De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 362]

1077 Summo viro Caspari Barlaeo Petrus Cornelij Filius Hoofdius S.P.D.

1Desertor, transfuga, etiamnum in manifesto flagitio defensionem 2 ausus impudentiam sceleri adjicis? Quem ego, si, quale Tullianum2 3 Romae, Velsianum Mudae robur, tale Vicofortianum reperiatur, in 4 teterrimum carcerem conjici curem, radiisque siderum indicam, ne 5 toto triennio te visant. Haec tibi, ab infensissima uxore mea, 6 probra, minaci et praealta voce, ut Stentora vincere possit, ingeri, te6 7 hinc octo passuum millibus dissitum persentire crediderim. Quid 8 autem jam misero te fiat, si et ego pari impotentia animi in te ferar? 9 Ne Hercules quidem contra duos. At mitior, doctusque injuriam9 10 segniter ferre, jamdudum suadeo ne te pejus quam dispendio 11 coenae mulctet, eáque ultione contenta in gratiam recipiat. Illa 12 econtrá abnuere pertinacius, meque ultró praevaricationis 13 insimulare; velle ne quid commercii tecum habeam. Ut veró coena 14 abstineam, facilius persuaderi mihi passus sum, gravatim cum 15 Phosphoro expergiscenti, et postero tantum itineris abituro. 16 Sunt et aliae rationes. Itaque non exspectes nos, exspectaturos te 17 domi nostrae, Saturni die hora septima matutina, ut simul 18 Harlemum et ultrá pergamus. Perge interim ut tandem serió agam 19 amantissimum tui amare: et vale, cum liberis, meoque inter illos19 20 filio.

21Mudae in arce. XV Kal. Sextileis. 1641.

 

vertaling

 

Den voortreffelijken Caspar Barlaeus

van Pieter Corneliszoon Hooft

met hartelijken groet.

 

‘Verzaker, overloper, waagt ge zelfs nu nog op heterdaad betrapt een verdediging en voegt zo onbeschaamdheid aan misdaad toe? U zou ik, indien, zoals de Tulliuskerker in Rome, de Velsen-cel in Muiden, zo ook er een Wickevoort-krocht werd gevonden, in het afzichtelijkst gevang laten werpen en aan de stralen der hemellichamen aanzeggen, in volle drie jaar niet naar u om te zien’. Dat deze verwijten u door mijn zwaarvergramde vrouw met dreigende hoogdoorslaande stem, zodat zij Stentor zou kunnen overtreffen, worden toegeslingerd, ik wil gaarne geloven, dat ge zulks, acht mijlen van hier verwijderd, duidelijk hoort. Wat evenwel zoUEr

[p. 363]

nu met u ongelukkige moeten gebeuren, als ook ik met gelijke onbeheerstheid tegen u zou uitvaren? Zelfs Hercules kan tegen twee niet op. Maar zachtaardiger als ik ben en ermede vertrouwd, onrecht flegmatisch te verduren, geef ik allang den raad, dat zij u niet erger dan met het maken van kosten voor een maaltijd beboete en met die wrake tevreden u in genade weer aanneme. Zij daartegenin hardnekkig weigeren, zelfs zover, dat zij mij van heulen met den vijand beticht; haar wil: dat ik geen omgang hoegenaamd met u onderhoud. Om echter van dien maaltijd bij u af te zien, daartoe heb ik mij lichter laten overhalen, daar ik ongaarne reeds met de morgenster ontwaak en den dag daaraanvolgende zo'n lange reis wil gaan ondernemen. Er zijn ook andere overwegingen. Zodoende moet ge ons niet verwachten, terwijl wij in ons Huis u zullen verwachten, op zaterdag, zeven uur in den ochtend, om gezamenlijk naar Haarlem en verder door te gaan. Ga gij intussen door, als ik nUEindelijk in ernst mag spreken, met te waarderen iemand, die hooglijk u waardeert; en vaarwel met uw kinderen en met te midden van hen mijn eigen zoon.

Te Muiden, op het Slot.

18 juli 1641