|
|
|
| |
| | | |
Bijlage 739 Ad P. Hoofdium, Satrapam Muydensem.
Mittis aves? nihil est. viduo non ista parantur
Fercula. lascivas respuit ille dapes.
Das leporem? nihil est. tu pulpamenta require,
Quem fovet amplexu pulchra marita suo.
Mittere vis aliquid, quod non nimis uret amentem?
Mittere vis viduo munera grata thoro?
Mittere vis aliquid, veterem quod placet amicum,
Quodque mihi mitti postulo? mitte nihil.
Si tamen hoc mitti nequeat, quod postulo mitti;
Ad nos tot donis gratior ipse veni.
vertaling
Aan P. Hooft, Drost van Muyden.
Stuurt ge gevogelte? Helpt niet! Aan weduwnaar schaft men niet zulke
Schotelen; spijzen zo geil schuift hij gekwetst van zich af.
Haas zendt ge? Helpt me niet! Gij, ga zelf toch naar wildbraad op zoek gij,
Dien een manninne zo schoon met haar omhelzen stooft warm.
Sturen wilt g'iets, dat een minzieke niet al te zeer weer in gloed zet?
Sturen toch wilt gij een gaaf, lief aan de sponde, nu leeg?
Sturen wilt g'iets, dat den alouden vriend tot kalmte zal stemmen,
Wat ik verlang, dat men mij toestuurt? Wel, stuur mij dan niets.
Maar als 't niet kan, dat men dat stuurt, wat ik verlang, dat men toestuurt,
Liever dan zoveel geschenk kom naar ons huis gij dan zelf.
|
De K.B. bezit een hs. van dit gedicht, zes regels langer, waarvan het bovenstaande, dat aan Barlaeus' Poëmata, Amsterdam 1645, ontleend is (II p. 470), een samentrekking schijnt.
|
|