terug  begin  verderprepost
[p. 413]

De wijsgerige jaren 1891-1896

‘We hebben soms wat, als we erover praten, van twee jongetjes, die verliefd zijn op het zelfde meisje en nog niet jaloersch’.
1892:24
‘Ieder werk steunt op gedachte en overtuiging, laten wij dan probeeren dat het onze niet steunt op een onbewuste en losse of aangewaaide, of half geloofde maar op een bewuste’.
1893:16
‘Gorter (en ik) verklaarden het mooie en noodwendige eener juiste en complete voorstelling der dingen, die eeuwig en standvastig moet zijn’.
1893:63
‘De heuvel bij de weilanden, onder de dennen, wacht ons om onze discoursen voort te zetten’.
1894:22
‘ - en van stand is natuurlijk geen sprake want we maken zelf een stand’.
1893:13
[p. 415]

1891:48
Arthur van Schendel aan Frederik van Eeden. [E] (Amsterdam) 9 september 1891. - Fragmenten

En hier laat ik u een paar verzen zien, die mijn ziel zeggen. [...] Ik heb er maar weinigen aan mijn zeer intiemen laten lezen, ik wou ze u ook eens meedeelen en u vragen hoe u er over oordeelt - heel gewoon. Ik ben natuurlijk geen volger. Maar Gorter en uw werk vind ik mooi en heb ik lief gekregen.

[...]

Mocht het werkelijk een lichtzinnige onbescheidenheid zijn u lastig te vallen, verschoon me dan, ik ben pas zeventien jaar.

 

Arthur van Schendel (1873-1946) zou zich tot romanschrijver ontwikkelen. In latere jaren had hij een vriendschappelijke verhouding met Gorter. De schaarse documenten die hiervan blijk geven, dateren uit 1908. - (T: weinigen).

1891:49
Herman Gorter aan Frederik van Eeden. [E]
(poststempel
A'dam-Nijmegen, 19 september 1891). - Briefkaart

Amice! Heel plezierig om te komen. Maar nu is het lastige (altijd iets lastigs met mij) dat ik in Hilversum cricket-match heb. Nu wou ik je voorstellen dit: als jij je nu eens te half 3 of zoo op weg begaf naar Hilversum (achter Blijdenstein: schuttersheide) dan ging ik met je mee terug te half 4 dan hadden we nog een mooien tijd. Bevalt je dit evenwel niet, dan doe je het natuurlijk niet. Wies komt overdag wel, voor de koffie, maar geen plannen veranderen hoor Martha, want ze zal zich wel amuseeren. - Leve Kobus en Titia!

t.t. Herman

 

Jacobus van Looy en Titia van Gelder gingen zich verloven. Haar voordracht van de Mei had tot hun eerste ontmoeting geleid, zie 1889:64 plus commentaar.

1891:50
Uit het dagboek van Frederik van Eeden. [II, I]
21 september 1891. - Fragment

Gister Gorter en Wies gehad. Hij crickette in Hilversum. Gewandeld. Hij zei dat hij tegenwoordig altijd plezier had. Altijd.

1891:51
Frederik van Eeden aan Karel Alberdingk Thijm. [AB, p. 130]
Bussum, 25 september 1891. - Fragment

Ons schrijven is altijd benaderen, wij voelen mooie dingen, die nog geen woorden zijn. Wij leggen dat mooie dan aan woorden vast. En wij kunnen in emotie bombastische woorden schrijven waaraan de prachtigste dingen gebonden zijn. Maar als het niet innig en direct is, hebben wij er alleen zelf iets aan, door associatie. En dan nog alleen zoolang we die associatie goed herinneren. Anderen hebben daar niets aan - en wij ook niet meer als we er wat verder van af staan. Ik vind b.v. dat Gorter's laatste verzen veel te veel voor hem alleen geschreven zijn. Sommige regels zijn prachtig, maar anderen voel ik onzeker, den eenen dag zóó, den anderen zus - en ik geloof daarom dat ze eigenlijk als kunst niet deugen. Als we er iets moois bij voelen, komt het uit ons, en is het niet secuur verbonden aan 't geschrevene [.]

[p. 416]

Dit eenigszins blinde schrijven - als ik 't zoo noemen mag, gebeurt ons - behalve in al te diepe concentratie, met verlies van 't gezicht op de buitenwereld, zooals vermoedelijk bij Gorter - vooral wanneer we beheerscht worden door hevige emotie, onder een emotie staan. Het kan dan goed zijn, maar 't kan ook mis zijn.

 

Met Gorters laatste verzen zal Van Eeden doelen op de bijdrage in de augustusaflevering genoemd onder 1891:40. - De eigenlijke kwestie, de plotseling blijkende inadequatie van ervaring en vormgeving, ondanks en wellicht ook juist dóór verworven kunstvaardigheid van de maker, hadden Van Deyssel en Van Eeden zo juist zelf ondervonden en uitgewisseld (hun volledige uiteenzettingen in Briefwisseling Van Eeden-Van Deyssel, editie Van Tricht en Prick, Zwolle 1964). Hetzelfde probleem komt in september 1893 ter sprake tussen Van Eeden en Diepenbrock, naar aanleiding van Johannes Viator. Zie 1893:90. - (T: maar anderen voel ik).

1891:52
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B] Zonder plaatsvermelding, ongedateerd

Beste Fons! Kunnen wij Zaterdag bij je komen en het plan volvoeren? Wies en ik zouden het zeer gaarne doen. Waar zullen wij dan logeeren? Schikt het je misschien minder goed op dezen datum? Wij kunnen reeds te 2.28 in Den Bosch zijn, als we de aansluiting niet missen. Antwoord hier s.v.p. spoedig op; Wies laat je hartelijk groeten.

t.t. Pans.

1891:53
Uit het dagboek van Frederik van Eeden. [II, I]
6 oktober 1891

Zondag voor acht dagen met Herman naar Woudenberg gewandeld.

1891:54
Alphons Diepenbrock aan zijn zuster Lidwina. [DD, I]
('s-Hertogenbosch), 8 oktober 1891. - Fragment

Verleden Zondag en Saterdag zijn Herman en Wies Gorter hier geweest. Zij hebben bij Derkinderen gelogeerd, op mijn kamer gegeten en den volgenden Zondag toen het prachtig weer was hebben wij met zijn drieën een groote rijtoer gemaakt. Het was heel prettig. Van Gorter zijn vrouw hou ik veel; zij is heel lief en zacht, net een kind en heeft in alles plezier.

 

A.J. Derkinderen, schilder van de omstreden Processie in de Begijnhofkerk te Amsterdam, maakte in deze jaren een wandschildering voor het stadhuis van 's-Hertogenbosch. - (T: Saterdag).

1891:55
Herman Gorter aan A.F. van Hall, Abactis van Unica [K]
Amersfoort, 24 oktober 1891

Amice! Eenigen tijd geleden kreeg ik een briefkaart, ik geloof van Westerman, maar in allen geval van u.n.i.c.a om werk dat ik nog had. Ik heb om die oratie aan Fons geschreven, maar haar nog niet ontvangen. Bij hem raakt altijd alles weg. Ook vroeg hij om ‘mijne werken’. Deze zal ik in de volgende week sturen voor de biblio-

[p. 417]



illustratie
Wies Gorter-Cnoop Koopmans in 1891. Zie ook de toelichtende tekst op blz. 635.

[p. 418]

theek, mijn portret heb ik niet, ik geloof dat er geen in het Album is, maar zoodra ik het laat maken zal ik het gehoorzaam geven.

Dit alles wil je zeker wel aan Westerman of wie het dan ook was, zeggen.

t.t. Herman Gorter.

 

Zie voor het altijd wegraken van alles ook de correspondentie met Kloos over de eerste dissertatievertaling, september 1890. Het betreft hier waarschijnlijk de oratie over Aeschylus, die Gorter hield op 29 november 1890. Die is niet bewaard gebleven. - De jongerejaars Unicisten, in dit briefje genoemd, spelden hun namen in feite: F.A. van Hall en: Westermann.

1891:56
Recensie op ‘Mei’ in het katholieke letterkundige tijdschrift Dietsche Warande van oktober 1891. [BG, 1891, p. 496]
Vijf hedendaagsche dichters, door Pol de Mont. - 1. Herman Gorter

Zelden, misschien zelfs nooit, stond in de landen, laag bij de zee gelegen, - waar de taal, die wij spreken, het uit klanken geweven kleed is van de groote ziel der natie, - een dichter op, zoo geheel toegerust met al de hooge en subtiele hoedanigheden, welke een kunstenaar, reeds bij zijn eerste optreden, de sympathie van alle ‘bevoegden’ doen verwerven, als deze Herman Gorter. Zelden ook, misschien zelfs nooit, leefde onder ons volk een man, die zoowel in zijne emoties zelven als in de wijze, waarop hij die als kunstenaar uitdrukt, eene grooter, verrassender eigenaardigheid aan den dag legde.

Gorter is, nagenoeg onder alle opzichten, zoo geheel anders dan onze meeste Nederlandsche poëten, dat ik vruchteloos, ook onder degenen, die hem het naast staan, - Verwey (1), van Eeden (2), Kloos, - dengene gezocht heb, met welken ik hem zou kunnen vergelijken. In zijnen versbouw valt zeker wel een of ander overigens in 't oogspringend gebrek aan te wijzen, dat hij met Verwey gemeen heeft; in zijne beelden, juister gezegd: in de wijze, waarop hij door vergelijkingen zijne emoties toelicht, is wel eenige verwantschap met den dichter van Ellen op te merken; het geheel abstracte en subjectieve van zijne kunst kan wel eens herinneren aan Kloos' sonetten; daarbij echter beperkt zich de geheele overeenkomst, en voorzeker zou men, om deze parallel te kunnen voortzetten, zijn arbeid moeten leggen naast dien van een tweetal Engelschen, als Shelley of Keats, en van eenige der jongere Franschen: de symbolisten.

Dit laatste woord neem ik niet terug. Gorter is, in de litteraire beweging onzer dagen, niet maar een symbolist zonder meer, maar de symbolist bij uitnemendheid. Wat, volgens eene mededeeling van Maurice Barrès, de te vroeg gestorven Jules Tellier van zich zelven getuigde, schijnt mij opperbest den psychischen toestand van onzen Nederlander te kenmerken: ‘Ce que je pense se teinte de ce que je fais et vois. Ce que je fais et vois se transforme au gré de ce que je pense.’ Noch de eigen gewaarwordingen van zijn hart en de

 

[de noten 1 en 2 verwijzen naar artikelen en studies van de schrijver over Verwey en Van Eeden].

[p. 419]



illustratie
Achter het Rijksmuseum, 11 oktober 1891. Herman Gorter staande, derde van links. Zie ook de toelichtende tekst op blz. 635.

[p. 420]

gedachten van zijn intellect, noch de afzonderlijk in de algemeene solidaire eenheid der buitenwereld bestaande dingen, schijnt de artist Herman Gorter van elkander te onderscheiden. Wat hij voelt en peinst, alleen bij middel van beelden, aan het leven rond hem ontleend, - de verschijnselen, welke hem in dat leven rond hem treffen, alleen bij middel van reflexen uit zijn eigen ziel, weet hij ze ons, hoewel somtijds wel eenigszins vaag en duister, in geluiden te vertolken. Ik zou haast durven zeggen, dat Gorter in en buiten zijn ik, noch geest noch stof afzonderlijk opvat: zijne emoties aan den éenen, wat hij ziet en hoort aan den anderen kant, voor hem is dat alles noch min noch meer dan toevallige phoenomeenen van het groote ik, dat al het bestaande omvat, het AL.1 Deze verschijnselen in symbolen om te zetten, ziedaar wat Gorter als artist beproeft. Ziedaar tevens, in een enkel woord, den geheelen grond zijner zeer groote en innemende originaliteit in Mei. -

Wat is dus Mei?

Hoe anderen dit gedicht opvatten, is mij onverschillig. Buiten de overigens waardeerende regelen, welke De Gids vóor maanden aan dit boek wijdde, kwam geen enkele studie over Gorters werk tot mij. Des te onbevangener durf ik dan ook verklaren, dat ik de drie zangen van dit kunstgewrocht beschouw als de symboliseering, zoowel in de bijzaken en onderdeelen als in de hoofdgedachte, van het geheele emotioneele leven eens twintigjarigen kunstenaars in den morgen des jaars, - symbool van den morgen des levens.

Zal ik er mij nu aan wagen, de symbolen onzes kunstenaars éen voor éen op te lossen, ze open te snijden als zoovele vruchten, ten einde er de kern of amandel uit te halen, en ze den lezer op de punt van het mes aan te bieden? Het ware onbegonnen werk vooreerst, en erger nog: ontwijding. Wat heeft men er aan, te weten, wat bijv. met de liefde van Mei voor Balder bedoeld wordt, wanneer men de geheele poëtische inkleeding dezer abstractie niet te genieten krijgt? Liever tracht ik, in de volgende regelen, een zij het ook flauw denkbeeld te geven van Gorters zeer innemend kunstvermogen in het algemeen, van zijn schitterendste eigenschappen in het bijzonder.

De geheele grondslag, als ik het zoo mag uitdrukken, van Gorter's poëzie, is - zooals ik reeds mededeelde, symbolisme. Men hale de schouders niet op bij dit woord! Vooral wachte men er zich voor, een kleinen dunk te hebben van den geestesarbeid van hen, die zich op deze speciale soort van kunst toeleggen. Is het reeds heel wat te zeggen, een in de natuur voorhanden voorwerp eerst goed en scherp te zien, te zien in zijn geheel aesthetische verschijning, en het goed en scherp geziene daarna in schoone en edele kunstvormen weêr te geven, hoe veel subtieler is niet de taak van hem, die het gedachte in en door het geziene op zijn beurt in en door het gedachte wil verduidelijken? Niet het eerste beeld het beste zal volstaan tot het

[p. 421]

verwezenlijken van dát ideaal van kunst: dat beeld, dat symbool moet begrijpelijk genoeg wezen, om vizioen en gedachte beide volkomen te dekken, en daarenboven zoo suggestief als het noodig is, om ook voor anderen de emotie des scheppenden kunstenaars verstaanbaar te maken! Blijft de dichter aan deze dubbele vereischte te kort, dan kan zijn arbeid bezwaarlijk op artisticiteit aanspraak hebben.

In het vinden nu van zulke tegelijk comprehensieve en suggestieve beelden is Gorter éenig. Wel ken ik er onder onze jongere dichters, die eene enkele maal een symbool - even gelukkig als, of zelfs nog treffender dan de zijne - weet te vinden: ik ken er geenen enkele, die - gelijk hij, alleen in symbolen weet te spreken, bladzijden lang en boeken vol.

Een enkel voorbeeld moge hier een plaats vinden. De komst van Mei stelt Gorter voor, als het uit den nevel opdoemen eener gele boot, waarin, ‘vooraan en vóor het linnen zeil - een kind’. En nu karakteriseert hij al het frissche, lichte, jonge van Mei aldus:

 
‘Dit kind was louter, niets dan lieflijkheid;
 
Het zat zoo stil te staren, zoo verblijd
 
Blonken haar oogen in het schaduwlicht
 
Achter het zeil, zoo bloosde haar gezicht,
 
Zóo mooi, zóo zacht was zij, een rozeblad,
 
Geblazen door den warmen boschwind, dat
 
De beek afloopt onder den hazelaar,
 
En dan tusschen de lage weiden, waar
 
Het groen is en de hooge hemel blauw....’
 
[vw 1, 12; pocketed. 19]

De twaalf maanden stelt ons de dichter vóor in de volgende verzen:

 
‘Wie was ze? Van de twalef zusters éen,
 
Die op de zon staan, hand in hand, alleen,
 
Als 't spel van kindren in een kleinen kring.
 
Om beurten gaat er éen en breekt den ring
 
En laat de andren bedroefd achter, maar
 
Veel zijn hun tranen niet, het weenen waar
 
Zoo gouden licht is, kan niet durend zijn.’
 
[vw 1, 13; pocketed. 20]

Een eerste, allergrootste vereischte is het voor den symbolist, dat hij vorm en lijn, kleur en klank der dingen met scherp en verfijnd gehoor waarneme, met groote plasticiteit en edele welluidendheid weêrgeve.

Gorter is daarin een meester. Zijne vizioenen der natuur zijn van de allerhoogste dichterlijkheid, en op éen lijn te stellen met de beste plaatsen uit Shelley en Keats. Een heel klein tuiltje aanhalingen! Van geziene dingen eerst.

[p. 422]

Zeebaren:

 
‘Uit open plassen
 
Stonden golven als witte rammen op,
 
Met trossen schuim en horens op den kop.’
 
[vw i, 10; pocketed. 16]

Schelpen:

 
‘Duizenden volle mondjes bliezen dauw
 
En zout in ronde droppen op den rand
 
Van roodgelipte schelpen: van het strand
 
De bloemen, witte en geele als room, en rood
 
Als kindernagels en gestreepte, lood-
 
Blauw als een avondlucht bij windgetij.’
 
[vw i, 10; pocketed. 16]

Mei spiegelt zich in den waterspiegel:

 
‘Ze knield' om zich te kussen in den kom.
 
Maar toen vier lippen raakten en haar oog
 
Zijn glans vlakbij zag lichten, toen bedroog
 
Het water haar en vaagde rimpels in
 
De wangen van het beeldig kind; haar kin
 
Ging dobberen in golfjes. Zij bleef stil
 
Geduldig wachten tot de breede ril
 
Van de oevers wegstierf. Van haar mondje droop
 
Een kettinkje druppels; waar het viel, daar kroop
 
Een bloempjen uit den grond, een meizoentje.’
 
[vw i, 26; pocketed. 34]

En thans gehoorde dingen.

 
‘...Op 't gonzen van de golf dreef voort
 
Helderder ruischen als in droger woord
 
Vochtige klinkers; schelpen rinkelden
 
In 't glinstrend water glas en kiezel en
 
Metalen ringen, en, op veeren wiek,
 
Vervoerde waterbellen, vol muziek
 
Geladen, lichter wind.’
 
[vw i, 10; pocketed. 17]

Edoch, chaque médaille a son revers, en zulk revers vertoont ook Gorters dichting. Of ik er mij nu aan verkneukelen zal, hier het register van des dichters grootere en kleinere zonden op te maken? Och! de eerste de beste pedant is nog altijd bevoegd genoeg, om op bl. 14, 29, 41, 60, 63, 67 (duin en schijn, mooi en bloei, gordijn en trein, zoo en flauw, enz.) eenige handvollen nooit te wettigen rijmen; op bl. 22,

[p. 423]

59 en andere, eenige afschuwelijke klemtonen; op bl. 12, derden en vierden regel van onder, en 59, laatsten regel, feilen tegen taal en styl; op bl. 41, 59, 60, enkele onvolledige of manke verzen; op bl. 71 een paar onaffe strophen, te midden van het vele voortreffelijke van het geheel op te visschen. Toch kan ik niet nalaten de vergelijking van een mond met eene schel op bl. 34, van eene ster met een page op bl. 12, alsmede dat omkrullen van Mei's lippen op bl. 26 onschoon te heeten, terwijl het zeker niet gelukkig kan genoemd worden, den Germaansch-heidenschen Balder ook van de classieke Aurora te laten gewagen (bl. 70).

Eenen kunstenaar, met zulk een fijn gehoor, vergeef ik niet gaarne, dat hij een vers laat drukken als:

 
En u vond. Wie zijt ge? Woont ge alleen?
 
[vw i, 31; pocketed. 39]

Of dit:

 
‘Nu eens rilt éen snaar, dan d'aar, naar den aard....’
 
[vw i, 37; pocketed. 45]

Of nog dit:

 
‘Heel veel! Dit maakt ook een stil arm mensch rijk!’,
 
[vw i, 37; pocketed. 45]

't eerste door hyatussen, de beide laatsten door de opvolging van louter éenlettergrepige woorden geheel ongenietbaar.

Rijmen als spel-drempel, ver-schemer, lachen-wagen mocht een Herman Gorter zich ook al niet permitteeren.

Er is echter meer en erger te gispen in Gorter's Mei. De compositie - zeker zal deze kritiek meer dan éenen der allerjongste messiassen onzer letterkunde doen schaterlachen, maar wat kan het mij schelen? - de compositie van het geheel laat veel te wenschen. Er ligt tusschen de verschillende deelen van het gedicht zulk een opeenstapeling van verward dooreen geworpen stof, dat de architectonische hoofdlijnen van het gebouw niet duidelijk genoeg meer uitkomen. Ook is het naar mijn oordeel een fout tegen den smaak, de lieve Mei, na haar voor den Zonnegod Balder liefde te hebben laten bekennen, ook nog den kunstenaar, die haar bezingt, te doen beminnen. Van eenige onverstaanbare plaatsen en verzen gewaag ik niet.

Intusschen weet ik nog eene eigenschap van Gorter's arbeid, welke ik nog lang niet genoegzaam toelichtte. Mei is geschreven in een taal, wier zangerigheid in onze geheele Nederlandsche letterkunde zonder weerga is. De volgende verzen, juist de sympathieke aanvang van het gewrocht, zijn overheerlijk: men wordt het nooit moede ze, in de stilte der studeerkamer, bij valavond, in den rozigen glans van het Westen, met gedempte stem op te zeggen:

[p. 424]
 
‘Een nieuwe Lente en een nieuw geluid!-          [lente]
 
Ik wil, dat dit lied klinkt als het gefluit,
 
Dat ik vaak hoorde vóor een zomernacht
 
In een oud stadje, langs de watergracht. -
 
In huis was 't donker, maar de stille straat
 
Vergaarde schemer; aan de lucht blonk laat
 
Nog licht; er viel een gouden blanke schijn
 
Over de gevels in mijn raamkozijn.
 
Dan blies een jongen als een orgelpijp:
 
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
 
Als rijpe kersen, wen een lentewind          [jonge]
 
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
 
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
 
Van 't water, langzaam gaande, overal
 
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
 
Van eigen blijheid om die avondrust.          [de]
 
En menig moe man, die zijn avondmaal
 
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal
 
Glimlachend, en een hand, die 't venster sloot,
 
Talmde eene pooze, wijl de jongen floot.’
 
[vw i, 9; pocketed. 15]

De Antwerpse leraar Pol de Mont (1857-1931) had voor de Noord-Nederlandse letteren een ruime, esthetisch gerichte belangstelling. Zijn eigen gedichten vonden tenslotte geen genade bij de Tachtigers, noch bij de met hen vergelijkbare vernieuwers van de Vlaamse literatuur in de jaren '90. - De door de schrijver genoemde bladzijden zijn uiteraard die van de eerste druk van Mei. - (T: sonetten; passim artist; phoenomenen; gele; droger; styl; hyatussen; passim Gorter's).

1891:57
Alphons Diepenbrock aan Andrew de Graaf.
[DD, I] 's Hertogenbosch, 28 oktober 1891. - Fragmenten

[De herinnering] aan hetgeen je me in 't voorjaar hebt voorgelezen en toevertrouwd [is mij lief] omdat het de herinnering is aan jouw beste zijn, aan de sterkste spanning van een mensch en zijn grootste deugd. En omdat het de mooiste activiteit (van handelen ten minste) is, die mij mogelijk is in mijn tegenwoordige leven, om tegen een jong artiest, die nog ronddoolt in de verborgenheden van zijn ziel, te zeggen: ik wil luisteren, ik heb het vertrouwen en de liefde en daarom ook het begrip, en daarom ben ik zoo zeer verheugd over je brief en het nieuwe teeken dat hij mij geeft van jouw vertrouwen in mijn verwachtingen. Zoo heb ik met Pans gedaan en het was niet om mij plezier te doen dat hij op zijn fuif van mij zei, dat hij veel aan mij gehad had. Dat heeft hij ook, al heb ik nog veel meer aan hem gehad. Maar het is waar omdat de moeilijkheden, die het leven van dezen tijd schept voor het schoone, het zoo nodig maken voor een jong artist, die zijn werk nog niet als een beschermengel dagen en nachten om en naast zich weet gaan, dat er iemand is die de last met hem deelt van de zorg voor zijn ziel. [...] De f 60 zou ik als ik jou was aan van Deyssel niet sturen. Als het meer was zou ik je raden om bij te dragen in het fonds wat van Eeden

[p. 425]

administreert en waartoe Pans ook bijdraagt. Maar voor een jaar is f 60 te veel en voor meer jaren te weinig. Buitendien is v. Deyssel geloof ik in betrekkelijk goeden doen [...].

1891:58
Alphons Diepenbrock aan Antoon Der Kinderen. [DD, I]
's Hertogenbosch, 7 december 1891. - Fragment

[César] Franck representeert naar mijn idee in dit werk [Les Béatitudes] een principe van strengheid, zelfbeheersching, lijnigheid en beëngdheid, waar de meesten van ons door hun zwoele chaotische jeugdstemmingen nog niet rijp voor zijn en sommigen misschien nooit zullen worden. - Jan Veth lijkt veel meer op hem als v. Deyssel of Gorter.

1891:59
K.J.L. Alberdingk Thijm aan Arij Prins, te Hamburg. [FF, p. 387]
Bergen op Zoom, 14 december 1891. - Fragment

Gorter werkt zeer mooye zaken. Er zijn er hier maar heel weinige, zelfs onder zijn vrienden, die hem begrijpen.

1891:60
N.v.H. in het weekblad De Portefeuille van 15 december 1891. [BH, jrg. 13, nr 36, p. 1076-1077]
Rubriek: Het tooneel in Amsterdam. - Voordragen. - Fragmenten

De kunst van het voordragen is de laatste jaren sterk op den achtergrond gekomen. Voor een deel valt dit toe te schrijven aan de wijze waarop de rederijkers deze kunst beoefenden, eene wijze, die vervelend begon te worden, omdat zij te veel overeenkomst met den preektoon had; voor een ander deel uit gebrek aan stof bij ontstentenis van dichters. De tijd dat de dichters hun werk in het Nut en gezelschappen die de fraaie letteren beoefenden kwamen voordragen, is voorbij. Met het opbloeien der poëzie van den laatsten tijd zou men misschien mogen verwachten, dat ook de voordrachtkunst weder zal herleven.

Ik durf het betwijfelen, na de poging die ik den heer Rooyaards heb zien wagen om voorloopig in bescheiden kring de poëzie onzer jongste dichters te populariseeren.

[...]

De heer Rooyaards trad ook [evenals een inmiddels genoemde Duitse voordrachtskunstenares] voor een klein publiek op, in zwarten rok, en las uit het boek zijn verzen. Hij heeft zich waarschijnlijk het zeer prijzenswaardig doel gesteld om onze jongere dichters door een goede voordracht hunner poëzie voor bevooroordeelden duidelijk te maken; te doen hooren hoe de poëzie van Gorter, van Eeden, Kloos en Verwey gelezen behoort te worden.

[...]

Als algemeene kleur trachtte hij iets klagends in zijn stem te leggen en in dienzelfden toonaard las hij het geheele vers [Aphrodite, van H.J. Boeken, ‘juist niet de gelukkigste keuze’]. Mijns inziens verviel hij daardoor in een temerigen toon, die bij mij de herinnering opwekte aan den preektoon.

[p. 426]

Het Stervend Jaar van Albert Verwey werd met meer schakeering gezegd en kwam beter tot zijn recht.

[...] Naar ik vernam heeft hij met gedichten van Gorter, Kloos en van Eeden na de pauze meer succes gehad dan met hetgeen ik kon hooren. [Volgt, dat de recensent de nieuwere poëzie liever zelf leest; zij is wellicht te intiem en te kleurrijk voor een voordracht].

 

Op welke datum, waar en voor wie deze voordracht werd gehouden, blijkt ook uit de gesupprimeerde passages van dit artikel niet. De schrijver zal N. van Harpen, een redacteur van De Portefeuille zijn. Deze tijdgenoot van de Tachtigers (* 1858) was zijn journalistieke carrière vanuit de provincie begonnen. In de twintigste eeuw dreef hij een kunsthandel na zijn kortstondig hoofdredacteurschap van de Amsterdamsche Courant. Een sprekend portret van hem levert zijn eigen boekje Menschen die ik gekend heb (Rotterdam 1928).

1891:61
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Jaap Koenen en Jo de Graaf. [Z]
Zonder plaatsvermelding, ongedateerd

Lieve Jaap en Jo, Ik feliciteer jelui met dezen dag. het spijt mij dat ik er niets van merk. als ik nu maar niet zoo groot was dan ((kon)) zou ik mij wel ergens in de zaal verstoppen. Hij is er dan toch gekomen, Jo hè Nou hij verdient het wel het is een goede jongen, die Jaap een bovenste beste, dat weten wij maar wat goed. moeder in Berlijn Dous, Herman en ik hebben het al heel lang geweten en jij met je broertjes en zusjes weten het nu zeker ook al lang. - Hij is nu zeker al die dagen ongenaakbaar geweest dat kan ik mij zoo goed begrijpen maar da's niets, dat leit zoo in zijn aard dat kan hij niet helpen. hij meent het goed dat kan je wel aan zijn gezicht zien. En ga je nou zoo advocaat worden, wel, wel. Nou ik hoop dat jelui gauw een betrekking zullen krijgen. Hou maar veel van hem, Jo, en Jaap denk nog eens zoo af en toe aan mij en kom dan ook eens bij ons. dag Wies

 

De felicitatie betreft waarschijnlijk het promoveren van Jaap Koenen (geëngageerd met Jo de Graaf), op 18 december 1891; Douwe Gorter fungeerde daarbij als paranymf. - Zie voor de relatie met Koenen: 1879:3 en, via het namenregister, verscheidene latere documenten; in verband met dit briefje in 't biezonder 1890:35 en 36. - (T: interpunctie en ontbrekende hoofdletters geheel volgens het origineel).

1891:61A, 1924
J. Prinsen J. Lzn in De Groene Amsterdammer van 15 november 1924. [BE, nr 2475, blad 9]
Herman Gorter, 1864-1924. - Fragment

Toen ik op een avond van het jaar 1892 als jong onderwijzer de kamer van een vriend binnenstapte, klonk mij in een luiden lach tegemoet: ‘Nee maar, nou mot je dat eens lezen!’ Hij had Gorter's Verzen op bezien gekregen. En we hebben samen gelachen dien avond, gelachen, dat we om vielen, bij iedere nieuwe gechargeerde voordracht steeds in nieuwe verbazing, dat iemand zóó gek kon doen.

Verbeeld je dan ook:

[p. 427]
 
O, om een lichte bleeke meid
 
die nu opbloeie,
 
wat weeïge lelieheid
 
mij, warme, moeie.
 
[vw ii, 27; Verz. lyriek 96]

En dat voor jongens, die nog heelemaal waren opgegroeid in de glorie van Beets en Ten Kate en die knap waren in de redekundige en taalkundige ontleding!

 
De hooge lommerde boomen - de vèr-fijnvingrige toppen
 
naast elkaar en achter elkaar als vingerpoppen.
 
[vw ii, 101; Verz. lyriek 171]

't Was toch te dwaas om los te loopen, boomen die vingerpoppen zijn! Wat zijn vingerpoppen? Geef daar eens een definitie van. En dan lommerde boomen! Zou hij de lommert bedoelen? Dat zal lommerrijk moeten zijn; maar dan was het vers niet goed. De ontsteltenis was waarlijk te billijken in jonge schoolmeestertjes, die van den prins geen kwaad wisten en nauwelijks gemerkt hadden, dat al eenige jaren heel hun litteratuurhuisje in den brand der revolutie stond.

 

J. Prinsen J. Lzn (1866-1935) werd na zijn kweekschoolopleiding te 's Hertogenbosch onderwijzer in Den Haag. Daar behaalde hij o.a. het staatsexamen Latijn en Grieks, waardoor hij vervolgens Nederlandse Taal en Letterkunde kon studeren aan de Leidse Universiteit, als werkstudent. Zijn Handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis (1916) hanteert het schoonheidsbegrip van Tachtig als voornaamste leidraad. Sinds 1919 was hij hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

1892:1
Alphons Diepenbrock aan Andrew de Graaf. [DD, I]
's-Hertogenbosch, 20 januari 1892. - Fragmenten

Verleden Zondag is Pans bij me geweest. Het waren een paar heel prettige dagen. Hij wordt gelukkig niet oud zooals de rest van het intelligente menschdom met uitzondering van Toon en nog een paar. [...] Ik heb Pans het vervolg laten lezen wat ik geschreven had. Het gaat over dingen waarvan hij het meeste begrijpt en 't ruimst nagedacht heeft. Daarom liet ik 't hem liever eerst lezen dan K.[loos] en B.[oeken]. [...] Nu ben ik nog eenigszins in 't onzekere of ik het heelemaal abstract zal houden of de actueele dingen met name even zal noemen. Toon bijv. had ik op 't eind ervan genoemd. Maar Gorter raadde het mij af. Ik weet nog niet goed of ik zijn raad moet volgen. [...] Pans zei v/h stuk dat hij het zoo duidlijk niet zou kunnen schrijven. Dit is niet waar, maar dat hij het zeer ‘duidelijk’ vond, daar was ik heel blij om.

 

Met ‘het vervolg wat ik geschreven had’ bedoelt Diepenbrock het laatste (vierde) deel van zijn essay Melodie en gedachte, dat in de februari-aflevering 1892 van De Nieuwe Gids zou verschijnen.

[p. 428]

1892:2
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Helena Waller. [I]
Zonder plaatsvermelding, met potlood gedateerd, waarschijnlijk door Helena Waller: 7 februari 1892. - Fragmenten

Morgen heeft Herman voetbalmatch met de Amersfoortsche club hij wordt weer achtervolgd door de jongens om raadgevingen enz. Gisterenavond heeft er een een tijdje bij mij zitten praten terwijl Herman wat zocht. Ook wordt de stoep platgeloopen door angstige pa's dat is vrij wat vervelender want Herman is vanavond alweer in een privaatles geloopen toen hij zei dat hij niet meer dan twee nam begon de man zoo te jammeren dat Herman wel genoodzaakt was ‘al is het dan ook maar voor één uur’ toe te geven. -

 

(T interpunctie geheel volgens het origineel).

1892:2A, 1896
Een leerling over Gorter, aangehaald in De Kroniek. [BI, jrg. 2, 26 april 1896]
Rubriek:
Allerlei. - Een portret

In een allerjoligst en Kamper krantje waarvan de opzet, uitvoering en ernst die stad alle eer aandoen, komt een klein stukje voor klaarblijkelijk van een Amersfoortsch gymnasiast: een portret van Dr. H. Gorter voor vier jaar:

Zijn lichaam was sterk, volbloedig. Zijn gang veerkrachtig, de armen los langs 't lijf bewegend; zijn kop was terra-cotta kleurig, het haar gemillimeterd. Boven zijn dof-roode lippen van welke wel een mooie vrouw een zoen mocht hebben, krulde zich zijn blonde snor; helder en wit waren zijn tanden. Hij was gekleed in blauw of zwart cheviot: een kort jasje en een pantalon van snit uitstekend, rijglaarzen van engelsch model, welke hij geheel liet zien wanneer hij op een uur dat in de klasse slechts 't gekras van pennen werd gehoord, de broekspijp optrok, 't eene been over het andere lei en las uit boeken met geelen omslag, fonkelnieuw. Een hooge boord met omgeslagen punten, helder wit, stak af tegen zijn hals. Hij droeg een das van dofzwarte zijde, in breeden, eleganten knoopval, zelf gestrikt, onversierd. Op zijn opgewipten neus droeg hij een lorgnet. Hij droeg geen versierselen: ring noch ketting. Zoodra hij binnenkwam in 't schoollokaal schoof hij het venster open en zag naar buiten naar de stadsgracht, diep inademend de frissche buitenlucht.

 

Het Kamper krantje heb ik niet getracht te achterhalen. - (T: engelsch).

1892:3
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Helena Waller. [I]
Zonder plaatsvermelding, potlooddatering 25 februari 1892, waarschijnlijk door Helena Waller. - Fragment

Zaterdag a.s. komt Diepenbrock tot Zondagavond en Maandag 29 Februari moeder Gorter.

[p. 429]



illustratie
‘Dubbel’ portretfoto van Herman Gorter, door Willem Witsen. - Datering onzeker (jaren negentig).

[p. 430]

1892:3A, 1908
Willem Kloos in De Nieuwe Gids, jaargang 1908 [VW, jrg. 23, nr 5, p. 566-568] over zijn contact ca 1892 met Gorter - Fragment

In die tijden dan, nu een groote 15 jaren geleden, toen ik somwijlen het genoegen mocht smaken, den heer Gorter te mijnen huize te zien, heb ik steeds, bij ieder mij toen welkom bezoek, den volgenden hier scherp-omschreven indruk ontvangen, die nu door dit agressieve artikel [in De Nieuwe Tijd, ‘een soort van veldtocht tegen wat hij noemt de ‘burgerlijke’ poëzie’] weer is wakker-geroepen, en waarvan de oorzaak dus nog altijd in hem moet voortbestaan.

De heer Gorter dan verhoudt zich inwendig onverschillig, ja, zelfs eenigszins minderachtend tegenover het grootste deel der wereldliteratuur. - Als ik toch toentertijd toevallig een gesprek wou beginnen over beroemde, en ook inderdaad zeer waardevolle dichters, ik noem hier slechts Euripides, Hooft en Schiller, die allen zeker niet eersterangsche maar toch hooglijk te waardeeren poëten zijn, dan zag ik hem steeds met het hoofd schudden, zachtjes maar energiek, en zei hij kategorisch: ‘Dat is allemaal niets’.

Homerus, Aeschylus, Dante, die alleen waren voor hem de groote, goede artiesten, die hij vereerde en liefhad, en de rest kon, voor zijn part, verhuizen naar den voddenkoopman of hoogstens naar den kruidenier, die er dan zakjes van plakken mocht.

Men begrijpt dat iemand, die zulke hooge en dus beperkende eischen stelde, omdat hijzelf slechts werd aangedaan door het aller-aller-hoogste der wereld-letterkunde, geenszins gezegd kan worden een veelzijdige-inzichtigen, goed onderscheidenden kritischen geest te bezitten: hij ging uit van onmogelijke, onpraktische principe's, hij trachtte zich eigen te maken een als bovenaardschen blik op de wereld-letterkunde, en daar ik zelf veeleer een natuur heb, die in alles het goede tracht op te merken, ging het niet wel voor mij aan, in dat absolutisme van mijns gastvriends misprijzen en mooi-vinden iets inderdaad bewonderenswaardigs te zien. Ik vond het alleen curieus, zooals dat bijv. ook een uitvaardiging van den Koning der koningen, Menelik, kon zijn.

Eigenlijke literaire gesprekken hielden wij dan ook nooit: wanneer ik onverwacht het een of ander opwierp, b.v. hem zijn oordeel over een schrijver vroeg, was Gorter's eenig bescheid gewoonlijk een sekonden-lang orakelen op beslissenden, geen tegenspraak duldenden toon, gepaard aan een naar achtren weg-werpend gebaar met zijn naar beneden gehouden rechterhand over alles, zoo o.a. het naturalisme, wat hem niet eersterangsch leek in de kunst. Men begrijpt, dat van een wezenlijke letterkundige conversatie, waar elk der beide sprekers op bedaarde wijze zijn meening zegt, en ontwikkelt, en men, zoo, ten slotte, al kan men 't onderling niet eens worden, toch elkanders opinie leert kennen en waardeeren, bij die houding van Gorter - hij was de diktatoriale abruptheid zelve - in 't geheel geen kwestie kon zijn. Ik zweeg maar, als hij sprak, al dacht ik anders dan hij, want ik schreef, zooals 't ook was, zijn alle diskussie afsnijdende bruuske positiefheid toe aan zijn jeugd en de betrekking die hij bekleedde - hij was toen gymna-

[p. 431]

sium-leeraar - waardoor hij naïevelijk, ook tegenover zijn geestelijke gelijken, kwam te spreken, als stond hij voor zijn klas.

Zijn heele houding tegenover de letterkunde was toen een exklusivistische, omdat zijn temperament exklusivistisch is, en het is belangwekkend, dit te weten, omdat hij daardoor blijkt, reeds van den beginne aanleg gehad te hebben voor een meêdoen met die meest exklusivistische van alle partijen, die zich de socialistische noemt. [...]

 

Aanleiding tot deze beschouwingen van Kloos onder de titel Over Herman Gorter als denker en kritikus, waren de door Gorter herschreven en in De Nieuwe Tijd 1908 en 1909 gepubliceerde artikelen Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland (herdrukt in Verz. Werk iii, p. 113-319). - De verhouding tussen Kloos en Gorter, voor en na Gorters overgang tot het socialisme, is in zijn ontwikkeling geschetst in het opstel van E. Endt, Herman Gorter en de Tachtigers, dat te vinden is in de bundel, door G. Stuiveling geredigeerd, Acht over Gorter (A'dam 1978). - Het artikel van Kloos, waaruit het bovenstaande fragment genomen is, werd herdrukt in zijn Letterkundige inzichten en vergezichten iii (Nieuwere literatuurgeschiedenis viii), A'dam z.j., p. 171-183. - (T: principe's; naar achtren; passim: Gorter's).

1892:4
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
Amersfoort, 7 maart 1892

Amice! Wies en ik feliciteeren je hartelijk en Kitty ook met de tweede dochter. Ik hoop dat je haar als een mooie vrouw zult zien. - Wij maken het heel goed en ik ben zooals gewoonlijk in de laatste jaren aan het werk. Of het goed wordt, daaraan probeer ik zoo weinig mogelijk te denken. Wies maakt het best en is gelukkig en tevreden; zij is bijna weer geheel de oude zooals vóórdat Mama stierf. Dat wìj geen kinderen hebben is natuurlijk wel eens hard voor ons allebei, maar toch ben ik gelukkig in mijn werk en zij in mij.

Wij zullen nu toch wezenlijk eens bij jelui komen in deze lente als Kitty weer heelemaal beter is en je ons hebben wilt. Weer eens van Zaterdag tot ((Maandag))Zondag-avond.

t.t. Herman G.

 

‘Mama’: Gorters schoonmoeder, gestorven 13 november 1891.

1892:5
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Helena Waller. [I]
Zonder plaatsvermelding, 7 maart 1892. - Fragment

Ik wou zoo graag dat ik een werk voor je wist dat je niet inspande en toch bezighield. Herman heeft mij in der tijd zijn Grieksche dictaten laten overschrijven die hij noodig had ik moest daarvoor Grieksche letters leeren dat was een aardig werk zonder dat het mij vermoeide ik had toen ook zoo iets noodig.

[p. 432]



illustratie
Wies Gorter-Cnoop Koopmans met een nichtje uit haar familie. Circa 1894.

[p. 433]

1892:6
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B]
Zonder plaatsvermelding, 15 maart 1892

Beste Fons! Douwe is een week geleden heel erg ziek geworden. Longontsteking met pleuris. Al dadelijk zijn de verschijnselen zoo geweest, dat er angst was. Hij is minder en minder geworden en eindelijk is hij van middag zacht gestorven. Hij heeft niet geweten dat zijn gelukkig leven uit zou zijn. Wies, Moeder, Jo Jonker en ik waren er, en we blijven nog eenige dagen op Meerenberg.

t.t. Pans.

 

Gorters éen jaar oudere broer Douwe was in 1890 als arts aangesteld in het gesticht Meerenberg te Santpoort-Bloemendaal. Hij had zich verloofd met Jo Jonker. - In de eerste boekuitgave met nieuw werk van Gorter die er na deze jaren zou verschijnen (De school der Poëzie, 1897) komt onder de titel Doodsgezicht een gedicht van acht regels voor, waarvan de laatste luidt: ‘Mijn broer. Hij staat in zijn oude lacheglans.’ De foto van Douwe Gorter (zie illustratie) lijkt deze regel te illustreren.

1892:7
Alphons Diepenbrock aan Andrew de Graaf.
[DD, I]
['s Hertogenbosch] 17 maart 1892. - Fragment

O het gelijkmatige leven waartoe ik me zelf wil overreden, ik ben er niet toe gemaakt, voor dat eeuwig hetzelfde tempo, en het fantoom van mijn Ik neemt er niet altijd genoegen mee als mijn zichtbare Ik wat zijn nar is, altijd maar dezelfde kleine bewegingen maakt. [...] Jij kent dien toestand ook, zeg je, Droesem, maar wat je niet kent, dat is door die gure stemmingen heen en die Noordoostenwind, die er gaat door je ziel, die zenuw-moordende tyrannie van een dwangleven, dat maakt al het denkbeeldige van je stemmingen dadelijk reëel en verklaart en bewijst daghelder het recht van je lamste en zwartste gedachten. Zie, als je mijn vriend bent, en dat ben je, ik weet het, hoor dit dan geduldig aan. Jij bent de eenige tegen wie ik het goed kan zeggen, want de anderen, Toon en Pans, die staan er te ver af, en zijn te vast en te sterk om deze zorgen te kennen. Want zij zijn op 't oogenblik de eenige met van Deyssel misschien die puur en vrij staan midden in het andere.

1892:8
M.W. van der Valk aan Alphons Diepenbrock. [DD, I]
[Auvers s/Oise, ca 20 maart 1892]. - Fragmenten

O Fons als ik denk hoe 't zal zijn als 't nieuwe mooi er heelemaal is (hoe lang zal 't nog duren), dan weet ik haast niet wat beter en mooier is, nu of dan. Maar we zullen nu nog zoo veel moois maken en we hebben misschien nog het meeste en beste en wat is Toon dan 'n vent die dat nu al zoo voelt, ofschoon ik niet denken kan dat hij 't maakt. Maar hij staat zoo mooi in de tijd. Maar hij is voor mij nog te weinig in de tijd, je weet wel wat ik bedoel. Hij heeft nog zoo kanten van 't barre leven die hij niet weet en niet verdragen kan, licht als hij is, dat hij nog niet kan maken de dingen. Trouwens dat kan nu niemand, Gorter is er ook al dicht bij, die hoort voor mij al bij de toekomst in veel dingen, maar 't zal nog lang duren, daar zal nog veel dynamiet moeten gebruikt worden voor 't zoo ver is. [...] Weet je iets van Gorter? is ie erg beroerd over zijn broer? Ze zijn zoo goed voor mij en Wies heeft aardige dingetjes voor ons kindje gemaakt, zoo hartelijk.

[p. 434]



illustratie
Douwe Gorter (1862-1892).

[p. 435]

1892:9
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
Zonder plaatsvermelding, 3 mei 1892. - Briefkaart

Amice! Wij zullen graag komen. Ik antwoord zoo laat, omdat wij door het trouwen van Wies' broer misschien niet konden. Maar nu kunnen we toch en dus Zaterdag a.s. over 8 dagen komen we te Piet Gijs, met de eerste trein die we van hier na 12 uur kunnen nemen.

t.t. Herman G.

 

Zaterdag a.s. over 8 dagen’ = 14 mei. Op 15 mei zou Verwey jarig zijn, en Gorter en zijn vrouw waren waarschijnlijk voor het weekeinde uitgenodigd. - Piet Gijs: het later nog slechts voor laden en lossen gebruikte stationnetje Noordwijkerhout (bij de Piet Gijzenbrug).

1892:10
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
Amersfoort, 9 mei 1892. - Briefkaart

Amice! Nu moeten we toch weer wèl naar een feest ((bij)) voor het trouwen van mijn zwager, op aanst. Zaterdag en Zondag. Het spijt ons erg. Vinden jullie nu goed als we ons zelf inviteeren een van de volgende Zater- en Zondagen? - Wij hadden zooveel zin om bij jou te komen en zoo weinig in dit feest, maar we kunnen er niet af.

t.t.H. Gorter

 

Op de genoemde ‘aanst. Zaterdag en Zondag’, 14 en 15 mei, werd wellicht ook de duinfoto gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van Wopco Cnoop Koopmans met Ada Wolterbeek (op 19 mei).

1892:11
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
(postmerk Utrecht-Zwolle, 16 mei 1892). - Briefkaart

Amice! Wel gefeliciteerd met je verjaardag. Het speet me zoo dat we er niet bij waren, maar we hopen nu een v/d eerste Zondagen te komen. Groet Kitty, ook van Wies

t.t. Herman G.

1892:12
Ferdinand Keizer in De Nederlandsche Spectator naar aanleiding van de Van-Goghtentoonstelling. [OO, 21 mei 1892]. - Fragmenten

Kunstenaars en beschaafd publiek, zij gaan tegenwoordig zoo wijd uit elkander, dat het moeilijk is zich voor te stellen, dat beide bij elkander hooren. Zoolang toch de wereld meende vooruit te gaan in ontwikkeling en beschaving, heeft men den menschen wel geleerd, dat artisten uitverkoren wezens waren, ja maar, wezens, wien het als bij goddelijke gunst geschonken was, om beter te voelen dan de leeken; wien het ingegeven was, om leed en vreugde van hunne naasten te vertolken; die veredelend werkten op hunne omgeving. Maar thans? Gorter gaat over ons heen en al de groote geesten, wier taal met de onze niets als de letters gemeen heeft.

[In tegenstelling tot de Nieuwe-Gidsdichter en de pointillistische schilders waardeert de schrijver Van Gogh, en vervolgt dan:]

Doch met des te meer afkeer leert men de kunst van zoovele andere beschouwen, die abnormaal zijn uit zucht tot het ongewone, uit jacht naar oorspronkelijkheid, uit een bewust willen, om iets ongerijmds voort te brengen. In hen stuit men op ziekelijke navolging: bij Vincent van Gogh ziet men de eigen persoonlijkheid.

[p. 436]



illustratie
Groepsfoto bij het huwelijk van Gorters zwager Wopco Cnoop Koopmans, mei 1892. In het midden, bovenaan, Herman en Wies Gorter. Zie ook de toelichtende tekst op blz. 636.

[p. 437]

Omtrent de schrijver vond ik geen nadere gegevens. Deze (eerste!) Van Goghtentoonstelling werd gehouden van 17 mei tot 6 juni in het gebouw van de Haagsche Kunstkring. Een van de organisatoren was R.N. Roland Holst. - (T: artisten).

1892:13
[NN, nr. 514]

Op 22 mei speelde Gorter voor Amstel's cc in een competitiewedstrijd mee.

1892:14
Mevrouw J. Gorter-Lugt aan Jo de Graaf. [J]
Berlijn, 31 mei 1892

Beste Jo, Vindt je het niet heel erg dat ik je nog in het geheel niet schreef? ik ben in de laatste dagen begonnen eenige brieven uit die droevige dagen te beantwoorden, en zoo komt mij nu ook jou hartelijke brief in handen, en zonder verder iets te lezen dan juist jou brief, zet ik me neer om een beetje met je te praten. Het is nu over veertien dagen al een vereljaars geleden, dat hij heengegaan is; maar zie je, Jo, hij had zooveel en hij gaf zoo veel, dat ik geloof dat ik hem toch wel altijd bij me hebben zal; zie je, dat is onze troost, dat hij zoo trouw en zoo vol liefde was; zeg je Mama, want ook haar brief las ik zoo even over, dat het ook waar is wat zij gevoeld heeft, dat hij mij een sterke steun is geweest op mijn eenzamen weg, en dat dit van die geestelijke dingen, (ons erfdeel) zijn, die niet weggenomen kunnen worden. Het was zoo lief van je Mama mij te schrijven, bedank er haar vooral voor. - Je zegt in je brief: Wat zullen we toch doen? maar ik zal je wat zeggen, Jo! wij, de kinderen zonder vader, van wie de herder is heengegaan, zoo als je zegt, zullen ons nauw aanéénsluiten, nog nauwer dan vroeger, als 't mogelijk is, en trachten te zijn zoo als hij het zou wenschen, dat is stil en krachtig. Zie je ik heb nu één zoon en drie dochters, ik zal trachten voor hen te zijn, wat ik kan, en dit zal wel niet moeielijk zijn, want zij hebben mij zeer lief, en willen ook in zijn geest leven. Je moet denken het leven van gemis is mij niet vreemd, de schaduw die er op mijn weg ligt is nu wat breeder geworden, maar zonder zon was ik nooit, ik heb die wel eens niet gezien, maar ze was er toch altijd, dat lag aan mij.

Het deed me zoo'n goed jou zoo bedroefd te lezen en Jaap zoo bedroefd te zien; groet hem hartelijk van me, en denk met je beidjes soms eens aan je zoo liefhebbende

Mevrouw Gorter

Nina stuurt veel groeten

 

De brief is een reactie van Mevrouw Gorter op de dood van haar oudste zoon, Douwe, en de rouwbetuiging van Jo de Graaf. Zie voor haar en voor de geestelijke-familieverhouding (‘ik heb nu één zoon en drie dochters’): 1890: 42. - Een vereljaars: een kwart jaar (gewoonlijk verreljaar). - (T: Vindt je; jou brief [2 ×]; deed me zoo'n goed).

1892:15
[NN, nr 516]

Op 6 juni speelde Gorter voor Amstel's cc in een competitiewedstrijd mee.

[p. 438]

1892:16
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
(Postmerk A'dam-Nijmegen, 8 juni 1892). - Briefkaart

Mogen wij Zaterdag en Zondag komen?

t.t. Herman Gorter

1892:17
Alphons Diepenbrock aan Andrew de Graaf. [DD, I] ('s-Hertogenbosch) 15 juni 1892. - Fragment

Gorter zijn nieuwe werk is af, een nieuwe phase van Balder. Hij onderhandelt met Versluys over de druk.

 

De Balderfragmenten werden door Gorter in De Nieuwe Gids van augustus 1893, maar nimmer in boekvorm gepubliceerd. Zij zijn te vinden in het Verzameld Werk deel ii, blz. 219-232; in Verz. lyriek blz. 281-294.

1892:18
Frederik van Eeden aan K.J.L. Alberdingk Thijm. [AB, p. 163-164]
Zonder plaatsvermelding, 16 juni 1892. - Fragmenten

Mijn boek [Johannes Viator] is af [...]. Het zal nu wel over eenige weken uitkomen. Ik zal je een exemplaar sturen, jou en Gorter. De opinie van anderen kan mij niet schelen. Die van Gorter weet ik al die van jou wil ik graag per brief hooren. [...] Er is veel nieuw werk te verwachten. Van Gorter o.a.

1892:19
[NN, nr 518]

Op 19 juni speelde Gorter voor Noord Holland een wedstrijd buiten de competitie tegen Zuid Holland, in Velsen.

1892:20
Herman Gorter aan Frederik van Eeden. [E]
Zonder plaatsvermelding, 22 juni 1892

Beste Free! Een droevige tijding heb ik je te melden. Ik kan niet mee naar Thuringen. Het spijt mij zoo, want ik verheugde mij erg, daar een 10 dagen in vrijheid rond te loopen, maar het gaat niet. Wies moet op Oosterhout zijn omdat de de Roevers daar komen en nu voel ik dat het onmogelijk voor me is haar daar met ((mij)) haar papa alleen te laten. Je weet ongeveer hoe hij is; hij heeft altijd een buitengemeen slechten invloed op haar zenuwen en het ((zou)) is dus niet goed haar alleen te laten met hem omdat ((ik)) je nooit kan weten hoe hij tegen haar met zaniken zal beginnen. Als ik er bij ben doet hij dit niet.

Hoewel ik wel wist dat de Roever misschien kwam, dacht ik toch dat hij het waarschijnlijk niet heel prettig vond en het dus niet doen zou; maar Zaterdag ben ik hem dat gaan vragen en hij komt ± den 15den. Als Wies hier gebleven was in Amersfoort, zou ik natuurlijk gemakkelijk mee hebben kunnen gaan, maar ik heb mezelf altijd beloofd om goed voor ((haar)) het welzijn van haar hoofdje te zorgen, dus nu gaat het niet.

[p. 439]

Het spijt me erg, want ik had graag met jou en Martha gewandeld, gegeten, geslapen en gelachen.

 

t.t. Herman.

Ik hoop ((niet)) dat je je hierdoor niet laat terneerslaan.

 

(T: Thuringen).

1892:21
[NN, nr 519]

Op 26 juni speelde Gorter in een competitiewedstrijd mee voor Amstel's cc.

1892:22
Albert Verwey aan Henriëtte van der Schalk. [C]
Amersfoort, 10 juli 1892. - Fragmenten

Wij zijn hier nu eén dag en in een natuur van boomen en water ben ik begonnen mij te verstaan met Gorter.

De vriendelijkheid van natuur en weer doen meê.

Het is voor het eerst dat ik me versta met een tijdgenoot. Verstaan, d.w.z. ik onafhankelijk volgroeid en hij ook, en nu bij elkaar komen en onze gedachten over kunst laten uitwandelen en zien waar in ze gelijk zijn.

De hoofdzakelijke zijn gelijk; dat zagen we gister al. ((Tegenover)) Door al de dwalingen in kunst, van de tijdgenooten, voelen wij eénzelfden weg rechtuit gaan: een geheel van hollandsch leven dat kunst wordt: ieder het zijne gevend zooals hij het ziet, met zìjn aandoening.

Het is mooi zulke dingen lang te voelen en ze dan in eens te zeggen tegen elkaar en te zien dat ze nu een vorm hebben waarin men ze met zijn beiden kent.

 

Hij is zinnelijker natuur dan ik en minder dan ik door reflectie geleid op bijwegen: daardoor heeft hij den grooten wil van alleén zoó'n kunst altijd onverbrokkelder dan ik in zich gehouden en daardoor doet hij mij goed als een jonger broer die de lessen van zijn vader nog van korter geleden in het geheugen heeft en ze den ouderen zeit die ze haast weer vergeten ging.

Dit is voor eén dag genoeg. Kitty roept me. Wij gaan uit, den heelen dag. Ik wou dat jij zooveel zon kreeg.

Veel groeten, tot gauw weer

Alb. V.

 

Maandagochtend Bij volle maan en sterrelucht gister den berg opgewandeld: met Gorter en Diepenbrock. Aan de thee hadden Kit en ik verteld van Italië en onder weg zette ik het voort. Ik vertelde van de marmeren bedelaars die als levende schooiers hurkten in een kerkje in Verona, van de Nacht van Michel Angelo die leit weggestopt in een gewit hok onder den grond: erboven een gewelf van pompeuze decadence; - van een meisjesportret van Rubens in een museum te Florence; een essens van bloemen juweelen en glimlachen in een hoek van de rechte zalen: - en hoe tus-

[p. 440]

schen al het voorbijgaande Italiaansche leven die blijvende kunstwezens stonden, en die dat gemaakt hebben waren toch ook maar gewone kerels.

Diepenbrock zei toen dat ik het dan wel niet eens zou wezen met de bewering dat de werkelijkheid de hoofdzaak is waar alles uit komt. Hij bedoelde: de werkelijkheid op zich zelf is niets, maar dat wat wij aangedaan door de werkelijkheid voelen, het gevoel((d)) en het beeld in ons, dat is het.

Daar waren we 't alle drie over eens en dat liepen we maar al voor elkaar te illustreeren. De schoonheid in ons is het: de muziek waarin ze zich uit in de eerste plaats, is het allereerstbewonderenswaardige van onze uitingen, van de mooie verzen.

Gorter kwam ertegen op dat ze zijn verzen om de rëeelheid prijzen: die stommerts: alsof dàt de hoofdzaak is.

Onder 't spreken door keken we naar de glimwormpjes: net groene juweelen tusschen de struikblaren; naar de maan groot en oranje, niet ver boven den horizon; naar de sterrepuntjes tusschendoor de zwarte boomen: toen we boven waren praatten we niet meer: laten we nu maar niet meer ervan praten, zei Gorter, we zullen 't wel doen. Toen we terug liepen stilletjes, zei Diepenbrock: ik geloof dat we nu drie tevreden menschen zijn. Ja, zei Gorter, heel sereen. En zij vertelden elkander hun droomen, gekke en mooie en we lachten en schaterden in den maneschijn.

 

(T: hollandsch; rëeelheid; stommerts).

1892:23
Albert Verwey aan Henriëtte van der Schalk. [C]
Zonder plaatsvermelding, 12 en 15 juli 1892. - Fragmenten

Dinsdagochtend. Gisteravond heeft Gorter een stuk voorgelezen van zijn groote gedicht ‘Balder’.

Het waren fijne, juist gevatte stukjes waarneming van natuur, aan elkaar gereid in rijmende vijfvoeten van iets strakker makelij dan Mei, voortdurend even fijn-gaaf van klank als fijn-vast van bewoording.

In de trillingen van het mooie timbre als in een atmosfeer en verlichting staan die observaties.

Wij spraken er na over en waren het eens dat terwijl hij in Mei uitging van het rhythme en dan tot het beeld kwam, hij hier uitging van het beeld, nog niet los van de werkelijkheid, en het verklankte.

Door dat waarneming-achtige, dat nog niet losse van de werkelijkheid, vonden we, was zijn aandacht vast gebleven op stukje na stukje in elks verband met de werkelijkheid en had niet geweid over het geheel van een onafhankelijke verbeelding.

Hij wist daarom ook niet of hij het wel uit zou geven - tenzij om andere redenen -, want hij voelde dat het hem mogelijk, en mooier zou zijn een ding te maken van van de werkelijkheid losse fantasie.

Vrijdagmiddag. Wij zijn in Haarlem. Morgen komen de Gorters

[p. 441]

er ook, bij haar vader. We zullen ze dus meer zien. Tot besluit gisteravond een gesprek gehad: het groote. Onze andere persoonlijkheden naast elkaar gezet: onze verwantschap vastgesteld. Wij waren het eens dat hij de man was van de zintuigelijke aandoening - Kloos en ik, eminent verschillend van hem, - de dichters van de gemoedsaandoening. Hij geniet in zichzelf. Wij voelen de aantrekkingen en de óverstroomingen van gevoel tusschen mensch en mensch.

Maar Kloos verschilt van mij doordat de soort van zijn aandoening verdrietig en twijfelend is, die van de mijne blij en geloovend. En daarin is Gorter weer verwant aan me, want wat hij aan gemoedsleven beleeft is soortgelijk met het mijne.

 

Dit hebben we bepraat op de wallen van Amersfoort, terwijl de hooge boomen spiegelden in het lichte water. Maar lees het niet alsof je nu Kloos, Gorter en Verwey op een blaadje hebt, maar bewaar het als een eerlijke spiegel van wat Gorter en ik gedacht hebben over Kloos en onszelf in Juli 1892.

 

Balder: zie commentaar bij 1892: 17. - (T: gereid).

1892:24
Albert Verwey aan Henriëtte van der Schalk. [C]
Zonder plaatsvermelding, 23 juli 1892. - Fragment

De heele week hebben geen gedachten in me zoo klaar willen wezen, dat ik ze schrijven kon.

Kit en ik, of ik en Gorter hebben gewandeld en gepraat, gelezen en kunst gezien, maar het was allemaal een mooie volte en niet de lichte enkelheid van de gedachten erboven, die willen dat ik ze schrijf.

Toch was er wel eén Idee, maar die broeide tusschen ons, mij en Gorter, als we praatten, die van: het Leven, waarvan we 't beeld willen scheppen in ons werk is niet een mensch-leven, een stukjeland-leven, - maar het leven van de heele Aarde met al haar groei van planten, beesten en menschen, en menschenwerken en -woorden, - zooals het leeft tusschen de gesternten.

Het Heelal te voelen, zóodat het in ons als eén Gevoel wordt, zóodat uit 't eéne gevoel eén Verbeelding komt: dat is de Idee en de Wil die in ons gekomen zijn, in elk als een aparte geboorte en waarover pratend we elkaar verstaan.

We hebben soms wat, als we erover praten, van twee jongetjes die verliefd zijn op hetzelfde meisje en nog niet jaloersch.

We vertellen elkaar hoe we ertoe gekomen zijn. We wijzen aan in elkaars werk wat van vroeger er al naar heenwijst. We verbazen ons dat zoo'n eénzelfde wonder in ons tweeën bestaat.

Toch moet alles nog veel klaarder worden, maar wij wandelen er maar onderdoor.

[p. 442]

1892:25
Albert Verwey aan Henriëtte van der Schalk. [AA, p. 69]
Haarlem, 2 augustus 1892. - Fragment

Wij komen den 16den. Vooraf ga ik met Gorter naar Antwerpen, naar 't Landjuweelfeest. De optocht moet zeldzaam mooi worden.

1892:26
Herman Gorter aan Helena Waller. [I]
Haarlem, 11 augustus 1892. - Briefkaart

L.L. [ = Lena] Zou je alsjeblieft bij Antje Hollenberg willen vragen of ze net als verleden jaar kan zorgen voor lakens, handdoeken, servetten enz., of dat we ze mee moeten brengen. Liever dat zij er voor zorgt. Zilver brengen we mee. Wil je dat alsjeblieft gauw schrijven. - Ada heeft het nogal goed gemaakt, vindt je niet.

t.t. Herman

 

Antje Hollenberg was waarschijnlijk de Zandvoortse, die tijdens afwezigheid van de bewoners de inventaris van het vakantiehuisje beheerde, waar de broers van Wies en zijzelf, met hun echtgenoten zomers vaak verbleven. Het was eigendom van Jeroon en Marie de Vries (zie 1890:34). ‘JerMar’ bestond tot in de hongerwinter; toen moest het houten optrekje in de behoefte aan brandstof voorzien. Een afbeelding bevindt zich op een schoteltje dat in de familie bewaard wordt. - (T: vindt je).

1892:27
Albert Verwey aan zijn broer, Chris Verwey. [AA, p. 73]
Zonder plaatsvermelding, ongedateerd

Beste Chris, Voor je verjaardag een brief uit België. Ik vier hier wel. 't is hier een en al feest, wij zeggen al: de Antwerpenaren hebben hun ontbijt-optochtjes, hun koffie-drink-optochtjes en hun diner-optochtjes. En ieder optochtje is met muziek. De groote gekostumeerde optocht van gister was prachtig. Drie uur lang stonden ik en Gorter op een richeltje van een fruitwinkel te bewonderen. Kleurig en muzikaal leven en bedrijvig-zijn in een mooi zonweer. Onze 16de eeuwsche vaderen zijn toch maar aardige lui geweest: - vanochtend wedstrijd van wielrijders. Vanmiddag wedstrijd van paardrijders. Terwijl ik dit schrijf zitten we ons even te voederen voor de vermoeienis van die aan te zien...

Gorter is een prettige gezel: altijd opgeruimd en open voor al wat goed en mooi is. Dan is het leven toch wel een geluk als je zoo al het mooie om je heen vriendelijk ontvangt en alle menschen en dingen aan het woord laat...

 

(T: 't is).

1892:28
Uit het weekblad Nederlandsche Sport van 27 augustus 1892 en volgende weken. [NN, nrs 527 en 529]
Rubriek: Cricket. De Engelsche tour (20-27 aug.). - Het vertrek

Iedere echte Hollandsche cricketer, die in den avond van den 20 Augustus aan het station van de Holl. Spoor te 's-Gravenhage was, moest zijn hart voelen zwellen bij den aanblik van het gecombineerde elftal, dat de eer van het vaderland aan de overkant van de Noordzee zou gaan ophouden. [...] Voorzeker is het jammer, dat Feith niet mede is gegaan, doch voor het overige vertegenwoordigt het elftal de beste krachten op het gebied van cricket in Holland.

Doch laat ik nu ter zake komen en het zooeven genoemde hart

[p. 443]

rustig laten zwellen. In den avond van den 20 Aug. stonden de heeren Schröder, Posthuma, de Haas, Nolet, van Oosterzee, de Groot, Eyken, F.v.d. Bosch, Küpfer, Rouffaer (substitute) benevens de schrijver dezer regelen, aan het station te 's Hage gereed om in te stappen in den trein die hen naar Rotterdam zou voeren. Met denzelfden trein kwam dr. Gorter uit Zandvoort en met hem was het gezelschap compleet. [Volgt een zeer uitvoerig verslag van de overtocht, de ontvangst in Hull, en van de vijf gespeelde wedstrijden (waarvan er eén gewonnen werd) te Hull, Scarborough en Bridlington, tegen plaatselijke clubs.]

 

Dit was de eerste ‘tour’ naar Engeland, die in de jaren go door enkele andere, even ongeregelde en mede daardoor ‘legendarische’ zou worden gevolgd. De Hollanders sloegen bij deze eerste geen goed figuur. ‘A poor lot’ ving de verslaggever op de tribune op. Daarbij dient men echter niet te vergeten, dat de Engelsen een traditie van minstens 200 jaar cricket in het veld meebrachten, tegenover een verleden van ongeveer tien jaar aan Hollandse zijde. De ene gewonnen wedstrijd werd gespeeld tegen ‘Scarborough Visitors’, een groepje cricketlustigen, verzameld uit de toeschouwers bij de officiële wedstrijden! Gorter behoorde - blijkens verslagen en resultaten - tot de zwaksten van deze Hollandse cracks.

1892:29
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Helena Waller. [I]
(Zandvoort, 28 augustus 1892). - Telegram

Engelschen 108 Hollanders 132

Herman komt vanavond.

 

Deze cijfers zijn merkwaardig genoeg niet die van de ene gewonnen wedstrijd, maar van een andere, die met deze stand eindigde, zonder dat de Engelsen allen ‘uit’ waren, zodat de uitslag onbeslist moet worden genoemd.

1892:30
Alphons Diepenbrock aan Albert Verwey. [AA, p. 73]
Zonder plaatsvermelding, 7 september 1892. - Fragment

Ik wist niet dat Herman in Londen geweest was.

1892:30A, 1950
P.J. Lindner in Het Parool. [AI, 14 april 1950]
Dichter en cricketer. - Fragment

Tegen Gorter, die van 1891 tot 1914 in eerste klasse cricket uitkwam en tien keer voor het Nederlands Elftal gekozen werd, heb ik tweemaal gespeeld. Eén keer in Hilversum, éen keer in Amsterdam. De laatste keer op Oud-Roozenburg in de v.m. Watergraafsmeer, toen ‘Hilversum’ de gast van het Amsterdamse ‘Victoria’ was. Gorter fungeerde toen nog steeds als wicketkeeper en toen het mijn beurt van batten was, zei ik zacht tegen hem: ‘een nieuwe lente’, waarop Gorter antwoordde: ‘Pas maar op, straks hoor je een nieuw geluid als je wicket uit elkaar spat!’

[p. 444]

1892:31
Frank van der Goes aan Herman Gorter. [O2]
Amsterdam, 24 september 1892

Amice, Zie hier: je zult er van Kloos nader over hooren, maar ik wou je vast schrijven als een extra aanporring. - Gisteravond heeft de Redactie van de NG. met vreugde vernomen dat je genegen bent als redacteur optetreden, en zij heeft besloten je een honorarium van f 40. - per vel (16 bl.) aan te bieden. Ik feliciteer mij zelf met deze aanwinst. - Maar, waarde Heer, een tijdschrift bestaat uit afleveringen (livraisons zegt de Fransche man) - en met October moet er weer zoo'n aflevering van het onze verschijnen. Het is absoluut noodzakelijk dat van je nieuwe werk het eerste gedeelte (liefst een groot stuk) in dat October-nummer wordt geplaatst. De abonne's nemen voortdurend toe - een paar dagen geleden heeft één boekverkoper er 14 tegelijk aangebracht - en er moet de hand aan gehouden worden. Wees dus nu zoo goed onmiddellijk aan Kloos te sturen de copy, er is natuurlijk alle haast bij. Met een nieuw werk van Van Eeden, verzen van Hein B., een paar kleine stukken van De Lang en Erens, en twee politieke artikelen (van mij over Van Marken, den Delftschen fabriekant), komen wij tot een uitstekende aflevering. Ik schrijf je dit eenigszins als mederedacteur. Kloos is soms huiverig om de menschen achterna te rijden, daar heeft hij gelijk aan, maar aangezien zooals ik zei, een tijdschrift uit afleveringen (livraisons) bestaat dient er af en toe een te verschijnen, en op dat oogenblik zijn alle quaesties ondergeschikt aan deze éene: hoe krijgen wij een zoo goed mogelijk nummer bij elkaar? -

Zou je Dinsdag avond bij Tak ter redactie-vergadering willen komen? Houd ten minste je avond vrij, dan kunnen we je roepen als het noodig is.

In een woord: bespoedig de regeling van alle quaesties in verband met je verschijnen buiten op en binnen in de aanstaande Aflevering. -

Groet Wiesje en geloof mij steeds je liefhebbende Oom

F.v.d. Goes

 

Nieuw werk zou Gorter pas in de juni- en augustusafleveringen van het volgende jaar publiceren (zie 1893:50 en 72). Of dat ook de gedichten waren waarvan hier sprake is? - Frank van der Goes was een (aangetrouwde) neef van Gorter. Zijn ondertekening ‘Oom’, dikgeschreven, met hoofdletter, en vervolgens met F.v.d. Goes is misschien te begrijpen als de aanduiding, grapsgewijze, van de rol die hij al sinds 1885 binnen en buitenop de Nieuwe Gids vervuld had; en die hem nu aan de nieuwbakken redacteur deze brief vol opdrachten deed schrijven. Die overigens de hierna afgedrukte zal gekruist hebben. - (T: NG.; optetreden; abonne's, fabriekant; aanstaande Aflevering).

1892:32
Herman Gorter, waarschijnlijk aan Willem Kloos. [M, 133 M 41-5]
Amersfoort, 24 september 1892

Amice! Zooals je, geloof ik, weet, ben ik bezig geld te probeeren te krijgen om beter tijd voor schrijven te hebben. Daarmee ben ik nu wel een eind gevorderd, maar het is nog niet geheel in orde. Voordat het in orde is, wil ik nog geen redacteur van de N.G. worden en eerst dàn, als ik over mijn naaste toekomst gerust ben, wil ik een besluit nemen over de uitgaaf van mijn laatste werk.

[p. 445]

Ik schrijf je dit omdat het bijna 1e October is en opdat je niet op een bijdrage voor deze aflevering van mij rekent. Het spijt mij dat ik niet reeds een beslissing kan nemen; - terwijl je uit de stad was, heb ik tweemaal vergeefs getracht je een visite te maken. Spoedig hoop ik je weer eens te zien.

t.t. Herman Gorter.

1892:33
[NN, nr 532]

Op 25 september speelde Gorter voor Amstel's cc in een competitiewedstrijd mee.

1892:34
Willem Kloos aan Herman Gorter. [J]
[Amsterdam] 29 september 1892.

Amice, Je briefje vond ik niet erg prettig; maar jij moet natuurlijk weten wat je voor jezelf te doen hebt. Zou ik evenwel twee vragen mogen doen? 1e Is er een onverbreeklijk verband tusschen het nietredacteur-worden, (nog niet hoop ik) en het niet afstaan van copy. 2e. Zou het mogelijk zijn, dat je persoonlijke plannen bevorderd werden, en je dus vrijer was om met [...] samen te gaan, door het volgend [...] besluit, dat ik je juist had [...] ven toen ik je brief ontving? De redactie heeft nl in haar vergadering van 23 Sept. l.l. besloten je een honorarium van f. 40 per vel aan te bieden, om je zooveel ze dat voorlopig kan, tegemoet te komen in je finantiëele bewegingen en levenswenschen.

Zou je me zoo spoedig mogelijk willen schrijven, hoe je hierop reageert. Dan zou je mij en de N.G. zeer verplichten

tt Willem Kloos

Pardon, ik heb geen couvert meer.

 

De tekst is op de drie plaatsen waar [...] staat, verminkt door het verbreken van het lakstempel waarmee het briefpapier, zonder couvert immers, was toegesloten. - (T: worden, (nog; copy; nl; finantiëele).

1892:35
[NN, nr 533]

Op 2 oktober speelde Gorter voor Amstel's cc in een competitiewedstrijd mee.

1892:36
Alphons Diepenbrock aan P. Tideman. [DD, I]
['s-Hertogenbosch] 27 oktober 1892. - Fragment

De kamer die je nu hebt, herinner ik mij heel goed; toch ben ik er maar weinig geweest en heeft Gorter ze niet lang bewoond. Een prachtige nacht Aug. 89, toen hij mij een groot gedicht dat nooit is uitgegeven voorlas. Wij hadden er een sympathiek flesje bij. Het nymphje herinner ik mij niet, want alles was al donker, wel een desolaat gezicht op schoorsteenen en afschuwelijke portretten.

 

Zie commentaar bij 1889:41. - De figuur van Pet Tideman komt ter sprake in het commentaar bij 1893:52.

[p. 446]

1892:37
Herman Gorter aan zijn uitgever, W. Versluys.[J]
Zonder plaatsvermelding, (1 november 1892). - Briefkaart

Geachte Heer! Dank voor Uw vriendelijk schrijven. - Intusschen had ik bij mijn berekening al op Uw grootst mogelijke bijdrage gerekend. Dan nog kwam ik voor het doel nog zooveel te kort als de Heer K.U zei. Toch zeer getroffen door Uw hartelijkheid.

Uw dw Herman Gorter.

1892:38
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
(Poststempel: Amsterdam-Zutphen, 3 november 1892) - Briefkaart

Amice! Voor V. heb ik een rijksd. gegeven.

Voor mijzelf heb ik nog 200 jaarlijks noodig voor ik het plan uitvoeren kan. Als je iemand weet....

Wij zouden graag eens in N. komen maar weinig of geen geld. Groet Kitty en Liesbet van wies en mij.

t.t. HG.

 

De dichter Paul Verlaine hield begin november enige lezingen en voordrachten in Den Haag en Amsterdam, hetgeen aanleiding werd tot een laatste bijeenzijn in betrekkelijke harmonie van vele Tachtigers. De toegangsprijs bedroeg ƒ 2,50. Uit geen enkel gegeven omtrent Verlaine's tournée blijkt Gorters aanwezigzijn. - N. = Noordwijk, waar Verwey woonde. - (T: komen maar [hebben] weinig; wies).

1892:39
Herman Gorter aan Albert Verwey. [C]
Amersfoort, 10 november 1892. - Rouwpapier

Amice! Dank je wel voor je hartelijken brief. Ik zal jelui raad opvolgen en, slaag ik niet, dan neem ik jelui aanbod gaarne aan. - Ik was zeer verheugd over je briefje. Wies ook. Ik zie juillie complotteeren of je het doen kon. - Wij maken het best, zooals ik hoop ook juillie en Liesbeth en Mé - a ook.

t.t Herman G.

 

(T: juillie [2 ×]).

1892:40
Herman Gorter aan Albert en Kitty Verwey. [C]
Amersfoort, 17 november 1892

Beste Albert en Kitty! Je moeder het beste mensch heeft dadelijk ja gezegd toen ik om de 200 vroeg. Dus nu bedank ik juillie wel voor de 100 die nu niet meer noodig zijn. - Zoodra ik nu het antwoord van de N.G. weet en in Januari definitief van Versluys gehoord heb (hij heeft mij hulp beloofd, maar kan dan pas zeker zeggen; spreek daarover niet met hem) dan ben ik er. Ik twijfel niet of die 2 dingen komen in orde.

t.t. Herman G.

Het papier was op.

 

Je moeder: Mevrouw J.E.H.C. van Vloten-van Gennep (1824-1906), te Haarlem. (T: juillie).

[p. 447]

1892:41
Herman Gorter aan Helena Waller. [I]
Amersfoort, ((3)) 1 december 1892

Lieve Lena! Ik dank je wel voor je hartelijken brief en voor de fotografieën. We hebben ze op den schoorsteenmantel gezet, ze zijn heel mooi en staan daar goed. - Wat jammer dat je nu weer ziek geworden was, je leek juist zoo heelemaal gezond; maar laatje niet terneerslaan, het kan niet anders of uit die reeks van ongesteldheden zal je als een zwaan te voorschijn komen.

Moeder is gisteren vertrokken nu blijft Jo Jonker nog St. Niklaas over. Van St. Niklaas gesproken, het schijnt dat wij er toch niets aan zullen doen, de financies zijn op dit oogenblik dan ook al te treurig. t.t. Herman.

1892:42
Alphons Diepenbrock aan Andrew de Graaf.[DD, I]
('s-Hertogenbosch) 5 december 1892. - Fragment

Heb je een interessante wandeling met Pans gehad? Ik hoor dat hij uit zijn betrekking gaat. Spreek er nog maar niet over; hij heeft er me nog niets van verteld. Ik heb in tijden niets van hem gehoord.

 

In een brief van 29 november had Andrew de Graaf een ‘middagwandeling met Pans, heel prettig’, vermeld, die medio november moet hebben plaatsgehad.

1892:43
Wies Gorter-Cnoop Koopmans aan Helena Waller. [I]
[Amersfoort] 5 december 1892. - Fragmenten

Ik heb al veel cadeautjes gekregen een heele doos met allerlei van Tante Anna als zeep eau de cologne handschoenen enz. ook boeken en een kist met etenswaren en dan nog een kist zeker van papa er zaten tenminste twee tientjes in en een alleraardigst lampje en dan nog chocolade banket enz. Nu komen er zoo dadelijk nog meer pakjes waaronder ook die van jou, daar zal ((je)) ik je dan meteen voor bedanken.

Ik heb de kinderen van onze groenvrouw wat gegeven er waren er 6 het is heel bescheiden geweest suikerpoppetjes en prentenboekjes en voor de oudste een smidsmaatje 2 chocoladesigaren en een dubbeltje in een doosje. - Ik denk toch wel dat ze het aardig vonden, want ze krijgen anders niets dan van grootmoeder twee koekjes en dan zijn ze al heel blij. -

Wat een sneeuw hè! Herman en ik hebben een lange ((n)) wandeling gemaakt. [...]

6 Dec. Ik dank je wel voor de foulard hij is erg mooi en komt er[g] goed van pas want ik had vergeten hem op de verlangenlijst voor Tante A. te zetten. Ik heb een aardig boek met platen van Herman gekregen het heet ‘Indian Fairie Tales’ en dan nog een heel mooien vierkanten pot van aardewerk iets heel nieuws, van Free en Martha ((gekregen)) het is om thee of tabak in te doen. Herman laat je ook wel bedanken voor het instrumentje hij zal het zeker naar buiten meênemen. Ik heb toch nog ongeveer 20 stuks gekregen een boel hè? We hebben natuurlijk anders als iederen dag gedaan, dat is eerst wel een beetje wonderlijk maar daar is men gauw aangewend vooral als men wat te lezen heeft. Jo gaat morgen weg.

Dag, Wies

 

(T: interpunctie conform het origineel; verlangenlijst; Fairie; aangewend).

[p. 448]

1892:44
Andrew de Graaf aan Alphons Diepenbrock.[DD, I]
(Utrecht) 6 december 1892. - Fragment

Ik geloof niet dat Pans werkelijk uit zijn betrekking zal gaan. Wij spraken er niet over, maar voor een tijd zei hij het tegen Jaap; maar verleden week toen Jaap en Jo in Amersfoort waren sprak hij er heelemaal niet meer van.

 

Jaap en Jo: Jaap Koenen en zijn verloofde, Jo de Graaf.

1892:45
Frederik van Eeden aan K.J.L. Alberdingk Thijm. [AB, p. 195]
Zonder plaatsvermelding, 19 december 1892. - Fragment

Ik geloof niet dat er gevaar bestaat voor 't bestaan van de N. Gids. Het tijdschrift heeft te veel raison d'être. De menschen willen het, en wij kunnen het niet zóó bont maken (met te laat komen en zoo) of ze zullen het toch blijven willen. De eendracht en de ambitie van vroeger bestaat niet meer, en wij zijn in een moeielijke periode. Wij leven allen veel meer afgezonderd. Het is een overgangstijd. Vroeger waren we een strijdbare, aaneengesloten groep. Nu zijn wij opons-zelf-staande werkers. Het tijdschrift moet nu worden een gelegenheid tot publicatie, niet meer een krijgs-machine. Er moet zijn een administrateur en eenige onafhankelijke medewerkers. Die toestand is nog niet tot vastheid gekomen. Maar zonder twijfel zal zich dat wel schikken. Gorter komt waarschijnlijk in de redactie, en dat is een uitstekend element, daar elkeen goede vrienden met hem is en hem vertrouwt en respecteert.

1892:46
Alphons Diepenbrock aan H.J. Boeken. [DD, I]
's-Hertogenbosch, 22 december 1892. - Fragment

Zondag was Gorter hier.

 

Deze zondag viel op 18 december.

1892:47
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B]
Zonder plaatsvermelding, december 1892

Beste Fons! Hierbij de 2 door Wies overgeschreven verzen. Laat ze alsjeblieft nog aan niemand lezen; vooreerst heb ik dat liever niet, omdat ik eerst een geheel wilde àfhebben. Het gaat ons heel goed, op dit oogenblik logeeren wij bij Scheltema, in Wateringen, maar morgen (Woensdag) over 8 dagen zijn wij weer thuis. - Spoedig schrijf ik je weer eens.

t.t. Pans.

 

Onder de eerste groep verzen uit Gorters Spinozistische periode, aanvangende met de regels Substantia infinita extensa et cogitans / is God, et infinita ex eo sequuntur, staat de datering ‘Dec. '92’. Zij werden pas in 1897 gepubliceerd (zie 1897, 42 en 56). Het afschrift door Gorters vrouw gemaakt bevindt zich in het Diepenbrockarchief te Laren NH. - Gorters vriend Pim Scheltema (zie 1886: 10) was arts te 's-Gravenhage en woonde in Wateringen.

[p. 449]

1892:48
Willem Kloos aan Herman Gorter. [F, 69ƒ23]
Amsterdam, 25 december 1892

Confidentieel Amice, Ik heb gisteren toen je hier was, mijn mond wel wat voorbij gepraat. Wil je mij dit niet kwalijk nemen, maar het wijten aan mijn lichamelijken toestand van het oogenblik, en aan de velerlei gedachten over andere zaken dan de jouwe, die mij op het oogenblik geheel in beslag nemen. Mijn opinie over de wenschelijkheid dat jij te eeniger tijd redacteur van de N.G. zoudt worden is niet veranderd; alleen vindt ik dit oogenblik voor jouw optreden heelemaal niet geschikt. Op dit oogenblik toch, ik zeg het je in vertrouwen, is de redactie van de N.G. minder dan ooit een homogeen lichaam maar veel meer, naar het mij ten minste voorkomt, het in ontbinding verkeerende overblijfsel van wat eens een lichaam mocht worden genoemd. Wat van dit psychologisch proces het resultaat zal wezen is mij totaal onbekend. Maar het zou zeker de verwarring slechts vergrooten, en eene eenvoudige oplossing van het vraagstuk nog moeielijker maken, als er thans een vreemde kracht werd geworden [geworven?] midden in het uitstervende gedoe der oudere. Gaarne wil ik al deze dingen mondeling nader met je bespreken. Je komt immers Dinsdag? Laat ik eindigen met je te zeggen, dat ik voor mij zelf niets liever zou hebben dan dat er zoo spoedig mogelijk eene andere redactie kwam, bestaande uit de goede elementen van de tegenwoordige plus de beste van de jongere krachten. Wees hartelijk gegroet tot overmorgen

t.t. Willem Kloos

 

Zie voor deze kwestie ook 1893:40 en volgende documenten. - (T: vindt ik).

1893:1
Alphons Diepenbrock aan Albert Verwey. [DD, I]
's-Hertogenbosch, 4 januari 1893. - Fragment

Herman en Wies verwachtte ik Saterdag te vergeefsch aan den trein in Amsterdam. Ik hoorde van Timmerman dat het met zijn plannen om in de N.G. te komen verkeerd was afgeloopen. Hoe jammer; als er niet verandering in komt zal het gauw met de N.G. uit zijn!

 

(T: Saterdag).

1893:2
Herman Gorter aan Frederik van Eeden. [E]
Haarlem, 5 januari 1893

Amice! Ik beloofde je te schrijven, wanneer ik iets van mijn redacteur-worden van de N.G. zeker wist.

Ik word geen redacteur, Kloos heeft mijn voorstel (250 gulden) niet aangenomen, of liever, bij de bespreking daarvan met mij, had hij zooveel zwarigheden en stelde hij voorwaarden of vragen waardoor ik zelf zag dat het zóó niet ging. Wat de ware reden is van zijn tegenstreven, zou ik niet zeker kunnen zeggen. Misschien het geld, misschien iets anders. Men weet het bij hem niet, omdat hij niet gewoon is rechtuit te spreken.

Ik zou tegen zijn zin redacteur kunnen worden, en ik twijfel niet of ik zou bij verschil met hem de sterkste zijn, maar ik doe het niet om

[p. 450]

mijn genegenheid voor hem en mijn tegenzin tegen het geknoei, waarin hij altijd is.

Het lastige is dat ik nu weer f 250 te kort kom; als je van iemand mocht hooren die mij zou ((kunnen)) willen helpen, schrijf het mij dan spoedig. Weldra hoop ik jullie weer eens te zien, en Wies ook. Een goed nieuw jaar, ook voor Martha, Hans en Paul.

t.t. Herman

1893:3
Herman Gorter aan Alphons Diepenbrock. [B]
(Haarlem, 5 januari 1893) - Briefkaart

Beste Fons! Je briefkaart kwam hier veel te laat, zoodat ik niet meer naar A'dam kon komen. Het speet mij en Wies erg. Wies schreef toen dadelijk naar Amsterdam, maar je broer zei mij dat ook die briefkaart te laat was gekomen. Nu moet je vooral maar eens gauw bij ons komen. Je hoorde van Timmerman hoe het met mijn redacteur-schap gegaan is. Kloos wou dat ik mee zou doen of ten minste mij vooruit zou verklaren over het verwijderen van de andere redacteuren. Doordat ik mij niet in geknoei wil begeven is het afgesprongen. Hoe het nu met de N.G. zal gaan is duister, maar ikzelf heb nu weer 250 minder. - Misschien is de ware reden voor Kloos wel die 250, men weet het nooit bij hem. Vóór mijn gesprek met hem kreeg ik ten minste een brief van hem, met geen eerlijk woord er in. - Mijn genegenheid voor hem blijft dezelfde, want ik kende hem toch al zóó, maar het is jammer dat de zaak nu weer hokt. - Van Valk kreeg ik een noodkreet om geld. Ik heb nog aquarellen van hem, dus als je wat plaatsen kunt...

 

t.t. Pans.

1893:4
Herman Gorter aan zijn uitgever, W. Versluys. [J]
Amersfoort, 17 januari 1893. - Briefkaart

Geachte Heer! Gaarne zou ik U vrijdag-middag te ± half drie komen spreken over de voor mij zoo belangrijke questie. Schikt u dat? Wil U mij, zoo niet, antwoorden? En kunt Gij dan ook van te voren nazien, hoever Gij zoudt kunnen gaan? Ik moet nu binnen eenige dagen beslissen. Met de meeste achting

Uw dw. Herman Gorter.

1893:5
Recensie op ‘Verzen’ in de Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle door J.M. Brans. [BJ, jrg. 16, 1893-94, p. 86]
Rubriek: Boekennieuws

Om een boek goed en rechtvaardig te beoordeelen, moet men zich met den geest en den vorm, van het werk om zoo te zeggen vereenzelvigen; het geheel zoodanig in zich opnemen, dat men als 't ware voelt en denkt en schrijft als in 't beoordeelde werk. Maar als zulks nu teenemaal onmogelijk wordt bevonden, ook na herhaald pogen; als de recensent, ondanks alle moeite, er niet eens toe komt te vatten wat zoo'n schrijver heeft willen zeggen; als hij, recensent, zijne gansche taalkennis, mitsgaders alle beschikbare woordenboeken cijnsplichtig heeft verklaard, en nog tot geen uitslag mocht gedingen, wat dan? Kan hij dan het geheel aanprijzen of wraken al naarmate hem hier of daar een glimp van verstaan of een waarschijnlijk gissen door 't hoofd ging, zelfs ook, wanneer de min of

[p. 451]

meer begrepen versregels voor hem geen 't minste verband vertoonen, of, ja, wanneer hij op eene heele reeks bladzijden stuit, die voor hem zinledig of wartalig zijn?

Die reeks vragen heb ik me gesteld na de hoogste inspanning, die ooit eenig boek van mij vergde, immers lezen, en willen verstaan en willen meevoelen met den dichter, en bij 't omkeeren van elke bladzijde weer hopen, dat er eindelijk licht zal dagen, en beneden gekomen weer de oude machteloosheid van niet en niets verstaan op zich voelen drukken... o, vreeslijk! Zoo drie, vier maal den eindeloos donkeren doolhof doorkruisen, zoekende naar klaarheid, of ook naar een zweem van klaarheid en niets dan tastbare, mijnzwarte duisternis, als rouwgewaden rond zich voelen. O, dat is tergend!

Ten einde raad, heb ik mij afgevraagd of ik, lezer, hier plichtig was door onkunde of bekrompen bevattingsvermogen. Onkunde: -Tot heden toe kreeg ik geen Nederlandsch letterkundig werk in handen, waarvan ik althans de woorden niet verstond. Doch waar is 't ook, dat de Verzen des Hn Gorter tal van woorden bevatten, wier beteekenis stellig voor 999 Nederlanders op 1000 een ondoordringbaar geheim moet wezen. De gedachte is bij mij opgekomen, of misschien de dichter (?) maar blootweg klanken heeft neergeschreven, zonder zich in 't minste om beteekenis te bekreunen.

Bevattingsvermogen: - 't Is waar, ik kan me niet op- of afvoeren tot eene stemming, waarin het eene het andere tegenspreekt, in dezelfde zinsnede, of waarin gevoelens, toestanden, enz. worden uitgedrukt, als bij volkeren, wier spraak nog tot geen volkomen articulatie ontwikkeld is. Ik kan me niet op het standpunt stellen, van iemand, die den hoogsten zin meent te vinden in de wanordelijkste brabbeltaal of de nuchterste kalfschheid.

Dusdanig is mijn stemming na 't herhaald doorworstelen van die 130 blz. zoogezegde Verzen. - Geen titel, geene aanduiding van welken aard ook komt den lezer de bovenmenschelijk taak eenigszins vergemakkelijken. De steller van het rare boek draaft zijne bladzijden op en af met enkel hier en daar een fijn waterpas streepje, dat eenige verpoozing schijnt aan te duiden, doch in de verzen zelve is zooiets haast nergens merkbaar. Hij rent en holt in 't onvatbare voort, als om eene weddenschap te winnen, en stapelt woorden op woorden, Pelion op Ossa, en alles schreeuwt en vloekt tegen elkaar in.

En toch heb ik menschen ontmoet, die beweren, het onderhavige boek te verstaan, - die 't zelfs opmerkelijk schoon vinden. Ik hoop ook, dat ze eens in een verloren oogenblik dit arcanum bij middel van een wel doortouwd glossarium zullen toegankelijk maken voor de schamele gemeente der nietverstaanders. Hun beweeren steunt hoofdzakelijk op de volgende stelling: ‘Zulke werken moet men niet willen lezen met het hoofd, maar met het gemoed; de letterlijke beteekenis der woorden doet hier weinig ter zake.’ Ik blijf echter vooralsnog der meening toegedaan, dat letterkunde voor

[p. 452]

doel heeft, gedachten en gevoelens uit te drukken in woorden; en wanneer ik zeg woorden, dan bedoel ik daarmêe zoodanige, die door het spraakgebruik eene aangenomen en vrij bepaalde beteekenis erlangden. Loopt er hier of daar een nieuw woord tusschen, dan moet de gansche voorstelling den zin zoo duidelijk maken, dat er geen zweem van twijfel meer kan overblijven.

Wanneer men mij doet opmerken, dat boeken als 't onderhavige enkel stemmingen, zieletoestanden weergeven, dan voel ik me genoopt daarop te antwoorden, dat stemmingen, aan de groote gemeente onder woordelijken vorm medegedeeld, op straffe van onbegrepen, d.i. ongenoten, te blijven, in verstaanbare woorden dienen vervat te wezen. Onbepaalde of onbepaalbare stemmingen, kunnen tot het gebied der muziek behooren. Wie echter anders wil, vervalt in denzelfden onzin, als sommige schilders, die dergelijke gemoedsaandoeningen in kleuren en lijn willen overbrengen. Met gedurig naar de maan te kijken, moet men noodlottig varen als eenmaal Göthe; en wie ondanks alles in de zon gaat staren, eindigt met stekeblind te worden.

Deze overwegingen moesten me van 't hart vooraleer ik over Gorter's verzen iets kon zeggen. Ik zal voor den oogenblik den vorm onopgemerkt voorbijgaan, hoe vreemd b.v.b. de versificatie ook zij. Laten wij beginnen met het begin: