terug  begin  verderprepost

P.

Paaloe,

pap. Beteekent boom, hout.

Paaloe di bessji,

ar. Zie CONDALIA.

Paaloe di bonaire,

ben. e. Zie CASEARIA BONAIRENSIS.

Paaloe di heeroe,

ben. e. Zie MACHAONIA.

Paaloe di laman,

ar. Zie COCCOLOBA DIVERSIFOLIA.

Paaloe di leetsji,

ben. e. Zie BUMELIA.

Paaloe di loora,

ben. e. Zie CAPPARIS COCCOLOBIFOLIA.

Paaloe di moora,

ben. e. Zie CHLOROPHORA.

Paaloe di takki,

ben. e. Zie GEOFFRAEA.

Paaloe doesji,

ben. e. Zie CHLOROPHORA.

Paaloe hoekoe,

ben. e. Zie JACQUINIA.

Paaloe ploeta,

ben. e. Zie BUMELIA.

Paaloe preetoe,

ben. e. Zie CAPPARIS BREYNIA.

Paaloe sieja doesji,

ben. e. Zie BURSERA SIMARUBA.

Paaloe sieja maatsjoe,

ben. e. Zie BURSERA SIMARUBA.

Paaloe zapateero,

cur. Zie MORINDA.

Paalworm.

Zie MOLLUSCA, blz. 479 en ESCHWEILERA LONGIPES.

Paantje of pantje,

sur. (n.e. Pagni: portug. Pano of panno, fransch: Pagne). Zie BOSCHNEGERS, blz. 162.

Paardekop,

pap. Zie SELENE VOMER en VOMER.

Paardengras,

sur. Zie PANICUM SPECTABILE.

Paardenvleesch.

De naam waaronder in Nederland het hout van Mimusops Balata bekend is.

Paarl-oester.

Zie MOLLUSCA, blz. 419.

Pachira aquatica

Aubl. Fam. Bombacaceae. (Syn. CAROLINIA PRINCEPS L.) Boschcacao, sur. Boesi-kakao, Momo, n.e. Een heester die veel langs de oevers der beneden-rivieren voorkomt. De plant is gemakkelijk te herkennen aan de groote, roode bloemen met talrijke roode meeldraden en de handvormig-samengestelde bladeren. De vrucht gelijkt veel op die van de cacao.

Padden.

Zie ANURA.

Pagaal,

sur. Pagara, n.e. Zie BENEDENL. INDIANEN blz. 106. Afgebeeld o.a. bij Martin. Westindische Skizzen, Tab. VI, fig. 16.

Pahud (Charles Ferdinand).

Zie MINISTERIE V. KOLONIEN.

Paiwari.

Zie BENEDENL. INDIANEN. blz. 104.

Pakanì,

kar. en n.e. Zie FALCONIDAE.

[p. 547]

Paki-paki,

n.e. Naam van vogels, behoorende tot de genera Podiceps en Aechmophorus; ook jonge eenden worden in Suriname met dezen naam aangeduid.

Pakira,

kar. en n.e. Zie DICOTYLES.

Pakoe,

kar. en n.e. Zie MYLEUS.

Pakoeli,

n.e. Zie PLATONIA.

Pakoema,

n.e. (?) Zie BATRACHOIDES.

Pakro,

n.e. Slak, tuinslak.

Pakro-akka,

n.e. Zie FALCONIDAE.

Palamedea corunta.

Deze vogel, waarvan de Karaïbische (?) naam Kamietji is, heeft een wit en zwart gevederte, 2 groote sporen aan elken vleugel en een zonderling uitgroeisel op het midden van den voorkop; de grootte is als van een kalkoen. Hoewel de teenen niet van zwemvliezen voorzien zijn, is deze vogel het nauwst verwant met de eenden.

Palaloe,

n.e. Zie HELICONIA BIHAI en RAVENALA.

Paletot-misi,

n.e. Zie KLEEDERDRACHT.

Palidicula brachyops.

Eene op Aruba voorkomende kikvorsch, tot de familie der Cystignathidae behoorende, is gekenmerkt door teenen, die niet door zwemvliezen verbonden zijn, door kleine zuignapjes zoowel aan de vingers als aan de teenen en door een trommelvlies, dat geheel door de huid is overdekt. Dit diertje is olijfbruin gekleurd; de liesstreek en de achterzijde der dijen zijn licht rood. Boven en achter op den rug eene groote zwarte vlek, waarin enkele kleine witte vlekjes zijn gelegen; op de bovenzijde der dijen drie zwarte vlekjes. Zie verder DORI.

Palissade-palm,

sur. Zie EUTERPE.

Palmen.

Zie PLANTENGROEI.

Palmiet,

sur. Zie OREODOXA. cur. Zie COPERNICIA.

Palmkool,

sur. Zie GROENTEN.

Paloma,

pap. Zie COLUMBIDAE.

Pam di diaabel,

ben. e. Zie MORINDA.

Pampanos,

pap. Zie CARANX.

Pamper,

pap. Zie TRACHINOTUS.

Panamaziekte.

Zie BACOVE.

Panax-soorten,

Fam. Araliaceae, worden in Suriname in de tuinen veel gekweekt.

Panhuys (Willem Benjamin van).

Zie GOUVERNEURS.

Panicum divaricatum

L. Fam. Gramineae. Cane grass, Wild cane, ben. e. Een klimmende grassoort met korte, smalle bladeren en houtige takken. Komt vooral in de bosschen voor.

Panicum insulare

G.T.W. Mey. Fam. Gramineae. Long grass, bov. e. Een gras, dat te herkennen is aan de zeer behaarde pluimvormige bloeiwijze en de kale bladeren.

Panicum maximum

Jacq. Fam. Gramineae. Guinea-gras, sur. Gienigras, ben. e. Guinea-grass, bov. e. Gras van meer dan 1 M. hoogte; bloeiwijze een samengestelde pluim met duidelijk gesteelde aartjes. Een veel voorkomend voedergras.

Panicum molle

Sw. Fam. Gramineae. Paragras, ben. e. Paragrass, bov. e. Gras van meer dan 1 Meter hoogte; bloeiwijze een samengestelde pluim vormend met zittende aartjes. Gekweekt als voedergras

Panicum numidianum

Lam. Fam. Gramineae. Paragras, sur. Een zeer veel voorkomend voedergras.

Panicum prostratum

Lam. Fam. Gramineae. Runninggrass, bov. e. Een gras waarvan de bloeiwijze bestaat uit 5-7 schijnaren op verschillende hoogten van den stengel geplaatst.

Panicum sanguinale

L. Fam. Gramineae. Piea di galienja sjimaron, ben. e. Hay grass, bov. e. Gras waarvan de bloeiwijze bestaat uit 5-8 lange dunne schijnaren, aan het bovenste gedeelte van den stengel geplaatst.

Panicum spectabile

Nees. Fam. Gramineae. Paardengras, sur. Een voedergras.

Panicum velutinosum

Nees. Fam. Gramineae. Maisji totalieka, ben. e. Een gras met eindelingsche bloeiwijze, die meestal een eenigszins saamgetrokken pluim is; het komt voor in verschillende kleuren en moet een goed voedergras zijn.

Panta,

n.e. Panda, kar. Waloekoeli, arow. Een wit-achtige, sterke en taaie houtsoort, die veel voorkomt, hoewel niet in groote afmetingen; in het district Coronie, dat weinig hout oplevert, wordt panta gebruikt voor huizenbouw; verder ook wel voor riemen, stelen van schoppen en spaden en vroeger voor duigen van suikervaten. Wegens het ontbreken van herbarium-materiaal kan de botanische naam van den boom niet worden opgegeven.

Pantserval (Surinaamsche).

Zie CALLICHTHYS.

Papaai,

ben. e. Zie CARICA.

Papadron,

n.e. Zie MUZIEK-INSTRUMENTEN.

Papagodo,

n.e. Zie GODO.

Papaja,

sur. en n.e. Zie CARICA.

Papaja-boontje-dief,

sur. Zie TANAGRIDAE.

Papaja-fowroe,

n.e. Zie CAPITO.

Papa-moni,

n.e. Zie BETAALMIDDELEN.

Papao,

bov. e. Zie CARICA.

Papa-sneki,

n.e. Zie BOA.

Papegaaien.

Zie AMAZONA, ARA en PSITTACIDAE.

Papegaaislang,

sur. Zie CORALLUS en OPHIDIA, blz. 538.

Papegaaivisch.

Zie SCARUS.

Papiamentoe.

Het woord komt van het oud Spaansche papear, spreken, en is dus: spraak, taal. De uitgang mentoe (Spaansch miento, Portugeesch mento) is gelijkwaardig met het Hollandsche ing achter den wortel van werkwoorden. Het Papiamentoe wordt gesproken door bijna alle klassen derbevolking, van Curaçao, Bonaire en Aruba (zie NEDERLANDSCH). Op Curaçao onderscheidt men twee soorten Papiamentoe, n.l. het Hollandsche en het Spaansche; het eerste, dat veel Nederlandsche woorden bevat, wordt gesproken aan de Otra Banda of Overzijde der haven, ook wel Spaansche zijde geheeten, het tweede, waarin het Spaansch de hoofdrol speelt, in de Stadsdistricten tot aan Oostpunt. Het Papiamentoe, dat op Aruba gesproken wordt - althans door het volk - is weer anders en bevat veel meer Indiaansche woorden. De oude taal van Aruba is sedert 1800 uitgestorven. Hamelberg (zie Litt.) houdt een Afrikaansche taal voor den grondslag van het Papiamentoe. In grond en wezen is het echter Spaansch, want zeker 90% van den woordenschat stamt uit die taal. 't Overige is, op weinige elementen na, Hollandsch. Die uitzonderingen zijn woorden die aan 't Portugeesch herinneren (zeker een 25) en enkele Engelsche en wellicht Karaïbische woorden. 't Portugeesch moet òf van Galicischen oorsprong wezen of is door Portugeesche Joden ingevoerd.

Galicisch of Portugeesch zijn: ainda (nog), antó (toen, dan), boerakoe (gat, opening), bringa (vechten), fika (blijven), gaba (prijzen), laga (laten, prétoe (zwart), vinha (wijn) enz. Indiaansch wellicht: koe-

[p. 548]

nóekoe*) land, buiten), poenda (stad), foi (uit), nan (pers. en bez. v.n.w. 30 pers. m.v.), sjon (heer) enz.

De honderden Hollandsche woorden behooren tot de zeer gebruikelijke: zoo de bijwoorden toch en net, 't voegwoord of (aut); dan hopi) 'n hoopje, d.i. veel), oen tiki ('n tikje, d.i. een beetje), danki (dank, bedanken, naast gradisi), soentji (kussen). Merkwaardige hybridische woorden zijn: kiërmentoe (van kiër of keier, kuieren), blékéroe (blikslager), bloemtjinan (bloemen). Ook zijn er Hollandsch gedachte Spaansche uitdrukkingen, zooals kaï flau (flauw vallen), en ‘contaminaties’ (landa = lande(n) en = nada(r), zwemmen, kla = klaar en claro).

De Spaansche bestanddeelen zijn dikwijls sterk vervormd, soms haast onherkenbaar: zoo kiko (qué cosa), wat, por (poder), kunnen, poentra (pregunta(r)), vragen soendra (insulta(r)), uitschelden. Andere hebben een afwijkende beteekenis aangenomen: zoo banda, zijde, is ook voorzetsel (naast,) manéra = evenals, zooals, kamina = (betrekk. v.n.w.), waar, kaba (van acaba(r)) = reeds, tin (van tiene, hij, zij, het heeft) = er is, er zijn (Spaansch hay) enz.

Klankstelsel. In 't algemeen is er overeenkomst met het West-Indisch of Zuid-Amerikaansche Spaansch. Zoo is de jota (of g vóór e en i) verzacht tot stemlooze h - hoenga voor juga(r), wiaha voor viaja, hende voor gente; de z (of c vóór e en i) gelijk gemaakt met s, ll vervangen door een ‘yod’: mosa, jong, sapatoe, schoen, kaja, straat, ajá, daar, jabe, sleutel enz. Veel consonanten vallen geheel weg: atrobe voor otra vez (spoedig, in pl. v. wederom), weboe voor huevo, waar een h en warda voor guarda, waar een g verdwenen is. Zoo ook awa voor agua.

Dat men skeif zegt voor ons schuiven kan aan Zeeuwschen invloed worden toegeschreven. De Spaansche w-klank (in deze taal door b of v voorgesteld), een zeer lastig uit te spreken zuivere bilabiaal, komt in 't Papiamentoe niet in die uitspraak voor; men hoort daarvoor steeds de b-klank (bilabiale stooter) en dus niet, zooals in 't Spaansch, uitsluitend na een neusklank of vóór l of r. Wat men in 't P. door w voorstelt moet ongeveer de Engelsche w zijn: wowo, oog, (van ojo) enz.

Wat wij in onze taal met sj voorstellen, ontbreekt in 't tegenwoordige Spaansch, maar niet in 't P. Daarin stemt het dus met het Galicisch en Portugeesch overeen.

De sterke tand-r van 't Spaansch is verzacht; verdubbeling wordt zelfs in de spelling vermeden: zoo téra, aarde, géra, oorlog.

Ook treedt in afwijking van 't Spaansch een zoogenaamde stomme e op: omber, hombre, amabel, amable enz. Wat we hier overigens met e voorstellen is als ee of è bedoeld.

Behalve medeklinkers vallen ook klinkers en zelfs heele begin- of eindlettergrepen of beide tegelijk weg: entende(r), tende (hooren), significa(r) > nifika, demasiado > masjá(r); ta bij de werkwoorden schijnt van está te komen.

Sp, st en sk (sc) komen in afwijking van 't Spaansch ook als initialen voor. Dit kan Hollandsche invloed wezen (skeir, skeif, slag, stem, spinnekop).

Vormleer. Deze heeft een groote vereenvoudiging ondergaan, welke men kan toeschrijven aan den invloed der verdrongen taal. Schijnbaar in strijd hiermede is het feit, dat het Karaïbisch zeer verwikkeld van bouw was, evenals alle Am. talen. Het blijft waar dat tal van verschijnselen van 't Spaansch daarin geen equivalent vonden. Hoe die invloed precies geweest is, is moeilijk na te gaan. Vermoedelijk juist is: 1o. dat de futuur-vorm met een partikeltje (schoon dit - lo - van 't Holl. ‘loopen’ komt) analoog is met het Karaïbische ba; 2o. dat de verl. tijd met a aangeduid wordt (K. ook a), terwijl dit a niettemin wel Sp. kan wezen (ha van haber); 3o. dat de tegenw. tijd ta vereischt (K. en), wat wel van Sp. está kan komen. Voorb.: lo mi bini, ik zal komen, c ta papia hij (zij) spreekt, bo a keir, jij hebt gewandeld of wandelde (hist. perf.).

De meerv. vorm op -nan der zelfst. n.w. heeft geheel de Sp. (e)s-pluralis verdrongen. Ook dit kan K. zijn: num is er 't voorn. w. 3e pers. mv. Hetzelfde nan is ook dit en bez. v.n.w. 3e pers. mv. (Sp. su, zoowel enk. als meerv.). In 't enk. bezigt men soe (zijn, haar, ervan). Bij de bijv. n.w. komt nooit eenige verandering voor. Wel dient nan ook bij de aanw. v.n.w.; esnan, die mv. De meerv. uitgang -nan wordt echter ook veel weggelaten (steeds als 't meerv. overigens duidelijk is). Geslachts-onderscheid is opgeheven, veel zelfst. n.w. gaan op a in pl. v. op o. Het lidw. is é (bep.) en oen (onbep.), in alle gevallen.

Persoons-uitgangen der werkw., evenals alle onregelmatigheden, zijn, op enkele sporen na, verdwenen (bam, laat ons gaan, van 't onregelm. vamos, naast bai, gaan). De inf.-uitgangen -ar, er, ir- zijn echter meestal nog vertegenwoordigd door -a, -e en -i (soms -i voor -e). en omgekeerd. De klemtoon valt er echter niet op, ook niet in de inf. Bij 't particiep wel (deze -a en e- stammen dus stellig van -ado en -ido en komen alleen voor in lijdende vormen). In verbinding met een enclitisch é (hem, haar, het) vervalt de niet betoonde slot-a en de é krijgt dan den klemtoon: mi no kiër asié, ik wil 't niet doen, maar: nan boeské, zij zoeken het.

De geb. wijs is de gewone inf., de ta en tábata-vormen zijn imperfectieven, de laatste voor 't verleden. Met de uitg. -á en -i zijn ze lijdend op te vatten. Voorb.: bo ta skirbi(jij schrijft: estás escribiendo), tabata skirbi, hij (zij) schreef (estaba escribiendo); e brifi ta skirbi pa é, de brief wordt door hem (haar) geschreven, tábata skirbi, werd geschreven. Tin (er is, er zijn, er hebben) is in de imperf. vorm. tábatin. Lo en a dienen als hulpw.w. van wijze, om plusq., perf., fut. ex. en cond. uit te drukken: lo mi a skirbi, ik zal geschreven hebben enz.

Van de voorn.w. vermelden we: behalve es (deze, dit, die, dat) met -akí of -ai (Fransch -ci en- ), de pers. mi, bo, é, nos, boso, nan. Behalve é (dat doorsoe vervangen wordt), dienen ze alle ook als bez. v.n.w. Merkwaardig is de constructie: mi roeman soe kas, m'n broer z'n huis, die aan 't Sp. wel niet geheel vreemd, maar toch stellig onder Holl. invloed ontstaan is.

Van de telw. zijn die tusschen tien en twintig alle gewijzigd: 't zijn kenbare samenstellingen geworden: diës sinkoe, 15 (quince) enz. De ranggetallen hebben alleen promé (primer(o)) behouden; verder zegt men di dos, di tres, enz. voor 1e, 2e enz. Voor oeltimoe zegt men ook de laatste.

Zinsleer. Deze heeft zeker ook Hollandschen invloed ondergaan. Vermelden we alleen het weglaten van na (Sp. a) bij den datief; kiko bo a bisa soe roemán? Wat heb je 'r broer gezegd? Verder is in hoofdzaak de Sp. zinbouw waar te nemen. Alleen is de z.g. ‘inversie’ - zoo veel voorkomend in 't Sp. - niet overgenomen, behalve waar wij ze in onze taal ook zouden toepassen (bij voorb. na een

[p. 549]

bijw.): oenda biba bo soesji? Waar woont je zuster?

Litt.: S. van Dissel, Curaçao. Herinneringen en Schetsen, Leyden 1857, blz. 124-131. G.J. Simons, Beschr. v.h. Eiland Curaçou. Oosterwolde 1868, blz. 130 v. - Gatchet, The Aruba and the Papiamento Jargon. Amer. Phil. Soc. Philadelphia 1884, (aangehaald bij K. Martin, W.I. Skizzen. Leiden 1887, blz. 124.). - A. Jesurun. Eenige beschouwingen over de volkstaal op Curaçao. (Eerste jaarl. Verslag v.h. Gesch.- Taal-, Land- en Volkenk. Genootsch. gev. te Willemstad. Amst. 1897, blz. 95 v.). Idem. Het Papiëmentsch (Tweede jaarl. Versl. 1898, blz. 75 v.). - H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 383-385). - Dr. Hendrik, P.N. Muller, Door het land van Columbus. Haarlem 1905, blz. 414 en 415. - Dr. Augustin Krämer. Curaçao, nebst einigen Bemerkungen über eine westindische Reise, 1899-1900 (Globus 1906 no. 19) - J.H.J. Hamelberg, Bespreking van Krämers artikel, (T.A.G. 1907, 7 Jan., blz. 108 v.). - Idem, De Nederl. op de W.I. Eilanden, Amst. 1909, blz. 75). - C.K. Kesler, Iets over de W.I. dialecten (Het Onderwijs, Paramaribo, 8 Dec. 1915). - In het Derde Jaarl. Verslag van het genootschap te Willemstad vindt men een verzameling Curaçao'sche sprookjes (Cuenta di nansi) in het Papiamentoe, met de vertaling (blz. 94-119). - Titels van geschriften in het Pap. vindt men in den Catal. d. Bibl. v.h. Kon. Inst. v.d. Taal-, Land- en Volkenk. v. N.-Indie en het Ind. Genootschap en in Dr. Th. C.L. Wijnmalen's art. Les possessions néerl. dans les Antilles (Revue Col. Intern. Tome. II, 1887 p. 400-401). Op Curaçao verschijnen thans (1916) 3 couranten in het Papiamentsch (zie JOURNALISTIEK).

 

A.A.F.

Pappophorum alopecuroideum

Vahl. Fam. Gramineae. Crabgrass, bov. e. Gras met als bloeiwijze een sterk samengetrokken pluim die meer dan 40 cm. lang kan zijn; aartjes voorzien van 11 of meer kafnaalden, waardoor de geheele bloeiwijze een zachtharig uiterlijk heeft.

Pàra,

een der kleinere rivieren van Suriname, ontspringt op ± 5° 15′ N.B. op het heuvelland van de Miendrinitti, stroomt met talrijke grootere en kleinere windingen in doorgaans noordelijke richting en valt bij de plantage Houttuin in de Suriname-rivier. Links neemt de Para, niet ver van haar oorsprong, de Buffelskreek op, iets noordelijker de Saramaccakreek, vervolgens de Sabakoekreek, de Coropinakreek (die zelf van links de Tawaycoera-kreek opneemt) en de Pararac-kreek; rechts de Carolinaen de Hooikreek. Een omstreeks het midden der 18de eeuw - na eenig gehaspel met de Directeuren der Societeit - gegraven kanaal, de z.g. Para-doorsnede, gedeeltelijk de genormaliseerde vroegere Bannister-kreek, verbindt de Para met de Suriname-rivier, waardoor men, komende van of gaande naar de Boven-Para, de kronkelingen van de Beneden-Paravermijden kan. Een ander gegraven kanaaltje, de Kraskreek, snijdt, zuidelijk van den grond Onoribo, een groote winding van de rivier af. De Para is een smalle, maar in haar midden- en benedenloop zeer diepe rivier, die grootendeels door zandsavannen stroomt, welke gedurende den grooten regentijd voor een groot deel onder water staan, zoodat men dan over de savannen heenvaart. Zuidelijk van de samenvloeiing met de Carolinakreek worden de savannen hooger. Een weinig ten noorden van de samenvloeiing met de Coropina (welk punt de Triangel genoemd wordt) vindt men op den grond Topibo een solitairen, 20 M. hoogen heuvel, den verweerden kop van een eruptief-gesteente, een laatsten uitlooper van het gebergte van het binnenland. Met haar inktzwart water en haar prachtigen plantengrooi (orchideeën in overvloed) is de Para een der schoonste rivieren van de kolonie. De vaart wordt op sommige tijden van het jaar door het z.g. eilandgras (zie aldaar) belemmerd, wanneer het niet bijtijds wordt verwijderd.

Langs de Para en de Coropina liggen tal van ‘gronden’, vroegere houtplantages, die na de opheffing der slavernij, in communaal bezit zijn overgegaan in handen van de vroegere slavenmachten. De bestaansmiddelen zijn voornamelijk het bewerken van vierkant hout, het zagen van planken en de cultuur van aardvruchten. Op de savannen wonen Indianen. Op 3 der gronden aan de Para heeft men gouvernements-scholen, aan de Coropina een kerk met school der Evang. Broedergemeente en een der R.K. Missie.

De rivier is niet naar Parham (Lord Willoughby) genoemd, zooals Van Sypesteyn waarschijnlijk acht, daar de naam, die zeker van Indiaanschen oorsprong is, reeds voorkomt in de lijst van rivieren in de reisbeschrijving van Keymis (1597).

Over de Para schreven o.m. Mr. H.C. Focke, Een togtje naar de landstreek Para (De Fakkel, 1830). Prof. W.F.R. Suringar (T.A.G.) 1885, 2e serie, deel III). Prof. K. Martin, Westindische Skizzen, Leiden 1887, blz. 18-24. G. Verschuur. Voyage aux trois Guyanes et aux Antilles, Paris 1894, blz. 257-266: Dr. A.H. Pareau, Onze West, 's Gravenh. 1898, blz. 104-110. J.F. Pool, Een reisje naar de Boven-Para in Suriname (De Natuur, Aug. en Sept. 1900).

Para de cerro,

pap. Op Bonaire de naam van Coturniculus caribacus, een tot de Fringillidae behoorende vogel.

Para de misa,

pap. Naam voor Dendroica rufopileata, fam. Mniatiltidae.

Paragras,

sur. Zie PANICUM NUMIDIANUM. ben. e. Zie P. MOLLE.

Paragrass,

bov. e. Zie PANICUM MOLLE.

Parakiet,

bov. e. Zie PEDILANTHUS.

Paramaccaners.

Zie BOSCHNEGERS, blz. 156.

Para-makà,

n.e. Zie ASTROCARYUM PARAMACA.

Paramaribo,

de hoofdplaats van Suriname, ligt op 5° 49′ 48″ N.B. en 55° 12′ 13″ W.L. van Greenwich, aan den linkeroever van de Suriname-rivier, hemelsbreedte 10 K.M. van de monding, maar langs den stroomdraad gemeten ± 23 K.M.

Naamsafleiding. Schrijvers uit den lateren tijd hebben verband gezocht met den naam van Parham (Lord Willoughby). In het verhaal van 1667, van Byam, door Edmundson gepubliceerd (zie titel onder BYAM) wordt het plaatsje Pramorabo, Premorabo en Promorabo genoemd. Byam was door Parham tot Gouverneur aangesteld en zou dus zeker den naam anders geschreven hebben, ware die afgeleid van Parham. Herlein (Beschr. v.d. Volkplantinge Suriname, Leeuwarden 1718, blz. 46) deelt mede dat ‘Paramaribo of Nieuw Middelburg’ voorheen was ‘een Karibaans Dorp, van haar Lieden Parimorbo genoemt,’ een mededeeling, die men ook bij Hartsinck (1770 II, 605) vindt. In 1908 (T.A.G. no 6, blz. 1417) schreef Dr. H. ten Kate dat de naam van zuiver Indiaanschen, waarschijnlijk Karaïbischen, oorsprong is. Ten overvloede wordt verwezen naar de mededeeling van Mr. Dr. S. van Brakel (zie HANDEL EN SCHEEPVAART, blz. 343) dat er in 1613,

[p. 550]

dus 37 jaren vóór de stichting van Willoughby's kolonie, een Amsterdamsche factory aan de Suriname-rivier gevestigd was op het Indianendorp Parmarbo of Parmurbo. De schelp- en zandritsen (zie hieronder) waren dan ook als daar neergelegd voor een Indiaansche vestiging.

Over de beteekenis van den naam verkeert men in het onzekere. Voor de verschillende hypothesen zie men C.H. de Goeje, Aardrijksk. namen in Guyana en omliggende landen (T.A.G. 1909, no 2, blz. 292 en 293). De Arowakken noemen de plaats Simarabo, de Karaïben Paramoeroe of Paramoeroebo, de creolen bevolking spreekt van foto (het fort). Bij oude schrijvers vindt men wel eens de schrijfwijzen Permeribo, Pirmeriba, Parameriba en Parimaribo. De naam Nieuw Middelburg (zie aldaar) door Krijnssen aan de plaats gegeven, heeft evenmin als Surinaamsburgh, door Heinsius uitgedacht, stand gehouden.

Wie de eerste aanleggers waren van het fort, waarnaast de stad ontstond, is onzeker. Pistorius, Korte en zakelijke Beschr. v.d. colonie v. Zuriname, Amst. 1763, zegt dat het Portugeesen waren. Rodway & Watt, Annals of Guiana, Georgetown, 1888, Vol. I, 112, beweren dat het gebouwd is door Franschen, afkomstig van de mislukte kolonisatie onder de Bretigny (1643) in Cajenne. David Pietersz. de Vries, die in 1634 de Suriname-rivier bezocht, vond echter 16 mijlen de rivier op ‘een Huys ofte twee, dat met Pallisaden rondom Fortse wys was gemaeckt’, waar een Engelschman, genaamd Marrechal met 60 Engelschen woonde. In het bovengenoemde verhaal van Byam leest men dat hij, na het uitbreken van den oorlog, het fort liet bouwen van steen, die ‘from under the ground with axes’ gehakt waren, d.i. de schelpsteen. Hij noemt het fort, dat niet geheel gereed was, toen Krijnssen het in 1667 veroverde, Willoughby Fort en geeft er een beschrijving van. Vermoedelijk is het gebouwd op de plek, waar vroeger reeds een sterkte had gestaan. Na de verovering gaf Krijnssen het den naam Zeelandia, dien het nog draagt.

Ontwikkeling der stad. Gedurende nagenoeg den geheelen duur van Willoughby's kolonie was niet Paramaribo, maar Thorarica (zie aldaar) de hoofdplaats. Byam (zie boven) spreekt reeds van ‘inhabitants in and about the fort.’ George Warren, die vóór 1667 de kolonie bezocht, maakt melding van een klein dorp, vijf mijlen van den mond der rivier gelegan en het Fort genoemd. Westhuysen (zie litt. bij KRIJNSSEN) die er een paardagen na Krijnssen aankwam, roemt de ‘schoon en welgeleghen Citadel’, maar vermeldt niet of er daarnaast reeds een nederzetting was. In de instructie, die de gecommitteerde Raden van Zeeland op 12 Aug. 1667 aan den landmeter Willem Mogge (zie LANDMETEN EN LANDMETERS) medegaven, stond dat deze o.m. een afzonderlijke kaart zoude maken van ‘het Casteel Parameriba, nu genaamt Zeelandia’. Van een daarnaast gelegen dorp wordt niet gesproken. Maar reeds op de aan Mogge toegeschreven kaart van Suriname van 1671 vindt men, naast het fort Zeelandia, een kleine nederzetting met den naam Paramaribo aangeduid, waarschijnlijk geen Indiaansch dorp meer. Heinsius schreef in een brief van 28 Dec. 1678 aan de Staten van Zeeland dat Paramaribo ‘een open vlek met eenige verstroyde huysen’ was. Hij had geen ander onderkomen kunnen vinden ‘als een saal in maniere van een boereschuur van ons Landt.’ De woningen waren ‘meer gelyck na palissaden met stroo ofte bladeren van boomen gedect als huysen.’ Toen Van Aerssen van Sommelsdijk in 1683 in Suriname aankwam vond hij het fort Zeelandia ‘totaliter vervallen’ en ‘het Vlek Paramaribo te bestaan in zeven- of acht en twintig Huizen, meest Herbergen en Smokkelaarskroegen, uitgezonderd twee ot drie, als dat van den Heer Commandeur Verboom, en die daar eenige Officieren met hunne Vrouwen, en den Ontvanger huishielden.’ (Hartsinck, II 647). De huizen waren van hout en bijna alle met palmbladeren gedekt. Aanvankelijk werden langs den Waterkant en op de hooge schelprits, de tegenwoordige Gravenstraat, huizen gebouwd. Het door Van Aerssen aangelegde kanaal, dat naar hem Sommelsdijkkreek is genoemd, draineerde het lage land ten noorden van deze straat. Hij liet op eenige punten welwaterputten graven. Na dien ontwikkelde de stad zich zeer snel. Evenwijdig aan de tegenwoordige Gravenstraat ontstond de rij huizen op de zandrits, die den naam van Keizerstraat draagt, alsmede de tusschen beide en daarmede evenwijdig loopende Heeren- en Wagenwegstraten. Tot loozing van het lage terrein tusschen de Graven- en de Keizerstraat werd later de Knuffelsgracht met haar noordelijken tak, het Viottekanaal en haar zuidelijken tak, het Picornokanaal, gegraven. De westelijke grens der stad werd gevormd door de tegenwoordige Zwartenhovenbrugstraat.

Volgens Herlein, die tijdens het bestuur van Van der Veen (1696-1707) in Suriname geweest is, was Paramaribo te dier tijde ‘omtrent met vijfhondert Huizen verzien, al te maal van Hout gebouwt omdat het luftiger als Steen is.’ Slechts twee huizen waren van steen (n.l. schelpsteen) gebouwd, met pannen gedekt en ‘met Glaze Vensters verzien.’ Van de andere huizen waren de vensters met grof gaas bekleed. De Waterkant was toen met oranjeboomen beplant, ‘dat een heel vermakelijk gezigt’ gaf. Herlein geeft ook een ‘prent-verbeeldinge’ van het Fort of Kasteel Zeelandia en van Paramaribo, waarvan het westelijke deel met den naam ‘De Nieuwe Uitlegginge’ is aangeduid. De woning van den Gouverneur staat reeds ten noorden van een groot plein, waar die nu nog staat. (Zie de kaart van De Lavaux, 1737). Onder Mauricius (1742-1751) onderging de stad groote uitbreiding; het getal huizen nam met één derde toe; te zamen brachten de huizen een huur op van ƒ150.000 's jaars en daaronder vond men er van 20 à 30 duizend gulden waarde. Omstreeks 1750 werden erven uitgegeven ten zuiden van de Keizerstraat tot aan de Steenbakkersgracht, waardoor de tegenwoordige wijk C ontstond. De Gravenstraat werd westwaarts verlengd tot daar waar in 1813 een weg, de tegenwoordige Wanicastraat, werd aangelegd van 's Lands grond Boniface naar de Viottebrug en vandaar het pad naar den grond Kwatta, waarlangsreeds vroeger aan de noordzijde gronden waren uitgegeven, tot een rijweg verbeterd.

Een plan van de stad omstreeks dien tijd geeft o.m. Bellin, Description Géogr. de la Guiane, Paris 1763, een gezicht in vogelvlucht Hartsinck, 1770, II 567, een gezicht op den Waterkant, Stedman, Reize naar Surinamen, (1772-1777), deel II. In 1769 vond een uitbreiding plaats in zuidwestelijke richting tusschen de Steenbakkers- en de inmiddels gegraven Drambrandersgracht. Tusschen deze gracht en de Limesgracht werden in 1773 erven uitgegeven aan de leden van het corps Vrijnegers (zie KRIJGSMACHT, blz. 426). In den volksmond heet dat deel van de stad nog steeds frimangron (vrijmansgrond). De eerste buitenwijk of voorstad Zeelandia ontstond in 1799. Reeds onder Gouv.

[p. 551]

Wichers (1784-1790) was een terrein noordoostelijk van de Sommelsdijkkreek, langs de Suriname-rivier, in erven van 2000 M2, verdeeld en uitgegeven, maar eerst in 1799 begon men met de bebouwing. Dit deel van de stad, waar vele buitenverblijven verrezen, wordt de Combé genoemd, naar den in 1668 door Zeeland tot ‘Comys’ benoemden Nicolaas Combé, die daar een plantage had. Het land ten zuidwesten van de Limesgracht tot aan de Dominékreek werd in 1800 als buitenwijk (later wijk F) bij de stad getrokken. (Zie plattegrond van 1804 in den Surinaamschen Almanak voor 1821). Nadat in 1838 de Gemeene Landsweg verlengd en door een dwarsweg, de Oude of Tweede Rijweg, verbonden was met den grond Kwatta, werd het geheele terrein, omsloten door de Wanicastraat, den Verlengden gemeenen Landsweg, den Tweeden Rijweg en den Rijweg naar Kwatta, als tweede buitenwijk bij de stad gevoegd. Door dit terrein zou het nieuwe, door Gouv. Van Raders ontworpen nieuwe kanaal naar Saramacca gegraven worden, waarvan slechts 1,6 K.M., in het verlengde van de Steenbakkersgracht, gereed kwam en waarlangs eenige Hollandsche boeren van de kolonisatie-proef aan de Saramacca zich vestigden. (Zie plattegrond in Van Sypesteyn's Beschr. v. Suriname, 1854). In dit terrein werden voorts het Molenpad verlengd, de Hoogestraat met de rechthoekig daarop loopende Kalkbranderijstraat doorgetrokken en in 1873 de Keizerstraat en de Weidestraat opnieuw verlengd. Aansluitende aan de laatstgenoemde twee straten werd, bij gelegenheid van de 25-jarige regeering van Willem III in 1874, een complex straten rondom het Plein van 12 Mei feestelijk ingewijd. Bij verordening van 12 April 1893 (G.B. 1894 no. 7) werd in plaats van den Tweeden, de Eerste Rijweg als westgrens aangewezen. Door onderverdeeling van particuliere terreinen zijn in het laatste twintigtal jaren nieuwe straten-complexen ontstaan in Wijk F, de Eerste en Tweede Buitenwijk en in de wijken A en B ten noorden van de Gravenstraat. In 1903 (G.B. no. 25) werden voorschriften gegeven tot vaststelling van een plan voor de uitbreiding van Paramaribo. De stad met de buitenwijken beslaat thans een oppervlakte van ruim 800 H.A., bij een bevolkingscijfer van nog geen 35000. Langs de rivier gemeten heeft Paramaribo een lengte van 4 K.M. De langste straat, die van de rivier noordwestelijk loopt is ook 4 K.M. lang. De jongste plattegrond van de stad is die van Loth in zijn Bekn. Aardrijksk. Beschr. v. Suriname, Amst. 1904.*) Veel merkwaardigs over de straten, pleinen, enz. geeft Oudschans Dentz in zijn Geschiedk. Aanteekeningen over Suriname en Paramaribo, 1911.

Het aantal ‘hoofdgebouwen’ (zie hieronder) bedroeg in:

1765 800
1787 1119
1863 1643
1873 1955
1900 2807
1910 3406.

Bij den aanleg en de uitbreiding der stad heeft men, waar dit mogelijk was, de zuidoost-noord west loopende schelp- en zandritsen, oude strandwallen (zie AARDKUNDE, blz. 6), gevolgd, die zich op sommige plaatsen tot 3 M. boven laag water verheffen. In sommige straten staan de huizen op de rits, terwijl de tuinen (‘erven’) de laagte tusschen de ritsen beslaan. Bij hooge springvloeden worden sommige deelen der stad overstroomd. De straten zijn breed en recht en snijden elkaar meestal onder rechte hoeken. Vele zijn met boomen beplant, in vroeger jaren oranjeboomen, later tamarinde- en mahonie-boomen, acacia's, koningspalmen, enz. Hier en daar heeft men ruime pleinen, waarvan uitmunt het Gouvernementsplein, naast het fort Zeelandia, waaromheen de woning van den Gouverneur, de voornaamste publieke gebouwen en het in 1877 aangelegde ‘Park’ met buitensocieteit, een geliefde plaats van ontspanning voor de burgerij. Bestraat zijn de wegen niet; voor zooveel ze op de schelpritsen zijn aangelegd is dit ook minder noodig. De bodem zuigt daar het water snel op, zoodat de straten ook na zware regenbuien spoedig weer begaanbaar zijn. Hetzelfde kan niet gezegd worden van de niet over de schelpritsen loopende straten; in den regentijd zijn deze ware modderpoelen en in den drogen tijd zandwoestijnen. Hoewel er in de laatste jaren eenige verbetering in den toestand der straten is waar te nemen, moeten wij, op het punt van aanleg en onderhoud van wegen, de vlag strijken voor onze Engelsche naburen. Als reeds gezegd, geschiedt de afwatering der stad door kanalen of gekanaliseerde kreken, waarvan eenige van sluizen voorzien zijn.

Vóór de stad is de rivier ± 1000 M. breed; even beneden en boven de stad is de breedte veel grooter. Aan den waterkant staande krijgt men den indruk dat de stad aan een meer ligt. Het panorama van Paramaribo, hetzij men van de zeezijde, hetzij van den anderen kant komt, is inderdaad zeer mooi. De reede biedt ruimte voor een groot aantal schepen. In vroeger jaren geschiedde het laden en lossen van schepen door middel van ponten. Sedert vele jaren vind en deze daartoe gelegenheid aan steigers, n.l. die van de Koloniale Vaartuigen met 13 tons-kraan, de gouvernements-steigers bij het Waaggebouw, die van den K.W.I. Maildienst, van de Nederl. Ind. Gasmaatschappij, van de werf Soekibaka en van het emplacement van den spoorweg op Beekhuizen.

Hoewel reeds in 1729 eenige plaatsen waren aangewezen tot het houden van markt, werd eerst in 1876 een overdekte markt gebouwd. Thans bezit de stad 3 zulke markten.

Van straatverlichting was er reeds in 1786 sprake; daarna weer in 1877, maar eerst in 1886 kwam er een petroleumverlichting tot stand, in 1899 vervangen door gaslicht.

Het drukste verkeer heeft plaats aan den Waterkant, waar de schepen laden en lossen, waar de vaartuigen van de plantages en gronden aanleggen en waar ook de kramen der Syriërs staan. Ook langs de markten is er veel drukte, vooral in de morgenuren, wanneer de keukenmeiden haar inkoopen doen en de nieuwtjes van den dag bespreken. Drukke straten zijn ook de Saramaccastraat - eertijds door Benoit bij de Kalverstraat vergeleken - de Steenbakkerijstraat en de Zwartenhovenbrugstraat. Gedurende het heetste van den dag zijn de straten stil. Trams bezit Paramaribo nog niet. Een 20 tal jaren geleden werd er een proef genomen met een soort omnibus, door muilezels getrokken, maar de straten bleken te slecht en de onderneming werd opgegeven. Eigen rijtuigen hebben zoo goed als alleen de geneesheeren, en de huurrijtuigen laten veel te wenschen over. Auto's hebben pas een vijftal jaren geleden hun intrede gedaan.

Plaatselijk bestuur heeft Paramaribo niet en het wordt door velen betwijfeld of de instelling daarvan een verbetering zou zijn.

[p. 552]

Hoewel de stad ruim is aangelegd, staan, voor een tropische stad, in vele straten de - veelal twee verdiepingen hooge - huizen te dicht opeen. Daarbij komt dat als een overblijfsel uit den slaventijdachter de ‘hoofdgebouwen’ op de dikwijls groote ‘erven’ tal van zoogenaamde ‘negerhuizen’ staan waarin de min gegoede bevolking woont. Vele dier ‘negerhuizen’ voldoen niet aan de matigste eischen der hygiëne. (Zie De Woningtoestand in Suriname, Rapp. v.d. Comm. benoemd bij Gouv. Res. van 28 Juli 1910, Paramaribo 1912). Aan monumentale gebouwen is de stad niet rijk. Het bouwmateriaal, hout, leent zich minder dan steen tot architecturale schoonheid. Van steen zijn de Prot. en de Luth. Kerk, het zoogenaamde Stadhuis, met houten toren, het Hof van Justitie, het Waaggebouw en een zestal particuliere woningen. Alle andere publieke gebouwen en woonhuizen zijn van hout. Deze laatste krijgen in den laatsten tijd een meer tropisch karakter door den bouw van balcons en buitengalerijen. Ze zijn wit geverfd en de ramen worden met groene blinden gesloten. Als voorname gebouwen, die eenige aanspraak op architectonische schoonheid mogen maken, kunnen genoemd worden: het Gouvernementshuis (de woning van den Gouverneur), het reeds genoemde Stadhuis, de R.K. Kathedraal, de Synagoge der Ned. Isr. gemeente en het logegebouw.

Als monumenten, buiten die op de kerkhoven, kunnen vermeld worden: Het borstbeeld van den Gouverneur Van Asch van Wijck (in 1904 door de burgerij opgericht, onthuld 29 Aug.), dat van Mr. G.H. Barnet Lijon, oud-agentgeneraal der immigratie (in 1908 door de Br. Ind. immigranten opgericht, onthuld 7 Jan.) en dat van Eilerts de Haan (zie aldaar).

De tijd wordt te Paramaribo aangegeven door kanonschoten; zij vielen tot 1913, 'smorgens om 5 uur, des middags om 12 uur en des avonds om 8 uur. Die tijdschoten zijn van ouden datum en de burgerij is daar zeer aan gehecht; het morgenschot dateert reeds van vóór 1785; het avondschot werd zeker vóór 1810 ingesteld en in Dec. 1838 het middagschot ‘ter regeling van den juisten tijd’. Publieke uurwerken waren er n.l. niet en betrouwbare zijn er nog niet. In 1906 werden door den Gouv. Idenburg het dagen avondschot afgeschaft, maar op aandrang der Koloniale Staten na 14 dagen weer ingesteld. In 1913 werd het avondschot afgeschaft. Sedert 1834 valt er van het Fort Zeelandia op oudejaarsnacht om 12 uur een schot, begeleid door een oorverdoovend geknetter van vuurwerk en geknal van pistoolschoten door de burgerij afgeschoten. (Zie Oudschans Dentz. De Gesch. d. tijdschoten, De West van 3 Maart 1911 en het Kol. Weekblad van 19 Juni 1913.)

Ongestoord heeft de groei van de stad niet plaats gehad. Waar het bouwmateriaal steeds hout en tot 1832 de dakbedekking zeer brandbaar was, is het niet te verwonderen dat, bij de soms zeer langdurige droogte en de uiterst gebrekkige brandbluschmiddelen het vuur meermalen groote verwoestingen heeft aangericht. Na een brand, waarbij verscheidene huizen in de asch werden gelegd, stelde Mauricius voor om eenige brandspuiten uit Nederland te laten komen, daar ‘de bewering dat het vuur hier niet zooveel kracht had als in Europa contrarie bleek’. Maar eerst nadat op 18 April 1763 opnieuw eenige huizen door brand verwoest waren ging men over tot de aanschaffing van twee brandspuiten. Bij de nieuwe brandkeur van 25 Mei 1763 werd o.m. bepaald dat de huizen in de stad niet langer met palmbladeren mochten gedekt worden, maar nog tot 1832 bestond de dakbedekking voornamelijk uit houten dakpannen of singels (zie aldaar). In 1764 begon men met het graven van een aantal openbare putten om te voorzien in drinkwater en als voorzorg in geval van brand.

Op 23 Febr. 1780 berokkende het vuur weer groote schade, maar de grootste ramp was de geweldige brand, die op 21 Jan. 1821 op den hoek van het Gouvernementsplein en den Waterkant uitbrak en door een samenloop van omstandigheden zulk een omvang verkreeg, dat ongeveer 400 huizen, in het mooiste gedeelte der stad, tot den grond afbrandden. De toegebrachte schade werd op 16 millioen gulden geschat. Eene inzameling, in Nederland gehouden tot leeniging van den nood, bracht ƒ107.745.65 op. (Zie A.J. Lastdrager, Proeve eener gesch. v.h. Koningrijk d. Nederl. Amst. 1832, II, blz. 199). Hoe eenige jaren vóór deze ramp het stadsbeeld was van de rivier uit gezien, leeren twee gekleurde stadsgezichten, naar teekeningen van Pierre Berranger, uitgegeven te Amst. in 1817. Van de ruïne van Paramaribo geeft een groote prent van Hoogkamer, naar Mabé, een beeld. Ook van den brand zelf bestaat van hem een prent.

Ten einde veiliger en ordelijker wederopbouwing te verkrijgen, verbood de Publ. van 5 Sept. 1821 (G.B. no. 8) het bouwen op het terrein omsloten door de Keizerstraat, den Heiligen weg en de Quartarolis-straat. Dit terrein, later Vaillantsplein genoemd, is onbebouwd gebleven tot het in 1903 werd aangewezen als stations-emplacement van den spoorweg naar het binnenland. Bij Publ. van 20 Sept. d.a.v. (G.B. no. 12), verscherpt bij Publ. van 19 Nov. 1828 (G.B. no. 17), werden voorschriften gegeven voor den bouw van keukens en stookplaatsen. Was de brand van 1821 bij ongeluk ontstaan, die van 3 Sept. 1832 werd door drie weggeloopen slaven aangesticht. In dien nacht brandde het stadsdeel omsloten door den Waterkant, den Heiligen weg, de Maagdenstraat en de Steenbakkersgracht geheel af. Ook de Luthersche kerk ging in vlammen op.*) Lange jaren hielden gapingen in de huizenrijen de herinnering aan deze geweldige vuurrampen levendig. Deze brand had tot gevolg dat het Gemeentebestuur bij Publ. van 27 Sept. 1832 het dekken der huizen met andere dan onbrandbare stoffen verbood, welk verbod bij wet van 5 Oct. 1837 (G.B. no 7) bekrachtigd werd. Aan reglementen op het brandwezen heeft het niet ontbroken; dat van 12 Mei 1840 (G.B. no 3) telde zelfs 108 artikelen, maar het zou 1902 worden vóór men tot andere brandbluschmiddelen dan geheel onvoldoende brandspuiten kwam. In dat jaar werd n.l. door de voornaamste straten een brandwaterleiding gelegd in verband staande met een pompstation met watertoren, waarin rivierwater gepompt wordt. Men kreeg langzamerhand ook krachtiger brandspuiten. Sedert 1900 is door

[p. 553]

de firma Kersten & Co. een particulier brandweercorps opgericht, dat door het koloniaal bestuur gesubsidieerd wordt en goede diensten bewijst. Bij verordening van 17 Oct. 1911 (G.B. 1912 no 1) is het brandwezen opnieuw georganiseerd en onder militair beheer gebracht. Als gevolg van den verbeterden toestand zijn de premiën voor brandassurantie, die vroeger buitensporig hoog waren, in de laatste jaren belangrijk verminderd.

Na 1832 zijn er slechts drie branden van eenige beteekenis geweest, n.l. op 31 Maart 1875 van de gouvernementssmederij der koloniale vaartuigen, op 25 Jan. 1899 van een blok huizen op den hoek van den Waterkant en den Heiligen weg en op 13 Oct. 1915 van 8 huizen aan de Wagewegstraat. Het groote brandgevaar bestaat niet meer, maar de herinnering aan de groote branden is nog zeer levendig en wanneer de alarmschoten, die de ontdekking van een brand aankondigen, vallen is de geheele stad in rep en roer, al is het ook diep in den nacht.

Bevolkingsstatistiek. Er zijn op aarde weinig punten aan te wijzen met een, bij een zoo gering aantal, zoo heterogene bevolking als Paramaribo. Vele rassen zijn er in grooter of kleiner aantal vertegenwoordigd. Geen bonter beeld dan de volksmenigte bij gelegenheid van de viering van den Koninginnejaardag. Behalve Indianen (de oorspronkelijke bewoners) en blanken van verschillende nationaliteit en ook in Suriname geboren, negers en kleurlingen in alle nuances, ziet men er Chineezen, Britsch-Indiërs, Javanen en Syriërs en ook een enkelen Anamiet.

Voor zooveel de beschikbare cijfers vertrouwen verdienen was de sterkte der bevolking op 31 Dec. 1914 35530, n.l.

mannen vrouwen
Europeanen (in Nederl. geb.) 289 213
Europeanen (elders geb.) 156 52
Nederl. Indiërs 93 61
Britsch Indiërs 621 386
Chineezen (geb. buiten de kolonie of uit Chin. ouders) 508 118
Inboorlingen (van alle kleur) 13447 17615
Anderen 1193 778
  ______ ______
Totaal 16307 19223

Op hetzelfde tijdstip bedroeg de bevolking van de geheele kolonie - zonder de Indianen en Boschnegers - 85536 personen, zoodat bijna 42% van de bevolking in de hoofdplaats woont.

Hier volgen eenige cijfers omtrent de bevolking van Paramaribo op verschillende tijdstippen.

Vrijen Niet-vrijen Algemeen totaal
  M. Vr. Tot. M. Vr. Tot.  
1785 - - 3000 - - 8000 11000
1790 - - 3000 - - 12000 15000
1811 - - 4405 - - 10197 14602
1817 - - 5833 - - 12010 17843
1830 2934 3751 6685 4065 4515 8580 15265
1836 3039 4196 7235 4755 5976 10731 17966
1850 4259 5504 9763 2795 4306 7101 16864
1863 7757 10909 18666 - - - 18666
1873 9164 13027 22191 - - - 22191
1900 12631 16200 28831 - - - 28831
1910 14281 17536 31817 - - - 31817

Op groote nauwkeurigheid maken deze cijfers geen aanspraak.

De sterfte-statistieken van Paramaribo, zooals die in de koloniale verslagen voorkomen, geven geen juist beeld van den toestand, omdat vele zieken uit de districten naar Paramaribo komen om daar behandeld te worden; sterven zij daar, dan verhoogen zij het sterftecijfer van de stad. De officier van gezondheid P.C. Flu heeft in 1910 getracht deze fout te elimineeren. Aan de door hem bewerkte statistiek - o.m. te vinden in De West van 27 Sept. en 4 Oct. 1910 - is het volgende ontleend:

Aantal geboorten op elke 1000 inwoners Aantal sterfgevallen op elke 1000 inwoners
  zonder de levenloos geborenen. met inbegrip der levenloos geborenen. zonder de levenloos geborenen. met inbegrip der levenloos geborenen.
1900 29.02 32.03 24.04 27.02
1901 32.02 35.06 26.05 29.03
1902 28.07 32.01 30.07 34.01
1903 32.02 35.06 25.01 28.06
1904 31.00 35.60 26.05 30.07
1905 31.02 35.03 27.01 31.02
1906 31.01 34.06 24.07 27.09
1907 30.08 34.06 28.02 32.01
1908 30.01 30.10 31.09 35.02
1909 30.00 31.06 25.03 29.08
         
Gemiddeld per j. 30.42 33.40 26.64 30.24

Uit zijne cijfers blijkt verder dat de sterfte onder de mannen zeer veel grooter is dan onder de vrouwen. Bij de mannen is de sterfte tusschen 30 en 60 jaar, speciaal tusschen 40 en 50 jaar, het grootst; bij de vrouwen tusschen 61 en 70 jaar.

Houdt men rekening met de slechte hygiënische en sociale verhoudingen, waaronder een groot deel der bevolking leeft, dan is het te verwonderen dat de mortaliteit niet nog grooter is.

Zie voorts de artikelen HYGIËNE, ONDERWIJS, VERKEERSMIDDELEN, WATERVOORZIENING en ZIEKENVERPLEGING.

Para-markoesà,

n.e. Zie PASSIFLORA LAURIFOLIA.

Paranoot,

sur. Zie BERTHOLLETIA.

Paranthias furcifer

(C. & V.) Guich. Steltje, pap. Fam. Serranidae. Zeevisch. Verspreiding: beide kusten van tropisch Amerika, van Cuba tot Brazilië, van Kaap San Lucas tot de Galapagos. Lichaam sterk zijdelings gedrukt. Bek kort; bovenkaak verbreedt zich naar achteren, is met schubben bedekt en reikt tot onder het midden van het oog. Rugvin laag, aarsvin kort. Kleur helder rood of rose met drie kleine violette vlekken, 1 op de zij van den rug en 1 of 2 op den staart. Een violette band gaat van den bovenhoek van de borstvin dwars over het schouderuitsteeksel. Op de zijkanten zwakke schuine strepen langs de rijen schubben. Op de rugvin een lange zwarte streep. Deze mooi gekleurde visch bewoont diep water.

[p. 554]

Para-rubber.

Zie PLANTAGE-RUBBER.

Parc-vaccinogène.

Zie EPIDEMIEËN.

Parel,

sur. Pari, n.e. Platte, eenbladige, lancetvormige pagaaien, met van boven een halvemaanvormige uitsnijding waarin de hand past. De parels worden gebruikt om de korjalen voort te bewegen. Vandaar het werkwoord parelen. De parels worden gemaakt van parelhout (zie ASPIDOSPERMA), van welken boom het ondereinde van den stam breede, platte sporen vormt. Het woord hangt waarschijnlijk samen met het Engelsche paddle. Parels noemt men in Suriname ook de uit de bladstelen van palmen en lianen gevlochten schermen of geeren, ± 8 voet breed en soms 25 voet lang, waarmede de Indianen, Boschnegers en ook de districts-bewoners, de kreken afzetten om visch te vangen. De visschen, die de kreek zijn opgezwommen, worden tegengehouden door het scherm, dat wel het water doorlaat. (Zie Kappler, Surinam, blz. 143).

Parelhout,

sur. Zie ASPIDOSPERMA.

Pargo,

pap. Zie HAPLOPAGRUS en NEOMAENIS AYA.

Parham.

Zie WILLOUGHBY.

Parhamburg of paramburg.

Volgens de schrijvers van het Essai historique sur la colonie de Surinam, 1788, I, 41, in den tijd van Willoughby, de naam van de hoofdplaats van Suriname, eenige mijlen hooger de rivier op gelegen dan Paramaribo. Het blijkt niet of de schrijvers Thorarica (zie aldaar) bedoelen. Waarschijnlijk heerscht op dit punt bij deze schrijvers eenige verwarring, daar ze mededeelen, dat Parhamburg, volgens de oude registers der Port. Joden, Surinaamsburg heette en later door de Zeeuwen Nieuw Middelburg genoemd werd; de laatste twee namen hebben betrekking op Paramaribo.

Parhamhill.

Vóór de verovering van Suriname door Krijnssen de naam van den Blauwen Berg en de plantage Berg-en-dal, die aan Parham toebehoorde.

Pariana lunata

Nees. Fam. Gramineae. Asmatoe pimpin, n.e. Een hoog gras met stevigen halm, dat zich door een groot aantal meeldraden in de bloem van andere grassen onderscheidt.

Parima-meer,

Zie ELDORADO.

Parinarium campestre

Aubl. Fam. Rosaceae, Buïrata, sur. (?) Foengoe, n.e. Een boom met een eigenaardige bruine beharing, die aan de takken zwamachtige massa's heeft, welke steeds door mieren bewoond en vermoedelijk ook door de mieren gemaakt worden. Deze zwam wordt op de bekende wijze in tondeldoozen gebruikt.

Parkia sylvatica

Pulle Fam. Leguminosae. Ajoewa, n.e. Een groote boom, waarvan het hout niet gebruikt wordt.

Parkiet,

sur. Zie PSITTACIDAE.

Parkinsonia aculeata

L. Fam. Leguminosae. Boontsji di streena, ben. e. Wondertree, Jeruzalem thorn, bov. e. Boom met saamgestelde bladeren die ieder bestaan uit twee breede bladstelen met een groot aantal kleine blaadjes; aan den voet van de bladstelen zijn doornen geplaatst; bloemen geel in lange trossen; peulen smal, platgedrukt.

Parnassus.

Op de kaarten bij Hartsinck en Stedman aangegeven als een andere naam voor den Blauwen Berg aan de Suriname rivier (Bergendal). Tegenwoordig geeft men dien naam aan den heuvel tegenover den Blauwen berg, op den anderen oever.

Paroewa,

n.e. Zie AVICENNIA.

Parthenium hysterophorus

L. Fam. Compositae. Bassoora di lieber, ben. e. Kruid met zeer diep vedervormig ingesneden bladeren, waarvan de lobben weer diep ingesneden zijn; bloemhoofdjes wit in een eenigszins ijle bloeiwijze geplaatst.

Particuliere West-Indische bank.

Zie CREDIET-INSTELLINGEN, blz. 232.

Parwa

n.e. Zie AVICENNIA en PLANTENGROEI.

Pasisi,

kar. en n.e. Zie BRACHYPLATYSTOMA.

Pasje,

sur. Een smal boschpaadje.

Paspalum conjugatum

Bergius. Fam. Gramineae. Crabgrass, bov. e. Gras te herkennen aan de twee lijnvormige schijnaren, die uit het einde van den stengel ontspringen; de aartjes zijn plat gedrukt; het gras heeft een eenigszins bruine kleur.

Pasri,

n.e. Korf van palmbladeren gevlochten om vruchten te vervoeren, vooral de Para-markoesà, Passiflora laurifolia.

Passiflora foetida

L. Fam. Passifloraceae. Sneki-markoesà, n.e. Koroona di la birgi, Kruizebloem, Maraaka, Markoesa, Sjon-sjon, Sosoro, ben. e. Een klimplant met behaarde, drielobbige bladeren met hartvormigen voet en groote eindlob; kleine, groene bloemen; de kleine, gele vruchten, die omgeven zijn door een groote menigte fijnvertakte haren, worden gegeten. Een aftreksel der bladeren met suiker dient als geneesmiddel tegen verkoudheid.

Passiflora laurifolia

L. Fam. Passifloraceae. Markoesà, Kapoeweri- of Para markoesà, n.e. Bel appel, ben. e. Bell apple, bov. e. Een met ranken klimmende plant, langwerpige, kale tot 12 cm. lange bladeren met één hoofdnerf. De oranje-gele vruchten zijn met een eetbaar moes gevuld.

Passiflora quadrangularis

L. Fam. Passifloraceae. Tuinmarkoesà, sur. Bigi markoesà, Djari markoesà, n.e. Granadilla, bov. e. Slingerplant met ranken en langwerpig ronde, tot 17 cm. lange bladeren; de bladstelen hebben aan den voet behalve de twee steunblaadjes een aantal klieren; de stengels zijn gevleugeld. Als van vele passifloren zijn de bloemen zeer fraai. De groote, afgeplat-ovale, groen-gele, welriekende vrucht bevat een vruchtmoes dat zeer aangenaam smaakt. Algemeen gekweekt in de tuinen.

Passiflora rubra

L. Fam. Passifloraceae. Snakeberrywine, bov. e. Slingerplant met ranken en viltig behaarde bladeren, die aan den top duidelijk tweelobbig zijn en dikwijls meer breed dan lang.

Passiflora suberosa

L. Fam. Passifloraceae. Bessji di tinta, Nehoeba, ben. e. Slingerplant met ranken en geheel kale, lederachtige bladeren, die drielobbig zijn met grooteren eindlob; de bloemen zijn niet door een haarachtige massa omgeven.

Passiflora vespertilio

L. Fam. Passifloraceae. Zwarte markoesà, sur. Een wilde soort met aan den top ingesneden breed-tweelobbige bladeren en zwarte vruchten.

Passoota,

ben. e. Zie CHENOPODIUM AMBROSIOIDES.

Patakka,

n.e. Zie HOPLIAS MALABARICUS.

Patatta,

n.e. Zie IPOMOEA BATATAS.

Patatta tetei,

n.e. Zie IPOMOEA FASTIGIATA.

Patattenluis,

sur. Zie ACARINA.

Patawa,

n.e. Zie OENOCARPUS.

Patawana,

n.e. (?) Zie MARIPA PASSIFLOROIDES.

Patieja,

ben. e. Zie CITRULLUS.

Patieja di zoembi,

ben. e. Zie SOLANUM ARGILLICOLUM.

Patieja sjimaron,

ben. e. Zie SOLANUM ARGILLICOLUM.

Patienje.

Zie MUNTWEZEN, curacao.

[p. 555]

Patrijs,

sur. Zie GALLI.

Paullinia pinnata

L. Fam. Sapindaceae. Feifi-fienga wiwiri n.e. Een heester, die met ranken klimt. Een aftreksel der plant wordt gebruikt tegen het zuur bij kleine kinderen.

Pauwels (Bruno),

geb. te Groningen 14 Febr. 1683, jezuiet 9 Oct. 1699, priester 23 Sept. 1713, gest. 19 Juni 1726 op Curaçao. Na eenige jaren onderwijs in de oude talen en letterkunde gegeven te hebben, werd hij door zijn oversten 14 Febr. 1716 naar Curaçao gezonden om er zijn ordebroeder, Picquerie, (zie aldaar) in de geloofsverkondiging bij te staan. Toen echter reeds in Sept. van hetzelfde jaar zijn ambtgenoot overleed, braken er voor Pauwels moeilijke dagen aan. Geldgebrek en armoede maakten hem het leven ondragelijk, zoodat hij aan den generaal te Rome, pater Tamburini, mededeelde, dat ‘zoo er in dezen toestand geen verandering komt, ik mij genoodzaakt zal zien naar Holland terug te keeren’. Na ingewonnen inlichtingen, besloot Tamburini P. op Curaçao te handhaven met het oog op het nut, dat hij daar kon stichten. Aldus arbeidde P. gedurende tien jaren, ondanks voortdurend geldgebrek, aan de verkondiging der katholieke leer. Op zijn vier-en veertigste jaar waren de krachten van den missionaris gesloopt en overleed hij onder algemeene deelneming van de bevolking. Zie: W. van Nieuwenhoff in ‘Studien’ 1907, Deel 68, bl. 201-203.

 

K.J. Derks.

Pavonia spinifex

Cav. Fam. Malvaceae. Ginger bush, bov. e. Heestertje met langwerpige, zwak behaarde, gekartelde bladeren en gele bloemen, waarin de meeldraden tot een buis vergroeid zijn; de vruchten zijn voorzien van een aantal zeer scherpe doornen.

Pavonia typhalaea

Cav. Fam. Malvaceae. Agraboe-toriman, n.e. Een stekelig onkruid, dat veel langs de wegen voorkomt en zich aan de kleeren hecht. Vandaar de inlandsche naam, die verklikker beteekent.

Paypayrola guyanensis.

Aubl. Fam. Violaceae. Taja-hoedoe, n.e. Een kleine boom met gele bloemen, die veel in het oerwoud voorkomt.

Pea nut,

bov. e. Zie ARACHIS.

Pear tree,

bov. e. Zie PERSEA.

Pea withe,

bov. e. Zie RHYNCHOSIA RETICULATA.

Pectis febrifuga

v. Hall. Fam. Compositae. Teebiek, Teebiek mohee, ben. e. Laag plantje met lijnvormige bladeren, die aan het onderste gedeelte van de bladschijf lange haarvormige tanden hebben; de 0,6 cm. lange bloemhoofdjes, op zeer lange stelen, zijn alleenstaand in de bladoksels.

Pectis humifusa

Sw. Fam. Compositae. Teebiek maatsjoe, ben. e. Neerliggend plantje met lijnvormige bladeren en bloemen in zeer kort gesteelde bloemhoofdjes.

Pectis linifolia,

L. Fam. Compositae. Teebiek maatsjoe, ben. e. Kruid met lange, smalle lijnvormige bladeren en bloemen in langgesteelde bloemhoofdjes; in de bloemhoofdjes komen meestal maar 5 vruchtjes voor; de vruchten zijn voorzien van teruggebogen, stekelvormig vruchtpluis.

Pedilanthus tithymaloides

Poit. Fam. Euphorbiaceae. Parakiet, bov. e. Sierplant met zeer dikke, vleezige takken en bladeren; de bloemen omgeven door een schutblad van een vogelbekachtig uiterlijk; plant met veel melksap. Komt ook verwilderd voor.

Peega,

pap. Zie ECHENEIS.

Peega-peega,

pap. Zie LACERTILIA, blz. 437 en MENTZELIA.

Peega saaja boobo,

ben. e. Zie CENCHRUS CAROLINIANUS.

Peega saaja mohee,

ben. e. Zie CENCHRUS ECHINATUS.

Peega saaja sjimaron,

ben. e. Zie KRAMERIA en MENTZELIA.

Pegrekoe,

n.e. Zie XYLOPIA.

Peireskia.

Fam. Cactaceae. Jeerba goea maatsjoe, ben. e. Er zijn een paar vormen van Peireskia die gekweekt worden; het zijn Cactusachtige planten, die evenwel bladeren dragen; er zijn soorten gekenmerkt door het bezit van scherpe stekels.

Peiri,

n.e. Zie GYNERIUM.

Pelecanus fuscus.

Fam. Pelecanidae. Komt voor op de Benedenw.-Eilanden in troepen langs de kust. Volgens Martin, Westindische Skizzen, blz. 140, wordt de vogel op Aruba Rotgans genoemd en ook Albatros, waarschijnlijk een verbastering van het Spaansche Alcatraz. Martin beschouwt deze vogels als de vermoedelijke nakomelingen van de nuttige voorouders, waaraan men de phosphaatlagen van Aruba en de naburige eilanden te danken heeft.

Peltogyne paniculata

Bth. Fam. Leguminosae. Purperhart (de roode soort), sur. Een groote, in het binnenland veel voorkomende boom met breede kroon en krachtige plankwortels. Het deugdzame, sterke en veerkrachtige hout wordt veel gebruikt door wagenmakers en werktuigkundigen; vroeger ook veel in de suikermolens. Om de prachtige kleur wordt het ook door meubelmakers gebruikt.

Peltophorum suringari

Urb. Fam. Leguminosae. Curahout, ar. en cur. Boompje met dubbel samengestelde bladeren waarvan de blaadjes tot 4,5 c.m. lang zijn; peulen bruin, aan top en basis spits toeloopend, platgedrukt.

Pempheris

-soorten worden in het Papiamentsch Mangalotjie genoemd. Pempheris Mulleri Poey; Fam. Pempheridae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië tot Brazilië. Lichaam kort; rugvin kort, aarsvin lang. Aarsopening voor het midden van het lichaam. Kleur rood, donker op den rug en aan den voet van de aarsvin; onderkant van het lichaam zilverachtig. Deze visch kan 5 duim lang worden.

Penard (Frederik Paul),

geb. te Paramaribo 26 Jan. 1876, aldaar overl. 4 Sept. 1909, genoot zijne eerste opleiding in Suriname en verder in de Vereenigde Staten. Hij en zijn broeder Arthur Philip (geb. te Paramaribo, 6 April 1880) legden zich toe op de studie der zoölogie en ethnologie van Suriname en gaven achtereenvolgens uit: De Menschetende Aanbidders der Zonneslang, Paramaribo 1907|1908, 3 deelen (Handelt over de Indianen); De Vogels van Guyana. Paramaribo (gedrukt te Amsterdam) 1908-1910, 2 deelen. Van hunne hand verscheen nog in de Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indië deel 67 (1912), blz. 157-183 een art. getiteld Surinaamsch bijgeloof. Volgens verkregen inlichtingen bestaan van hen in manuscript een studie over de zoogdieren van Guiana, een woordenboek van de Indiaansche talen in de kolonie en een groot werk over de Karaïben, welke op uitgaaf wachten.

Pensioenfonds der W.I. ambtenaren.

In 1818 werd door Koning Willem I de wensch uitgesproken het lot van ‘uitgediende Koloniale Ambtenaren en dat van derzelver Weduwen en Weezen’ te verzekeren door het oprichten van pensioenfondsen in die koloniën.

Er werd voor alle W.I. koloniën tezamen een fonds gevormd (K.B. van 21 Aug. 1818, no. 86)

[p. 556]

waarvan de hoofdadministratie in Nederland zou worden gevoerd door commissarissen voor de afdeeling W.I. zaken van de Directie der Koloniën, bijgestaan door een amanuensis als kassier.

Een twintigjarige dienst en vijftigjarige ouderdom, alsmede een meer dan vijfjarige dienst ingeval van bekomen lichaamsgebreken, zouden aanspraak geven op pensioen. De bijdragen zouden bestaan in kortingen van de traktementen en emolumenten, loopende van 2 tot 5%. Het fonds bleek geheel onvoldoende, zoodat bij K.B. van 7 Oct. 1848, no. 72 een nieuw reglement werd vastgesteld, waarbij de pensioenen, die nu ten laste kwamen van de koloniale kas, verlaagd en de korting verhoogd werden tot 8 en 10%. Tevens werd bepaald, dat het ten name van het West-Indische pensioenfonds op de Grootboeken ingeschreven kapitaal zou worden overgeschreven ten name van het Dep. van Koloniën, ten einde de rente te doen strekken als subsidie aan de W.I. koloniën, ter gemoetkoming in de uitbetaling der burgerlijke pensioenen. Het reglement bleef met enkele wijzigingen voor Suriname van kracht tot 1888, toen een nieuwe pensioenregeling werd gemaakt. Voor de kolonie Curaçao werden regelingen getroffen in 1868, 1886 en 1899.

Van het zooeven genoemde kapitaal waren in 1899 aanwezig:

ƒ577.000 nom. 2½% inschrijving N. Gr.boek en ƒ47.000 nom. 3% inschrijving N. Gr.boek. waarvan gerekend werd te behooren ⅔ aan Suriname en ⅓ aan Curaçao.

Op voorstel van den Minister van Koloniën werd bij K.B. van 26 Febr. 1900 no. 118, machtiging verleend het aan Suriname toekomende deel te gelde te maken, naar gelang er behoefte aan fondsen zou ontstaan tot uitvoering van productieve werken. Voor Çuraçao werd een soortgelijke machtiging verleend bij K.B. van 1 April 1903 no. 42.

De inschrijvingen werden achtereen volgens te gelde gemaakt zoodat er thans niet meer van over is. (Zie over de geschiedenis van dit pensioenfonds het door Dr. P. van Geer samengestelde Rapport en advies omtrent de pensionneering van de ambtenaren en van de weduwen en weezen van ambtenaren in de West-Indische koloniën Suriname en Curaçao. 's Gravenh. 1914).

Pensioenregeling.

Zie PERSONEELE BEPALINGEN, enz.

Peperhout,

sur. Zie DUGUETIA LONGIFOLIA.

Peperomia glabella

A. Dietz. Fam. Piperaceae. Orchids purslane, bov. e. Vleezige plant, kruidachtig met dikke langwerpig-eivormige bladeren en deze met 3-5 hoofdnerven; de bloemen in lange dunne aren geplaatst.

Peperomia nummularifolia

H.B.K. Fam. Piperaceae. Pikien fowroe-sopo of Ditibri-wiwiri, n.e. Een kleine epiphyt met cirkelronde eenigszins vleezige blaadjes.

Peperomia pellucida

H.B.K Fam. Piperaceae. Konsakka-wiwiri, n.e. Een klein plantje met ronde blaadjes, die veel olie bevatten. De plant is een bekend volksgeneesmiddel; een waterig aftreksel der bladeren of het uit de vleezige stelen loopende vocht tegen oogziekten. De stelen, in olie gedompeld, worden bij kleine kinderen, die aan verstopping lijden, in de anus rondgedraaid, tot er ontlasting volgt.

Peperomia petiolaris

C.D.C. Fam. Piperaceae. Wall purslane, bov. e. Kruidachtige plant met doorschijn ende stengels en eenigszins hartvormige bladeren; bloemen in draadvormige aren geplaatst.

Peperpot,

sur. Vischsoep met kassavebrood, sterk gekruid met Cayenne-peper.

Pepervreter,

sur. Zie RHAMPHASTIDAE.

Peperwortel-boom,

sur. Zie MORINGA.

Pepite.

Van het Spaansch pepita. Zie AARDKUNDE, blz. 7 en GOUDINDUSTRIE, blz. 315. De goudsmeden in Suriname maken van de pepites zeer smaakvolle dasspelden, broches, armbanden, halssnoeren, enz.

Pepper cinnamon,

st.m. Zie CANELLA.

Pepre-hoedoe,

n.e. Zie CROTON CUNEATUS.

Pera,

n.e. Zie COUMA.

Periodieken.

Zie TIJDSCHRIFTEN en PERIODIEKEN.

Peripatus

is een geslacht van dieren, dat eerst tot de weekdieren, later tot de wormen werd gebracht, maar dat tegenwoordig als de voorlooper der van luchtbuizen voorziene dieren beschouwd wordt en waarvoor men eene afzonderlijke klasse onder den naam Protracheata heeft opgericht. Zij vertoonen een mengsel van kenmerken der ringwormen en der gelede dieren en zouden hier niet vermeld worden, wanneer zij niet als verbindingslid tusschen wormen en gelede dieren van groot wetenschappelijk belang waren. Ook in Suriname is een tweetal soorten aangetroffen.

 

H.J.V.

Perlas di forminga,

pap. Zie RHYNCHOTA.

Persea gratissima

Gärtn. Fam. Lauraceae. Advocaat sur. Afkatti, n.e. Awakaati, ben. e. Pear tree, Avocado, bov. e. Een in Amerika inheemsche boom met ellipsvormige bladeren tot 2 dm. lang. De vrucht, die den vorm heeft van een groote peer of rond is, bevat een groote pit; het vruchtvleesch, door een dunne huid omgeven is zeer smakelijk en wordt in verschillende vormen gegeten. Met het sap, dat men perst uit het dunne bruine huidje om de pit, kan men linnen merken. Met den advocaten-stand heeft de naam niets te maken. Het woord is waarschijnlijk afgeleid van het Asteeksche Ahuacat; in Mexico heet de vrucht Ahuaca, in Brazilie Aguacate. Volgens een aanteekening van Fred. Oudschans Dentz, Geschiedk. aanteekeningen over Suriname en Paramaribo, 1911. blz. 5 moet de plant niet lang vóór 1770 in Suriname ingevoerd zijn.

Personeele bepalingen betreffende de burgelijke landsdienaren.

Art. 35 van de Reg. Regl. van Suriname en Curaçao bepaalt dat alle ambtenaren in de koloniën, wier benoeming, schorsing of ontslag niet door den Koning aan zich voorbehouden of bij algemeene verordening aan anderen opgedragen is, door den Gouverneur benoemd, geschorst en ontslagen worden. Benoemd worden door de kroon in beide koloniën de Proc. Gen. en de voorzitter, leden en griffier van het Hof van Justitie en de Adm. v. Financiën; in Suriname bovendien de Agent-Gen. en de sub-agent voor de immigratie (de laatste betrekking is slechts van 1896-1902 vervuld geweest) en de Directeur van den landbouw; in de kolonie Curaçao bovendien de gezaghebbers.

Hier zullen alleen de voornaamste personeele bepalingen genoemd worden.

Benoembaarheid.

Zie BESTUURSREGELING, blz. 132.

Bezoldiging.

Voor zooveel de regeling niet door den Koning aan zich voorbehouden of bij algemeene verordening geschied is, worden de bezoldigingen door den gouverneur geregeld. Bij algemeene veror-

[p. 557]

dening zijn geregeld: in Suriname die van den Proc. Gen., den Adv. Gen., den voorzitter, de leden en den griffier van het Hof van justitie (G.B. 1908 no. 34), die van de ambtenaren van het districtsbestuur (G.B. 1914 no. 48) en die van de openbare onderwijzers (G.B. 1904 no. 15); in Curaçao, die van den Proc. Gen., den Adv. Gen., den voorzitter, de leden en den griffier van het Hof van Justitie bij K.B. van 5 Aug. 1914 no. 698 (P.B. no. 26), die van de gezaghebbers bij K.B. van 20 Maart 1911 no. 1, die van de burger-maréchaussée bij verordening van 1 Mei 1901 (P.B. no. 12).

Verloven.

Art. 36 van de Reg. Regl. van Suriname en Curaçao kent aan den Gouverneur de bevoegdheid toe, om, met inachtneming der voorschriften te dien aanzien bij algemeene verordeningen gegeven, aan ambtenaren en officieren een binnen- of buitenlandsch verlof te verleenen. Voor burgerlijke ambtenaren in Suriname is een regeling vastgesteld bij K.B. van 20 Aug. 1910 no. 46 (G.B. no. 71), aangevuld bij K.B. van 17 Febr. 1911 no. 25 (G.B. no. 29); in Curaçao bij verordening van 17 Oct. 1908 (P.B. 1909 no. 25), gewijzigd bij verordeningen van 21 Sept. 1909 (P.B. no 41). 3 Mei 1911 (P.B. no. 24) en 26 Aug. 1914 (P.B. no. 39).

Overtocht.

Een reglement op de toekenning van overtocht ten laste van de koloniale kas werd voor Suriname vastgesteld bij K.B. van 20 Aug. 1910, no. 47 (G.B. no. 72), gewijzigd en aangevuld bij K.B. van 17 Febr. 1911 no. 27 (G.B. no. 30) en van 13 Febr. 1915 no. 23 (G.B. no. 23, zie ook G.B. no. 24), voor Curaçao bij K.B. van 11 Aug. 1897 no. 39 (P.B. no. 14), aangevuld bij K.B. van 12 Juli 1901 no. 51 (P.B. no. 32), van 6 Oct. 1903 no. 797 (P.B. no. 46), van 11 Jan. 1904 no. 32 (P.B. no. 6) en van 15 Juni 1905 no. 69 (P.B. no. 26).

Verloftraktementen.

Art. 38 Reg. Regl. Suriname schrijft voor, dat de verlofstraktementen uit de koloniale kas te kwijten, bij koloniale verordening worden geregeld. Met gebruikmaking van de bij art. 48 Reg. Regl. gegeven bevoegdheid, zijn echter de verlofstraktementen, die eerst geregeld waren bij de verordening van 2 Aug. 1887 (G.B. no. 2), thans geregeld bij K.B. van 20 Aug. 1910 no. 48 (G.B. no. 23). Voor Curaçao zijn ze geregeld bij verordening van 11 Oct. 1908 (P.B. 1909 no. 25) en van 21 Sept. 1909 (P.B. no 41).

Pensioenen.

Volgens art. 38 Reg. Regl. worden de pensioenen, uit de koloniale kas te kwijten, bij koloniale verordening geregeld. Zulk een regeling bevat voor Suriname de verordening van 7 April 1888 (G.B. no. 23, waarvan de thans geldende tekst te vinden is in G.B. 1913 no. 62). Na bekomen ontslag (eervol ontslag is geen vereischte) hebben de burgerlijke ambtenaren recht op pensioen op 50-jarigen leeftijd bij 20-jarigen dienst of wanneer zij voor de waarneming van hun ambt ongeschikt zijn geworden door ouderdom, ziels- of lichaamsziekten of gebreken. Ook kan vroeger dan bij 50-jarigen ouderdom en 20-jarigen dienst pensioen worden verleend aan ambtenaren met een diensttijd van ten minste 10 jaren. Als diensttijd komt in aanmerking de diensttijd in Suriname, in de andere overzeesche koloniën van Nederland en in Nederland (in het laatste geval twee jaren dienst voor één gerekend) doorgebracht in betrekkingen, die aanspraak geven op pensioen. Onder diensttijd wordt niet gerekend de tijd, gedurende welken de ambtenaar buitenl. verlof had of binnenl. verlof langer dan één maand, anders dan om redenen van gezondheid, of geschorst was. Voor inkomens boven ƒ1400.- 's jaars bedraagt het pensioen 2% van het inkomen over ieder vervuld dienstjaar, voor inkomens beneden ƒ1400.- iets meer. Er wordt geen hooger pensioen verleend dan ƒ3500.- Aan weduwen of ouderlooze wettige kinderen van ambtenaren wordt de helft van het penisoen toegelegd, voor de ambtenaren zelven bepaald. Gehuwde ambtenaren kunnen aan hunne weduwe en na te laten wettige kinderen (zonenbeneden 18, dochters beneden 23 jaar) aanspraak verzekeren op de helft van het voor een diensttijd van 20 jaren voor henzelven vastgestelde pensioen, onafhankelijk van den diensttijd dien zij bij hun overlijden hebben. Het verzekerde weduwen- en weezen pensioen gaat niet verloren, zelfs als de ambtenaar op niet-eervolle wijze zonder pensioen den dienst heeft verlaten.

De korting voor pensioen bedraagt 8% van het inkomen voor ongehuwde ambtenaren en 10% voor hen, die gehuwd zijn of wettige kinderen hebben, welke in aanmerking komen voor pensioen. Het pensioen van de laatstgenoemde ambtenaren is onderworpen aan een korting van 2%. De storting voor de verzekering ontheft den ambtenaar niet van de gewone storting van 2% voor het weduwen- en weezen pensioen.

Aan ambtenaren, die anders dan op hun verzoek worden ontslagen, kan restitutie worden verleend van hetgeen zij voor zich persoonlijk voor pensioen hebben bijgedragen.

In alle gevallen, waarin een vrouw in de termen valt om uit eigen hoofde voor pensioen bij te dragen of pensioen te genieten, strekken, ook wanneer zij gehuwd is, de bijdragen en het pensioen ten behoeve van haar persoonlijk.

Weduwen die hertrouwen of weezen die trouwen behouden het pensioen.

Voor de kolonie Curaçao werden regelingen getroffen in 1868, 1886 en 1898. Deze laatste verordening (van 13 Dec. 1898, P.B. 1899 no. 8) is in hoofdzaak geschoeid op de regeling van 1888 voor Suriname. Voorname verschillen in de beide verordeningen zijn, dat in de Curaçaosche regeling het eigen pensioen der ambtenaren bij 20 jaren dienst de helft bedraagt van de middensom van het inkomen naar reden waarvan gedurende de laatste 5 jaren korting voor pensioen is ondergaan. Heeft de ambtenaar meer dan 20 dienstjaren, dan wordt het bedrag voor elk dienstjaar boven de 20 verhoogd met ⅓0, maar voor niet meer dan 30 dienstjaren. Voor Suriname is de verhooging ½0. Bij vrijwillig ontslag worden in Curaçao de gedane stortingen terug ontvangen, in Suriname niet. Ambtenaren, die uit Nederland of uit een der andere koloniën in Curaçao worden overgeplaatst en militairen, die in burgerlijken dienst aldaar overgaan, moeten, alvorens aanspraak op pensioen te doen gelden, minstens tien jaren in Curaçao als burgerlijk ambtenaar hebben gediend, welke bepaling niet van toepassing is, wanneer het ontslag uit den dienst het gevolg is van redenen van gezondheid. (Zie Dr. P. van Geer's Rapport en advies omtr. de pensionneering v.d. ambtenaren en v.d. weduwen en weezen v. ambtenaren in de W.-I. koloniën Suriname en Curaçao, 's Gravenh. 1914).

Petrometopon cruentatus (lac.)

J. & E. Poeroentje kabritoe, pap. Fam. Serranidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië; Brazilië tot Florida Keys. Lichaam ovaal; zijdelings gedrukt. Mond tamelijk groot, bovenkaak reikt iets verder dan het oog. Voor kieuwdeksel zwak gezaagd; het kieuwdeksel heeft drie stekels. Kleur roodachtig grijs, een weinig bleeker aan den onderkant. Op kop en lichaam vermil-

[p. 558]

joenkleurige vlekjes. Deze mooie visch kan een voet lang worden en is als voedsel van eenig belang.

Peru.

Oude naam van Guiana (zie aldaar).

Peru-katoen,

sur. Zie GOSSYPIUM RELIGIOSUM en KATOEN.

Peso.

Zie MUNTWEZEN, curacao.

Pessji pessji,

ben. e. Zie MENTZELIA.

Peto,

n.e. Zie DIMORPHANDRA.

Phalacrocorax vigua.

AALSCHOLVER. Een vogel behoorende tot de familie der Phalacrocoracidae, waarvan slechts één vertegenwoordiger, Ph. vigua, in Suriname voorkomt, aldaar bekend onder den naam van zwarte duikelaar.

Phaseolus lunatus

L. Fam. Leguminosae. Zevenjaarsboontje, sur. Sebi-jari, n.e. White beans, bov. e. Klimplant met drietallige bladeren, waarvan de zijblaadjes zeer scheef zijn. De langwerpige, platte tot 6 cm. lange peul bevat 2 à 3 boonen, die onrijp gekookt gegeten worden. Verschillende varieteiten worden gekweekt (Zie GROENTEN).

Phaseolus vulgaris

L. Fam. Leguminosae. Foes, ben. e. Snijboontjes, sur. en bov. e. Plant met groote drietallige bladeren, die zich van P. lunatus vooral onderscheidt door de veel langere peulen. Wordt gekweekt. Er zijn nog een aantal namen als Kalf, Oudwijf, Wowo in gebruik voor Phaseolus of verwante geslachten; de namen worden echter nog als eens door elkander gehaald.

Philipsburg.

Zie ST. MARTIN.

Phoenicopterus ruber.

Fam. Phoenicopteridae de Flamingo, (kar. Dokoko) draagt in Suriname den naam Zeegans, terwijl men met den naam Flamingo de roode Ibis, Eudocimus rubra, aanduidt. Op de kleine Antillen is eerstgenoemde soort bekend onder den naam van Chogogo; zij broedt o.a. in menigte op Bonaire volgens Hartert.

Zie over de Flamingo op Curaçao in De Levende Natuur, Jaarg. XIV afl. 1, blz. 16 een artikel van P.A. Euwens.

Phoenix dactylifera

L. Fam. Palmae. Daader, ben. e. Date, bov. e. De dadelpalm wordt hier en daar op Curaçao gekweekt. Alleen op de plantage Groot St. Joris bestaat een eenigszins uitgestrekte aanplant. Over het algemeen is de vrucht minderwaardig.

Phoradendron

Fam. Loranthaceae. Fowroe-kakà, n.e. Parasieten met groene bladeren, die op boomen leven, zooals de vogellijm of marentak in Europa. Ook andere Loranthaceae heeten fowroe-kakà.

Phosphaat,

phosphorzure kalk in ruwen toestand, wordt, omgezet in superphosphaat, als meststof gebruikt. Volgens de onderzoekingen van den mijningenieur G. Duyfjes kunnen de op de Benedenw. Eilanden voorkomende phosphaten, naar de wijze van ontstaan, in vier groepen worden ingedeeld:

1o. Afzettingen van guano, die in meerdere of mindere mate door kalkhoudend regenwater in phosphorzure kalk zijn omgezet; deze zijn weer te onderscheiden in twee groepen, naarmate de oorspronkelijke guano afkomstig was van zeevogels en op een eilandje werd opgehoopt, dan wel door vleermuizen, konijnen en dergelijke in grotten en holen werd afgezet. De eerste soort komt alleen op Klein-Curaçao voor. Van de tweede zijn er talrijke vindplaatsen, o.a. op Hato, Ascencion en Noordkant, alle op Curaçao, Bolivia op Bonaire en op Aruba in een grot ten westen van Serro Colorado.

2o. Holenphosphaten voorkomende waar de in grotten afgezette guano geheel is overgegaan in phosphorzure kalk, gemengd met meer of minder koolzure kalk. De kalksteen, die den bodem en de wanden van de grot vormt, is dan door het phosphorzuur uit de guano in een onzuivere phosphorzure kalk veranderd. Deze soort phosphaat vindt men op Curaçao o.a. op de plantages Fuik, Ascencion, St. Hyronimo, op Bonaire op de plantage Slagtbaai. De ontginning van deze phosphaten, die onmiddellijk te herkennen zijn door het voorkomen van ingesloten landschelpen en beenderen en tanden van vleermuizen en konijnen, is op verscheidene plaatsen beproefd, maar nergens gelukt, omdat de hoeveelheid spoedig uitgeput raakte en de kwaliteit zeer afwisselend was.

3o. Phosphaten ontstaan uit de overblijfselen van groote, op het strand aangespoelde zeedieren, voornamelijk haaien, die aanleiding hebben gegeven tot de vorming van phosphorzuurhoudenden kalksteen, waarin beenderen en tanden dezer dieren. Deze phosphaat komt voor op de plantage Columbia op Bonaire en is in kwaliteit en kwantiteit van geen beteekenis.

4o. Phosphaten, die ontstaan zijn uit de omzetting van kalksteen in phosphaat, door oplossingen van phosphorzuur, afkomstig van thans geheel verdwenen lagen guano. Zulke afzettingen zijn bekend van de plantages Santa Barbara op Curaçao en van Serro Colorado en Serro Culebra op Aruba. Het ontstaan van deze phoshaatlagen moet verklaard worden uit herhaalde dalingen en rijzingen van het land (Zie daarover Duyfjes in het Kol. Verslag van Curaçao, 1910. Bijl. SI. en AARDKUNDE blz. 16 en 21). Deze soort phosphaat is de belangrijkste en heeft gedurende tal van jaren aanleiding gegeven tot ontginning op groote schaal.

Curaçao bezit van alle eilanden in Midden-Amerika de belangrijkste afzetting.

Bij de phosphaatafzetting van de Banki Jesurun, in 1909 door den directeur van de Aruba Phosphaat Maatschappij, den heer Walker, ontdekt, kwam de afzetting slechts over een zeer kleine uitgestrektheid aan de oppervlakte, maar bleek een groote ondergrondsche uitgestrektheid te bezitten, waaruit Duyfjes de gevolgtrekking maakt, dat feitelijk overal onder de kalksteen phosphaat kan voorkomen, maar dat men de meeste kans heeft op de hoogst gelegen gedeelten, omdat het waarschijnlijk is dat daar eenmaal eilandjes geweest zijn, die tot guano afzetting aanleiding hebben kunnen geven.

Uit het voorkomen van de afzettingen op Aruba besluit Duyfjes tot de mogelijkheid van het voorkomen van dergelijke afzettingen op Curaçao - ook buiten Santa Barbara - en op Bonaire, b.v. op de plantages Fontein en Santa Barbara. Volgens een mededeeling in het Kol. Verslag. Curaçao 1911 werd op 1 Nov. 1910 te 's Gravenhage opgericht het Bonaire phosphaat Syndicaat, dat den mijningenieur D.F. Schuiling naar Bonaire zond. In Jan. 1911 werden de boormachines opgesteld en namen de werkzaamheden een aanvang; in de volgende kol. Verslagen vindt men daaromtrent geen mededeelingen.

De ontdekking van phosphaat op de Benedenw. Eilanden is te danken aan een jong Engelschman John Godden, die geruimen tijd op de eilanden boven den wind, voornamelijk op Sombrero, het voorkomen van phosphaat had bestudeerd. Op een reis in Juni 1871 van Curaçao naar Bonaire, waar hij het voorkomen van phosphaat vermoedde, was hij door hevigen tegenstroom verplicht aan de lijzijde van het onbewoonde eilandje Klein-Curaçao te ankeren. Hier ontdekte hij dat de bodem bijna uitsluitend uit phosphaat was samengesteld. Voor een deel

[p. 559]

was de ontdekking dus aan een toeval te danken. Tot dien tijd was de stof aan de bewoners van Curaçao, Aruba en Bonaire onbekend. Niet aldus op de Bovenw. eilanden, waar men reeds herhaaldelijk pogingen in het werk had gesteld om phosphaat te vinden. Men kende daar de phosphaat-ontginningen op het nabijgelegen eiland Sombrero. Het mag wel verwondering wekken, dat de Nederl.Regeering niet meer aandacht aan het voorkomen van phosphaat op de eilanden heeft geschonken, als men weet dat reeds in Maart 1885 aan den kommandant van de brik de Lynx, Jhr. H.J.L.I. de Vaynes van Brakell door den Minister van Koloniën de geheime last was gegeven om onder de Avis- en Rocas-eilanden - omtrent welker bezit toen twijfel bestond - de klippen op te sporen, waar de rijkste guanolagen te vinden waren. De uitkomst van het te Leiden ingestelde onderzoek van de medegenomen monsters schijnt ongunstig geweest te zijn (zie van Brakell's Zestien Zeereizen, Amst. 1870, blz. 296 en Hamelberg's artikel in Neerlandia van Juli 1908). Godden vroeg en verkreeg concessie tot het ontginnen van phosphaten van Klein-Curaçao, waarvan de grond geheel gouvernementseigendom was. Hem werd toegestaan om voor den tijd van 10 (later verlengd tot 15) jaren, tegen betaling van een concessierecht van ƒ2.12 per oude Curaçao'sche scheepston (± ƒ1 per M3) de phosphaat van Klein-Curaçao te ontginnen en uit te voeren. Reeds in hetzelfde jaar zeilde het eerste schip met phosphaat naar Londen. De phosphaat kwam er voor als een losse, poederachtige massa, die een vasteren kalksteen 2 tot 3 M. dik bedekte, en bevatte gemiddeld 70% phosphorzure kalk, benevens een geringe hoeveelheid stikstofhoudende verbindingen, om welke reden zij aanvankelijk als Curaçao-guano in den handel werd gebracht. De phosphaat bracht te Londen hooge prijzen op en Godden heeft er schatten mede verdiend, terwijl de koloniale kas maar een matig voordeel gehad heeft van dezen rijkdom des bodems. Van 1871-1888 (het laatste jaar der ontginning) is een hoeveelheid uitgevoerd, die geschat wordt op 90.300 ton à 1000 K.G. Na 1888 kwam de concessie in andere handen. In 1913 werd van Klein-Curaçao nog 1913 M3 phosphaat 2de klasse uitgevoerd. Begin 1914 heeft de concessionaris van de concessie afstand gedaan.

Na de ontdekking van Godden en telkens na volgende ontdekkingen, heerschte er op Curaçao, Aruba en Bonaire een ware guano-koorts. Overal werd naar phosphaat gezocht. Op Aruba ontdekte in 1873 of in het begin van 1874, de heer Henri Waters Gravenhorst belangrijke afzettingen van phosphorzure kalk op Serro Colorado, aan de zuidoostpunt van het eiland. Voor er echter tot ontginning kon worden overgegaan werd een langdurig proces gevoerd tusschen de Aruba Gold-Mining Company te Londen en het koloniaal gouvernement. Aan F. Isola was n.l. in 1867 voor 25 jaar het uitsluitend recht verleend om op Aruba goud en andere delfstoffen te ontginnen. Deze concessie was ten slotte overgedragen aan de Aruba Island Gold Mining Company, die nu hare rechten op de phosphaatlagen liet gelden. In zijn zitting van 1 Juni 1877 maakte de Hooge Raad uit, dat in deze concessie met het woord delfstoffen slechts metalen en metaalhoudende ertsen bedoeld waren, waartoe phosphorzure kalk niet behoort en dat dus voor de phosphorzure kalk van Serro Colorado geen concessie was verleend (Zie over deze zaak A.M. Chumaeciro Az., De Natuurlijke Hulpbronnen van de Kolonie Curaçao,'s Gravenh. 1879). Door deze beslissing kreeg het koloniaal bestuur de vrije beschikking over de phosphaatbeddingen; bij publieke inschrijving werd nu op 7 Jan. 1879 de concessie verleend aan Ch. B. Sewell te Londen, die in overleg met de Aruba Gold-Mining Company handelde. Het concessierecht werd bepaald op ƒ8 voor iederen uitgevoerden kubieken meter, met de verplichting van een minimum-uitvoer van 12000 M3 per jaar, dit alles ongerekend een klein uitvoerrecht en de scheepsongelden. Vergeleken met de bovengenoemde concessie-Godden verzekerde deze concessie aan de koloniale kas een belangrijke bate.

Tot ontginning der phosphaatbeddingen werd bij notarieele akte, op 18 Dec. 1879, verleden, de Aruba Phosphaatmaatschappij opgericht, die de concessie van Sewell overnam. Het maatschappelijk kapitaal der maatschappij bedroeg bij de oprichting ƒ226.000, verdeeld in 113 aandeelen van ƒ2000. Van deze verkreeg Sewell 56, waarvoor echter niets gestort werd, omdat men aannam dat zij de waarde der concessie vertegenwoordigden; 56 aandeelen werden onder de ingezetenen van Curaçao verdeeld; 1 aandeel werd bestemd als belooning voor aan de vennootschap bewezen diensten. Spoedig bleek het bedrijfskapitaal van ƒ112.000 te klein. De Curaçaosche aandeelhouders kwamen daarom overeen, dat elk houder van een aandeel ƒ1500 in leen zou verstrekken. De zaken gingen zeer voorspoedig en reeds in Mei 1883 - dat is het vierde jaar van haar bestaan - kon de maatschappij de leening van ± ƒ84000 aflossen en de verschenen rente afbetalen. Uit de jaarverslagen blijkt dat op elk aandeel van ƒ2000 aan dividend is uitgekeerd in

1883 ƒ2796.50
1884 ƒ2814.
1885 ƒ1360.50
1886 ƒ1189.
1887 ƒ1280.50
1888 ƒ612.70
1889 ƒ507.30
1890 ƒ1814.25
1891 ƒ1495.-
1892 ƒ615.70

te zamen ƒ14,485.45, op de 113 aandeelen dus ƒ1.636.855,85. Bovendien is over die jaren aan de Aruba Gold-Mining Company, overeenkomstig het contract ƒ236.744. 325 uitgekeerd. Sedert 1893 heeft de maatschappij geen dividend kunnen geven; de ontdekking van rijke phosphaatbeddingen elders had een belangrijke daling in den prijs van het product veroorzaakt. In 1895 werden de concessie-voorwaarden gewijzigd; de maatschappij moest voortaan twee derden van de zuivere opbrengst der uitvoerladingen phosphaat aan de koloniale kas uitkeeren. In het geheel is uit de phosphaatmijnen van Aruba tot 1914 verkregen een waarde van ruim ƒ9.000.000, een hoogst belangrijk resultaat, als men in het oog houdt dat het oorspronkelijk kapitaal slechts ƒ112.000 heeft bedragen.

Aanvankelijk bepaalde zich de ontginning tot de Cerro Colorado en de Cerro Culebra. Na een 15 tal jaren was de voorra