De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 132]

956 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft.)

1Nobilissime Hoofdi,

 

2Hoc epitheto Te compellant intus litterae meae, alio foris. Scio2 3 nobilitatis et quidem equestris insignia Tibi collata esse a Christi-4anissimo Rege, ideo nobilissimum virtutibus et regali suffragio 5 alloquor. Sed cum litterae hujus rei testes, una cum pendulo5 6 Michaële et Dracone nondum, quod sciam, in manus tuas per-7venerint, nolui huic epistolae recentem, ac insolitam summae 8 dignitatis appellationem foris inscribere. Ubi fidem rei fecerit 9 manus regia, isto mihi et amicis omnibus nomine compellaberis, 10 magna fiducia et propensissimo adfectu. Pluribus iste honos splen-11dorem adfert minus suâ luce splendidis. Quin gravis est iis Domnis, 12 quibus fortunae magis felicitate obtingit, quam suo aut suorum 13 merito. A te ordo equestris splendorem capit; nec gravis hic est 14 viro, ob eruditionis, facundiae, muneris, et parentum, suaque erga 15 Patriam et Rempublicam merita *illustrem*+. Accedit, quod 16 Galliam universam et maximi regis Henrici IV manes Tibi singulari 17 scripto devinxeris, et immortali famae donaveris Borboniae domus 18 bellicosissimum Principem. Non fecit Te nobilem Gallia, sed 19 declaravit. Fuisti dudum opere et studiis, quod nunc es Augustissimi 20 Regis Lodovici testimonio. Mihi verò, Vir dignissime, tanto 21 nobilior crederis, quanto pulchrius est, parari nobilem, quam 22 creari:

 
perit omnis in illo
 
Gentis honos, cujus laus est in origine solâ,

25ait ad Pisonem Naso. Inito inter Franciscum I. Galliarum, et Henri-2526cum VIII Angliae regem federe, Franciscus in Equitum aureae 27 periscelidis ordinem receptus est, Henricus in ordinem D. Michaëlis. 28 Ut jam honoris hujus titulum communem habeas cum Regibus. 29 Ita dum in aliis generis fulgor desinit, à Te incipit. Unum peto, ut 30 qui extra conditionem poneris civilis ac popularis fortunae, amicos 31 tamen et inter hos me, cultorem nominis tui ac virtutum serium, 32 prioris fortunae cancellis includas, et amare pergas ob candorem et 33 literarum studia, qui N.T. ex animo hoc adblandientis purpurae 34 lenocinium gratulatur. Vide, quam captem, mî Hoofdi, tibi 35 scribendi occasionem. Dum nihil agunt Reges, Infantes, Celsitu-36dines, Duces, in amicorum sortem et felicitatem privatam diffundo

[p. 133]

37 sermonem. Quem in adversâ valetudine sensi fidum, et in omne, 38 quod aegro praestari potest, officium pronum; jam prosperiore 39 valetudine Dei fruens beneficio, affari amo verbis non, ut ante, 40 tertiatis, aut, ut Graeci vocant, εγκεκομμενοις. Cognatus tuus nobilis-4041 simus D. Vicofortius è Westphalis salvus sospesque domum rediit. 42 Hamburgo visendae sororis causa venit soror uxoris D. Vicofortii. 43 Arcem tuam Muydamque, superbi Ilii minus aemulam, ante abitum 44 suum cum amicis videre cupit et gestit. Clarissimus Vossius collega 45 meus, postquam febre tertiana ipsum expediit Deus et medicina, 46 colico dolore miserè excruciatus fuit. Ab hoc immunis calculo 47 renum laborare coepit, tot eruditarum animarum domestico tortore. 48 Iam meliusculè, per Dei gratiam, habet, & cum libris rediit in 49 gratiam. In Daniam moderandis ac mitigandis, quae exigit Septen-50trionis necessitas, vectigalibus abibit non Consul Bickerus, uti 51 opinio fuit, sed amplissimus D. Albertus Conradi Burch, et Abelus51 52 Coenders Groeninganus. Princeps Auriacus exercitum propediem 53 educet. Eduxit, aut in procinctUEst ut educat, Galliarum Rex. 54 Infans Cardinalis castra movisse creditur. Bella, ô, bella horrida54 55 bella! Dux Wimariae sub communibus Galliae Germaniaeque 56 signis, Banierius sub Sueonum Leone feliciter adhuc militant, non 57 invito me, nec Te invidente. Vale, Vir nobilissime, ac doctissime, et 58 D. Hoofdiam filiasque, et filiolum honoris novi consortes ac 59 haeredes à me saluta.

60Amstelod. 18 Maji, 1639.

 

vertaling

 

Hoogedele Hooft.

 

Met dit adjectivum spreekt u mijn brief van binnen aan, met een ander aan de buitenzijde. Ik weet, dat van adellijke en wel van ridderwaardigheid de onderscheidingstekens u verleend zijn door den Allerchristelijksten Koning; daarom spreek ik als ‘Hoogedele’ om uw voortreffelijke deugden en de koninklijke erkenning daarvan u aan. Maar daar brieven, van deze zaak getuigen, tezamen met den ten hangen bestemden Michiel en den Draak nog niet, zover ik weet, in uw handen zijn gekomen, is het niet mijn wil geweest, aan dezen brief de kersverse en ongewone aanspraak van hoogste waardigheid op de buitenzijde als opschrift mee te geven. Wanneer de authentieke bevestiging der zaak zal zijn gebracht door de hand des konings, zult ge met die betiteling door mij en alle vrienden worden aangesproken,

[p. 134]

met groot vertrouwen en innig toegedane genegenheid. Aan de meerderheid brengt deze eer slechts glans, zonder dat zij door eigen lichtschijn zo veel glans afstralen. Ja zelfs drukt glans die Heren zwaar, wien hij meer door een gelukkige speling der omstandigheden toevalt dan door verdienste van hunzelf of van de hunnen. Bij u is het zo, dat de ridderstand aan u zijn glans ontleent, en niet zwaar drukt deze glans den man, om zijn geleerdheid, redelijkheid, ambt en de verdiensten van zijn vaderen en van hemzelf voor Vaderland en voor Gemenebest vol luister. Daar komt bij, dat ge Frankrijk in zijn geheel en van den groten koning Hendrik IV de afgestorven schim aan u door een excellent geschrift hebt verplicht, en met onsterfelijken roem begiftigd van het huis Bourbon den meest in oorlogen verwikkelden Vorst. Uw adeldom heeft Frankrijk niet uit niets geschapen, maar bloot geconstateerd. Ge waart allang door werk en studiën, wat ge nu zijt naar het getuigen van Zijne Hoge Majesteit den Koning Lodewijk. Mij evenwel, hoogwaardige Hooft, dunkt ge zoveel te edeler, naarmate het schoner is, als edeling te worden aangewonnen dan door verwekking gewonnen:

 
alle roem van een stamhuis
 
Stort in elkaar bij hem, wiens lof ligt alleen in zijn oorsprong,

zegt Ovidius tot Piso. Toen Frans I van Frankrijk en Hendrik VIII koning van Engeland een verbond aangingen, is Frans opgenomen in de orde van de ridders van den gouden Kouseband, Hendrik in de orde van Sieur Michel. Zodat ge voortaan de glorie van deze ere met Koningen gemeen hebt! En zodoende, terwijl bij anderen de schittering van hun stamhuis met hen haar einde vindt, neemt ze bij UEen aanvang. Eén verzoek heb ik: dat gij, die nu buiten de situatie komt te staan van de sociale positie van den gewonen burger en de gewone bevolking, toch uw vrienden en onder dezen mij, ernstig vereerder van uw naam en voortreffelijke eigenschappen, binnen de perken van vroegere positie insluit en voortgaat lief te hebben, om trouwhartigheid en studiën in letteren, hem, die UEd. met dezen verleidelijken smuk van toelonkend purper van harte geluk wenst. Zie, hoe ik aas, mijn beste Hooft, op een gelegenheid, aan u te schrijven. Nu niets uitrichten Koning, Infant, Hoogheid, Hertog, stort ik over het persoonlijke lot en geluk van vrienden een vloed van woorden uit. Dien ik in kwalijken gezondheidstoestand getrouw heb gezien en tot allen dienst, die aan een zieke kan worden bewezen, willig, ik houd ervan, thans in gunstiger gezondheid mij verheugend door Gods zegeningen, dien toe te spreken met woorden, niet, zoals voordezen, ‘pas na driemaal opnieuw beginnen, eindelijk eruitgestotterd’ of, zoals de Grieken het noemen, met λογοι εγκεκομμενοι. Uw Hoogedele neef, de Heer Wicquefort is uit Westfalen behouden en wel naar huis teruggekeerd. Uit Hamburg is ten einde haar zuster te bezoeken gekomen de zuster van de gade van den Heer Wicquefort. Uw slot en Muiden, van het trotse Ilium weinig rivale, vóór haar afreis tezamen met de vrienden te zien, is haar begeren en vurige wens. De doorluchte Vos, mijn collega, nadat hem van de derdendaagse koorts God en de geneeskunst hadden verlost, is door pijnlijken darmkramp jammerlijk gefolterd geweest. Van dezen ontslagen begon hij aan niersteen te lijden, van zovele geleerde redelijke zielen den binnenhuisbeul. NUEindelijk is hij er wat beter aan toe door Gods genade, en heeft zich met zijn boeken weder verzoend. Naar Denemarken zal ter matiging en verzachting van de tol- en havengelden, die de dwang van het Noorden heft, afreizen niet Burgemeester Bicker, zoals de verwachting was, maar de doorluchte Heer Albert Koenraedsz. Burgh, en ook Abel Coenders van Groningen. De Prins van Oranje zal het leger eerstdaags laten uitrukken. Dat heeft al gedaan of hij staat kant en klaar uitgerust om het te doen de Koning van Frankrijk. De Kardinaal-Infant is, zo gelooft men, opgebroken. Oorlog! o,

[p. 135]

‘oorlog, gruwzame oorlog’! De Hertog van Weimar onder de gemeenschappelijke vaandels van Frankrijk en Duitsland, Banér onder den Leeuw der Zweden dienen als soldaat met veel krijgsgeluk, niet zonder mijn zegen, en ook zonder dat gij jaloers zult zijn. Vaarwel, Hoogedele, geleerde Hooft en wil Vrouwe Hooft, uw dochters en uw zoontje, van de nieuwe ere deelgenoten en erfgenamen, van mij groeten.

Amsterdam, 18 mei 1639.