wordt meestal saamgetrokken met de laatste vocaal van het voorgaande woord, welke dan den klank verkrijgt van ee in zeer.
Voorbeelden van vervoeging: Mi de wakka (samengetrokken mee wakka) ik loop: mi ben de wakka (samengetrokken mi been wakka) ik liep: mi wakka, ik heb geloopen: Mi sa wakka, ik zal loopen; mi ben de sa wakka (samengetr. mi been sa wakka), ik zou loopen; wakka, loop; meki mi wakka (laat mij loopen), dat ik loope. Tot uitdrukking van den toekomenden tijd wordt meestal het hulpwerkwoord go = gaan, gebezigd. Het zal regenen. Alen de go fadom (samengetr. alen go fadom).
Het N.E. heeft zoowel van de Germaansche als van de Romaansche talen, waaruit het is opgebouwd, de vocalen en consonnanten overgenomen. Alle woorden eindigen op een vocaal of een nasaal (m en n. uitspr. ng.) Van de consonnanten wordt de h naar verkiezing niet of wel uitgesproken.
De l en de r worden veelal verwisseld.
Het Neger-Engelsch wordt in Suriname algemeen gesproken, is echter geen beschaafde omgangstaal. Het oude Neger-Engelsch van den slaventijd wordt nog alleen gesproken door de Boschnegers; zooals boven reeds werd opgemerkt is het Portugeesche element, daarin bij de Saramaccanen sterk vertegenwoordigd.
Aan spreekwoorden (Odo's) is het N.E. buitengemeen rijk; velen daarvan zijn zeer kernachtig en niet weinigen dragen het kenmerk in den slaventijd te zijn ontstaan, maar velen zijn ook als een geestelijke schat uit Afrika medegebracht. In het tweede deel van de Landb. in de kol. Suriname, Gron. 1835 geeft M.D. Teenstra een verzameling van 300 odo's. Mr. H.C. Focke vermeldt ze in den tekst van zijn Neger-Engelsch Woordenboek, Leiden 1855. Als bijvoegsel tot zijn Deutsch-Neger-englisches Wörterbuch, Löbau, 1856 vermeldt H.R. Wullschägel er 707. Ook in W. Bockhoudt's Uit mijn verleden, Winschoten 1874, blz. 91-97 en in Roland Bonaparte's Les habitants de Suriname, Paris 1884 blz. 182-186 vindt men er velen opgegeven. Zie voorts over de odo's, C. van Schaick, Tijdschr. West-Indie, Haarlem 1855, I 28. Van de neger-benamingen der plantages geeft Focke achter inzijn woordenboek een alpbabetische lijst, ook te vinden in den Surinaamschen Almanak voor 1835 en volgende jaren. Het N.E. kan wijzen op een vrij uitgebreide litteratuur. Het oudste geschrift daarin is - afgezien van een kort en gebrekkig lijstje in Herlin's Beschr. v.d. Volk-plantinge Zuriname, Leeuwarden 1718 - waarschijnlijk de omstreeks 1750 door den jongsten zoon van Mauricius, Andreas, uitgegeven vertaling van ‘de vraagjes van Borstius’, ten gebruike bij het godsdienstig onderwijs aan de negers. Daarna hebben de Mor. Brs. en later heeft ook de R.K, missie tal van grootere en kleinere godsdienstige geschriften uitgegeven, die men o.m. vermeld vindt in de catalogussen van de Kol. Bibl. te Paramaribo, van de Bibl. van het Dep. v. Koloniën en van het Kon. Inst. voor de Taal-, land- en Volkenk. v. Ned. In. en het Indisch Genootschap; voorts in een artikel van Wullschlägel in het tijdschr. West-Indie, Haarlem 1855, I. 286-295 en in The Encyclopaedia of Missions, edited by Rev. Edwin Munsell Beiss, New-York, London, Toronto 1891, II 369. In 1903 gaf J.W. Helstone te Paramaribo uit: Wan spraakkunst vo taki en skrifi da tongo vo Sranam. De spraakkunst wordt ook uitvoerig behandeld door Bonaparte, blz. 174-182, die ook Neger-Engelsche liedjes geeft, blz. 187-193. Belangrijke beschouwingen over het N.E. gaf Dr. Jac. van Ginneken S.J. in deel I, blz. 261, vlg. van zijn Handboek der Nederlandsche Taal. Nijmegen 1913, maar het belangrijkste werk over het N.E. is het door de Kon. Akad. v. Wetensch. te Amst. in Nov. 1914 uitgegeven geschrift van Hugo Schuchart: Die Sprache der Saramakkaneger in Surinam, waarin o.m. voor het eerst wordt gepubliceerd het Saramaccanisch Deutsches Wörter-Buch, Zusammengetragen van C.L. Schumann. Bambey im Jahr 1778. Het boek geeft een magistraal overzicht van het ontstaan van het N.E. en een zeer uitgebreide opgave van geschriften in en over die taal. Zie verder: V.S. [Sypesteyn]. Iets over de Neg. Eng. taal (Algem. konst en letterbode, 29 Dec. 1885 blz. 418). K. Martin, West-Indische Skizzen, Leiden, 1887, blz. 52 en 53. H.G. Schneider. Ein Besuch in Paramaribo, Stuttg. 1891, blz. 42. C.H. de Goeje, Verslag der Toemoek-hoemak-expeditie, Leiden 1908, blz. 50 en 215-219, Verslag van de expeditie naar de Suriname-rivier. Leiden 1910 (Bijlage II woordenlijst door R.H. Wijmans). Koloniaal Weekbl. 8 Aug. 1912, 27 Nov. 1913, 28 Jan. 1915 en voor de pogingen tot bestrijding van het N.E. Kol. Verslag 1880, Bijl. G'. blz. 11 en 12 en 1892, Bijl. G', blz. 10 en 11.
H.J.v.O.
De handel op West-Indië, in het bijzonder op Suriname, nam in het 3de kwartaal van de 18de eeuw een ongekende vlucht. De koloniale producten, voornamelijk koffie, waren bovenmatig in prijs gestegen. Tijdelijke rust in de moeilijkheden met de slaven deed bovendien den prijs der plantages rijzen. Men streefde daarom naar uitbreiding van zaken en het daarvoor noodige kapitaal werd gaarne door den Nederlandschen, in het bijzonder Amsterdamschen handel verstrekt. Uit dien tijd dagteekenen dan ook de eerste plantage-leeningen, die op de toestanden in Suriname zulk een noodlottigen invloed zouden hebben en aan de geldmarkt in het Moederland zoo duur te staan zouden komen.
De vorm waarin het geld geschoten werd was de zoogenaamde negotiatie, die niet in alle opzichten overeenkwam met hetgeen wij thans onder een geldof obligatieleening verstaan, Het was eerder een soort van vennootschap tot het uitleenen van geld. Zij had dan ook een directie en participanten.
De eerste van die negotiatiën werd in 1753 opgericht door den Amsterdamschen bankier en burgemeester Willem Gideon Deutz. De daarvoor noodige onderhandelingen met het Koloniaal Bestuur, dat ook later zijn medewerking verleende bij het uitzetten van de gelden, waren reeds in 1751 aangevangen. De negotiatie was aanvankelijk 1 millioen gulden groot, maar groeide allengs tot 4 millioen aan. De gelden werden verstrekt tegen eerste hypotheek op de plantage en tot een maximum van ⅝ hunner geschatte waarde. De rentevoet was 6%. Deze voorwaarden zijn bij de latere negotiatiën min of meer gevolgd.
Bij de schatting der plantages werd veel geknoeid en de opgenomen gelden werden grootendeels verspild. De kolonie had dus weinig voordeel van deze negotiatie. Ook Deutz beleefde er weinig genoegen van. Hij, die bij zijn leven geschat werd op het voor dien tijd enorme inkomen van ƒ22- tot 24.000.-, liet bij zijn dood in 1757 een desolaten boedel na. Tot dien boedel behoorde een schuldvordering op Surinaamsche planters ten bedrage van ƒ900.000.
De firma Jan & Theodoor van Marselis, die later nog vele andere negotiatiën op Suriname zou oprichten, nam deze vordering voor ƒ400.000 over. Zij verkreeg daardoor de directie over de negotiatie-Deutz en werd dientengevolge - evenals Deutz geweest was - de grootste importeur van Westindische suiker en koffie te Amsterdam. Zij legde zich op verbetering van den toestand toe. Van het Hof van Politie werd een nieuwe instructie voor de schatters (priseurs) verkregen (1764) en de plantages van nalatige schuldenaren werden onder sequestratie gebracht of verkocht. Hierbij kwamen echter zulke knoeierijen aan het licht, dat het crediet der kolonie, hevig werd geschokt en het voorloopig niet meer mogelijk was te Amsterdam geld voor Surinaamsche plantages te bekomen. De ernstige crisis op de Am-
sterdamsche beurs van 1763 was daarvan natuurlijk mede oorzaak.
Eerst na vele vruchtelooze pogingen bij verscheidene kooplieden gedaan gelukte het de firma Harman van de Poll & Co tot het schieten van geld op plantages over te halen. In 1765 richtte zij haar eerste negotiatie op ten laste van planters in Suriname. Doch ook deze onderneming had niet den gewenschsten uitslag. De gelden werden over het algemeen niet voor uitbreiding van zaken aangewend. Dat men toen echter toch met het oprichten van dergelijke negotiatiën is doorgegaan moet toegeschreven worden aan de groote ruimte van geld, die er destijds in het Moederland bestond en aan de speculatiezucht die er toen heerschte. In 1769 en 1770 ontstond wat men noemde een ‘bubbel’ in Westindische waarden. Een ieder wilde daarin zijn geld beleggen. En geld wilde in Suriname een ieder wel hebben: was men geen planter dan werd men het door een plantage te koopen. Toen aan dezen windhandel een einde kwam, mede tengevolge van de crisis op de Amsterdamsche beurs van 1773, verviel Suriname in zulk een ellendigen toestand, dat het lang duurde voordat het zich eenigszins kon herstellen. Geheel te boven gekomen is de kolonie deze crisis nooit. Immers de oorspronkelijke Surinaamsche planters verdwenen allengs en de plantages gingen voor een groot deel in Amsterdamsche handen over. Dit absentisme van de grondeigenaars heeft een zeer nadeeligen invloed gehad op de verdere ontwikkeling van de kolonie.
De nauwere betrekkingen van Amsterdam met Suriname kwamen op den duur aan de populariteit van Westindische beurswaarden ten goede. Er zijn dan ook op het laatst van de 18de eeuw heel wat negotiatiën op Westindische plantages tot stand gekomen. De aangehaalde bronnen vermelden er reeds een zeer groot aantal. En toch is dat natuurlijk lang niet alles.
De meeste van deze negotiatiën zijn gesloten op plantages in Suriname. Daarneven moeten echter genoemd worden de geldleeningen aan planters in de koloniën Demerary en Essequebo. Dit soort van negotiatiën is ontstaan door toedoen van den Middelburgschen Burgemeester Kornelis van den Helm Boddaert. Deze negotieerde in 1768 een leening van ƒ300.000.-, waarin de stad Middelburg voor ƒ50.000.- participeerde. De Zeeuwen, die bijzondere betrekking hadden tot de genoemde koloniën, hadden het alleen niet kunnen klaarspelen. Daarom was de hulp van Utrecht en 's-Gravenhage ingeroepen. Voor latere leeningen van dit soort moest men echter ook bij Amsterdam terecht komen. Reeds in 1772 bereidde de volgende negotiatie van Boddaert ad 1 millioen gulden daartoe den weg. Daarvoor werd nl. de medewerking verkregen van het Haarlemsche huis Adolf Jan Heshuisen & Comp., dat ook te Amsterdam een kantoor had. De gevolgen der negotiatiën waren voor de koloniën Demerary en Essequebo, die toen juist in opkomst waren en het beschikbaar gestelde kapitaal aanvankelijk zeer goed konden gebruiken, veel minder ongunstig dan voor Suriname, dat toen op het toppunt van zijn bloei stond. Maar geleidelijk verdween dat verschil. Ook in Demerary en Essequebo ontstond gaandeweg het ongelukkige verschijnsel van het absentisme der planters; ook daar werd allengs meer geld opgenomen dan verdedigbaar was. Duidelijk blijkt dat bijvoorbeeld uit het feit dat de bekende Amsterdamsche firma Bartholomeus van den Santheuvel & Zoon in 1777 haar betalingen moest staken wegens de groote verliezen, die zij geleden had door den achteruitgang der plantages in Essequebo en Demerary.
De tusschen deze koloniën en Suriname gelegen kolonie Berbice heeft niet zoo veel van Nederlandsche geldleeningen geprofiteerd. Zij verkeerde destijds in zeer berooiden toestand tengevolge van den verschrikkelijken slavenopstand van 1763 en genoot daardoor niet veel vertrouwen. Toch is er later ook op plantages in de Berbice wel geld geschoten. Zoo richtte Harman Harmansz. van de Poll, lid van de reeds genoemde firma Harman van de Poll & Co., in 1787 met Herman Albrecht Insinger een negotiatie op, gevestigd op plantages in Suriname en Berbice. Andere negotiatiën van dien aard worden in de aangehaalde bronnen niet vermeld.
Ten slotte zijn ook de Westindische eilanden op deze wijze door het Nederlandsche kapitaal gesteund. De Deensche eilanden St. Thomas, St. Kruis en St. Jan moeten in dit verband wel in de eerste plaats genoemd worden, maar zij stonden toch niet op zich zelf. Zoo zijn er ook negotiatiën gesloten ten behoeve van planters op Tabago en Granada. Wellicht zouden daarneven nog andere eilanden kunnen genoemd worden.
Op de geschiedenis van Suriname hebben de negotiatiën ook nog later veel invloed gehad. Onder Nepveu en Beeldsnijder Matroos werden dienaangaande belangrijke voorstellen behandeld. Deze zijn te vinden in Wolbers blz. 306 vlg. en 388 vlg. Gedurende het Engelsche protectoraat en het Engelsche tusschenbestuur traden de negotiatiën weder op den voorgrond. Onder het protectoraat (1799-1802) werd de verplichting van de planters om hun producten alleen naar Nederland te zenden opgeheven. De betalingen aan de geldschieters werden als gevolg hiervan veelal gestaakt. Zelfs werden in dien tijd nieuwe kapitalen in Engeland opgenomen. De administrateurs beleefden daardoor een zeer voordeeligen tijd. Zij kregen nieuw geld en hun schulden betaalden zij slecht. Van het Engelsche tusschenbestuur (1804-1816) hadden zij even aangename gevolgen verwacht en aanvankelijk was dat ook wel het geval. Maar zij wilden te veel. Toen Napoleons continentale stelsel het geheel onmogelijk maakte goederen naar Nederland te verzenden staakten zij ook de betalingen aan de geldschieters geheel en verzochten zelfs in 1811 dat alle vervolgingen ter zake van schulden in Nederland zouden worden geschorst. Aanvankelijk werd dat verzoek toegestaan (1812). Maar de verkwisting nam dientengevolge zulke afmetingen aan, dat de gouverneur Bonham aan de Engelsche regeering de benoeming van een curator over de verhypothekeerde plantages voorstelde. Als zoodanig werd in 1813 een zekere John Bent benoemd. De administrateuren organiseerden tegen dezen maatregel een heftig verzet, dat tot groote moeilijkheden aanleiding gaf. Na den afstand van Napoleon, die de teruggaaf van Suriname waarschijnlijk maakte, trok de Engelsche regeering dan ook den maatregel in, dien zij alleen ten behoeve der Nederlandsche schuldeischers genomen en waarvan zij zoo weinig genoegen beleefd had (1814).
Men kan al deze negotiatiën in 3 soorten verdeelen. De eerste omvat de leeningen, waarbij het publiek ingoed vertrouwen op zijn bankiers geld gaf aan onbekende planters op onbekende plantages. Deze soort is de oudste en kwam na 1772 niet meer voor. De tweede groep vertoonde duidelijk de sporen van rijzend wantrouwen. Zij wordt gekenmerkt door de uitdrukkelijke vermelding van het onderpand en de taxaties. De derde groep dagteekent van 1790 en
later. De kolonie kwam toen ietwat bij en men zag kans van al het gegeven geld iets terug te bekomen. De plantages, ingekocht door de geldschieters, werden objecten van gemeenschappelijken eigendom. De obligatiën werden feitelijk veranderd in aandeelen in een cultuuronderneming. Gedurende het Engelsche tusschenbestuur werden, zooals reeds werd medegedeeld, de consignatiën en betalingen aan de geldschieters gestaakt. Deze werden na de teruggaaf der kolonie in 1816 weder gevorderd en gaven toen aanleiding tot vele executiën. In 1848 werd de vreemde scheepvaart in de kolonie toegelaten. De onmiddellijke gevolgen daarvan waren niet onverdeeld gunstig en er werden weder veel plantages verkocht. Maar allengs verbeterde de toestand, ook door de opkomst van de cacaocultuur. Na 1848 werd dan ook veel schuld afgelost. De afschaffing van de slavernij maakte daaraan weder een einde. Wat er na dien tijd nog van negotiatie-aandeelen in omloop was, had niet veel waarde meer. Als eigenaardigheid moge vermeld worden dat het oudste fonds, dat van Deutz, het 't langst uithield en eerst in 1866 geliquideerd werd.
Het gezamenlijk bedrag van al die negotiatiën is onbekend, maar het is zeer aanzienlijk geweest. Het is wel eens geschat op 60 millioen gulden. Volgens Luzac sprak men zelfs van 70, volgens Gijsbert Karel v. Hogendorp van 80 millioen voor Suriname alleen, maar deze cijfers zijn waarschijnlijk overdreven.
Litt. Mr. Elias Luzac, Hollands Rijkdom, Leiden 1783, IV 213 vlg. - Essai historique sur la Colonie de Surinam. Paramaribo 1788, I. 117 vlg. - De koophandel van Amsterdam, enz. ontworpen door de l'Espine, verm. door le Long. 10e dr. Amst., Dordr. Leiden en Harlingen 1801, II. 238 vlg. - Js. van den Bosch, Nederl. Bezitt. in Azia, Amerika en Afrika, 's-Grav. en Amst. 1818, II. 201 vlg. - Bijdragen tot de kennis der Nederl. en vreemde koloniën. Utr. 1844, blz. 322 vlg. - J. Wolbers, Gesch. van Suriname, Amst. 1861, blz. 233 vlg. 302 vlg, en 388 vlg. - F.C. Geerling. De Provincie Suriname. 's-Gr. 1887, blz. 20 vlg. - P.M. Netscher, Gesch. v. de Kol. Essequebo, Demerary en Berbice, 's-Grav. 1888, blz. 129. - Dr. W.W. v.d. Meulen, Beschrijving van eenige Westindische plantageleeningen, Bijdr. en Mededeelingen van het Hist. Genootschap, 25ste Deel, 1904, blz. 290, vlg. - Johan E. Elias, De Vroedschap van Amsterdam, Haarlem, 1903-1905, passim. - J.J. Reesse, De Suikerhandel van Amsterdam van het begin der 17de eeuw tot 1813, Haarlem 1908, blz. 213 en 214. - Charles de Lannoy et Herman van der Linden, Histoire de l'expansion coloniale des peuples européens. Néerlande et Danemark. (XVIIe et XVIIIe siècles). Brux. 1911 blz. 308, vlg.
G.J.F.
n.e. Een liaan, waarschijnlijk behoorende tot de familie der Leguminosae, en misschien een Lonchocarpus-soort, die gebruikt wordt bij de vischvangst, daar de plant een gift bevat (Nekoeid) dat de eigenschap heeft visschen te bedwelmen en te dooden. Andere namen zijn Tiengi-hoedoe, n.e. (stinkhout) en Hajali, arow. Zie over Nekoe, Bulletin no 48 (Juli 1911) blz. 108 van het Kol. Museum te Haarlem en verder VISCHVERGIFTEN.
(C. & V.) J. & Ev. Carpitan. pap. Fam. Lutianidae, komt voor in West-Indië, Pensacola tot Brazilië. Een belangrijke voedselvisch. Van boven donker olijfgroen, vele schubben met bleek-blauwe plekjes, strepen vormende, die bij het ouder worden der visschen verdwijnen. De buikzijde wit, met helder-rood getint. Zes dwarsbanden voor op het lichaam. Een paarlkleurige streep onder de oogen. Een donkere plek boven de zijlijn onder de eerste rugvinstraal.
(Walb.) J. & Ev., Bers, pap. (Baars op Bonaire). Fam. Lutianidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, noordelijk tot Key West, zuidelijk tot Bahia. De kleur van de jonge exemplaren is groen met ongeveer acht, smalle, bleeke, vertikale strepen op het lichaam. De schubben onder aan de zijkanten met centrale, oranje vlekjes. De buikzijde is paarlkleurig. De kop is groen. De stekelige rugvin met oranje rand, de buikvinnen, de aarsvin en de staartvin bleek oranje geel. De borstvinnen bleeker. Deze visch is goed voedsel.
(Bloch) Jord. & Ev. Red Snapper. sur. Pargo, pap. Fam. Lutianidae. Zeevisch. Verspreiding: Van Long Island tot Brazilië, bij rotsige banken in vrij diep water. Lichaam tamelijk hoog, de bek eenigszins gepunt. De ruimte tusschen de oogen zeer hoog, de voorhoofdskiel sterk ontwikkeld. De staartvin half-maanvormig uitgesneden. De buitenrand van de aarsvin zeer hoekig. De kleur is rose rood, met blauwe strepen langs de rijen schubben. Het is een voortreffelijke voedselvisch.
(L.) J. & Ev. Caranjito, pap. Fam. Lutianidae. Zeevisch. Verspreiding: West Indië, van New Jersey tot Brazilië. Lichaam langwerpig ovaal, weinig samengedrukt, wat hoog. Vier hondstanden in de bovenkaak, waarvan twee grooter. Staartvin uitgerand, de bovenste lob het langst. De aarsvin is hoog. De kleur is van boven zeer donker groen. De onderkaak is grijs. Van boven is de kop zwart olijfkleurig. Hij levert een goed voedsel.
(Bl. & Schn.) J. & Ev. Bastebers, pap. Fam. Lutianidae. Zeevisch. Verspreidlng: West-Indië, noordelijk tot Florida Keys, zuidelijk tot Bahia. Lichaam ovaal, zijdelings samengedrukt, rug hoog, kop lang, de ruimte tusschen de oogen smal. Vier hondstanden voor in de bovenkaak, waarvan twee zeer groot. De stekels van de rugvin sterk, de rand van de zachte rugvin afgerond, de staartvin een weinig gevorkt. De kleur van den volwassen visch is olijfachtig van boven, van onder lichter, rood aangeslagen, zoodat de algemeene tint koperrood lijkt; langs de zijkanten vele zachte, smalle dwarsbanden. Een vlugge roofvisch, die een goed en gewaardeerd voedsel levert.
geb. te Amst. 27 Aug. 1719, overl. te Paramaribo, 27 Febr. 1779, was de zoon van Louis Nepveu (wiens ouders Aubin Nepveu en Anna Baron, bij de herroeping van het Edict van Nantes naar Holland waren uitgeweken) en Suzanne Hamelot. Na te Weesp en te Amsterdam lager onderwijs te hebben genoten vertrok hij in 1734 naar Suriname, waar zijne ouders gevestigd waren. In 1740 werd hij te Paramaribo gezworen klerk, in 1742 secretaris van Mauricius, in 1745 provisioneel, in 1751 effectief secretaris van het Hof van Policie, in 1754 tweede raad-fiscaal, in 1756 wrn. Gouv. Gen. in 1761 eerste raad-fiscaal, in 1768 Gouv. Gen. a.i. in 1770 effectief. Tijdens de oneenigheden onder Mauricius, behoorde hij met zijn broeders Louis Pierre en Aubin Nepveu tot de partij van Mauricius,
wiens volle vertrouwen hij genoot. Onder zijn bestuur werd de strijd tegen de Boschnegers krachtig gevoerd onder leiding van Fourgeoud (zie KRIJGSMACHT, blz. 423) met wien Nepveu op zeer gespannen voet stond. De oprichting van het ‘Korps Vrijnegers’ en het ‘Korps Jagers’ (zie KRIJGSMACHT, blz. 426) ter bestrijding der Boschnegers was ook het werk van Nepveu, evenals de aanleg van het ‘kordon’ (zie KRIJGSMACHT, blz. 427). Naar aanleiding van de verdrijving der benden van Bonni over de Marowijne, ontstond er in het begin van 1777 eenig gewrijf met het Fransche bestuur, dat niet gesteld was op deze Boschnegers. In verband met deze kwestie kwam de intendant Malouet in Juli 1777 in Suriname. In deel III van diens Collection de mémoires et correspondances officielles sur l'administration des colonies, Paris an X, gaf hij een uitvoerig en belangrijk verslag van zijne reis. (blz. 1-192). Met het Hof van Policie en met de kolonisten in het algemeen kon Nepveu beter opschieten dan Mauricius (Zie aldaar). Onder zijn bestuur zag de eerste Surinaamsche courant het licht (zie JOURNALISTIEK). Het was ook onder Nepveu's bestuur dat de heillooze gevolgen van de negotiatiën (zie aldaar) zich openbaarden. Eindelijk zij nog vermeld dat de Moravische Broeders in 1776 van hem vergunning verkregen om aan de slaven het Evangelie te verkondigen.
Litt. Malouet (hierboven genoemd). - Hartsinck, Beschr. v. Guiana, Amst. 1770, 2e deel. - Nederl. Jaarboeken 1779. - Stedman, Narrative of a five years expedition against the revolted negroes of Surinam. Londen 1796. - C.A. van Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, 's-Gravenh. 1858. - J. Wolbers. Gesch. v. Suriname Amst. 1861.
netvleugeligen, eene orde van insecten, waartoe o.a. de mierenleeuwen behooren. Zij hebben bijtende, goed ontwikkelde monddeelen, borstelvormige, geknopte of min of meer knodsvormige sprieten, vier weinig in grootte verschillende, vliezige, netvormig geaderde vleugels. De gedaanteverwisseling is volkomen, de larven leven meestal op het land en vervaardigen geene woningen. De thans met recht afgescheidene groepen der Odonata en Trichoptera werden vroeger algemeen tot de Neuroptera gebracht.
Tot deze orde rekent men in de eerste plaats de famalie der mierenleeuwen of Myrmeleontiden, de eenige, die meer algemeen bekend is. Zij hebben veel overeenkomst met de tot de groep der Odonata behoorende waternimfen, maar zijn van de laatsten o.a. onderscheiden door hunne volkomen gedaanteverwisseling en door langere knodsvormige, van een knopje voorziene sprieten. De naam mierenleeuw heeft meer betrekking op de larve dan op het volkomen insect; deze larven vervaardigen n.l. op drooge plaatsen trechtervormige kuilen in den grond, op den bodem waarvan zij, geheel bedekt, loeren op insekten, vooral mieren en in de tropische gewesten vooral op termieten. Vallen deze in den kuil, dan worden zij door de larven met de groote boven den grond uitstekende kaken gegrepen en uitgezogen. De kaken dezer larven zijn zoogenaamde zuigkaken, wier met eene opening voorziene toppen in het slachtoffer dringen en zoo de prooi uitzuigen. In Suriname komen verschillende soorten voor; het volkomen insect wordt 's avonds veelal door kunstlicht aangetrokken; over dag zitten zij gezellig in aantal bij elkander met toegeslagen vleugels evenals dagvlinders.
Verwant zijn de meer gedrongen gebouwde Ascalaphiden, die veel langere, geknopte sprieten bezitten. De larven van denzelfden vorm als die der mierenleeuwen, leven tusschen het gras en maken geen trechtervormige kuilen.
Nog behooren tot deze groep de soms zeer groote soorten van het geslacht Corydalus, waarvan er verscheidene in Suriname worden gevonden. Merkwaardig zijn bij deze dieren de buitengewoon verlengde bovenkaken der mannetjes. De larven leven in water.
H.J.V.
Een der kleinere Surinaamsche rivieren; ontspringt waarschijnlijk op het Bakhuisgebergte tusschen 4° en 5° N.B., stroomt eerst naar het noorden, buigt zich op ongeveer 4° 50″ N.B. naar het noordoosten, loopt met talrijke kronkelingen in die richting voort tot ongeveer 5° 10′, van daar met nog sterker windingen naar het noorden tot aan de samenvloeiing met de Arrawarrakreek (zie aldaar), die de verbinding vormt met de Wajombo en een gedeelte van het water van de Nickerie afvoert. Voorbij dit punt vormt de rivier eenige groote kronkels of lussen om daarna in noord-westelijke richting te stroomen tot aan hare uitwatering in den wijden Corantijnmond. De kreken die in de Nickerie vallen zijn, om alleen de grootere te noemen: van rechts de Fallawatra- of Tapioca-, de Zonnevisch-, de reeds genoemde Arrawarra, de Manili-, de Foeroe-, de Koffimakka- en de Siparikreek, van links de Mokomoko-, de Praké-, de Arkonie- en de belangrijke van zuid naar noord stroomende, goed bevaarbare Maratakkakreek, die, volgens berichten van Indianen, in verbinding zou staan met de Corantijn, vermoedelijk alleen in den grooten regentijd (zie ook de kaart in Stedman's Reize naar Surinamen, Amst. 1799, deel I) voorts de Lemmetje-, de Pingo-, de Bolletri- en de Sawmillkreek. In haar benedenloop, die gerekend kan worden zich tot aan de Arrawarrakreek uit te strekken, is de rivier zeer diep; ze is tot meer dan 100 K.M. van hare monding bevaarbaar voor schepen van 4 M. diepgang. Vóór de monding liggen evenwel zand- en modderbanken, die het invaren bemoeilijken. In het droge jaargetijde is de vloedgolf merkbaar tot voorbij de Arkoniekreek. In den regentijd daarentegen blijft het water, dat aan de monding een gemiddeld verval heeft van 1,65 M., steeds afloopen en wordt bij vloed slechts opgestuwd. De bovenloop heeft stroomversnellingen en watervallen, waarvan de noordelijkste, Stondansi, niet ver van de monding der Fallawatrakreek ligt. Naar het Zuiden gaande vindt men de Baasbari-, de Drie zusters-, de Lombok-, de Duizendsteenen-, de Blanche Marie-, de Van Eeden-, de Matoeni- en de Wilhelmina-val; in de Fallawatrakreek de Cremerval.
Wetenschappelijk is de rivier opgenomen, in 1854 door Dr. F. Voltz en H. Schunck (vergezeld van H. van Genderen en H. Tyndall), in 1885 door Dr. H. ten Kate, in 1897 door C. van Drimmelen (vergezeld van Johnstone Kirke) en in 1900 door Dr. H. Van Cappelle (vergezeld van zijn zoon, C. van Drimmelen, Dr. J.E. Tulleken, J. Haenen, J.C. Ganzert en Th. Bos Sulpke).
Hartsinck, II, 564 noemt de benedenrivier Nikeza, terwijl op de kaart in het werk voorkomende, de bovenrivier Nickery genoemd wordt. Omtrent de afleiding van den naam verkeert men in het onzekere.
Teenstra vernam van Indianen dat de naam afkomstig zou zijn van den Indiaanschen naam Nickeri van een veelvuldig daar voorkomende noot. Het verdient opmerking dat Keymis in de lijst der door hem in 1596 ontdekte rivieren in Guiana tusschen de Cupanama (Coppename) en de Curitini (Corantijn) drie rivieren opnoemende, n.l. de Wioma (Wajombo?) de Cushwini (Coesewijne?) en de Inana (Nannikreek?), als de Indianenstam, die de Cushwini bewoonde, de Neekeari vermeldt, daarbij waarschijnlijk de mededeelingen van de hem vergezellende Indianen volgende. Het is niet onwaarschijnlijk dat met één der drie genoemde rivieren de Nickerie bedoeld is. De naam Neekeari van een volkstam, bij de Wioma en de Caswine wonende, is ook te vinden op Robert Dudley's in 1646 uitgegeven kaart van Guiana, gereproduceerd in The Voyage of Robert Dudley to the West-Indies, 1594-1595, edited by George F. Warner (Uitgave van de Hakluyt Society, 1909). Vermoedelijk is de naam ontleend aan Keymis.
In den loop der tijden is de zeekust aan den rechteroever van de Nickerie aanmerkelijk afgespoeld; het in de laatste eeuw afgespoelde land kan op 150 K.M2. geschat worden. De afspoeling moet toegeschreven worden aan de richting van de kust ten opzichte van stroom en wind. Voor de veronderstelling van W.G. Palgrave (zie Litt.) dat een daling van het land de oorzaak zou zijn, bestaat geen voldoende grond. Vóór de afspoeling liep er langs de kust, van de monding der rivier oostwaarts, een 40 voet breede rijweg langs de plantages.
In Nickerie, toenmaals het Neder-district Nickerie geheeten, werden eerst in 1797 gronden voor den aanleg van plantages uitgegeven. In dat jaar liet de Gouverneur De Friderici aan den linkeroever der rivier de plantages Plaisance en Paradise aanleggen en met katoen beplanten. Twee jaar later werd een zekere John Stuart door aankoop eigenaar dezer plantages, die hij bewerkte met slaven van het eiland Granada aangevoerd. Hij legde ook de plantage Diamond aan. In 1800 kwamen eenige planters uit genoemd eiland met slaven aan en vestigden zich aan de monding der rivier; in 1801 volgde een tweede nederzetting uit dat eiland, spoedig gevolgd door planters uit Berbice (zie de kaart van uitgifte in den Surinaamschen Almanak voor 1820). Gedurende het Engelsche bestuur (1804-1816) nam Nickerie zeer in bloei toe. Naast de aanplanting van katoen en koffie maakte men veel werk van uitvoer van hout naar Barbados, Antigua en Guadeloupe. De landdrost (zie aldaar) Samuel Rickets liet met het oog op dien uitvoer een zaagmolen opzetten. Nagenoeg alle plantages waren in handen van Engelschen ef Schotten. Het district heeft dan ook tot heden een Engelsch cachet.
In 1813 deed Robert Gordon, gouverneur van Berbice het voorstel om Nickerie bij Berbice te voegen, doch op raad van den Gouverneur van Suriname, Bonham, wees de Britsche regeering dit verzoek van de hand. Over het verzoek der Nickerie-planters, nadat Suriname weer onder Nederl. bestuur was gekomen, om hunne producten rechtstreeks naar Engeland te verzenden (zie HANDEL en SCHEEPVAART blz. 346).
Omstreeks 1820 werd op de vlakke, in zee uitstekende punt aan den rechteroever, een dorp aangelegd, Nickerie-punt of ‘De Punt’ geheeten. Met den toenemenden bloei van het district nam De Punt in welvaart toe, vooral door den handel - ook smokkelhandel - met Berbice. In 1850 werd het plaatsje vergroot en kreeg het den naam Nieuw Rotterdam. In 1859 begon de afspoeling, waarvan hierboven sprake was, en in 1863 kreeg deze voor Nieuw Rotterdam een dreigend aanzien. Ondanks de genomen maatregelen tot bescherming kreeg de zee de overhand, zoodat men genoodzaakt was N.R. te verplaatsen naar het aangrenzende zuidelijke terrein, dat in 1869 ingepolderd werd. In 1870 werd een aanvang gemaakt met het overbrengen der gebouwen naar de ‘Nieuwe Wijk’. Maar de zee bedreigde ook de nieuwe nederzetting. Een nieuw stadje werd toen aan den rechteroever, op eenigen afstand van de monding ontworpen, kwam in 1879 gereed en kreeg den naam Nieuw-Nickerie, in den volksmond New Town. Het plaatsje heeft een oppervlakte van 150 H.A. en is ruim en regelmatig aangelegd; het had op 31 Dec. 1913 2920 inwoners, terwijl de bevolking van het geheele district 6943 bedroeg. Men vindt in het plaatsje een kerk der Vereenigde Protest. gemeente, een der Evang. Broedergemeente en een R.K. kerk, voorts 4 scholen met een bevolking van ± 600 leerlingen. In het district heeft men thans slechts 2 suikerplantages en 4 cacaoplantages; de kleine landbouw is er zeer ontwikkeld; op 31 Dec. 1913 waren op de centrale vestigingsplaatsen Paradise en Waldeck 335 en daar buiten 433 perceelen aan kleine landbouwers uitgegeven. Voor de geschiedenis der vroegere cultures zie men het art. LANDBOUW. Tot de bronnen van inkomst behoort ook de balataindustrie.
Litt. G.H. Van Kempen. Verslag wegens den tegenw. staat des Landbouws, enz. in de Opper- en Neder-districten Nickerie (Uittreksels uit berigten van leden correspondenten, enz. d. Ned. huish. Maatschappij te Haarlem, 1825, 18e stuk, blz. 146-160, met kaart). [G.P.C. Baron van Heeckeren van van Waliën] Aanteekeningen betrekk. de Kol. Suriname, Arnhem 1826. - M.D. Teenstra. De landb. in de Kol. Suriname. Groningen 1835, I. 115-125, II. 145-148, met kaartje van ‘De Punt’. - Verslag eener reis van het Nickerie-punt (Nieuw Rotterdam) naar de Boven Nickerie. (Tijdschr. v. staathuishoudk. en Statistiek, 1855, deel XII, blz. 263-280 en tijdschr. West-Indie, 1858, II 69 vlg.) - W.G. Palgrave, Dutch Guiana, London 1876. - Mr. A. Heemskerk. Reisindrukken uit West-Indië, Amst. 1878. - De Boven-Nickerie onderzocht en in kaart gebracht door C. van Drimmelen (beschreven door Dr. H. van Cappelle. T.A.G. 1899. I). - Dr. H. van Capelle. De binnenlanden van het district Nickerie, Baarn 1903. - Idem. Au travers des forêts vierges de la Guyane hollandaise, Baarn et Paris, 1905.
A.A.H.
Volgens Herlein, Beschrijvinge v.d. Volk-plantinge Zuriname, Leeuwarden 1718, blz. 46, de naam, dien de Zeeuwen na de verovering aan Paramaribo gaven (zie ook de kaart van Maars bij dit werk). Hartsinck, Beschr. v. Guiana, Amst. 1770, II. 567 spreekt van de stad Paramaribo ‘weleer Nieuw-Middelburg genaamd’. In werkelijkheid heeft de stad nooit dien naam gedragen. Op de kaart van Suriname door F.E. Baron Mulert gereproduceerd in T.A.G. van 15 Jan. 1913
en dagteekenende van 1671, dus slechts 3 jaren na de verovering door Krijnssen, wordt de stad reeds Paramaribo genoemd, zonder eenige bijvoeging.
Suriname is sedert den aanvang der vestiging van Europeanen een landbouwende kolonie geweest; de economische geschiedenis van de kolonie leert men uit de geschiedenis van dien landbouw kennen. Onder die omstandigheden was er voor de ontwikkeling van andere industrieën, dan die onmiddellijk met den landbouw verband hielden, weinig plaats. Geschoolde werkkrachten ontbraken en met de onontwikkelde slaven als arbeidskracht waren industrieën, die skilled labour vereischten, feitelijk onmogelijk. Daarbij kwam de mededinging van Europa en de Vereenigde Staten. En eindelijk zou de ontwikkeling van industrieën met de handelsbelangen van het moederland strijdig geacht en van bestuurswege niet aangemoedigd zijn. Als voorbeeld strekke het gebeurde met de raffinaderijen op St. Eustatius. (Zie LANDBOUW, blz. 444).
Onder deze omstandigheden mag het een wonder heeten, dat er in Suriname enkele nijverheids-bedrijven vallen aan te wijzen. Veel is er beproefd en te niet gegaan zonder een spoor achter te laten; van hetgeen beproefd en al of niet in het leven is gebleven volgt hier een overzicht, dat geen aanspraak maakt op volledigheid:
Alleen reeds door de hout-productie zou Suriname een kolonie kunnen zijn van groote belangrijkheid; de bezwaarlijke afvoer is tot dusver het beletsel geweest. Voor de eigen behoefte was een klein aantal zaagmolens groot genoeg; te groot nog zelfs: een stoomzaagmolen aan de Coppename, bij den mond van de Kalebaskreek, in het eerste kwartaal der 19de eeuw gebouwd, werd in 1831 afgebroken. Niet beter ging het de gouvernements-stoomzaagmolen Andresa aan den linkeroever der Coppename, even voorbij de monding van de Wajombo; deze werd in 1850 verlaten en de werktuigen werden door een particulier gebruikt voor een anderen molen in de nabijheid van Paramaribo. Beter ging het met de later bij Paramaribo opgerichte stoomzaagmolens, thans 4 in getal. Zij zagen in hoofdzaak planken en richels voor de plaatselijke behoefte. Voorts zijn er nog zaagmolens op de plantages Alliance en Marienburg, die alleen voor eigen gebruik zagen en een klein molentje op Gelderland aan de Boven-Suriname. De 4 molens bij Paramaribo kunnen ieder gemiddeld in 10 werkuren 10 blokken van ± 1½ M3. verwerken. Voorts zijn er te Paramaribo twee inrichtingen voor houtbewerking. De eene legt zich toe op het schaven, rabatten, enz. van planken, de tweede - met motor - op het maken van meubelen.
Bij de groote behoefte aan baksteen voor den aanleg van suikerfabrieken en voor den bouw van sluizen, was het te verwachten, dat men zou trachten in de kolonie zelve steenen te bakken. Aan grondstof daarvoor ontbrak het niet, maar niettemin is de geschiedenis der steenbakkerijen een verhaal van mislukkingen. Reeds uit het begin van de 18de eeuw dateeren de berichten, omtrent de oprichting van steenbakkerijen aan de Para-rivier (Hartsinck, II 247), maar deze maakten alleen goede zaken wanneer de scheepvaart gestremd was en geraakten spoedig in verval (zie HANDEL EN SCHEEPVAART, blz. 344). Op het einde van de 18de eeuw werd in de Hoer-Helenakreek een steen- en tichelfabriek opgericht, van welker lotgevallen verder niets bekend is. Evenmin vindt men berichten over de later opgerichte en weer verdwenen steenbakkerijen op de plantages Monnikendam, Nieuwgrond en Petersburg. Volgens den Surin. Staatk. Almanach voor 1795 was er aan Braamspunt een kalkbranderij, waaromtrent men verder geen berichten vindt. De onder het bestuur van den Gouverneur Schimpf van gouvernements-wege opgerichte steenbakkerij en kalkbranderij op Charlesburg, nabij Paramaribo, bleek spoedig een mislukking. Langer hield de steenbakkerij op de plantage Clevia aan de Beneden-Suriname het uit, n.l. van 1879 tot 1889, maar ook deze moest stop gezet worden omdat er toen geen vraag was naar het product. Men gebruikte voor bouwwerken liever oude steenen van gesloopte plantages of van suikerplantages, die in cacaoplantages werden omgezet. Gedurende den bouw der sluizen in het Saramacca-kanaal liet het gouvernement daarvoor op Uitkijk steenen bakken. Ten slotte is nog te vermelden de oprichting in 1906 van een steenfabriekje met een voortbrengings-vermogen van ± 2000 steenen, n.l. cementsteenen, die geheel uit de hand gemaakt werden. Ook deze poging is van korten duur geweest. Een in 1768 van bestuurswege op Worsteling Jacobs aan de Boven-Suriname opgerichte steenspringerij, werd in 1837 opgeheven. De granietblokken werden gebruikt als oeverversterking bij de forten Zeelandia. en Nw Amsterdam.
Een in 1903 opgerichte leerlooierij kon niet in stand blijven. Het product was goed, maar het leer kreeg door het gebruikte looimiddel, mangrovebast, een roode kleur, die het deed achterstaan bij het ingevoerde leer, niettegenstaande dit ± 30 cent per K.G. duurder verkocht werd. Na een achttal jaren te hebben bestaan werd de looierij gesloten. In verband met de hooge leerprijzen, tengevolge van den oorlog, is zij sedert Aug. 1915 weer in werking. Ook Nw Nickerie heeft een kleine looierij.
Een in de vijftiger jaren der vorige eeuw te Paramaribo bestaan hebbende windmolen ter vermaling van maïs moest worden stilgezet en afgebroken.
De toenemende rijstbouw gaf in de laatste jaren - sedert 1909 - aanleiding tot de oprichting van pelmolens, waarvan er thans vijf in de kolonie bestaan. Het zijn nog kleine inrichtingen, die echter, wegens den ongeregelden aanvoer van ongebolsterde rijst, niet geregeld kunnen doorwerken.
Van de vele bakkerijen te Paramaribo hebben drie zich ingericht met stoomovens en met motoren als beweegkracht voor de kneed-machines, enz.
In de behoefte aan ijs voor allerlei doeleinden is waarschijnlijk reeds vroeg voorzien door aanvoer uit de Vereenigde Staten. Ter bevordering hiervan werd bij Gouv. res. van 11 Juni 1840 aan zekeren F.W. Cragin het uitsluitend privilegie verleend om voor den tijd van 10 jaren ijs in te voeren. Omstreeks 1860 heeft een ondernemend handelshuis te Paramaribo een ijshuis gebouwd ter berging van scheepsladingen uit Noord Amerika aangevoerd ijs, vruchten, groenten, enz. Het was een poging om te onderzoeken of ijs een levensbehoefte zou blijken; de uitkomst leerde van niet en de aanvoer werd gestaakt. Omstreeks 1880 is hetzelfde nogmaals beproefd door een andere firma, die een nieuw ijshuis bouwde en daaraan een gelegenheid verbond om afgekoelde dranken te gebruiken. Maar ook deze onderneming hield geen stand, evenmin als de aanvoer van ijs uit Demerary van 1879-1882. In 1891 werd door de toenmalige firma Sträter, Esser & Co.
te Paramaribo een ijsfabriek opgericht, die in de eerste jaren, ook nadat in 1896 het beheer in handen van de nieuwe firmanten derzelfde firma was overgegaan, met verlies werkte. Allengs is de onderneming anders ingericht, nieuwe werktuigen zijn aangeschaft, meer terrein werd aangekocht ten behoeve van de uitbreiding der fabrieksgebouwen met koelkamers, inrichting voor koolzuurhoudendelimonade-bereiding, taplokalen voor bier en wijn, stallen, etc. In de stad heeft de fabriek een groot aantal depôts voor den verkoop van limonade, bier en wijn. Voor de ijsbereiding bezigt men het Linde's ammoniak-compressie-systeem; de blokken ijs uit de cellen worden in de koelkamers bewaard, welker wanden meer dan een meter dik en uit verschillende isoleerende lagen samengesteld zijn. Ruimte in deze kamers wordt verhuurd voor het bewaren van vleesch, visch, vruchten, enz. In de laatste jaren is de fabriek wel verbeterd, niet uitgebreid.
Omstreeks 1907 waren er in Suriname 12 limonade- en spuitwaterfabriekjes, n.l. 10 te Paramaribo, 1 te Nieuw-Nickerie en 1 te Albina. De daarin gebruikte machines waren van Fransch, Engelsch en Duitsch fabrikaat. Het Koloniaal Verslag 1914 vermeldt er nog 7 te Paramaribo en 1 te Nieuw-Nickerie, alle gedreven met handkracht.
De Nederlandsch-Indische Gas-maatschappij te Rotterdam opende op 25 Oct. 1909 hare fabriek te Paramaribo, die met goed gevolg blijkt te werken. De straatverlichting, tot dien tijd petroleumlicht, werd vervangen door gasgloeilicht en het aantal aansluitingen neemt toe. Eigenaardig, dat de concessie verleend werd, juist toen men in de hoofdplaats van de naburige Engelsche Kolonie Demerary de gasverlichting verving door electrisch licht, het voor de tropen aangewezen licht.
In 1892 werd te Paramaribo een lucifersfabriek (s.v.v.) opgericht, waarin aanvankelijk niet anders gedaan werd dan de ingevoerde stokjes voorzien van koppen en de houtjes pakken in doosjes, die in denvorm van spanen eveneens waren ingevoerd en slechts behoefden beplakt te worden. Een tweede dergelijke ‘fabriek’ werd in 1909 opgericht. Beide inrichtingen werken thans met stoom en voldoen aan de meest moderne eischen; zij maken zelf de stokjes en doosjes van inlandsch hout, dat evenwel nog niet de deugden bezit van het Europeesche hout. Daar het productie-vermogen het gebruik overtrof, moesten de fabrieken nu en dan stil gezet worden. In 1913 is er een derde fabriek bijgekomen en volgens het Koloniaal verslag over 1914 hebben alle drie dat jaar doorgewerkt.
Er bestaan sedert een paar jaar in de kolonie eenige kleine zeepziederijen. Twee van deze (een in de stad en een daarbuiten) schijnen nog door te werken. Beide hebben zich veel moeite gegeven om een marktwaardig product te leveren; deze industrie is echter nog niet van invloed op den invoer van zeep. Men maakt ordinaire blauwe en gele waschzeepen.
Sedert 1909 bezit Paramaribo een chocolade-fabriek, waarbij op het eind van 1913 een tweede zich is komen voegen. De eerstgenoemde heeft een gasmotor van 10 paardekracht en een koelkamer. De chocolade wordt niet ontvet; volgens het verslag van den keuringsdienst van Oct.-Dec. 1914, is de verwijdering der cacaoschillen nog onvolledig. De afzet van het product is toenemende.
In 1913 werd te Paramaribo een sigaretten-fabriekje met handkracht opgericht.
(zie aldaar).
Paramaribo heeft 4 drukkerijen met beweegkracht door motoren (zie ook JOURNALISTIEK, blz. 393). Drie ervan leggen zich, behalve op het drukken harer couranten, toe op de uitvoering van allerlei drukwerk ten behoeve van het publiek, de vierde op eigen drukwerk en couranten. De maatregel door het Gouvernement genomen om als regel het benoodigde drukwerk, dat in de kolonie kan gemaakt worden, niet uit den vreemde te betrekken, werkt gunstig op de ontwikkeling der drukkerijen.
enz. Onder nijverheid zijn nog te noemen de goed ingerichte smederij der koloniale vaartuigen, waar ook werk voor particulieren wordt verricht, de werkplaats van den spoorweg op Beekhuizen en een tweetal goed geoutilleerde blikslagerijen.
Volgens de berichten in de Surinaamsche nieuwsbladen is men thans - 1915 - doende om te komen tot de oprichting van een fabriek om uit possentrihout (Hura crepitans) papierpulp te bereiden.
Onder den druk van de werkeloosheid, door den wereldoorlog ontstaan, heeft men te Pamaribo de borstelmakerij ter hand genomen.
Met den landbouw in onmiddellijk verband staan de 5 suikerfabrieken (zie SUIKERRIET), de 4 in werking zijnde koffie-pellerijen, de 23 stoomdrogerijen voor cacao en de bacove-drogerij (zie BACOVE).
Men zie voorts de artikelen BALATA, BOSCHBEHEER en GOUD-INDUSTRIE. De eerst- en de laatstgenoemde industrie hebben den bouw van vrachtvaartuigen tot groote ontwikkeling gebracht.
Als nevenbedrijf van den kleinen landbouw zij ten slotte het kolenbranden genoemd. In de kolonie wordt veel houtskool gebruikt.
Litt. H.H. Dieperink, Verslag van den Landbouw, 't Fabrijkwezen, den Koophandel en Zeevaart in de Kolonie Suriname (Uittreksels uit berigten van leden, correspondenten en departementen der Nederl. Huishoudelijke Maatschappij. Haarlem, 1825, 18de stuk, blz. 116-145). - Fred. Oudschans Dentz. Geschiedk. Aant. over Suriname en Paramaribo. 1911. - Jaarverslagen v.d. Kamer van Kooph. en Fabr. te Paramaribo. Koloniale Verslagen.
De zoutwinning (zie aldaar) is wel de oudste industrie op het eiland. Ook het branden van kalk, benoodigd voor den huizenbouw en de overlaten van dammen is een oud bedrijf. Men gebruikt daartoe brokken kalksteen aan het strand ingezameld. Met klei vermengd als mortel levert de aldus verkregen specie een zeer deugdelijk materiaal. Als brandstof dient hout van het eiland zelf of van Bonaire aangevoerd. Het geheele proces is uitvoerig beschreven in een door Dr. J. de Hullu medegedeeld rapport van den gouv. gen. van Curaçao, A. Kikkert, van 2 Juli 1817. Ten einde de ontbossching tegen te gaan, werd bepaald, dat men voor het aanleggen, opmaken en afbranden van kalkovens, de toestemming van het gouvernement moest vragen (P.B. 1826, no. 107 en 1833, no. 179). Voor Aruba en Bonaire waren reeds iets vroeger bepalingen gemaakt (P.B. 1824, no. 70 en 75). Het kalkbranden geschiedt nog veelal op dezelfde wijze als vroeger: men stapelt het hout en de kalksteenen bij lagen op elkaar; als brandhout gebruikt men veelal het hout van den manzanilla-boom. Op enkele plantages heeft men sedert eenige jaren een systeem ingevoerd, waarbij het houtverbruik aanmerkelijk minder is; een kalkoven op de landtong bij het Rifwater gebruikt steenkolen als brandstof. De prijs van de kalk is in de laatste jaren sterk ge-
daald. Uitvoer naar den vreemde heeft niet plaats.
Een andere oude industrie, - die het karakter van huis-industrie heeft - is de hoedenvlechterij (zie aldaar). Afzonderlijk behandeld is ook de phosphaatwinning (zie PHOSPHAAT) evenals het visscherijbedrijf op de verschillende eilanden.
Een eveneens oud bedrijf op sommige plantages, het maken van onverglaasde aarden potten, verkeert nog in hetzelfde primitieve stadium als eertijds.
Het maken van sigaren en sigaretten, in 1868 nog een vrij winstgevende huis-industrie, heeft, na een kleine opflikkering gedurende den Spaansch-Amerikaanschen oorlog, de concurrentie niet kunnen volhouden.
Curaçao heeft van ouds een groot aantal drukkerijen gehad; thans is er nog een vijftal in werking.
Volgens Simons, Beschr. v.h. eil. Curaçou, Oosterwolde 1868, blz. 115, was er toen op het eiland een stoom-meelmolen. Deze bestaat sedert lang niet meer.
De schoeners, die op de verschillende eilanden gebouwd worden zijn - zooals reeds onder AMBACHTEN werd opgemerkt - van ouds in West-Indië beroemd als snelle zeilers. In 1913 werden op Curacaço 3 schoeners en 2 motorbootjes gebouwd. In den tijd van de zeilvaart werden de schepen, die gedurende de orkaanmaanden (zie CYCLONEN) in de haven van Curaçao bleven overliggen, aldaar zoo noodig vertimmerd, waardoor de scheepsbouw tot ontwikkeling kwam. Nog altijd ziet men daar schepen in reparatie.
Met de zoogenaamde ‘Coöperatieve Vereeniging en Nijverheid’ - ± 18 jaren geleden opgericht - heeft de volksvlijt het gebied van onderlinge samenwerking betreden; de vereeniging heeft een touwslagerij, ‘De Ruyter’ geheeten (met als grondstof eerst de pita- en thans de sisal-vezel) en een leerlooierij; zij maakt vooral alpargata's (zie aldaar), vermicelli, Curaçao- en andere likeur. Men doet voorts op Curaçao aan zeepziederij in het klein en men maakt er Angostura-bitter. Reeds in 1881 was er op de plantage Parera een zeep- en kaarsenfabriek opgericht, die echter na korten tijd weer ophield te bestaan.
Een op Curaçao gevestigde Amerikaan, L.B. Smith, die ook de pontonbrug over de haven van Willemstad aanlegde, verkreeg in 1893 concessie tot het boren van artesische putten in rotsgronden en het leggen van leidingen, ten einde het publiek van water te voorzien. Hij boorde op een terrein bij Plantersrust eenige putten tot een diepte van 40 M., plaatste er windmolens, die een reservoir van ruim 350 M3. vulden en leidde het water door buizen naar de stad. De drukhoogte van het reservoir is groot genoeg om het water op alle verdiepingen der huizen te brengen. Maar het water was brak en alleen als wasch- en badwater te gebruiken. Later werden te Alabama nieuwe putten gegraven; door windmolens wordt het water opgevoerd naar reservoirs en vandaar met een perspomp opgestuwd naar een ijzeren ketel op een der nabijliggende heuvels, hoog boven het niveau der stad. Na den dood van Smith in 1898 is de concessie in andere handen overgegaan. Dezelfde Smith verkreeg in 1893 concessie tot het maken van inrichtingen ten einde het publiek te voorzien van electrisch licht en electrische kracht. De electrische verlichting breidt zich meer en meer uit, zoodat vergrooting van de centrale ondernomen is.
Curaçao bezit sedert vele jaren een fabriek tot het maken van kunstijs, met een vermogen van 4 ton ijs per dag; de productie van ijs regelt zich echter naar den afzet, die zelden tot 4 ton daags stijgt.
In 1910 bouwde de firma Maduro & Zonen eene inrichting tot destilleeren van zeewater met een vermogen van 50 ton per dag. Het water wordt geleverd volgens een telken jare vast te stellen tarief. Voor 1915 is de prijs ƒ3.50 per 1000 L. voor het publiek en ƒ4.50 ten behoeve van de scheepvaart.
In een der gebouwen, staande op de Groote Werf van de Curaçao'sche Handelmaatschappij werd in 1913 een stoomwasscherij ingericht ‘the Curaçao Sanitary Laundry’. Een stoomketel van 20 P.K. levert kracht aan een motor van 10 P.K. en kokend water aan 2 waschkuipen. De wasscherij beschikt over 2 waterreservoirs van 21600 en 36000 L. Vele particulieren maken gebruik van deze inrichting, maar vooral de schepen, die de haven aandoen.
Als een nieuwe tak van nijverheid mag hier nog genoemd worden het in 1912 gestichte struisvogelpark ‘Albertina’, Aanvankelijk stierven eenige der ingevoerde vogels. Volgens het Kol. Verslag 1914 bezat het park eind 1913 26 vogels; de kwaliteit der veeren werd beter en met den verkoop ging het goed.
Ten slotte zij vermeld dat er sprake is van de oprichting van een petroleum-raffinaderij op Curaçao. Zie de Mem. v. Toel. van de verordeningen van 12 Aug. en 28 Nov. 1914 (P.B. nos. 33 en 67 en van de door den Kol. Raad goedgekeurde ontwerp-verordening ter wijziging der algemeene verordening op den in-, uit- en doorvoer en de accijnzen (Gedr. Stukken 1914/1915 no. 29). De bedoeling schijnt te zijn ruwe petroleum van Venezuela en andere plaatsen naar Curaçao te brengen om daar geraffineerd te worden. Curaçao zou dan het centrum van verdeeling worden voor dit gedeelte van de wereld.
(Over de op Curaçao in het derde kwartaal van de vorige eeuw uitgeoefende bedrijven en ambachten handelt uitvoerig S. van Dissel in zijn artikel ‘Eenige opmerkingen omtrent den stoffelijken toestand van het eiland Curaçao’. Bijdr. tot de Taal-, Landen Volkenk. v. Ned. Indië, Derde volgr., derde deel (1868) blz. 436-469).
Aruba. Voor de industrieën op dit eiland zie men onder GOUD-INDUSTRIE, HOEDENVLECHTERIJ, PHOSPHAAT en ZOUTWINNING. Eenige jaren geleden werd er een waterleiding aangelegd. Op het eiland worden goede kotters gebouwd.
De eenige industrieën van belang zijn de zoutwinning en de hoedenvlechterij. Nu en dan worden er kotters en schoeners gebouwd voor de vaart op Curaçao en Venezuela en zeilbooten voor de vischvangst. Er wordt ook kalk uitgevoerd naar Curaçao en houtskool, tot schade van het houtgewas; de uitvoer van houtskool is aan groote schommelingen onderhevig; van 1911-1913 bedroeg die 14.040, 345.380 en 1440 K.G. In twee gedurende de zestiger jaren der vorige eeuw opgerichte steenbakkerijen werd de arbeid in 1869 en in 1896 gestaakt.
Zoutwinning (zie aldaar) is de industrie van het eiland. Een eigenaardige huisindustrie is de vervaardiging, voornamelijk door vrouwen, van sigaren, Long Toms genoemd, 2 d.M. lang en vrij dun. Men maakt ze uit tabak van Noord Amerika aangevoerd, in twee soorten, gewasschen en ongewasschen. Ze worden verkocht in bosjes van 12 stuks, de eerste tegen 15 à 20, de tweede tegen 10 à 15 cents per bosje. De verdienste schommelt tusschen 15 à 25 cents per pond verwerkte tabak. Geoefende personen kunnen tot 5 pond per dag verwerken. Van 1908-1910 werden uitgevoerd 7392, 6520 en 7099 bosjes. Latere opgaven zijn niet gevonden. Nu en dan worden ook
kleine partijen alpargata's en kleine hoeveelheden zuivelproducten (zie BOTER) uitgevoerd.
heeft, nevens den scheepsbouw, geen andere industrie dan die welke in verband staat met het geschikt maken van de katoen voor uitvoer. Het katoenzaad gaat naar een olieslagerij in de nabuurschap. Er wordt een weinig houtskool uitgevoerd. De bijenteelt is beproefd, maar gaf weinig resultaat. Over de suikerraffinaderij in het midden van de 18de eeuw zie LANDBOUW, blz. 444.
Over de schoen-industrie op het eind van de 17de en het begin van de 18de eeuw, zie AMBACHTEN. De industrie is verdwenen, maar de herinnering leeft voort in den naam Chrispijn van een gehucht aan de oostzijde van het eiland. Ook katoenen handschoenen werden er, volgens Teenstra, toen gemaakt van eigen geteelde en gesponnen katoen en ook uitgevoerd. In 1876 is ook de ontginning van zwavel aan de noordkust van het eiland door de ‘Mac Nick Sulphur mining Company’ gestaakt, waartoe heeft medegewerkt de moeilijkheid van de verscheping van deze steile kust. Van een uitspringende rots, 900 voet boven de zee gelegen, moest de zwavel met kabels van een stellage worden neergelaten in de schepen, die daar geen ankergrond vonden. Omstreeks 1903/1905 is de exploitatie op nieuw ter hand genomen, doch weer opgegeven. Een vrij belangrijke huis-industrie, waarmede ± 250 vrouwen en meisjes zich onledig houden is het mooie kant- en borduurwerk, het z.g. ‘Spaansch werk’, dat vooral naar de Vereenigde Staten uitgevoerd en er goed betaald wordt. Ook stroohoeden worden er gemaakt, in geringe hoeveelheid.
n.e. Zie ICTERIDAE. De naam beteekent slavenschip. Deze zwarte vogeltjes komen n.l. bij troepjes tegelijk aan, vooral op de rijstvelden. De Aucaners noemen dezen vogel andoki.
n.e. (verouderd). Een Afrikaansch woord, dat aanbidden beduidt. Het begin der godsdienstplechtigheden. Bij de doe's (zie DANSEN) beteekende het woord het zingen zonder trom.
Salm-Dyck. Fam. Cactaceae. Nopari, n.e. Nopal, ben. e. Curaçao prickle, bov. e. Een cactusachtige plant, die over een klein deel stamvormig kan zijn, maar verder geheel is opgebouwd uit plaatvormige, langwerpige stengeldeelen; door het gemis van groote stekels onderscheidt zich deze plant van het geslacht Opuntia. Het is op de N. coccinellifera, dat de cochenille-luis gekweekt wordt. De nopal is door den Gouverneur Van Raders op Curaçao en in Suriname ingevoerd.
Aubl. Fam. Marcgraviaceae. Regenbloem, sur. Karakara, arow. Knobojorogorei of Konopojolokoli, kar. Een liaan met groote, glanzend groene bladeren en groote oranje-roode bloemtrossen. De oranje-roode kleur geven de groote honingbekers, waarvan er een aan elken bloemsteel zit en die zeer druk door insecten en vogels bezocht worden. De bloemen zelf zijn klein en vallen weinig in het oog. De plant bloeit in den regentijd en is een der sieraden van het oerwoud. Een enkele maal wordt de plant ook gekweekt.
Langer dan in Nederland of in Ned. Oost-Indië, heeft in Suriname het verband bestaan tusschen de rechterlijke macht en het notariaat. Tot 1 Mei 1869 was de officieele benaming van den functionaris niet notaris, maar gezworen klerk, eene benaming van Engelschen oorsprong, die in de naburige Engelsche Kolonie Demerary, behouden bleef en daar nog heden als Sworn Clerk voortbestaat.
De juiste ouderdom der instelling kan niet aangegeven worden, evenmin hoe ze aanvankelijk geregeld was. Art. XXIV van de Verzoekpunten van Redres, op 23 Maart 1753 aan de Commissarissen Von Spörcke, Bosschaart en de Swart Steenis ingediend door planters en ingezetenen, luidde: ‘Aangezien Secretarissen, hetzy door hunne slechte directie het zy omdat zy geen klerken of Copiisten genoeg houden, de Menschen altoos honderd maalen laaten loopen eer zy Copyen of andere Stukken van de Secretary kunnen krygen: dat het gepermiteerd mag zyn, dat hier te Lande Notarissen mogen zyn, ten gemakke en gerief der Ingezetenen, gelyk het voor deezen mede zo geweest is.’ De beslissing van de Princes Gouvernante, door de Staten-generaal op 20 Juli 1753 goedgekeurd en bekrachtigd, was: ‘In dit verzoek werd gedificulteerd; doch werd teffens aan Gouverneur en Raaden gerecommandeerd zodaanige orders te stellen dat de Ingezetenen niet werden opgehouden’ (Hartsinck, II 837). Later (II 885) deelt Hartsinck mede, dat de twee secretarissen van de Hoven ‘alle Notariaale Instrumenten verleenen en in hunnen dienst hebben eenen Boekhouder, twee actueele en drie provisioneele gezwoore Klerken, die in hunne afwezenheid of ziekte in de Hoven vaceeren en de Publicque Actes passeeren, met dit onderscheid echter dat de provisioneele klerken niet anders passeeren dan zekere Actes van minder belang als Volmagten enz.’ In het tegenwoordig notarieel archief (de algemeene bewaarplaats van notarieele akten te Paramaribo) waarheen de bij den brand van 1821 gespaard gebleven registers der gezworen klerken, uit de griffie van het vroegere geregtshof, zijn overgebracht, is een register van geregistreerde testamenten (naar de oorspronkelijke afschriften), waaronder de oudsten, dateerende van 1770, zijn gepasseerd ten overstaan van provisioneel gezworen klerken. Bij Publicatie van 20 Nov. 1828 G.B. no. 21) wordt de materie opnieuw gereglementeerd. Blijkens art. 1 van dit reglement wordt de uitoefening ‘der notariëele praktijk in de Kolonie, rivieren en districten van die’ opgedragen aan zes ambtenaren, welke den naam zullen voeren van gezworen klerken der Kolonie Suriname.’ Zij worden benoemd door den Gouverneur-Generaal. Aan hen wordt bij art. 4 ‘uitsluitend opgedragen het passeren van alle akten en contracten, waaraan partijen het kenmerk van echtheid, aan akten, van openbaar gezag verknocht, moeten of willen doen geven, derzelver dagteekening zeker te stellen, voor derzelver bewaring te zorgen en daarvan grossen en afschriften uit te leveren; met uitzondering echter van transporten en hypotheken van en op onroerengoederen, alsmede bijlbrieven en bodemerijen, wel-
ke ten overstaan van het gemeentebestuur *) moeten worden gepasseerd. Geen Grosse of afschrift evenwel eener door een gezworen klerk gepasseerde akte zal executabel zijn dan na alvorens, overeenkomstig de bestaande wetten, op dezelve door het Hof van Justitie condamnatie zal zijn verleend.’
Van de functionarissen waren er 5 te Paramaribo en 1 te Nickerie werkzaam. De gezworen klerken te Paramaribo hielden kantoor ter griffie van het Hof van civiele en crimineele Justitie en werkten onder den griffier bij dit Hof, onder het oppertoezicht van den Procureur-Generaal. De bevelen dezer autoriteiten hadden zij stiptelijk na te komen. De gezw. klerk te Nickerie vond in den hoofdambtenaar aldaar zijn onmiddellijken chef, echter wederom onder ‘oppertoevoorzigt’ van den P.G. Ten overvloede blijkt uit de nadere voorschriften, dat die ondergeschiktheid geen bloote formule was. De gezworen klerken immers moesten in eene kamer ter gemelde griffie, gezamenlijk kantoor houden van v.m. 8 tot n.m. 2 uur ‘ter passeering van de akten, met uitzondering van verzegelingen enz. waartoe zij zich ter plaatse moeten sisteeren, doch niet anders dan met voorkennis van het Hof. Slechts ingeval van ziekte en andere verhindering van eenig ingezetene deze belet mogt worden naar de griffie te komen, doch verder en anders niet’ was het den gezworen klerk vergund om zich ten huize van den comparant te begeven. De verdiensten en onkosten aan de uitoefening van het ambt verbonden waren voor gemeene rekening, waartoe de gezw. klerken uit hun midden een kassierboekhouder hadden te benoemen.
De akten met repertoria moesten maandelijks, vóór den 5den der volgende maand door den P.-G. voor gezien geteekend, ter griffie van het Hof, in een daartoe bestemde minutenkast worden overgebracht en kwartaalsgewijze worden ingebonden.
Ten aanzien van de inrichting en den vorm der akten waren verschillende bepalingen gemaakt, waarvan velen zijn terug te vinden in de tegenwoordige wetgeving.
Door den P.G. konden de gezworen klerken bij den Gouv.-Generaal worden voorgedragen ter suspensie of demissie (zie ook Kol. Verslag over 1849 blz. 308).
Nog enkele bijzondere bepalingen uit het reglement zijn der vermelding waard, eenerzijds verklaarbaar uit de geringe geestelijke ontwikkeling bij velen der comparanten en de zucht bij den ambtenaar om in zijne akten vreemde woorden en geleerde uitdrukkingen te gebruiken; anderzijds wijzende op eene bezorgdheid voor misbruiken, niet getuigende van een hoog aanslaan van den ambtsbekleeder. Als zoodanig noemen wij het voorschrift om de akte den comparanten en getuigen op duidelijke en verstaanbare wijze voor te lezen, de rechtstermen daarin vervat, voor zoover het den gezw. klerk voorkwam dat comparanten en getuigen die niet begrepen, uit te leggen en de clausulen en het effect daarvan aan de comparanten te verklaren, opdat zij zouden weten, waartoe zij zich verbonden, of welke beschikkingen door hen gemaakt werden.
Voorts het uitdrukkelijk verbod om testamenten te passeeren bevattende ‘exheredatie’ van bloedverwanten aan wie een legitieme portie toekwam, tenzij met nauwkeurige vermelding der redenen waarom onterving geschiedde.
Eindelijk den last aan den gezw. klerk opgelegd, om de beschikkingen van testateur of testatrice, uit hunnen eigen mond te vernemen en niet te gedoogen dat die door een derde werden overgebracht of uitgelegd en daarbij zooveel mogelijk des erflaters eigen bewoordingen te volgen. Al dergelijke voorschriften vermeldt Simon van Leeuwen in zijn Rooms-hollands regt, als voorkomende in het formulier van den eed door den notaris vóór de aanvaarding van zijn ambt af te leggen en bij de uitlegging van uiterste willen zoekt hij de schuld van vele duistere beschikkingen bij de notarissen: ‘Te meer dewijl de notarissen van onzen tijd merendeel des regts onkundig zijn, dewelk vele manieren van spreken gewoon zijn oneygentlijk te gebruiken en dikwijls, uit een onkundige gewoonte eenige woorden, tot sekerder bestand van de uiterste-wille, so sij menen, bij voegen, die sij luyden selfs niet verstaan, en dikwijls de omstandige wil van den Erf-later tegen gaan. Derhalven voor een regel is aangenomen, dat de instelling en bottigheid, of onkunde, van den schrijver, de wil van den Erf-later, en het regt van den gestelden erfgenaam, niet mag hindren of schaden, so daar van in tegendeel kan blijken.’
Van Leeuwen zal weinig vermoed hebben, dat verschillende dier bepalingen nog letterlijk zouden voorkomen in de akte van benoeming (brieven van crëatie) onder de Bataafsche Republiek, uitgaande van de Departementale Besturen, en dat ze in Nederland afgeschaft in 1810 met de in voering der Fransche wet, in Suriname ten jare 1828 zouden herleven.
Gelijk tijdig met de invoering der nieuwe wetgeving in Suriname op 1 Mei 1869 krachtens het Kon. Besl. van 4 Sept. 1868 no. 17. trad in werking het Reglement op het Notarisambt in de Kolonie Suriname. Voor zoover plaatselijke toestanden wijzigingen niet noodzakelijk maakten, is in het Reglement op het Notarisambt, de Nederlandsche wet (op het Notarisambt) van 1842 op den voet gevolgd.
Het ambt wordt door de notarissen - ten hoogste 4 in getal, voor het leven benoemd door den Gouverneur - uitgeoefend in de geheele Kolonie. In de buitendistricten (dit buiten in tegenstelling met het Stads-district) zijn bepaalde ambtenaren belast met de uitoefening der not. praktijk ter plaatste waar- en zoolang zij hun ambt (district-secretaris soms districtsklerk) vervullen. Sedert de invoering der nieuwe wetgeving waren er echter nimmer meer dan 2 notarissen, waarvan naar de onuitgesproken bedoeling der Regeering, steeds één, het in Nederland verkregen radikaal zou bezitten.
Om tot notaris benoem baar te zijn is o.m. als eisch gesteld òf het bezit diploma van het voorgeschreven examen in de Kolonie afgelegd òf het getuigschrift van in Nederland afgelegd examen voor cand. notaris. Op 1 Mei 1869 werd na afgelegd examen tot notaris benoemd S.H. de Granada, die reeds meer dan 30 jaar als gezworen klerk was werkzaam geweest, om bekwaamheid en karakter algemeen geacht, tot Maart 1880 het ambt met eere bekleedde.
7 Mei 1869 werd de inmiddels uit Nederland aangekomen cand. notaris J.W.J. Pape tot notaris benoemd. Deze fungeerde tot Juni 1876. In zijn plaats werd benoemd E.A. Cabell, eerst waarnemend, later definitief; overleed 1904. M. Schotman, Mz. Juli 1880-Oct. 1886. A.A. ter Laag, Oct. 1886-Juni 1907. M.P. de Bresse, 1904. A.J. da Costa, 1907.
Met de invoering der nieuwe wetgeving verviel de regeling krachtens welke transporten van onroerende goederen en hypotheken werden gepasseerd ten overstaan van leden uit het Hof van Justitie. In
aansluiting daarmede was in art. 670 B.W. (Ned. B.W. 671) na de 1e al. luidende: ‘De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers,’ een 2e al. opgenomen: ‘de akten, waarbij onroerende zaken worden vervreemd verdeeld of toegescheiden, zoomede die, waarbij zakelijke regten op onroerend goed worden gevestigd of overgedragen moeten op straffe van nietigheid in authentieken vorm worden verleden.’
Deze maatregel is van grooten invloed geweest op de beteekenis van het notarisambt in Suriname. Het gebiedende voorschrift van den authentieken vorm voor akten van eigendomsoverdracht enz. van vast goed (zie omtrent het eigendomsrecht van onroerend goed het Rapport der Commissie benoemd bij Res. Min. v. Kol. 19 Maart 1913 afd. B. no. 13, Landsdr. 1914, voorts het art. GRONDPOLITIEK) behoort nog heden tot de vrome wenschen van het notariaat in Nederland, terwijl in Oost-Indië nog altijd alle bemoeiënis met deze zaken aan het notariaat onttrokken is.
In Suriname lag het bij de opheffing der gerechtelijke transporten voor de hand, niet op eenmaal alle waarborgen te laten varen, dat die akten in het vervolg door daartoe bevoegd geachten zouden worden opgemaakt. Want tot 1 Mei 1869 gold in de Kolonie het oud-Hollandsch recht, meer speciaal zooals de Amsterdamsche rechtspraktijk dit gekend had, een recht dat herhaaldelijk, ook na de invoering der nieuwe wetboeken, nog toepassing zou moeten vinden. Verder was er vóór dien geen hypothecaire boekhouding; ze moest geheel nieuw worden ingericht; een kadaster ontbreekt thans nog; aan de protocollen der gerechtelijke transporten en de klappers, ontbrak wel wat, zoodat dikwijls de titels in het bezit van de eigenaren en de gegevens door hen te verstrekken, alleen uitkomst konden geven. Voeg daarbij de veelvuldig voorkomende natuurlijke bloedverwantschap, dan zal erkend moeten worden, dat de notarissen, voornamelijk in de eerste jaren een moeielijke taak hadden te vervullen op het gebied van transporten en hypotheken. Deze vormen dan ook den hoofdschotel der praktijk. Boedelpraktijk is slechts van geringen om vang, waarvoor verschillende redenen zijn aan te geven. De ondervinding leert dat de koloniale vermogens snel verloopen, groote nalatenschappen komen weinig voor, groote boedels nog minder. Waar eenig vermogen aanwezig is of het vooruitzicht bestaat, dat aanstaande echtgenooten zich in eenigen welstand zullen kunnen verheugen, worden huwelijksvoorwaarden gemaakt, waarbij ook de gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en inkomsten worden uitgesloten. Eindelijk worden de meeste boedels ondershands beredderd, hetgeen zelden moeielijkheid oplevert bij de bestaande successiewet, die dateert van 1830, grootelijks overeenstemmende met de Nederl. wet van 1817 en de rechte lijn geheel vrijlatende.
A.A.t.L.
In de 18de eeuw was het notarisambt vereenigd met dat van Secretaris van den ‘Kleinen Raad’ en met dat van Fiskaal. Omstreeks 1750 werden de ambten gescheiden, maar de scheiding duurde niet lang. Kort na de teruggave van het eiland aan Nederland rapporteerde de Gouv. Gen. A. Kikkert: ‘De secretarissen van den Raad van Politie en van het Hof van Justitie oefenen als van ouds het notarisambt uit, particuliere notarissen zijn dus overbodig en de opbrengst van notarisambt zoude aan iemand, die dat ambt alleen waarneemt, geen bestaan geven.’ (Zie P.B. 1816 no. 2 en Curaçao in 1817, medegedeeld door Dr. J. de Hullu. Bijdr. t.d. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indie, 1913, dl. 67, blz. 607 en Publicatie van 7 Maart 1816, P.B. no.2).
Bij Publ. van 1820 (no. 121 van den herdrukten bundel) werd bepaald dat de Secretaris van den Raad van Policie belast werd met de notarieele functie en dat de beide commiesen ter algemeene secretarie onder zijn directie bevoegd waren om den secretaris in die functie behulpzaam te zijn, bij afwezigheid of andere wettige verhindering. Deze toestand is lang gehandhaafd. (Zie Kol. Verslag over 1849).
Op St. Martin en St. Eustatius waren met de notarieele functiën belast de commiezen-griffier bij de aldaar gevestigde rechtbanken. Het salaris, dat de ambtenaren, met de notarieele praktijk op de verschillende eilanden belast, in rekening mochten brengen was bij tarief vastgesteld.
De thans op Curaçao geldende regeling P.B. 1868 no. 16 komt overeen met die van Suriname van 1868. Aan de griffiers bij de rade