Het 'Boeck der Natuere'


auteur: Eric Jorink


bron: Eric Jorink, Het ‘Boeck der Natuere’. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715. Primavera Pers, Leiden 2006  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 114]



illustratie

21. De verschijning van de komeet van 1680 maakte overal buitengewoon veel indruk. De kunstenaar Lieven Verschuier vervaardigde een schilderij en deze aquarel, waarop te zien is hoe de Rotterdamse bevolking uitliep om het hemelverschijnsel met angst, maar ook met verwondering te aanschouwen. (Rotterdams Historisch Museum)


[p. 115]

3 Kometen: Het debat over de ‘wonder-tekenen in den hemel’

1 Inleiding

Een categorie tekens uit het Boek der Natuur die Constantijn Huygens buitengewoon interesseerde, waren ongewone hemelverschijnselen (afb. 21). Eclipsen, stralenkransen rond de zon (corona's) en bovenal kometen trokken Huygens' aandacht en inspireerden hem tot een korte of langere notitie.1 Voor Huygens waren dergelijke fenomenen niet louter een fascinerend natuurkundig gegeven. Het leken hem soms ook verkondigers van een bovennatuurlijke boodschap. Zo werd bijvoorbeeld op 7 mei 1665, toen Huygens in het Franse Orange was teneinde het gezag van het huis Oranje te herstellen, op het hoogtepunt van de plechtigheid een corona waargenomen (afb. 22). De algehele opwinding was enorm. Daags daarna schreef Huygens een epigram, waarin hij onomwonden stelde dat het de hemel klaarblijkelijk behaagd had de band tussen burgers en Oranje te bekronen met dit teken.2 Dertien jaar later schreef hij in zijn autobiografie met iets meer distantie: ‘Het was een speling van de natuur, zoals ik zelf wist ... Maar dat de natuur juist nu, precies op dit moment, die speling liet plaatsvinden, leek iets van een voorteken aan de dag te leggen.’3 Dezelfde verwevenheid tussen speculaties omtrent de fysische aard en een mogelijke goddelijke betekenis zien we ook in het gedicht Cometen-werck, dat Huygens in 1681 componeerde naar aanleiding van de verschijning van een spectaculaire staartster. Huygens sprak zijn verwondering uit over dit mysterieuze fenomeen, dit ‘Vier [vuur], van onbegrepen stof en ongewone swier’.4 Had een komeet natuurlijke oorzaken? Was het ‘een bode van verdriet of van geluck ... Dat vonnis self en is bij mijn noch niet besloten.’5

[p. 116]



illustratie

22. Toen Constantijn Huygens op 7 mei 1665 in het antieke amfitheater van Orange het gezag van het huis Oranje bevestigde, verscheen er op het hoogtepunt van de ceremonie een corona rond de zon. Het gebeuren veroorzaakte grote opwinding op de aanwezigen, zoals te zien is op deze gravure. De zittende figuur in het centrum van deze voorstelling is Huygens. (kb)


[p. 117]

Huygens was zeker niet de enige die met dergelijke vragen worstelde. De reacties die de verschijning van met name kometen in de vroegmoderne tijd teweegbrachten, waren in heel Europa buitengewoon heftig.6 Dergelijke hemeltekens waren onder meer in 1618, 1664, 1681 en 1682 zichtbaar, en talrijke pamfletten, traktaten, gedichten en afbeeldingen getuigen van de verwondering, maar vooral ook de angst die deze opriepen. In de Republiek zouden bekende auteurs als Cats, Voetius, Witsen en Bekker afzonderlijke publicaties aan dit gegeven wijden.7 Zonder overdrijving kunnen we stellen dat er vrijwel geen filosoof, theoloog of dichter is te vinden die zich niet op enigerlei wijze heeft beziggehouden met de vraag ‘wat dit teecken bedieden sal’.

Kometen zijn tot ons zonnestelsel behorende lichamen van een relatief geringe massa, die zeer langgerekte elliptische banen beschrijven.8 De omlooptijd van deze voornamelijk uit bevroren materie bestaande klompen loopt uiteen van enkele tientallen tot vele miljoenen jaren. Bij nadering van de zon worden gassen vrijgemaakt, die de karakteristieke, altijd van de zon afgekeerde staart veroorzaken. Sommige kometen kunnen met het blote oog worden waargenomen, zoals bijvoorbeeld de komeet HaleBopp, die in 1996 als een klein vlekje zichtbaar was. Maar uit historische bronnen blijkt dat ze ook reusachtige staarten kunnen hebben. De staart van de komeet die in 1682 verscheen en later bekend zou worden als de komeet van Halley, omspande bij nadering van de zon 55o van het hemelgewelf, dat wil zeggen ruim een kwart. De lang verwachte terugkeer in 1986 bleek overigens een anticlimax: de komeet van Halley was toen nauwelijks zichtbaar.

Deze vaak imposante verschijningen hadden geleerden van oudsher voor hoofdbrekens geplaatst. Al in Babylonische bronnen vinden we speculaties over hun aard. Het woord komeet is ontleend aan het Griekse astér kométés, dat zoiets als langharige ster betekent. Klassieke auteurs wijdden breedvoerige beschouwingen aan deze fenomenen en richtten zich vooral op het vermeende onheil dat ze zouden aankondigen. Tot ver in de zeventiende eeuw stelden geleerden onder verwijzing naar antieke bronnen dat kometen voorbodes waren van pestepidemieën, oorlogen, hongersnoden en ander onheil.

De zeventiende eeuw toont wat dit betreft een opmerkelijke omslag. Bekend is hoe Balthasar Bekker en Pierre Bayle de na 1680 opnieuw ontstane kometenvrees scherp bekritiseerden. In de Ondersoeking van de betekenisse der kometen en de Pensées divers sur la comète stelden zij dat kometen geen bovennatuurlijke betekenis hadden. De werken van Bekker en Bayle worden doorgaans beschouwd als een van de beginpunten van de Verlichting.9

[p. 118]

Beroemd is ook de Engelse astronoom Edmund Halley (1656-1742), die op basis van de door hem in 1682 verrichte observaties de hypothese formuleerde dat een komeet een periodiek natuurverschijnsel was. Volgens de methode van Newton berekende Halley de baan van deze en 23 andere kometen, en publiceerde deze als A synopsis of the astronomy of comets (1705). De door Halley voorspelde terugkeer van ‘zijn’ komeet werd in 1758 in heel Europa ademloos gevolgd en bleek nauwkeurig te kloppen.

Sinds de Verlichting worden de ontdekking van de wetmatige beweging van kometen en de verdwijning van hun omineuze betekenis gezien als keerzijdes van dezelfde medaille. Toen geleerden als Halley en Newton eenmaal hadden ontdekt dat kometen aan natuurwetten gehoorzaamden, zo gaat deze redenering, was het snel afgelopen met de kometenvrees.10 Met andere woorden, het feit dat er nu een - achteraf gezien juiste - wetenschappelijke verklaring voor de fysische aard werd geformuleerd, was verantwoordelijk voor de verdwijning van het bijgeloof, een uitdrukking die we eigenlijk louter tussen aanhalingstekens zouden mogen gebruiken.11 Hier hebben we een concreet voorbeeld van de causale relatie die veelvuldig is gelegd tussen de ‘wetenschappelijke revolutie’ en de ‘onttovering van het wereldbeeld’.

Deze interpretatie is echter in hoge mate het product van de retoriek van de Verlichting en in essentie onhoudbaar. Bij nadere bestudering blijkt er nauwelijks een verband tussen fysische verklaringsmodellen en gewijzigde betekenisgeving en lijkt ‘bijgeloof’ een uitermate subjectief begrip. Als we de veranderende opvattingen over kometen beschouwen vanuit de discussie over het Boek der Natuur, ontstaat een ander beeld. Kometen vormden niet alleen een natuurfilosofisch probleem, maar waren sinds de Oudheid ook onderdeel van de meer verhalende historia naturalis. Als zodanig was het prodigieuze karakter van kometen tot ver in de zeventiende eeuw een historisch en ook literair gegeven. Bovendien - en dit is cruciaal - werden ze traditioneel beschouwd vanuit het perspectief van de Bijbel, waar op veel plaatsen sprake is van door God gegeven ‘hemelse tekenen’. Toen in de loop van de zeventiende eeuw het omineuze karakter van kometen ter discussie werd gesteld, was dit in eerste instantie het gevolg van de problematisering van traditionele analogie tussen deze fenomenen en de literaire traditie, en niet van voortschrijdende astronomische kennis. De veranderende opvattingen over kometen waren bovenal de vrucht van nieuwe exegetische en filologische inzichten. Bovendien bleven kometen, vanuit het discours over het Boek der Natuur beschouwd, tekens van God, zij het dat ze aanvankelijk gezien werden als tekens van Gods toorn, en later als oproepen tot admiratio.

[p. 119]

Cometae, monstra, prodigia

De angst voor kometen is slechts één facet van een veel bredere fascinatie die in de zestiende en vroege zeventiende eeuw bestond voor aardbevingen, monsters, bloedregens, eclipsen etcetera.12 De belangstelling voor deze buiten- (of praeter)natuurlijke zaken had een respectabele traditie, maar werd in hoge mate gevoed door de onrust die in Europa heerste ten gevolge van de reformatie.13 Steeds weer werden politieke, religieuze en krijgskundige gebeurtenissen in verband gebracht met allerhande natuurwonderen. Alle afwijkingen van de natuurlijke orde werden zonder uitzondering geïnterpreteerd als tekens van God. En voor een mogelijke duiding van deze signa diende men te rade te gaan in het corpus van klassieke en christelijke teksten, dat immers het uitgangspunt vormde voor alle wetenschap.

Om te beginnen met de antieke traditie: Griekse en Romeinse historici hadden veelvuldig beschreven hoe een nederlaag, de moord op een keizer of een pestepidemie leek te worden aangekondigd door een voorteken, een prodigium.14 Dat kon bijvoorbeeld bestaan uit een monsterlijke geboorte, een meteorenregen of alles wat verder enigszins van de natuurlijke loop der dingen afweek. Rondom deze buitennissigheden ontwikkelde zich een eigen kunst van divinatio, een gegeven waarop we wat betreft de kometen later nog zullen ingaan. Belangrijk is dat al deze verschijnselen, ongeacht hun aard, werden gezien als tekens. Dat zien we duidelijk in de Latijnse benaming hiervoor: monstra, dat is afgeleid van het werkwoord monstrare (aanwijzen, aankondigen). Het teken-karakter blijkt eveneens duidelijk uit synoniemen als signa, ostentum, praesagia, miracula of portenta.

Kometen waren dus slechts één categorie prodigia uit een veel breder assortiment. ‘Aan het eind van het jaar [64]’, zo schreef bijvoorbeeld Tacitus naar aanleiding van de regering van Nero (54-68)

‘werden voortekenen zichtbaar, voorboden van dreigende rampen. Nooit tevoren had het heftiger en veelvuldiger gebliksemd; er verscheen een staartster, waarvan Nero de kwade gevolgen steeds afwentelde door de executie van hooggeplaatste personen. Wangedrochten, van mensen of andere dieren, met twee hoofden vond men na de geboorte op straat geworpen of werden ontdekt bij die offeranden waarbij het gebruikelijk is drachtige dieren te slachten.’15

In dezelfde geest lieten onder meer Vergilius, Lucanus, Livius, Asconius, Suetonius, Cassius Dio en Claudianus zich uit.16 Invloedrijk was ook het leerdicht Astronomica van Marcus Manilius, waarvan Scaliger in 1579 en

[p. 120]

1599 edities zou verzorgen.17 Misoogsten, verzengende hitte, massale sterfte, brandstapels met lijken: ‘Zulke rampen worden dikwijls aangekondigd door flikkerende kometen.’18 Dit waren tekens dat de goden vertoornd waren, zo leken de Ouden unisono te verkondigen.

Met deze constatering is niet gezegd dat er geen belangstelling was voor de meer fysische kant van de zaak. Uit Aristoteles' Meteorologia en andere bronnen weten we dat een verbluffend aantal filosofen diepgaand over de natuur van deze ‘harige sterren’ had gespeculeerd.19 Ze kwamen tot zeer uiteenlopende verklaringen. Hippocrates van Chios opperde bijvoorbeeld dat kometen optische illusies waren, volgens Anaxogoras en Democritus waren het conjuncties van planeten, en Xenophanes van Colophon beschouwde ze als brandende wolken. Dat de verschijning van een komeet samenhing met rampspoed op aarde leek wel vast te staan, maar hoe dit verband lag bleef onduidelijk.

Een uitzonderlijk invloedrijke verklaring leverde Aristoteles zelf. De Filosoof beschouwde kometen als atmosferische verschijnselen en behandelde ze daarom niet in zijn kosmologische werken, maar in zijn Meteorologia.20 Volgens Aristoteles hadden ze hun oorsprong in de sfeer van de aarde. De buitenste rand van deze sfeer bestond uit warme, droge uitwasemingen, die door de draaiing soms vlam vatte: ‘dan wordt een komeet gevormd, waarvan de vorm afhangt van de vorm die de uitwaseming heeft aangenomen’.21 Veel minder frequent waren bovenmaanse kometen, die ontstonden door exhalaties van sterren en planeten.22 Het bewijs voor het feit dat kometen vurig van aard waren, lag in het gegeven dat ze vooral gezien werden in droge en winderige jaren.

Volgens Aristoteles hadden kometen dus natuurlijke oorzaken. In het systeem van de Filosoof waren het geen goddelijke tekens van rampspoed, maar hooguit symptomen van atmosferische veranderingen op aarde, die op hun buurt weer vloedgolven, droogte en misoogsten konden veroorzaken.23 Latere auteurs hadden evenwel minder aandacht voor de fysica dan voor de betekenisleer van kometen. Bijzonder invloedrijk waren door de Stoa beïnvloede schrijvers als Cicero, Plinius en Seneca. In de stoïsche natuurfilosofie werd een rechtstreeks verband verondersteld tussen de kosmische orde en de morele orde op aarde. De natuur werd opgevat als een medium tussen het goddelijke en de mens, en opmerkelijke natuurverschijnselen hadden dan ook altijd een diepere betekenis.24

In de De natura deorum gaf Cicero, de ongedoopte kerkvader zoals hij later wel betiteld werd, een aantal argumenten voor het bestaan van een aangeboren godsbesef in de mens. Punt drie was ‘de schrik die ons om het hart slaat’ bij het aanschouwen van natuurwonderen:

[p. 121]

‘bij regen met stenen ... onnatuurlijke gedrochten onder de mensen of het vee; en ook bij meteoren en wat de Grieken “kometen” en wij “staartsterren” noemen-nog onlangs in de Octaviaanse oorlog zijn zij de voorboden geweest van grote verschrikkingen.’25

Ook Plinius ging dieper in op de aard van kometen.26 Hij nam aan dat de natuur gehoorzaamde aan wetten die grotendeels verborgen bleven voor het menselijk verstand. Meer dan Cicero had hij aandacht voor divinatio. Een komeet was volgens hem ‘een hemellichaam dat in het algemeen paniek zaait en het onheil dat het voorspelt is niet gemakkelijk af te weren’.27 Hij gaf vervolgens een klassificatieschema waarin de uiterlijke verschijning van de komeet, de richting van de staart en de plaats aan de hemel een rol speelde. Ook somde hij de rampspoed op die in het recente verleden gevolgd was op de komst van kometen.

De meest vooraanstaande vertolker van de overtuiging dat de natuur een doelmatig en betekenisdragend geheel was, was Seneca.Hij wijdde het gehele zevende en laatste deel van zijn Naturales quaestiones aan kometen. Seneca begon zijn uiteenzetting met de verzuchting dat de mens normaal gesproken weinig acht slaat op de schoonheid van de hemelen. Pas als er iets opmerkelijks te zien is kijkt iedereen omhoog. ‘Hetzelfde gebeurt in het geval van kometen. Als een zeldzaam vuur van ongewone vorm verschijnt, wil iedereen weten wat het is.’28 Na korte metten gemaakt te hebben met eerdere theorieën stelde Seneca: ‘Ik denk niet dat een komeet een plotseling verschijnend vuur is, maar behoort tot de eeuwige werken van de natuur.’29 Volgens Seneca werden kometen bewogen door vaste wetten en doorliepen zij evenals de planeten regelmatige banen. Er zou een dag komen dat ‘iemand zal aantonen in welk gedeelte [van de hemel] zij ronddraaien’.30 Ook Seneca stelde echter ondubbelzinnig dat kometen een goddelijke betekenis hadden. Sterker nog, júist omdat ze hemellichamen waren die aan bepaalde natuurwetten gehoorzaamden, dienden ze op dezelfde wijze geïnterpreteerd te worden als de sterren en planeten. Natura toonde niet vaak kometen en daarom wilde zij door middel van deze hemellichamen aandacht vestigen op de grootheid van haar werken. Aangezien alles in natura met elkaar in verband stond, was elk verschijnsel een verwijzing naar een ander. Ook kometen stonden in de causale keten van fatum en konden derhalve beschouwd worden als voorbodes van de toekomst.

De stoïsche visie op kometen zou in de christelijke cultuur een constante onderstroom vormen en in de zeventiende eeuw aan invloed winnen. Tot die tijd zou de synthese die Ptolemaeüs formuleerde een dominante rol

[p. 122]

spelen.31 Deze verbond de aristotelische fysica met de meer stoïsch georienteerde belangstelling voor divinatio. Hoewel Ptolemaeüs Aristoteles niet expliciet noemde, accepteerde hij wel diens lokalisering van de kometen in de ondermaanse sfeer. Dit gegeven had uitermate verstrekkende consequenties. Ptolemaeüs besprak kometen niet in zijn gezaghebbende werk over de mathematische sterrenkunde, de Almagest, maar samen met andere atmosferische verschijnselen in zijn verhandeling over de astrologie, de Tetrabiblos.32 Dit werk zou uitgroeien tot een van de fundamenten van de westerse astrologie, die zo lang onlosmakelijk met de astronomie verbonden was.33 In dit verband is belangrijk dat Ptolemaeüs in de geest van Aristoteles constateerde dat de harige sterren vaak voorkwamen in samenhang met droogte en andere meteorologische verschijnselen. Meer specifieke gevolgen konden met behulp van astrologische technieken worden afgeleid. Analoog aan de positie van de planeten in de dierenriem konden ook op basis van de plaats van de komeet in een van de twaalf zodiakale huizen predicties worden opgesteld. De richting van de staart wees de gebieden aan die onder de invloed van de komeet zouden komen te liggen. De periode gedurende welke een komeet gezien werd, was een indicatie voor de duur van de gevolgen. De relatieve afstand tot de zon gaf aan op welke termijn het onheil zou aanvangen. Ptolemaeüs' algemene schema zou later veel worden geciteerd, maar liet desalniettemin nogal wat vragen onbeantwoord. In de verzameling astrologische aforismen die bekend is geworden onder de naam Centiloquium en die aan de Griek werden toegeschreven, werden wél concrete voorspellingen gedaan.34 Als een komeet bijvoorbeeld elf huizen van de zon verwijderd was, zou een koning sterven. Doordat dergelijke precieze voorspellingen het volle gewicht van Ptolemaeüs' autoriteit droegen, zouden ze tot ver in de zeventiende eeuw worden aangehaald, ook door gereformeerde auteurs in de Republiek. Kometologie en divinatio gingen eeuwenlang hand in hand.

Kometen in de christelijke traditie

In tegenstelling tot de Grieken en Romeinen speculeerden de vroege christenen nauwelijks over de fysische aard van kometen. De aandacht was nadrukkelijk gericht op de goddelijke betekenis van deze en andere hemeltekens. De christelijke ideeën over prodigia tonen grote overeenkomsten met de klassieke, maar voorzagen deze van een diepere, monotheïstische invulling. In het Oude Testament viel op talloze plaatsen te lezen hoe God de mens, middels een opmerkelijk natuurverschijnsel, een teken gaf. Na de Zondvloed toonde de Heer een regenboog:

[p. 123]

‘En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat ik geef tussen Mij en tussen ulieden... En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken; Dan zal ik gedenken aan Mijn verbond.’35

Ook leidde de Heer Mozes' volk 's nachts door de woestijn door middelvan een vuurkolom.36 Volgens de evangelisten gingen zowel de geboorte als de dood van Christus gepaard met hemeltekens. Seculiere bronnen meldden dat ook tijdens de vervolgingen van de eerste christenen en de verwoesting

illustratie

23. Tot ver in de vroegmoderne tijd maakte Flavius Josephus' verhaal over de komeet die gezien werd tijdens de verwoesting van Jerusalem grote indruk. In een van de zeventiende-eeuwse standaardwerken over kometen, Lubieniecki's Theatrum cometicum (1667), werd het verhaal aldus verbeeld. (kb)


[p. 124]

van Jeruzalem (69 n. Chr.) een opmerkelijke hoeveelheid portenta zichtbaar was aan het firmament (afb. 23). Bijzonder veel geciteerd in verband met dit laatste werd De bello iudaico van Flavius Josephus (ca.37-ca.100), waarin beschreven werd dat ‘er een ster boven de stad was verschenen en er een jaar lang een komeet aan de hemel had gestaan’.37

Latere bespiegelingen over kometen waren echter met name gebaseerd op de boeken van de profeten en evangelisten. Zo lezen wij in Joël 2:30: ‘En ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren’. In het Evangelie van Mattheüs voorzegde Jezus de verwoesting van Jeruzalem en de tweede komst van de Mensenzoon:

‘En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen.’38

De evangelist Lukas somde in de corresponderende passage nog nadrukkelijker de verschillende wondertekenen op:

‘Toen zeide Hij tot hen: het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden... En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren... En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.’39

Belangrijk is overigens om te constateren dat de Bijbel nergens expliciet spreekt over staartsterren, maar slechts in algemene termen over ‘wondertekenen aan den hemel’. Maar tot ver in de zeventiende eeuw namen geleerden aan dat hier cometae werden bedoeld. Zo noteerde Hugo de Groot in zijn commentaar op Joël 2:31 dat dit vers zeker betrekking had op staart-sterren.40 Op basis van de geciteerde loci werd aan deze tekens een universeel-religieuze betekenis toegekend. Deze portenta in coelo konden vanuit eschatologisch perspectief worden beschouwd als voorbodes van de Dag des Oordeels en Christus' Tweede Komst, en werden in meer algemene zin gezien als uitingen van Gods gramschap. Eeuwenlang werden eigentijdse verschijningen door theologen en kroniekschrijvers in verband gebracht met hongersnoden, pestepidemieën en oorlogen.41 Mede op basis van 2 Samuel 24:12 werden deze plagen geïnterpreteerd als straffen van God

[p. 125]

voor het zondige gedrag van de mens. Aangezien God niet alleen streng, maar ook rechtvaardig was, gaf Hij vaak voordat Hij Zijn volk bezocht een teken, bijvoorbeeld in de vorm van een komeet.42 Bij het aanschouwen van een dergelijk signaal waren de mensen gewaarschuwd. Alleen als men terstond overging tot boetedoening en betering van de levenswandel, kon men nog hopen dat de Heer Zijn straf zou afwenden.

De vrees voor kometen en andere prodigia kreeg ten gevolge van de reformatie een nieuwe impuls. Tegen de achtergrond van de heftige religieuze conflicten en de sterk millenaristische verwachtingen die toen leefden werden deze, inderdaad ineens opmerkelijk frequent verschijnende hemeltekens met extra veel aandacht gadegeslagen. Zo stelde Luther in een preek dat de komeet van 1527 een oproep was tot boetedoening en een voorbode voor de Jongste Dag:

‘Wenn der Comett, der Schwantzstern sheynet; denn alsso leret die erfarung, datzu Christus Luce. 21. sagt, das solche tzeychen ynn der sson, mohn und sternen seyn sollen, die das letzt unglück der welt bedeuten. Aber wie das tzugehe... ist dyr nit nutzt noch nott tzu wissen, ist genug, das du Gottis tzorn dran erkennist und dich bessert.’43

In het kort zien we hier wat ook in geleerd drukwerk werd uiteengezet: hóe God nu precies deze tekens tot stand brengt, is irrelevant. De clavis interpretandi wordt geleverd door de Heilige Schrift.

De komeet die in 1531 verscheen wekte ook de fascinatie, om niet te zeggen begeestering op van Melanchthon. Volgens de Praeceptor Germaniae dienden de tekens die de Heer aan de hemel gaf met de grootst mogelijk zorg bestudeerd te worden.44 De interpretatie diende niet alleen te geschieden door middel van de Bijbel, maar ook aan de hand van de klassieken. Melanchthons welhaast heilige eerbied voor de Ouden vertaalde zich ondermeer in een omarming van Ptolemaeüs' astrologische geschriften.45 In correspondentie met collega's speculeerde de Duitser druk over de diepere betekenis van de komeet, en daarnaast gaf hij een Latijnse vertaling uit van Ptolemaeüs' Tetrabiblos en het Centiloquium, voorzien van commentaar.46

We komen hiermee op een uitermate belangrijk punt: de relatie tussen astrologie en christendom. Over dit onderwerp is veel geschreven, en ik beperk me daarom tot een korte samenvatting.47 Om te beginnen moet worden benadrukt dat tot ver in de vroegmoderne tijd eigenlijk nauwelijks een scherp onderscheid is te maken tussen astrologie en astronomie. Er was vrijwel geen geleerde te vinden die ontkende dat de hemellichamen op een of andere manier in verband stonden met het ondermaanse.48 De

[p. 126]

vraag was alleen hoe ver die astrale invloed reikte. Dat er een relatie bestond tussen de stand van de zon en de wisseling van de jaargetijden of tussen de loop van de maan en de getijden was voor iedereen duidelijk. De geneeskunde zoals die in de galenistische traditie werd beoefend, veronderstelde een symmetrie tussen macro- en microkosmos, zodat kennis van de sterrenkunde een conditio sine qua non was voor succesvol medisch ingrijpen.49 Dit uitgangspunt werd voortgezet in de richting van pogingen om de invloed van de sterrenbeelden en planeten op de gezondheid van mensen nauwkeurig te bepalen. Nog een stap verder ging de geboorteastrologie, waarbij door middel van horoscopen voorspellingen werden gedaan over het lot van individuele personen.50

Sinds de middeleeuwen was het gebruikelijk om een onderscheid te maken tussen natuurlijke en judiciële astrologie. Ofschoon de grens tamelijk vaag was, werden pogingen om uit de sterren de toekomst te lezen tot deze laatste categorie gerekend. Vanuit christelijk perspectief gezien was dit anathema: slechts God wist wat er in het verschiet lag. Bovendien leverde de Bijbel talrijke passages die werden geïnterpreteerd als veroordelingen van sterrenwichelarij. De locus classicus was Jeremia 10:2: ‘Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.’ Dat divinatio een heidense praktijk was, bleek onomwonden uit Deuteronomium 18:10-12:

‘Onder u zal niet gevonden worden ... die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar ... Want wie al zulks doet, is den Heere een gruwel.’

Reeds de christelijke keizers van het Romeinse rijk verketterden de voorspellende astrologie. Ook kerkvaders als Augustinus en Ambrosius veroordeelden deze praktijk, aangezien dit een ontoelaatbaar determinisme veronderstelde en-bovenal-de almacht Gods ontkende. Augustinus schreef in De civitate dei dat astrologen dan soms wel eens juiste antwoorden op vragen konden geven, maar dat dit het gevolg was van

‘heimelijke ingevingen van boze geesten, die er zich op toeleggen deze onware en schadelijke meningen over door de sterren bepaalde lotsbestemmingen bij de mensen ingang te doen vinden.’51

Desalniettemin waren opvattingen over de correspondentie tussen de hemellichamen en het aardse bestier dermate diep geworteld in de christelijke wetenschappelijke cultuur dat niet alleen de natuurlijke, maar ook de judi-

[p. 127]

ciële astrologie een stevige basis had. Door sommige auteurs werd nauwelijks een spanning gevoeld tussen astrale invloeden enprovidentia Dei. Zo werd Melanchthons fascinatie voor de astrologie gedeeld door onder meer zijn vriend, de beroemde humanist Joachim Camerarius I (1500-1574), en zijn schoonzoon Caspar Peucer (1525-1602), auteur van het veelgeciteerde De praecipuis divinationum generibus (1553).52 De status die de judiciële astrologie in het algemeen en een voorspellende interpretatie van kometen in het bijzonder hierdoor kreeg, kan maar moeilijk worden overschat.

Een afwijkend geluid kwam uit Genève. In 1549 werd daar Calvijns Avertissement contre l'astrologie gepubliceerd.53 Conform de traditie maakte de reformator een onderscheid tussen natuurlijke en judiciële astrologie, in zijn terminologie ‘ware’ en ‘bastaard’ astrologie genoemd. Deze laatste vorm was godslasterlijk. Maar evenals Melanchthon benadrukte Calvijn dat de mens uit de loop van sterren en planeten de almacht Gods kon leren kennen. En dat kon ook door middel van andere hemeltekens:

‘Cependant je ne nie pas, lors que Dieu veut estendre sa main pour faire quelque jugement digne de mémoire au monde, qu'il ne nous advertisse quelquefois par les comètes; mais cela ne sert de rien pour attacher les hommes et leur condition a une influance perpétuelle du ciel.’54

De invloed van Calvijns traktaat lijkt gering te zijn geweest. Het merendeel van de vele verhandelingen die in de zestiende eeuw in noordelijk Europa aan kometen werden gewijd, toont een onlosmakelijke verstrengeling van astrologische predicties, christelijke vermaningen en eschatologische verwachtingen. In alle gevallen dicteerde en structureerde de klassiek-bijbelse traditie de betekenisgeving.

Het duidelijkst blijkt dat uit een opmerkelijk literair genre dat halverwege de eeuw met name in de protestantse landen grote populariteit genoot: de prodigia-boeken.55 Humanistische compilatoren gaven in deze lijvige naslagwerken chronologische overzichten van alle prodigia waarmee God sinds de Schepping de mens had gewaarschuwd. Pakkende illustraties completeerden het geheel. Uit de titelpagina van veruit het meest geciteerde werk, het Prodigiorum ac ostentorum chronicon (1557) van de Baselse medicus Conrad Lycosthenes (1518-1561), blijkt duidelijk hoe kometen en andere singuliere natuurverschijnselen op identieke wijze werden geïnterpreteerd (afb. 24). De significante toelichting op de besproken fenomenen luidde:

‘die buiten (“praeter”) de orde, beweging en werking van de natuur, sinds de Schepping tot onze eigen tijd zijn geschied, welke tekenen niet bij

[p. 128]

toeval plegen te ontstaan, maar, getoond aan het menselijk geslacht, de strengheid en de toorn Gods voor haar zonden aankondigen, alsmede grote veranderingen in de wereld.’56

Lycosthenes presenteerde de schepping als een chronologische eenheid, waarin de fysische orde de morele orde weerspiegelde. Hij schreef dat hij natuurlijke verklaringen niet verwierp en veel achting had voor de astrologie, maar dat uiteindelijk de natuur de boodschapper was van God, zowel wat betreft slecht als wat betreft goed nieuws.57 Andere prodigia-boeken werden onder meer gepubliceerd door de al genoemde Peucer, door Melanchthons leerling Jobus Fincelus, en door Marcus Frytschius. Uit deze handzame (en later veelal klakkeloos overgeschreven) overzichten bleek overduidelijk dat kometen niet mis te verstane omineuze tekens waren: de slag bij Salamis (480 v. Chr); de Achaïsche oorlog (148 v. Chr.); het al dan niet gewelddadige overlijden van keizers uit het Juliaanse huis; de verwoesting van Jeruzalem (69), de val van het Rome (430); de geboorte van Mohammed (730); de vreselijk pestepidemie van 1348 etcetera waren allen aangekondigd door de verschijning van een staartster, al dan niet in combinatie met andere prodigia. Eigentijdse monstra dienden te geduid te worden door filologie en exegese. Hóe God deze nu precies in het leven had geroepen was onbelangrijk. Vandaar ook dat zestiende-eeuwse beschouwingen over kometen dikwijls op voor ons onverwachte plaatsen opduiken, zoals bijvoorbeeld in de invloedrijke teratologische verhandelingen van Amboise Paré en Ulysse Aldrovandi, waarin te midden van beschouwingen over parasitaire tweelingen en monsterlijke kalveren ook aparte hoofdstukken waren ingeruimd voor de ‘monsters van de hemel’ (afb. 25).58

Tot ver in de zeventiende eeuw opereerden humanisten, natuurfilosofen, theologen en dichters wat betreft de kometomantiek binnen hetzelfde discours. Gezien het toposmatige interpretatiekader is het ook zeker geen verrassing dat de betekenis die aan kometen werd toegekend betrekkelijk ongevoelig was voor de veranderende opvattingen over de natuurfilosofische kant van de zaak. De aristotelische kometentheorie was in de zestiende eeuw geenszins de enig bekende, maar wel veruit dominant.59 Een duidelijke problematisering voor de peripatetische fysica ontstond door de astronomische observaties die Tycho Brahe (1546-1601) in 1572 en 1577 deed. Het was met name de spectaculaire komeet van 1577 die in heel Europa veel pennen in beweging bracht.60 Brahe verrichtte vanuit zijn observatorium parallaxmetingen, en constateerde dat het hier zonder enige twijfel om een hemellichaam ging, dat zich dus ver boven de maan bewoog. Deze ontdekking is veelvuldig betiteld als cruciaal voor de moderne natuurwe-

[p. 129]

tenschap.61 Veel minder bekend is echter dat Brahe's verwerping van de aristotelische kometologie hem er niet van weerhield uitgebreide voorspellingen te doen.62 Zich onder meer baserend op bijbels en astrologisch gedachtegoed schreef Brahe: ‘weil si aber im Himmel ir generation haben sollen si souil desto mehr für ein wunder zaichen geacht werden’, aangezien

illustratie

24. Fragment van de titelpagina van Lycothenes' Prodigiorum ac ostentorum chronicon (1557). Een afbeelding van God wordt omgeven door vier verwijzingen naar het leven van Christus. Daaromheen staan twaalf soorten praeternatuurlijke verschijnselen afgebeeld, waaronder een luchtgezicht en de verschijning van een komeet. (uba)


[p. 130]

‘gott der Allmechtige ohne mittel durch seien krafft vnnd willen seiner zeit ein sollich neu liecht am himel vnns zu warnung zukkonfftiger straff schaffet.’63 Brahe stelde verschillende horoscopen op. Het saturnische voorkomen en de martiale staart van de komeet van 1577 beloofden weinig goeds. Gezien de richting van de staart zou er in heel Europa onrust heersen, met

illustratie

25. In zijn Monstrorum historia (1642) nam Aldrovandi ook een hoofdstuk op over de ‘monsters van de hemel’: luchtgezichten, vlammende vuren en een komeet in de vorm van een zwaard. (kb)


[p. 131]

name in de Nederlanden. Het gebied zou door ‘grosses bluetergiessen mit vil grosserm vnglück vnnd schaden’ getroffen worden.

In heel Europa riep de komeet van 1577 in geleerde kringen soortgelijke reacties op. Zo aanschouwde de latere prefect van de Leidse hortus botanicus, Carolus Clusius, de staartster vanuit Wenen. In brieven aan de Duitse medicus Joachim Camerarius II (1534-1598) deed Clusius verslag van zijn waarnemingen. ‘God verhoede dat Hij ons niet vergeefs met zulke tekenen waarschuwt’, merkte hij op.64

2 Nederlandse opvattingen over kometen tot circa 1660

De komeet van 1577

Kometen, zonsverduisteringen en typisch lokale prodigia als aangespoelde walvissen riepen ook in de Lage Landen rond 1577 sterke emoties op. De Opstand, en alle verschrikkingen waarmee deze gepaard ging, vormde het decor waartegen deze tekenen zich extra scherp aftekenden.65 Illustratief voor het kader vanwaar uit deze monstra werden beschouwd zijn de regels in een pamflet waarin een walvisstranding in 1598 werd beschreven: ‘Doorleest d'heylige Schrift, doorleest d'oude Chronijcken’.66 De zeggingskracht van het corpus van teksten, commentaren en uitleggingen was enorm. De Heer toont ons dagelijks tekenen van Zijn gramschap, zo predikte bijvoorbeeld Johannes Becius (1558-1626) onder verwijzing naar Joël 2:30. Hij verduistert de zon, laat de maan in bloed veranderen en doet onder de sterren ‘schricklijcke Comoeten als vlammen Vyers verschynen, die hare prodigieuse werckinghen aen de verwoestinghen van Coninckrijcken, Landen en Steden thoonen’.67

Talrijke geleerden - ongeacht of ze nu waren opgeleid als theoloog, filoloog of medicus - beschouwden cometae vanuit hetzelfde gezichtspunt. Zo schreef de begaafde sterrenkundige, landgraaf Willem iv van Hessen in 1577 aan Johan van Nassau dat de zojuist gesignaleerde ‘schreckliche Comet ... nicht geringe dinge undt straff Gottes, unser besorgens, portendirt undt antrohet’.68 Deze komeet kondigt bloedvergieten aan, zo noteerde de Utrechtse antiquarius Arnoldus Buchelius (1565-1641) onder verwijzing naar Manilius' Astronomica.69 Tussen de nagelaten papieren van Jan van Hout (1542-1609), de eerste secretaris van de Leidse universiteit, bevinden zich enige Latijnse gedichten waarin druk wordt gespeculeerd over de gevolgen van deze komeet.70 Refererend aan Griekse bronnen kwam ook de grote Lipsius, die in 1578 in Leiden benoemd zou worden, tot de slotsom dat er onheil in het verschiet lag.71 Kortom, klassiek geschoolde geleerden

[p. 132]

waren het roerend met elkaar eens. Als we de term ‘bijgeloof’ in dit verband al zouden willen gebruiken, dan moeten we hier dus eerder spreken van ‘geleerd’ dan van ‘volks’ bijgeloof.72

De opwinding over de komeet van 1577 vond niet alleen zijn neerslag in humanistische egodocumenten, maar ook in pamfletten die geschreven waren in de landstaal.73 In de Noordelijke Nederlanden werd er (voor zover bekend) één pamflet aan gewijd: De Historie, Natuere ende Beduidenisse der erschrickelicke Comeet, van Johannes Heurnius (1543-1601).74 Op het moment dat Heurnius het vlugschrift schreef was hij stadsarts van Utrecht. In 1581 zou hij benoemd worden tot hoogleraar medicijnen aan de pas gestichte universiteit van Leiden, in welke hoedanigheid hij onder meer een negatief advies zou uitbrengen over het gebruik van de waterproef in heksenprocessen.75 Kortom, hier sprak een man met een bezonken oordeel.

Het motto van Heurnius' Historie, Jesaja 13:9-10, liet niets aan duidelijkheid te wensen over:

‘Ziet, de dag des Heeren komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn ... Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet doen schijnen.’

Volgens Heurnius slaan de mensen nauwelijks acht op de loop van de natuur, maar door een ‘erschrickelicke Comeet’ worden zij zich weer bewust van Gods almacht. De mens moet zich hoeden dat hij niet ‘dit Godlick werck met open Ooghen blint voorbij gaet’.76 Na deze vermaning gaf Heurnius een fysische beschouwing. Meer op grond van speculatie dan op basis van eigen waarnemingen plaatste hij de komeet in de sfeer boven de maan. Hij kwam tot de conclusie dat zij bestond uit het ‘vyfste Element, geheten het astralisch Element’.77 Dat God dit ‘monster van gesternte’, dit ‘merckteicken’ aan de mensen toont, had zonder enige twijfel een voorspellende waarde:

‘Niet dat ick wil seggen dat Cometen ofte dergelicke Teickenen de toekomstige veranderingen voortbrengen ofte maken, nee geenszins, dan het sijn natuerlike Teickenen, dat de natuer door Gods gebott haer oorsake der veranderinge tot ons nederseint.’78

De hele schepping was in de visie van Heurnius een complex systeem van verwijzingen. Een komeet is een teken, net zoals koorts een symptoom is voor ziekte, de bloei van een vijgenboom een teken dat de zomer in aan-

[p. 133]

tocht is, of uiterlijke merktekens op de aarde de mijnbouwer een aanwijzing geven waar hij moet graven. De mens diende te weten ‘dat den alscheppende Godt door syne wonderwercken gesien wil worden, ja so nae openbaert hy ons daer in, dat wy hem met de handen onses verstants tasten’.79 De Schepping schijnt bij Heurnius niets anders dan een goddelijke tekst, een opvatting die nog wordt onderstreept door de duidelijk neoplatoonse en paracelcistische ondertoon van de Historie.80

Vervolgens toonde Heurnius zich een vurig voorstander van de astrologische duidingmethode. Hij deed dat overigens niet alleen in dit populaire pamflet; ook in zijn geleerde medische werk beriep hij zich op zowel de natuurlijke als de judiciële astrologie.81 Heurnius maakte een scherp onderscheid tussen mensen die de tekens aan de hemel negeerden en zij die de nobele kunst van de astrologie aanhingen. Wie acht slaat op Gods schepping, kan de tekenen duiden. Wie de Bijbel kent en zich verdiept in de geschriften van de ‘olden Philosophen’, kan ook de verschijning van kometen op de juiste manier interpreteren.82 Heurnius baseerde vervolgens zijn prognosticatie op het Centiloquium van Ptolemaeüs. Het was volgens de Utrechtse medicus significant dat de komeet was gegenereerd door Mars en verschenen ‘in signo Librae’, in het sterrenbeeld Weegschaal, terwijl Saturnus ferm in het achtste en negende huis stond!83 Erg nauwkeurig schijnt deze observatie overigens niet geweest te zijn. Niemand minder dan Brahe, die waarschijnlijk de Duitse vertaling van Heurnius' werkje kende, voelde zich geroepen om er iets over op te merken. Wilde men op deze manier voorspellingen doen, dan moest de astroloog wel zorgen dat hij over correcte data beschikte, meende de Deen.84

Een en ander belette Heurnius niet om toch een blik in de toekomst te werpen. Wat er precies in het verschiet lag, wist alleen God. Maar had Christus niet voorzegd dat de tweede komst van de Mensenzoon zou worden aangekondigd door tekenen aan de hemel? Er zou een tijd van troebelen en onrustbarende portenta volgen, alvorens de Dag des Heren zou komen. In afwachting hiervan kon het vaderland de volgende plagen tegemoet zien: ‘Oorlogsturbatie, oproer, Ghevanckenisse, Destructien, der Princen grammoedicheyt, ende daer door haestighe overvallinghe ende verschrickelicke sterfte, Spijt, onrecht, Brandt, Moordt’ en, niet in de laatste plaats, ‘Schipbreukinghe door tempeest.’85

De komeet van 1618

Ongeveer veertig jaar later, op 19 november 1618, verscheen er opnieuw een opvallende komeet (afb. 26). De religieuze en politieke situatie in cen-

[p. 134]



illustratie

26. De komeet van 1618 verscheen in een zeer turbulente tijd. Op de titelpagina van dit anonieme pamflet wordt de komeet en het dreigende onheil aanschouwelijk gemaakt. (ubg)


[p. 135]

traal Europa was geëscaleerd tot wat bekend zou worden als de Dertigjarige Oorlog. In de Republiek woedden de Bestandstwisten. De komeet verscheen enige dagen voor de aanvang van de Synode van Dordrecht en vormde hier het gesprek van de dag.86 De remonstrantse chroniqueur Geeraert Brandt (1626-1685) wist een halve eeuw later te melden dat sommige van zijn geloofsgenoten, ‘de brieven van Melanchthon hebbende gelesen’, de komeet beschouwden als ‘een afbeelding van dese Synode: vresende dat deselve soo wel als de staertstar, een staert van swaerigheden en onheilen sou naer sich sleepen’.87 Wachtend op zijn proces kreeg Van Oldenbarnevelt een kometentraktaatje in handen.88 De achtergrond waartegen het omineuze teken verscheen, was dus zeker niet minder dramatisch dan in 1577. In heel Europa verschenen publicaties waarin over de komeet werd gespeculeerd; alleen al in de Republiek zeven.

Een van de bekendste verhandelingen werd geschreven door de Groningse hoogleraar genees- en wiskunde Nicolaus Mulerius. Hij gaf een pamflet uit in de landstaal, Hemelsche Trompet Morgenwecker ofte Comeet met een langebaert.89 Mulerius was een uitermate geleerd man. Hij had in Leiden gestudeerd onder Danaeus, Lipsius en Heurnius, en was bevriend met onder anderen Scaliger en Gomarus. Hij had eerder van zich doen spreken met een gezaghebbende uitgave van Copernicus' De revolutionibus, een werk dat hij zeer hoog achtte ondanks het feit dat hij op bijbelse gronden de centrale these verwierp. Daarnaast gaf Mulerius jarenlang een uitermate populaire almanak uit, waarin hij onder meer de stand van zon en maan en het juiste tijdstip voor aderlatingen berekende. Evenals bijvoorbeeld zijn geestverwant Philips Lansbergen was Mulerius ervan overtuigd dat het firmament een spiegel was van Gods almacht. ‘Keert u herte ende oogen opwaerts nae den hemel, om de wonderdaden Gods (door den Astrolabe) aen te schouwen’, schreef Mulerius in zijn uitleg over astronomische meetinstrumenten.90 Alle hemelverschijnselen, zowel de loop van sterren en planeten als eclipsen en kometen, hadden een hogere, goddelijke betekenis. De contraremonstrant was overigens een overtuigd aanhanger van de astrologie in de meest brede zin van het woord. Hij trok zelf geboortehoroscopen, bezat talrijke standaardwerken over dit onderwerp en speelde met de gedachte om Ptolemaeüs' Tetrabiblos opnieuw uit het Grieks in het Latijn te vertalen, dit uit onvrede met Melanchthons editie uit 1553. De judiciële astrologie was volgens Mulerius niet strijdig met Gods voorzienigheid, aangezien Hij zelf dikwijls hemeltekens als boodschappers gebruikte. Mulerius had al eerder dergelijke goddelijke aanmaningen gadegeslagen. Zowel de nova van 1604 als het vrijwel onzichtbare komeetj e van 1607 zag hij als tekens dat God ‘ons straffen ende castiden wil’.91

[p. 136]

In zijn pamflet over de komeet van 1618 stelde de hoogleraar onder verwijzing naar Aristoteles dat God en de natuur niets tevergeefs voortbrengen: ‘Alle dinck heeft sijn waarom’.92 Maar ook bij Mulerius zijn fysische speculaties ondergeschikt aan etymologische uiteenzettingen, evaluaties van wat er door de eeuwen heen over kometen geschreven is, en beschouwingen over de betekenis van de zojuist waargenomen ‘hemelsche trompet’. Over de laatste kwestie dacht Mulerius in grote lijnen hetzelfde als Heurnius (bij wie hij in 1589 was gepromoveerd). Met instemming citeerde hij Melanchthon, ‘een geleerde ende Godtvruchtig Theologant’, dat men hiervoor het best bij Ptolemaeüs te rade kon gaan, aangezien andere astrologen beuzelden.93 Ondanks alle referenties naar de Griek, was Mulerius' prognosticatie uitermate vaag van strekking. Zich beroepend op de Bijbel schreef hij dat dit teken een waarschuwing van God was voor ‘onsen sonden, als van suypen, brassen, pronken ende hovaerdigh pralen’.94 Indien de mens niet zou overgaan tot boetedoening zou God ‘sijn straffe laten gaen over landen ende luyden’, en wel in de gedaante van oorlog, hongersnood en pest. De geschiedenis leerde dat dit de gesels waren waarmee de Heer de mensheid bezocht. Slechts indien wij ons, gelijk de burgers van Ninivé, biddend, schreiend en vastend tot God wenden, zullen wij onze gerechtvaardigde straf ontlopen, meende Mulerius. Evenals al zijn collega-auteurs gaf de hooglereraar vervolgens een nagenoeg uitputtende opsomming van alle rampspoed die in de geschiedenis op de verschijning van een komeet was gevolgd. Hij ontleende deze waarschijnlijk aan Lycosthenes' Chronicon, waarvan hij een exemplaar bezat.95

De Groningse professor nam de komeet waar met de ‘nieu gevonden bril’, de telescoop, en was hiermee voor zover bekend de eerste in de Nederlanden.96 Reeds in 1613 had hij hemellichamen gezien ‘die het menselijk geslacht nog onbekend waren’, vermoedelijk de schijngestalten van Venus en een maantje rond Jupiter.97 Mulerius was dan ook geen dogmatisch aristotelicus. Als de Filosoof nog geleefd had, zo schreef Mulerius blijmoedig

‘hy soude sijn gevoelen vande gantsche handel der Cometen geerne veranderen ... Ende met Seneca spreken: Ego non existimo Cometam subitaneum ignem, sed inter aeterna opera Naturae: ic en kan niet gelooven dat een Comeet souden sijn een nieu angesteken vuyr, maer veel eer een euwich schepsel Godes.’98

De gedachte van Seneca dat ook kometen tot het bovenmaanse behoorden, sterkte Mulerius in zijn overtuiging dat bijbelse passages over hemeltekens en de kunst van de astrologie ook hier van toepassing waren.

[p. 137]

Dezelfde houding zien we bij Mulerius' meer bekende collega Willebrord Snellius, hoogleraar wis- en sterrenkunde in Leiden.99 Snellius was een leerling van zijn vader Rudolph en verder van de grote Scaliger. Evenals Mulerius was hij sterk beïnvloed door zowel het idee van de sapientia veterum als door eigentijdse ideeën in de geest van Stevin. Net als zijn Groningse collega benadrukte Snellius het belang van observaties. In zijn traktaatje, getiteld Descriptio cometae, gaf hij nauwgezette tabellen waarin de loop van deze ‘cometa specie horrenda’, deze staartster van schrikwekkende gedaante, door het hemelgewelf was opgetekend.100 Ook Snellius constateerde een bovenmaanse positie. Anders dan in de werken van veel van zijn tijdgenoten, vormden bij Snellius speculaties over de fysische aard van het hemelverschijnsel de hoofdmoot van zijn verhandeling. In hermetisch Latijn weerlegde hij, met veel vertoon van belezenheid, klassieke en eigentijdse theoriën over de ‘langharige sterren’. Uiteindelijk kwam hij onder verwijzing naar Posidonius en Anaxagoras tot de slotsom dat kometen brandende uitwasemingen van de zon waren.101

Ondanks het feit dat ook kometen op natuurlijke wijze verklaard konden worden, waren het toch tekens: ‘Vaste lichamen zijn door God niet in de immense aether gecreëerd om zonder doel en effect onder de sterren te bewegen.’102 Ook Snellius verwierp de gedachte dat kometen de veranderingen op aarde veroorzaakten - het waren signa. Maar hoe deze te interpreteren? Het is kenmerkend voor Snellius' intellectuele oriëntatie dat hij allereerst bij de Babyloniërs, Egyptenaren en Chaldeeërs te rade ging. De allereerste volkeren op aarde hadden volgens Snellius een welhaast volmaakte kennis van de natuurmysteriën gehad. Snellius' fascinatie voor de prisca theologia komt bij uitstek tot uitdrukking in zijn bewondering voor Berosus, de Babylonische priester die rond 280 voor Christus de sterrenkundige kennis van zijn voorvaderen in Griekenland had verspreid.103 Snellius was een vurig voorstander van de judiciële astrologie en citeerde occulte bronnen als de Aphorismi astrologici Lodovici de Regiis, een aan het Centiloquium verwante verzameling van 201 predicties. Aangaande cometae verwierp de Leidse hoogleraar de zienswijze van Ptolemaeüs, die deze immers onder de atmosferische verschijnselen had gerekend. Aangezien kometen hun oorsprong hadden in de hemellichamen, hadden ze ook dezelfde effecten. De komeet van 1618 leek wat betreft aard, baan en uiterlijk sterk op de komeet die ‘Ali ibn Ridwan (998-1061), een arabische commentator van Ptolemaeüs’ Tetrabiblos, had beschreven in zijn Dejudiciis astrorum.104 Deze geleerde verhaalde, zo schreef Snellius, dat hij een komeet had geobserveerd die zich voor het eerst in de vijftiende graad van het sterrenbeeld Schorpioen had vertoond, recht tegenover zon en maan.

[p. 138]

Dit was gevolgd door oorlogen in Mauretanië, nederlagen, verwoestingen, droogte, dure tijden en uiteindelijk pest en massale sterfte. In het slothoofdstuk concludeerde Snellius dan ook:

‘Wat betreft onze komeet overtuigen mij de overeenkomst van de plaats van haar oorsprong en de nabijheid van de loop en, ten slotte, de algehele gelijkenis [met de komeet van ‘Ali ibn Ridwan]. En dit te meer omdat ze, krachtig vanaf haar ontstaan, een aanzienlijke aanwas opnam. En eindelijk, rond de laatste dagen, toen ze vanwege de geringe helderheid al enige tijd nauwelijks zichtbaar was geweest, wierp ze toch nog een heldere glans van haar haren af, als om afscheid te nemen. En, wat voor mij het zwaarst weegt, het feit dat Saturnus met zijn vijandelijke stralen haar eerste verschijning opving en met zijn kwade kwaliteiten besmette. Daarom vrees ik dat deze komeet van een saturnische en van een zeer krachtige uitwerking zal zijn.’105

Ofschoon Snellius' uiteindelijke prognosticatie tamelijk vaag was, liet hij geen enkel misverstand bestaan over zijn houding ten opzichte van de judiciële astrologie.

Zoals bekend was de relatie tussen het christelijk gedachtegoed en de voorspellende astrologie op zijn zachtst gezegd omstreden. Uit studie naar Nederlandse almanakken blijkt dat het gebruik van astrologische methodes in de Republiek populairder was dan doorgaans wordt aangenomen, ook onder geleerden.106 Inderdaad zien we eerst Heurnius en later Mulerius en Snellius onbekommerd deze interpretatiemethode propageren. Mulerius was een strijdbaar contraremonstrant, die zich onder meer geroepen voelde om de Leidse universiteit te waarschuwen tegen het beroepen van de van socinianisme verdachte Vorstius.107 Over Snellius' religieuze overtuiging is weinig bekend, maar hij overleefde in ieder geval wel de zuivering die na 1618 aan de Leidse universiteit werd doorgevoerd. Maar nergens blijkt dat de hoogleraren Calvijns Avertissement contre l'astrologie ook maar vluchtig hebben doorgebladerd. Ze opereerden veel meer in de lijn van Melanchthon, die geen spanning voelde tussen de Voorzienigheid Gods en celeste invloeden.

Dit uitgangspunt werd gedeeld door minder geleerde Nederlandse pamflettisten. De Leeuwarder arts Johannes Velsius, de obscure almanakschrijver Saxus Fontanus, en de al even raadselachtige Balduinius Nicolai verwezen in dit verband allen naar Ptolemaeüs.108 Wel voelde men zich, anders dan Snellius en Mulerius, geroepen om de astrologie met enige terughoudendheid te presenteren. Nicolai nam zelfs een ‘VVaerschouvvinge om

[p. 139]

d'Astronomische const niet te misbruycken’ op. In de geest van Augustinus en Calvijn stelde hij dat de stand van de hemellichamen slechts een indicatie geeft van wat er gaat gebeuren, maar het niet bepaalt: ‘D'influentie vande Planeten en mogen niet dwinghen den Mensche die Godt vreest om quaet te doen.’109 De sterrenkunde kon goede diensten bewijzen, mits deze op een ‘chrïstelijke’ manier werd aangewend.

Dezelfde boodschap werd in 1619 breedvoerig herhaald in een anoniem verschenen boekje, Aenmerckinghe op de tegenwoordige steert-sterre (afb. 27).110 Algemeen wordt het toegeschreven aan Jacob Cats.111 Het werkje, bestaande uit een gedicht en moralistische verhandelingen, droeg de significante ondertitel Met aenwijsinge vande rechte wetenschap om alle teykenen des Hemels, ende vreemde Gesternten wel ende loffelijck uyt te leggen. Klaarblijkelijk was toch niet iedere calvinist even gelukkig met een omarming van de judiciële astrologie, want het traktaat is expliciet gericht tegen deze vorm van kometologie. Cats onderscheidt drie soorten mensen. Ten eerste zij die geloven dat de hemeltekens het handelen van de mens bepalen en dat de mens deze tekens kan lezen. Daarnaast zijn er stervelingen die zich van hetgeen aan het firmament zichtbaar is helemaal niets aantrekken. En ten slotte zijn er mensen die de enige juiste middenweg bewandelen door God te eren en te vrezen in Zijn werken.

De aanhangers van de eerste methode waren dus diegenen die in sterrenwichelarij geloofden. Deze interpretatiewijze diende volgens Cats resoluut door alle godvruchtigen te worden verworpen, ‘als strijdende tegens de eeuwige voorsienicheyt Godes ... ende als duydelijck ende oock by goede gevolch-redenen in Gods woort verboden zijnde, Jere 10:2. Deut 18:9’.112 Als extra argument werd, ironisch genoeg, Ptolemaeüs geciteerd:

‘Wat de Comete ... beduyden mach, houden wy alleen aen Gode, ende den genen die desenthalven eenighe bysondere openbaringhe van Gode mach hebben ontfangen, bekent te zijn. Want 'tis (ons bedunckens) treffelick ende eerbiedelick van Ptholomeo geseyt, Solos afflatos numine particularia posse praedicere, dat is, Alleene de gene die van Gode aen-gheblasen zijn, yet wes int bysonder, te connen voorsegghen.’113

Behalve diegenen die in de voorspellende astrologie geloofden, was er ook een categorie mensen die de hemeltekens volstrekt negeerden. Hun handelen was geheel in strijd met de geest van de Bijbel en meer in het bijzonder de letter van Psalm 19:2 ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk’. Deze mensen veronachtzaamden, door nooit een blik omhoog te werpen, de heerlijkheid van de Schepper op de

[p. 140]

plaats waar die het duidelijkst zichtbaar was. Het feit dat het boek Jeremia leerde dat men de tekenen niet moest vrezen, impliceerde niet dat men ze ook moest negeren.



illustratie

27. De titelpagina van Jacob Cats, Aenmerckinghe op de tegenwoordige steertsterre. Terwijl rechts Wel-hem en Gheenaert discussiëren over de betekenis van de komeet, komt links Reyn-hart aanlopen om uit te leggen hoe dit teken op een waarlijk christelijke wijze geduid moet worden. (kb)


[p. 141]

De enige juiste manier om een komeet en andere hemelverschijnselen te aanschouwen was ‘volghens den inhout der H. Schrift’.114 De lezer signaleert hier de invloed van het gereformeerde leerstuk over het Boek der Natuur. Op tal van plaatsen verhaalde de Bijbel immers hoe God door middel van gewone en buitengewone hemeltekens tot de mens sprak. ‘Sy doen dan wel ende wijsselick, die hare herten ende oogen eerbiedelick ten hemel verheffende, beschouwen de heerlickheyt des Scheppers in die plaetse daer de onse te soucken is.’115 Cats stelde dat de mens een onderscheid moest maken tussen ‘ordinare’ en ‘extraordinare’ bewegingen aan de hemel. De gewone bewegingen waren niet alleen verantwoordelijk voor de seizoenen en de getijden, maar konden bijvoorbeeld ook goede diensten bewijzen bij de navigatie op zee. Buitengewone bewegingen, ‘onghewoonlicke verschijninghe der sterren, ofte eenige veranderinge in den loop der hemelsche lichten’, waren zonder twijfel tekenen van God dat Hij ‘yet sondelincx ende buyten gewoonte’ op de aarde zou doen geschieden ‘als by exempel’.116 Als bewijs haalde Cats een aantal bijbelse mirakelen aan, zoals het Jozua-wonder van de stilstaande zon en de zonsverduistering bij Christus' kruisdood. Veruit de meeste ongewone hemelverschijnselen, met name kometen, waren tekenen van God en oproepen tot moreel goed gedrag. Het deed er weinig toe of deze een natuurlijke, boven- of buitennatuurlijke oorzaak hadden. Elders in zijn pamflet zette Cats deze interpretatie nog eens op rijm uiteen:

 
‘'t Is genouch voor ons te weten
 
Dat de steerten der Cometen
 
Voor gewis ons beelden aff
 
Teykens van des Heeren straff
 
Latet ons daer laten blijven
 
En den geest niet hooger drijven,
 
Maer ons lichaem buygen neer,
 
Dat Godt 't quade van ons weer.
 
Dan wilt ghy een regel weten,
 
Hoemen teykens en Cometen,
 
Wt moet legghen, en verstaen,
 
Hoort ick sal't u wijsen aen:
 
Wilt sulck een bedietsel geven,
 
Dat verbetering' van leven
 
Mach ontstaen in elcx gemoet,
 
Soo is u uytlegging goet.’117
[p. 142]

Kometen kondigden inderdaad de straffen Gods aan, zo leerde de traditie. Cats nam ter adstructie een aantal fragmenten op van onder anderen Manilius, Seneca, Claudianus en Lucanus. Op de komeet van 1577 was ‘dadelick alle dese lang-duyrige ende bloedige oorloghen’ gevolgd.118 Voor meer voorbeelden verwees Cats kortweg naar het prodigia-boek van Frytschius, Catalogus prodigiorum ac ostentorum.119

De traditionele interpretatie van kometen werd door Cats als het ware ‘gekerstend’. Voor het eerst zien we hoe hier de relatie tussen het GrieksRomeinse en het christelijke erfgoed wordt geproblematiseerd. In de geest van Augustinus (en ook Calvijn, die overigens niet geciteerd werd) werd de astrologie betiteld als ‘heidens’. Want, zo leerde Deuteronomium 18:10-12, waarzeggerij is den Heere een gruwel. Bijzonder duidelijk blijkt hier hoe de gereformeerde leerstelling van het Boek der Natuur in de praktijk functioneerde: de Schepping werd hier daadwerkelijk allereerst geïnterpreteerd aan de hand van de Schrift. Kometen waren wat dit betreft geen geïsoleerde verschijnselen. Een hoogst interessante parallel, door Cats zelf aangedragen, is de regenboog. Reeds in de Oudheid was algemeen bekend dat deze het gevolg was van de reflectie van zonlicht in regendruppels.120 Ook Cats stelde dat de regenboog ‘buyten twijffel’ een natuurlijke, en geen buiten- of bovennatuurlijke oorzaak had.121 ‘Even-wel nochthans isset een teyken des verbonts tusschen God en alle levende gedierte, Genes. 9:12.’ De hele eeuw door zou dit argument blijven weerklinken.

Dat een (correcte) fysische verklaring hand in hand kon gaan met een door de Schrift gedicteerde boodschap, blijkt eveneens uit een ander voorbeeld dat grote gelijkenis vertoont met het debat over kometen: eclipsen. Ook hier gold dat sterrenkundigen al millennia lang op de hoogte waren van de fysische oorzaak en vaak zelfs nauwkeurig konden uitrekenen wanneer een zons- of maansverduistering of een conjunctie van planeten zou plaatsvinden.122 Cats noemde dit feit al, en Mulerius had reeds een interessante beschouwing over dit verschijnsel ten beste gegeven in een van zijn veelgelezen almanakken.123 De wiskundige stelde dat de duisternis die op 3 april 33 tussen zes en negen uur tijdens Christus' kruisdood intrad zonder enige twijfel het gevolg was van een miraculeuze, want astronomisch niet te berekenen zonne-eclips. Maar de evangelisten hadden niet geschreven dat er op dezelfde avond een maansverduistering had plaatsgevonden, zoals Mulerius had becijferd!124 Twee eclipsen op één dag, de een natuurlijk en de ander bovennatuurlijk, dat was nog nooit vertoond en moest dus wel een wonder zijn, jubelde Mulerius.

Ook volgens een andere bekende astronoom, Philips Lansbergen, werd een goddelijke betekenis van dergelijke hemelverschijnselen gesanctioneerd

[p. 143]

door de Bijbel. De predikant was bijzonder goed op de hoogte van de klassieke astrologische geschriften, trok zelf geboortehoroscopen, maar was hiermee zeer terughoudend.125 Lansbergen schreef naar aanleiding van de nova van 1604 een gedicht waarin hij deze nieuwe ster interpreteerde als een voorbode van de straffen Gods en de Dag des Oordeels.126 Voetius meldt een (thans spoorloos) gedicht van Lansbergen over het komeetje van 1607 gelezen te hebben dat, naar we mogen aannemen, dezelfde strekking had.127 In zijn verdediging van het heliocentrische systeem schreef de Zeeuw dat ondanks het feit dat eclipsen natuurlijke oorzaken hadden ‘dewelcke oock genoegh bekent zyn ... soo en latense nochthans niet wonderlijck te zyn in haer selven’.128 De Bijbel en de geschiedenis leerde volgens de copernicaan dat ook deze de voorbodes waren van pestepidemieën en andere rampspoed. Duidelijk blijkt hier hoe problematisch de veel verkondigde opvatting is dat door de opkomst van natuurwetenschappelijke verklaringsmodellen het laatste uur was geslagen voor ‘bijgelovige’ opvattingen over omineuze betekenissen. Waar het in de contemporaine discussie daadwerkelijk om ging, was de letter van de Bijbel.

De Nadere Reformatie versus ‘superstitieuse practijcken’

We moeten Cats' aanval op de ‘bijgelovige’ duiding mede zien vanuit het perspectief van het Zeeuwse piëtisme en de hieraan gerelateerde Nadere Reformatie.129 Deze stromingen, die onder invloed stonden van het Engelse puritanisme, streefden ernaar om Gods Woord als leidraad te nemen voor zowel de individuele geloofsbeleving als voor de algehele inrichting van de samenleving. Dit leidde er onder meer toe dat predikanten en ouderlingen voortdurend ageerden tegen wat zij betitelden als ‘superstitieuse practijken’. Men bestreed natuurlijk in eerste instantie het diabolische pausdom met zijn santenkraam van wonderdoende heiligen. Maar daarnaast werden ook, met de Bijbel in de hand, vurige polemieken gevoerd over dansen, orgelspel in de kerk, het dragen van pruiken en de sabbatsheiliging. In dit kader is het offensief dat werd ingezet tegen afgoderij en waarzeggerij van belang.130 Zo werd in 1613 door een vooraanstaande piëtist het traktaat dat de befaamde puritein William Perkins had geschreven tegen de astrologie, Four great lyers (1586) in het Nederlands vertaald.131 In deze Onderrichtighe van het misbruycken der prognosticatien verwierp Perkins een astrologische interpretatie van kometen, maar benadrukte hij wel dat het tekenen van Gods gramschap waren (afb. 28).132

De meest invloedrijke vertolker van deze overtuiging was zonder enige twijfel Gisbertus Voetius. Al eerder kwam het Sermoen ter sprake, de recto-

[p. 144]

rale rede waarin de hoogleraar theologie zijn geloofsbrieven presenteerde. De sleutel tot begrip van alle tekens uit het Boek der Natuur lag exclusief in de Bijbel. De Heer ‘noodicht ons tot deselve kennisse mits de rechte fondamenten ende de vaste beginselen daer van legghende in de H. Schrift. Daer kont ghy lesen van den Hemel, ende syne lichten...’133 Onder verwijzing naar Psalm 19:2 en ‘theologanten’ als Augustinus, Melanchthon en Lansbergen stelde Voetius dat met name de ‘Astronomische studien’ de godsvrucht bevorderden. De hemelen verkondigen Gods eer, maar, zo benadrukte Voetius, laten wij niet gelijk heidenen ons overgeven aan sterrenwichelarij. Onder aanroeping van Jeremia 10:2 werden de ‘superstitieuse voorsegginghen’ van astrologen dan ook scherp veroordeeld.134 Bij deze programmatische rede bleef het niet. De dominee en hoogleraar voerde zijn hele lange leven (hij overleed in 1676) een niet aflatende strijd tegen

illustratie

28. De Groningse hoogleraar Mulerius was een overtuigd aanhanger van de judiciële astrologie. Op de linkerpagina van zijn Practica ofte prognosticatie voor 1608 stelde hij eigenhandig een horoscoop op. (ubg)


[p. 145]

alles wat in zijn ogen in tegenspraak was met Gods Woord. Het cartesianisme moest het ontgelden en in het kielzog hiervan werd het copernicanisme verketterd.135 Maar daarnaast werden ook toverij, magie, idolatrie en divinatio geattaqueerd.

Onder de hoogleraar werden in 1640, aan de vooravond van de controverse over het cartesianisme, een aantal disputaties over deze problematiek gehouden: De superstitione; De idololatria indirecta etparticipata, en De signis, de naturae miraculis, ostentis et prodigiis.136 In de disputaties loopt Voetius een aantal bekende punten langs: hij verwerpt het pausdom en de heidense afgodendienst. In principe zijn wonderen nog steeds mogelijk, al zijn zij sinds de apostolische tijd waarschijnlijk maar zeer sporadisch voorgekomen. Veel belangrijker dan de vraag of een bepaald verschijnsel natuurlijk, buiten- dan wel bovennatuurlijk is, is het gegeven dat God nog steeds verwonderlijke dingen doet (‘admiranda quaedam’).137 En tot die verwonderlijke zaken behoorden uiteraard ook de prodigia en signa. Maar wat is een teken en hoe moet dit geduid worden? Vanzelfsprekend moest de mens acht slaan op de tekens die God hem door middel van de natuur gaf. Anderzijds kon dit maar al te snel het karakter krijgen van de heidense divinatio. Een steeds terugkerende vraag is of monsters, dromen, vulkaanuitbarstingen, bloedneuzen, geestverschijningen en eclipsen nu wel of geen signa Dei zijn. Onder verwijzing naar Deuteronomium 18:9-14 werden praktijken als ‘teratoscopia, pyromantia, auguria, auspicia’ uitgesloten. Het bedrijven hiervan is God een gruwel. Slechts de uitdrukkelijk in de Bijbel vermelde tekens die de mens aantreft in het Boek der Natuur (‘in libro naturae’), mogen worden opgevat als tekens van de Heer.138

Hoe moet nu Jeremia 10:2 (‘Ontzet u niet voor de tekenen des hemels’) worden begrepen? Voetius beargumenteerde dat hemeltekens nooit en te nimmer volgens de goddeloze methode van de voorspellende astrologie uitgelegd mogen worden.139 Dat zou heidens bijgeloof zijn. Wat betreft eclipsen merkt Voetius op dat dit inderdaad tekens van Gods almacht zijn, maar dat hun voorspellende waarde even groot is ‘als het op en ondergaan van de zon, of het wassen en afnemen van de maan’.140 Het is daarentegen voor Voetius volkomen vanzelfsprekend dat kometen de hemeltekens zijn waarvan in Lucas 21 sprake is. Een komeet is een ‘Signum... prodigium, ostentum, portentum’, dat door God aan de mens gegeven wordt.141 Ze dragen bij tot vrees en bewondering voor God en waarschuwing van de mens. Een astrologische duiding van kometen, zoals die kort daarvoor onder rechtzinnige geleerden als Mulerius nog gebruikelijk was, werd resoluut verworpen, omdat deze volgens Voetius strijdig was met Gods woord. Wat betreft dit punt hanteerde Voetius dezelfde argumentatie als Cats en Perkins

[p. 146]

(wiens werk hij ook uitvoerig citeerde). Het is niet toegestaan om gedetailleerde voorspellingen te doen, maar: ‘Volgens de ervaring van alle tijden en het oordeel van alle mensen kondigen zij inderdaad grote veranderingen aan.’142 Een dergelijk hemelteken kón een voorbode zijn voor pest, oorlog en hongersnoden. De legitimatie hiervan lag in de Bijbel en het bewijs in de geschiedenis. Voetius verwees in dit verband nadrukkelijk naar de werken van onder anderen Vergilius, Melanchthon, Peucer, Cardanus, Lemnius en Lycosthenes.

Voetius' streven om het Boek der Natuur slechts te lezen vanuit de letterlijke tekst van de Bijbel en om het klassiek-heidense gedachtegoed terzijde te schuiven, zien we ook bij een geestverwant, de dichtende dominee Jacob Revius (1586-1658). In het theologische werk van deze regent van het Leidse Statencollege werd Descartes aangevallen en het geocentrisme verdedigd.143 Ook werden onder zijn leiding disputaties tegen het ‘bijgeloof’ gehouden. Zo vinden we in een bundeling van dergelijk werkjes, te midden van stellingen over reliekverering en de Mariacultus, ook twee verhandelingen over de judiciële astrologie.144 Onder verwijzing naar alle bijbelse loci werd deze praktijk verworpen. Later zou Revius in een ander verband opmerken dat ‘de christelijke religie in deze zaken de regels van de filosofie bepaalt’.145

Hetzelfde patroon zien we in het werk dat Revius schreef voor een veel breder publiek: zijn poëzie. Voetius had reeds betoogd dat poëzie en religie onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. De dichter moest echter niet de klassieken klakkeloos navolgen, zoals veel humanistische dichters maar al te graag deden.146 Bij Revius zien we hoe dit principe in de praktijk werd gebracht. Zo vormde het firmament geen aanleiding om sterrenbeelden en mythologische figuren te bezingen, maar een oproep tot godsvrucht:

 
‘De sterren, maen en son, en geest, en al moet swichten
 
Voor God, dat groote licht, den Vader alle lichten.’147

Bij aanschouwing van de hemelen dient de mens stil te staan in bewondering en zich niet over te geven aan verdorven praktijken. De poeta doctus bespotte dan ook astrologische voorspellingen zoals die werden gedaan in populair drukwerk:

 
‘Hoe mogen dus de luy de Almanacken vloecken
 
Als warent anders niet dan grove-leugen boecken?
 
Ick houde t' geen daerin ons voren wert geleyt
 
Soo seker oft den paus van Romen had geseyt.’148
[p. 147]

Humanisten en prodigia

Was het biblicistische vroomheidsideaal van de Nadere Reformatie één invloedrijke stimulans om het pagane gedachtegoed aangaande hemeltekens kritisch te bekijken, een ander werd gevormd door het humanisme. Zoals bekend hadden Nederlandse neolatinisten zich aanvankelijk geprofileerd als kenners van prodigia bij uitstek. In de eerste helft van de zeventiende eeuw vond er echter een opmerkelijke omkering plaats enbegon deze groep geleerden wondertekens nu te betitelen als uitingen van het bijgeloof onder de lagere klassen. Zo had bijvoorbeeld De Groot in 1598 een geleerd gedichtje geschreven over de omineuze walvisstranding die in dat jaar plaatsvond, dat geheel beantwoordde aan de destijds geldende regels van de kunst.149 Toen hij later in zijn Annales dezelfde gebeurtenis beschreef, maakte hij een scherp onderscheid tussen ontwikkelden, die zich afvroegen wat de oorzaak van de stranding was, en het vulgus, dat de stranding van het wezen beschouwde als een ongunstig voorteken!150 Iets soortgelijks zien we in de Nederlandsche Historiën van P.C. Hooft, die meldde dat de komeet van 1577 louter bij het ‘volk’ heftige angsten opriep.151

Dit is een belangrijk gegeven. Terwijl humanisten zich aanvankelijk zonder reserves hadden geïdentificeerd met hun klassieke helden, deed in de loop van de zeventiende eeuw de bronnenkritiek zich duchtig gelden. Met de toenemende filologische expertise kwamen steeds meer anomalieën, tegenstrijdigheden en alternatieve interpretaties aan het licht. Hoe waar bleek het woord van Cicero: ‘Nihil tam absurde dici potest, quod non dicatur ab aliquo Philosophorum’, geen bewering zo dwaas of er is wel een filosoof die haar verdedigt.152 Bovendien werd, meer in algemene zin, de heidense inhoud van veel geschriften in toenemende mate beschouwd als onverenigbaar met de christelijke moraal.153

Dat wil echter niet zeggen dat humanisten geen belangstelling voor hemeltekens hadden. Integendeel. Geleerden als Huygens, Barlaeus en Gerardus Vossius waren ervan overtuigd dat de Schepping een boek was van Gods almacht. Op talrijke plaatsen verkondigden zij dan ook dat de Schepper zich aan het firmament openbaarde. Huygens schreef bijvoorbeeld in Daghwerck (1638):

 
‘Somtyds sal ick opwaerts lesen,
 
En verliesen mij in 'tvack
 
Van Gods tweede werck: in 'tdack
 
Van sijn 's anderdaeghs getimmer.’154
[p. 148]

Vergelijkbare gedachten verkondigde Caspar Barlaeus. In 1605, tijdens zijn studie in Leiden, had hij al lyrisch de godvruchtige potentie van het liber naturae uitgedragen.155 In 1636 hield hij, nu in de hoedanigheid van hoogleraar filosofie aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, een Oratio de coeli admirandis (‘Rede over de wonderen van de hemel’). Hierin ging de vriend van Huygens dieper in op het stichtelijke karakter van de sterrenkunde. Zoals over zo veel zaken verkondigden de klassieken ook omtrent de hemellichamen zeer uiteenlopende meningen, niet alleen over de positie van de zon, maar ook over de aard van kometen.156 Met de Ouden tastte ook Barlaeus in het duister over deze tekens, alhoewel zij volgens hem tot de eeuwige werken van de natuur behoorden. De geschiedenis leek te leren dat zij voorbodes waren van bloedvergieten en andere rampspoed, maar of zij deze ook veroorzaakten, kon Barlaeus niet zeggen. In de geest van Seneca merkte hij op dat de toekomst wellicht meer klaarheid zou brengen.157 Bij het aanschouwen van een dergelijk hemelteken diende de mens zich niet te verliezen in divinatoire technieken, maar de werken des Heren te prijzen.

Dezelfde terughoudendheid spreidde Barlaeus' collega Gerardus Vossius tentoon in zijn monumentale studie over de geschiedenis van de natuurverering, De theologia gentili. In dit panoramische overzicht laat Vossius onder meer zien hoe verschillend er reeds in de Oudheid werd gedacht over kometen.158 Vossius kende zijn bronnen door en door en hij signaleerde, ingebed in een beschouwing over de sterrenkunde in het algemeen, hoe de Ouden hartgrondig van mening verschilden over zowel de aard als de invloed van kometen. Veel auteurs hadden geloofd dat kometen voorbodes waren van onheil. Anderen hadden nu juist geschreven dat de staartsterren soms ook heuglijke gebeurtenissen aankondigden. Vossius neemt zelf in de gedachtewisseling geen duidelijk standpunt in. Refererend aan de observaties van Brahe en van ‘mijn Leidse vriend en collega’ Snellius meende hij dat het bovenmaanse entiteiten waren.159 Het waren hoe dan ook wonderwerken Gods, maar expliciete uitspraken over een verband tussen de verschijning van een staartster en de gevolgen hiervan worden nergens gedaan. Uitgebreid haalt Vossius een verhaal aan over Lodewijk de Vrome (778-840). Toen er een komeet verscheen werd deze, onder verwijzing naar Jeremia 10:2, gemaand niet, zoals de heidenen, bevreesd te zijn voor de tekenen aan de hemel. De koning antwoordde toen dat hij niet deze tekens vreesde, maar de almachtige God - een opmerking die natuurlijk geheel in overeenstemming was met de gereformeerde orthodoxie van halverwege de zeventiende eeuw. Aldus stelde Vossius op slechts indirecte wijze de kwestie van de bijbelse interpretatie van kometen aan de orde.

[p. 149]

De theologia gentili was in alle opzichten een schatkamer van verwijzingen. Het is enigszins ironisch, maar gezien de aard van het werk ook begrijpelijk, dat later zowel voor- als tegenstanders van de gedachte dat kometen uitingen van Gods toorn waren, zich op de grote Vossius beriepen. Ongewild had deze ‘hekkensluiter van de humanistische traditie’ de subjectiviteit van het begrip ‘bijgeloof’ benadrukt, en de historische dimensie van de kometenvrees onder de aandacht gebracht.

Was Vossius' boek een tweesnijdend zwaard, het werk dat zijn vriend Claude Saumaise in 1648 wijdde aan de weerlegging van de astrologie had meer het karakter van een goedendag. De uitzonderlijk getalenteerde filoloog was van 1632 tot aan zijn dood in 1653 het pronkjuweel van de Leidse universiteit en genoot dezelfde voorrechten als Scaliger eertijds.160 Colleges gaf deze ‘schatbewaarder der Oudheid’ niet, maar hij leidde ondere anderen wel Vossius' zoontje Isaac op. Een van de tachtig boeken die Saumaise publiceerde was De annis climactericis et antiqua astrologia diatribae.161

Deze acribische aanval op getallenmystiek en sterrenwichelarij zou overigens ook de nodige repercussies hebben op de geopenbaarde godsdienst. Met behulp van Isaac Vossius had Saumaise alle beschikbare Arabische, Griekse en Romeinse sterrenkundige geschriften gecollationeerd. Een niet onaardige ontdekking, hier slechts zijdelings aangestipt, was dat de chronologie van de Chaldeeërs maar liefst 465.000 jaar verder terugging in de tijd dan de christelijke. Saumaise deelde deze vondst in 1646 mee aan een bezoeker, Isaac la Peyrère, die op dat moment bezig was het manuscript van zijn Praeadamitae verder te verfijnen. In het boek, dat in 1655 in druk verscheen, werd Saumaise uitvoerig bedankt en La Peyrere heeft zelfs opgemerkt dat de Leidse geleerde de vroedvrouw van de pre-adamieten was!162

De annis climactericis zelf was vromer van toon. In ruim duizend pagina's betoogde Saumaise dat de voorspellende astrologie was gebouwd op drijfzand (afb. 29). De verschillende antieke autoriteiten waren op essentiële punten met elkaar in tegenspraak. Manuscripten bleken onjuist van het Grieks via het Arabisch in het Latijn vertaald. De traditie waar voorstanders zich op beriepen was dus corrupt. Bovendien was deze vorm van waarzegging reeds door verschillende Griekse geleerden veroordeeld, later ook door de kerkvaders en christelijke keizers. De Ouden hadden de sterren ten onrechte beschouwd als godheden. Ook het feit dat vroeger de rabijnen en astrologen planeten en sterrenbeelden identificeerden met planten, metalen en de ledematen van het menselijk lichaam, hoefde de christen niet tot voorbeeld te strekken - integendeel.163 Is het niet merkwaardig, vroeg Saumaise zich retorisch af, dat heidense praktijken als het ‘haruspi-

[p. 150]



illustratie

29. In zijn aanval op de klassieke astrologie, De annis climactericis (1648), ging Saumaise ook in op de vraag of de positie van een komeet in een bepaald sterrenbeeld een voorspellende waarde had. Nee, oordeelde de filoloog. (kb)


[p. 151]

cium’ en ‘augurium’ thans worden verworpen, maar ‘astrologia’ niet?164 Hij concludeerde dan ook: ‘Het is onmogelijk dat een goed christen een goed astroloog is.’165 Het werk van de filoloog maakte grote indruk in de geleerde wereld en schijnt uitzonderlijk goed verkocht te zijn.166 Zo stuurde Huygens direct na de publicatie een briefje aan Saumaise om hem te complimenteren met zijn rijke arsenaal van argumenten ‘contre la folies des siecles, et la sotte impression des idiots’.167 Huygens zelf noteerde reeds rond 1630 dat hij zich ‘eigenlijk nooit’ had ingelaten met de ‘toegepaste astronomie ofwel de astrologie’ - de woordkeuze suggereert dat hij zich er in zijn jonge jaren toch wel eens aan had bezondigd.168 Hoe het ook zij, Huygens stelde nu ferm dat reeds Augustinus overtuigende argumenten had geleverd tegen ‘de ingebeelde en bijgelovige priesters van deze cultus’. Aanhangers konden dan ook rekenen op Huygens' schimpdichten en minachting.169 Maar dat uitzonderlijke hemelverschijningen een diepere betekenis hadden, wilde Huygens geenszins uitsluiten, zoals bijvoorbeeld zijn bespiegelingen over de corona boven Orange aantonen.170

In de kring van vooraanstaande humanisten bestond dus een levendige belangstelling voor hemeltekens in het algemeen en kometen in het bijzonder. Men was uitstekend op de hoogte van de klassieke en vaak ook recente literatuur, en kon - dientengevolge - geen eenduidige uitspraken doen over cometae. Het gevolg was een zekere reserve ten aanzien van de tot dan toe eendrachtig verkondigde mening dat ze uitsluitend de voorbodes waren van goddelijke straffen en een verwerping van de astrologische interpretatie in de geest van Ptolemaeüs en diens voorgangers, de Babyloniërs, Chaldeeërs en Egyptenaren. De ideeën van de Ouden werden steeds meer beschouwd als het product van hun eigen tijd, en niet in alle opzichten als lichtend voorbeeld. Door het Boek der Natuur te bestuderen aan de hand van de Bijbel en het corpus van klassieke teksten werd de interpretatie niet vergemakkelijkt, maar juist bemoeilijkt.

Natuurfilosofische ontwikkelingen: Descartes

Ook voor de natuurfilosofen, die zich vooral bezighielden met de fysische aard van natuurverschijnselen, bleef de canon aanvankelijk het uitgangspunt vormen voor bespiegelingen over kometen. De tendens tot observeren en meten, ingezet door Tycho Brahe, leidde tot grote interpretatieve problemen. De Leidse hoogleraar Gilbertus Jaccheus verdedigde nog in de jaren 1620 onbekommerd de aristotelische theorie over ontvlammende uitwasemingen.171 Voor Mulerius en Snellius was dit al een gepasseerd station. Elders in Europa zien we hetzelfde patroon. Al dan niet onder ver-

[p. 152]

wijzing naar de klassieken werden halverwege de zeventiende eeuw tal van boeiende theorieën verkondigd: het waren tóch brandende ondermaanse exhalaties; conjuncties van planeten; optische illusies; kosmische lenzen; een soort hemelse vuurpijlen; hemellichamen die regelmatige banen beschreven; spontaan gegenereerde objecten bestaande uit celeste materie; afscheidingen van de planeten, etcetera.172 ‘Over kometen worden zeer uiteenlopende meningen verkondigd’, zo vatte de Amsterdamse hoogleraar filosofie Senguerdius in 1653 de stand van zaken kernachtig samen.173

Senguerdius' verzuchting is illustratief voor de worsteling van meerdere generaties professoren met dit probleem. Met hem waren bijvoorbeeld ook de invloedrijke Leidse neo-aristotelicus Franco Burgersdijk (1590-1635), de medicus en filosoof Anthonius Deusing (1612-1666) en de kleurrijke bestrijder van Descartes, Martinus Schoock (1614-1669), zich bewust van het feit dat door astronomische observaties de peripatetische visie op de kosmos in het algemeen, en op kometen in het bijzonder, was geproblematiseerd.174 De geleerden waren geenszins dogmatici, maar ze waren zich wel bewust van de lange traditie waarin zij stonden. Dat uitte zich onder meer in bespiegelingen over het Boek der Natuur waar, zoals Burgersdijk het uitdrukte, ‘openbare ken-tekenen der Ghodtheidt in-ghe-ghrist’ zijn.175 Wat betreft kometen fungeerde Aristoteles nog maar losjes als uitgangspunt: er lijken ondermaanse en bovenmaanse kometen te bestaan. Misschien zijn het eeuwige scheppingen, maar misschien ook niet. Mogelijk staat hun verschijning in verband met onheil op aarde - hetzij omdat het tekens zijn, hetzij omdat zij de oorzaak hiervan zijn - maar wellicht ook niet. Kortom, totale verwarring. Hoofdzaak was dat kometen tot de wonderwerken der natuur behoren en dat het de mens niet is toegestaan voorspellende astrologie te bedrijven.176 Het bijbelse interpretatiekader stond op generlei wijze ter discussie, zelfs niet bij een wiskundige als de Amsterdamse hoogleraar Alexander de Bie (ca. 1620-1690).177 Ook De Bie moest in 1653 constateren dat de fysische aard van kometen ondoorgrondelijk was.178 Verder merkte hij op dat het tekens van Gods gramschap waren, net zoals de regenboog een teken was van Gods goedheid (Genesis 9:13).179

Terwijl Nederlands natuurfilosofen weifelden en twijfelden, legde een Franse collega extra muros haarfijn uit hoe het heelal nu werkelijk in elkaar zat. Descartes had reeds in Le monde (1633) een verklaring gegeven voor ‘l'Origine, & du cours des Planetes & des Cometes’, maar dat werk zou vooralsnog niet in druk verschijnen.180 Wie nieuwsgierig was, moest wachten tot 1644, toen de Principia philosophiae werd gepubliceerd. Ondertussen had de filosoof al wel een tipje van de sluier opgelicht. In het essay Les meteores dat het Discours (1637) vergezelde, verwierp de gezworen vijand

[p. 153]

van Aristoteles de overtuiging dat kometen uitwasemingen van de aarde waren.181 Maar aangezien zij zich in de hemelen bevonden, stelde Descartes in een alleraardigste omkering van Aristoteles' argumentatie, kon hij er in het traktaat over meteorologische verschijnselen niet op ingaan. Hij wilde slechts kwijt dat kometen en andere prodigieuze hemelverschijnselen een vast thema vormden in de literaire traditie. Zoals voor alles in het cartesiaanse universum bestond ook voor kometen een rationele verklaring (afb. 30). De rol van lusus naturae, spelingen van de natuur, en van praeternatuurlijke verschijnselen werd hier op filosofische gronden geëlimineerd.

In de Principia zette Descartes uiteen dat de kosmos in principe uniform was. Hij was oneindig en had geen centrum. Noch de aarde, noch de zon nam een bevoorrechte positie in. Alle sterren waren zonnen en vormden elk voor zich het middelpunt van een kolkende stroom materiedeeltjes (‘vortices’) die de planeten rondstuwden. Deeltjes konden van de ene naar de ander vortex geslingerd worden en aldus een nieuwe planeet vormen of, ver weg geduwd naar de periferie, samenklonteren tot een komeet.182 De beweging van de cometae was onregelmatig. Ze verdwenen vaak uit het zicht van de aarde, maar bleven door de refractie van het zonlicht vanuit een bepaalde hoek voor kortere of langere tijd zichtbaar. ‘Het eerste dat men in hen aanmerkt’, schreef Descartes, ‘is dat de ene het ene deel van de hemel, en de andere het andere deel doorloopt, zonder daar in enige regel, die aan ons bekend is, te volgen’.183 Kometen waren geen eeuwige scheppingen, maar gehoorzaamden uiteindelijk wel aan dezelfde wetmatigheden die voor het hele universum golden.

Het zal duidelijk zijn dat hier een verklaring van het heelal werd gegeven die in theorie onverenigbaar was met het scholastieke aristotelisme zoals dat door bijvoorbeeld Voetius werd aangehangen. In de op Aristoteles gebaseerde teleologische perceptie van de natuur bestond voor ieder individueel geval, elke afzonderlijke entiteit een natuurlijke verklaring. Voor de verschijning van een komeet, of iedere van de natuurlijke orde afwijkende gebeurtenis, was een singuliere oorzaak aan te wijzen. En dus hadden zij, ongeacht hun aard, een bijzondere, want goddelijke betekenis. In de cartesiaanse visie waren de schijnbaar onregelmatige komeetverschijningen het gevolg van algemene oorzaken, die altijd en overal werkzaam waren. Fenomenen als kometen waren slechts epifenomenen van de eigenlijke oorzaken, de natuurwetten, die zich verder aan de waarneming onttrokken.184

De verschillende concepties van causaliteit gingen gepaard met een fundamenteel verschil van mening over de betekenis van natuurverschijnselen. In de traditionele visie, waarin het Boek der Natuur werd gelezen door een bijbelse bril, hoefden natuurlijke oorzaken geenszins bovennatuur-

[p. 154]



illustratie

30. In zijn Principia stelde Descartes kometen voor als samenklonteringen die, zonder een vaste baan te volgen, langs de vortices in de kosmos werden gestuwd. (kb)


[p. 155]

lijke betekenissen uit te sluiten. Zo geloofden Cats en De Bie dat de regenboog ‘buyten twijffel door natuyrelicke oorsaken [wordt] voort-ghebracht’ maar desalniettemin toch een teken van God was, en stelde Lansbergen zich aangaande eclipsen op precies hetzelfde standpunt.185 Descartes ontdeed de natuur van haar semiotische karakter: hier golden slechts de regels van de geometrie. Bijbelse referenties waren principieel irrelevant. De crux van het debat was dus uiteindelijk niet het gehanteerde verklaringsmodel, maar de bereidheid van de onderzoeker om de waargenomen verschijnselen te relateren aan de tekst van de Schrift.

De invloed van het cartesianisme was enorm. Terwijl de voetianen als één man opstonden om het aristotelisme te verdedigen, trachtten aanhangers van Descartes diens leer te operationaliseren en te incorporeren in hun eigen opvattingen. De cartesiaanse fysica zou verstrekkende gevolgen hebben voor het debat over het copernicanisme en, in het kielzog daarvan, over kometen. Meer aarzeling bestond er ten aanzien van de status van de Bijbel inzake deze astronomische problemen. Descartes' afvallige epigoon Henricus Regius nam in 1654 woordelijk de relevante passages over kometen uit de Principia over.186 Een andere cartesiaan, Johannes de Raey, liet de al wat algemenere stelling verdedigen dat kometen objecten waren die ‘zeker de wet van de natuur’ volgden.187 Een omineuze betekenis werd betwijfeld.188 Veel meer een eclecticus was de Franeker hoogleraar wiskunde Abraham de Grau (1632-1683), die weliswaar haast woordelijk de cartesiaanse kometen-theorie overnam, maar wel ruimte overliet voor de gedachte dat het tekens van Gods gramschap konden zijn (afb. 31).189 Maar de echte botsing tussen de aanhangers van deze laatste overtuiging en verdedigers van de Nieuwe Filosofie zou plaatsvinden in Utrecht.

3 Van omineuze tot glorieuze tekens: de komeet van 1664

Op 1 april 1662 werd aan het Amsterdamse Atheneum Illustre een disputatie gehouden over kometen, onder de suggestieve titel ΠΡΟΓΝΩΣΤΙΚΟΝ. De 89 stellingen werden verdedigd door een jonge en veelbelovende student van professor De Bie, Nicoiaes Witsen (1641-1717).190 Witsen zou na zijn studie in Amsterdam zijn opleiding voltooien in Leiden. Vervolgens ondernam hij een reis door Rusland en maakte hij een indrukwekkende carrière als burgemeester van Amsterdam en bewindvoerder van de voc.191 De rechtzinnige ‘liefhebber’ was mateloos gefascineerd door natuurlijke historie, oude talen, verre landen, en zou een reusachtige rariteitenverzameling bij eenbrengen.

[p. 156]

Op het tijdstip dat de 21-jarige student zijn disputatie verdedigde was er overigens geen komeet verschenen. Academische verhandelingen, donderpreken en natuurfilosofilsche traktaten verschenen doorgaans als een dergelijk teken zich aan het firmament openbaarde. In 1653 had zich een minuscuul komeetje getoond, maar de laatste spectaculaire verschijning was in 1618 geweest.192 Toen er in december 1664 opnieuw een reusachtige exemplaar verscheen, ging ook dit gepaard met een flinke hoeveelheid gesproken en gedrukte woorden. De stellingen die Witsen kort voor deze

illustratie

31. De Franeker hoogleraar De Grau was een verwoed kometenjager. Lubieniecki nam in zijn Theatrum cometicum (1667) deze observatie van De Grau op, waarop te zien is hoe de komeet van 1664 zich langs de sterrenbeelden bewoog. (kb)


[p. 157]

controverse verkondigde, geven ons een aardige indruk van de geleidelijk veranderende meningen onder natuurfilosofen in het algemeen en van zijn leermeester De Bie in het bijzonder.

Kometen waren een stokpaardje van De Bie. In 1653 had hij nog laten verkondigen dat het tekens waren van goddelijke toorn; in 1662 leek hij daar niet meer zo zeker van. De aard van kometen was nog steeds onduidelijk, maar zij bewogen zich zonder twijfel hoog in de hemel.193 Hoe houdbaar was nu de traditionele visie van Ptolemaeüs en Plinius dat de staart van kometen de gebieden aanwees die zouden worden getroffen? Omdat de komeet overal op de aarde gezien kon worden, ook bij de ‘Antipodes’, was het toekennen van een specifieke betekenis onmogelijk. Slechts God wist wat er in het verschiet lag. Dat een komeet een voorbode van onheil was, werd niet uitgesloten. Zo was bijvoorbeeld op de komeet van 1618 de vreselijke oorlog in Duitsland gevolgd. Maar of de komeet deze had aangekondigd of veroorzaakt, of dat dit een toevallige samenloop van omstandigheden was geweest, kon de defendens niet zeggen. In ieder geval werden kometen door het ‘volk’ veelal gezien als gesels van God, omdat hun staart zo'n grote overeenkomst met een roede (flagellum) vertoonde.194 ‘Over de voorspellende waarde van kometen kan niets met zekerheid worden vastgesteld’, zo besloot Witsen.195

Een kleine drie jaar later zou Witsen met eigen ogen een komeet zien. Op 6 januari 1665 noteerde hij in zijn Russische reisjournaal dat hij een ‘een groote comeetstar met een yselyke staart’ zag.196 De Tsaar had aan twee geleerden ‘die een weynich kennis van natuerlyke en heemelse tekenen hebben, last gegeven hier prognosticatie over te doen.’197 Wat de voorspelling inhield, horen we niet. Evenmin komen we te weten wat Witsen antwoordde toen hem om zijn mening werd gevraagd.198 Maar uit andere opmerkingen kunnen we afleiden dat veel Russen, geheel in tegenstelling tot de meeste West-Europeanen, de komeet als een positief teken zagen. Witsen kon hier maar weinig begrip voor opbrengen en vond de opinie van de Russen ‘zeer gecklyck’.199 Wat voor de een geloof was, was voor de ander bijgeloof. Dat gold niet alleen voor Witsen en de Russen, maar ook voor de geleerden die zich in de Republiek met deze zaak bezighielden.

Een ‘nieuw droevigh nacht-licht’

De komeet die Witsen vanuit Rusland aanschouwde, was over de hele wereld duidelijk zichtbaar. Ze was vanuit Nederland het eerst op 2 december 1664 geobserveerd door de Leidse sterrenkundige Samuel Kechel (1611-1668), die zijn bevindingen beschreef in een brief aan Christiaan Huygens

[p. 158]

en in een anoniem pamflet (afb. 32).200 Huygens, op zijn beurt, volgde vanuit Den Haag de baan van de komeet aandachtig. Hij legde zijn bevindingen neer in losse aantekeningen en een aantal brieven, onder meer aan Thévenot en de ook zeer in deze materie geïnteresseerde filoloog Nicolaas Heinsius (1620-1681).201

Huygens en Kechel lieten zich niet uit over de mogelijke betekenis van het hemellichaam, maar zij waren uitzonderingen. Tussen 1618 en 1664 hadden geschriften over kometen een tamelijk abstract karakter gehad. De

illustratie

32. In 1664 en 1665 werden tal van pamfletten gepubliceerd waarin werd gespeculeerd over de aard en de betekenis van de komeet. In deze planodruk lag het accent op astronomische waarnemingen van ‘geloofwaerdige persoonen’, waaronder de Leidse astronoom Samuel Kechel. (kb)


[p. 159]

staartster die nu zichtbaar werd, verscheen echter aan de vooravond van de Tweede Engelse oorlog en precies tijdens een zeer zware pestepidemie die in de Republiek tienduizenden slachtoffers eiste.202 Tekenend voor de sfeer in deze dramatische maanden was de opmerking van de Utrechtse kerkenraad dat de ‘godstergende afgoderie’ nu zo wijd was verbreid, dat ‘de iverige God’ dit ‘op 't schrikkelijkste wreken sal, gelijk al bereits begint te geschieden’.203 Om het onheil te bezweren schreven de Staten-Generaal op 21 januari 1665 een algehele bede- en boetedag uit.204

Humanisten als Heinsius en Isaac Gruterus (1610-1680), rector van de Latijnse School in Rotterdam, observeerden nauwgezet de baan van de komeet.205 Ze constateerden eveneens dat het vaderland in last was - maar of er een samenhang bestond? Vooraanstaande theologen en anonieme pamflettisten waren duidelijker in hun oordeel.206 Er verscheen bijvoorbeeld een fraai geïllustreerde planodruk, waarin de ‘staert-sterre’ werd beschreven als een voorbode van de pestepidemie (afb. 33).207 In Utrecht publiceerde Voetius zijn mening, reeds in eerdere disputaties uiteengezet, nu in een afzonderlijk uitgegeven traktaat, Exercitatio de prognosticis cometarum.208 Ook Voetius constateerde dat het gevoelen van Aristoteles omtrent kometen omstreden was: de ‘phasmata’ konden zich zowel in de atmosfeer als in de ether bevinden.209 Maar dat dit een ‘signum’ van de Heer was, was evident, aangezien de wereld ‘het Boek der Natuur is, waarin wij de wijsheid, macht, goedheid en rechtvaardigheid van de Schepper lezen’.210 En dit Boek, zo uitbundig bezongen door de Psalmist, werd evenals de Schrift veelvuldig verwaarloosd, met name door sceptici en epicuristen.211 Uit Voetius' Exercitatio blijkt heel duidelijk hoe hij het liber naturae interpreteerde: aan de hand van een aantal specifieke bijbelpassages, waaronder Lukas 21:11 en 25 en Mattheüs 24:29. Kometen waren zonder twijfel de ‘portenta in coelo’ waarover de evangelisten spraken en als zodanig voorbodes van Gods toorn en van grote veranderingen op aarde. Vervolgens citeerde Voetius alle klassieke, patristieke en eigentijdse commentatoren die deze interpretatie al eerder hadden verdedigd - hiervoor maakte hij overigens dankbaar gebruik van handige naslagwerken als de prodigiaboeken en De theologia gentili van Vossius.212 Aldus was bewezen dat de komeet een teken van God was.

Voetius' leerling, de Vlissingse predikant Isaac Clemens (ca. 1632-1666), diens Rotterdamse collega, de bekende dichtende dominee Franciscus Ridderus (1620-1683), en de verder onbekende Hendrik la Been hamerden op hetzelfde aambeeld.213 Een dergelijke interpretatie was overigens niet voorbehouden aan orthodoxe theologen. Dat blijkt onder meer uit het pamflet dat de Zeeuwse geograaf Arent Roggeveen (?-1679), die vagelijk was be-

[p. 160]

invloed door de kosmologie van Descartes, publiceerde onder de veelzeggende titel Het nieuwe droevige nacht-licht, Ontsteken door Gods toren, Ende vertoont op den Aerdt-kloot, in een comeet ofte Staert-starre.214

De boodschap die in al dit drukwerk werd uitgedragen was een weerspiegeling van het debat over de interpretatie van kometen zoals dat in de voorafgaande decennia was gevoerd: kometen waren tekens van God. Nagenoeg alle auteurs benadrukten dat deze hemeltekens niet op een ‘bijgelovige’ wijze mochten worden geïnterpreteerd. Dat betekende in concreto dat een duiding volgens de methode van de judiciële astrologie algemeen werd veroordeeld. Een opmerkelijke uitzondering was de Bredase theoloog en hoogleraar filosofie Johannes Schulerus (?-1676), die zonder reserves Ptolemaeüs' technieken aanwendde en zijn Cometologia de ronkende

illustratie

33. Veel inwoners in de Republiek waren meer geïnteresseerd in diepere betekenis van de komeet dan in de fysische verklaring van dit verschijnsel. In dit pamflet werd een causale relatie gelegd tussen de verschijning van de staartster, het afbreken van boomtakken tengevolge van zware ijzelvorming en de pestepidemie die al vanaf 1663 woedde. (kb)


[p. 161]

ondertitel ΠΡΟΓΝΩΣΤΙΚΟΝ astrologicum generale' meegaf.215 In zijn streven een partijtje mee te blazen in de geleerde wereld beging Schulerus de enormiteit om een exemplaar van zijn pennenvrucht naar Christiaan Huygens te sturen.216 Deze antwoordde koeltjes niets te zien in een interpretatiemethode die op hetzelfde plan stond als chiromantiek.217 Veruit de meeste auteurs waren het op dit punt roerend met Huygens eens. Zoals de rechtzinnige Ridderus het uitdrukte: het doen van voorspellingen die gebaseerd waren op ‘heydense Regulen’ was ‘dwase ydelheyt en Heydense superstitie’.218 Desalniettemin was het duidelijk ‘dat Godt door Comeeten iets wil beduyden’. De vraag was alleen: wat?

Johannes Graevius en het Collegie der Scavanten

Op 18 januari 1665, zes weken nadat de kometenkoorts was aangevangen, hield de Utrechtse hoogleraar retorica en geschiedenis Johannes Graevius (1632-1703) een Oratio de cometis, met de veelzeggende ondertitel contra vulgi opinionem cometas esse malorum nuncios of, zoals het in een latere Nederlandse vertaling heette, Vernietigende het gemeene gevoelen dat selve yets quaets aenkundigen.219 Graevius had beslist cartesiaanse sympathieën, alhoewel hij was opgeleid als filoloog. Hij was nauw bevriend met andere nieuwlichters als de hoogleraar filosofie Johannes de Bruyn (1620-1675) en de theologen Frans Burman (1628-1679) en Lodewijk Wolzogen (1633-1690) die, tot woede van de voetianen, belangrijke leerstoelen in Utrecht bezetten.220 Graevius was gezaghebbend op zijn vakgebied, publiceerde commentaren op Cicero en edities van onder meer Hesiodus en Suetonius, en zou later worden aangesteld als geschiedschrijver van Willem iii. Maar de gevierde professor was bovenal een vooraanstaand lid van de Republiek der Letteren en een typische exponent van de geleerdencultuur in de tweede helft van de zeventiende eeuw, die zich interesseerde in alle vormen van scientia, ongeacht of het nu oosterse talen of de eigentijdse filosofie betrof.221 Zo was hij innig bevriend met Isaac Vossius en de Franse savant Melchisédec Thévenot, en hield hij Leibniz op de hoogte van de natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in de Republiek.222

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat de filoloog zich uitsprak over kometen. Graevius' redevoering is hoogst interessant, aangezien deze in essentie weinig verschilt van de doorgaans als paradigmatisch beschouwde aanvallen op de kometenvrees van Pierre Bayle en Balthasar Bekker uit 1681-1683.223 Toen Graevius' oratie - op kosten van het Utrechtse stadsbestuur - in druk verscheen, trok deze zowel binnen de Republiek als daarbuiten veel aandacht; ze werd vaak herdrukt en vertaald.224

[p. 162]

De theologen hier zijn woedend, berichtte Gruterus aan een buitenlandse correspondent.225

Al direct bij de aanvang van zijn redevoering liet Graevius geen misverstanden bestaan over zijn doelstelling: de bestrijding van het bijgeloof. De geleerde had uitgesproken ideeën over waaruit superstitie bestond, opvattingen, zo stelde hij met gevoel voor understatement, waarmee hij zich niet populair zou maken bij een aantal collega's. Maar even zo goed als Socrates tegen de heersende opinie in zijn opvattingen had verkondigd, zo zou ook hij dat doen. Geloof en bijgeloof lagen volgens Graevius dicht bij elkaar, maar terwijl het eerste voortkwam uit de liefde tot God en tot doel had Hem te eren, kwam het tweede voort uit onkunde en leidde dit tot ‘ydele vreese’.226 Bijgeloof leidde tot angst voor dingen die men moest eren, zoals bijvoorbeeld kometen. Niemand was bang voor de sterren omdat iedereen in hen de hand des Heren herkende. Als men zich realiseerde dat kometen, deze ‘nieuwe vercierselen des Hemels’, in essentie gelijk waren aan sterren, dan zou men ze evenmin vrezen.227

Wie zich wat betreft de omineuze betekenis van kometen beriep op de geschiedenis, bewandelde een heilloze weg. Het feit dat de Egyptenaren, Babyloniërs, Chaldeeërs, Grieken en Romeinen kometen interpreteerden als omina of prodigia was voor ons geen voorbeeld. De Ouden hadden talloze dwalingen verkondigd en waren simpelweg niet van alle natuurmysteriën op de hoogte. Sinds hun tijd waren talloze nieuwe sterren ontdekt en hadden astronomen aangetoond dat Jupiter over maantjes beschikte en Saturnus over een ring. Graevius somde de zeer uiteenlopende klassieke theorieën over de aard van kometen op, maar concludeerde uiteindelijk dat geen van deze juist was. Ook nu nog, zo stelde de hoogleraar, was er verschil van mening onder filosofen omtrent hun aard. Twee zaken stonden echter als een paal boven water. Allereerst klopte Aristoteles' visie niet: kometen bewogen zich overduidelijk boven de maan. Ten tweede stelde Graevius dat kometen gehoorzaamden aan ‘die wetten welcke de Natuere ofte den Oppersten Instelder ende Autheur der Natuere, aen deselve heeft voorgeschreven’.228 Diep en duidelijk klinkt hier niet alleen de echo van Descartes, maar ook van Seneca. Kometen, zo betoogde Graevius, behoorden tot Gods eeuwige werken en gehoorzaamden evenals alle andere ‘Hemelsche dingen’ aan onveranderlijke wetten.229 Met een zekere regelmaat waren sinds de Schepping kometen verschenen, die soms waren waargenomen, maar nog veel vaker onopgemerkt gebleven. En, zo redeneerde Graevius, hoe konden zulke frequent verschijnende lichamen nu als voorbodes van alle rampspoed op aarde fungeren? Kometen werden over de hele wereld gezien, hoe kon één en het hetzelfde hemellichaam nu voor Chinezen,

[p. 163]

Afrikanen, West-Indiërs, Duitsers en Italianen tegelijk dezelfde kwade betekenis hebben? Geluk voor het ene volk betekende ongeluk voor het andere. Bovendien waren de gebeurtenissen op aarde onafhankelijk van de ‘eeuwigduerende wetten der natuere’ waardoor kometen werden gedreven. Er was geen enkel causaal verband. ‘Doorsnuffelt de gheschigt boecken, ondersoeckt de historien, gy sult altoos seer veele Oorlogen ende seer weynige Cometen vinden.’230 De reden dat de ervaring en de kronieken leken te leren dat kometen voorbodes waren, was dat vroegere schrijvers een onjuiste relatie legde tussen de verschillende gebeurtenissen. De geschiedenis kon in veel opzichten tot lering strekken. De geesteswereld van de Ouden was echter een fundamenteel andere dan de contemporaine. Wie zich beriep op de ‘langduerige ervarentheyt van soo veele Eeuwen’ zou eveneens

‘de voor-seggingen genomen uyt het vliegen of singen der Vogelen, uyt het besien van de ingewanden der geofferde Beesten, uyt het werpen des lots, uyt de geboorte der wanschepselen, uyt het dromen, uyt het vallen van de blixem, voor goet keuren. Nochtans werden dese dingen van een yder verfoeyt.’231

Duidelijk is dat Graevius voortborduurde op een thema dat al eerder door bijvoorbeeld Saumaise was aangesneden.

Dezelfde relativerende houding ten opzichte van de klassieke traditie spreidde Graevius ook ten toon ten opzichte van de Bijbel. Voetius cum suis beriepen zich bovenal op de Heilige Schrift om aan te tonen dat kometen tekens van God waren. Dit nu was volgens Graevius onjuist. Jezus, zo betoogde de hoogleraar, had volgens Lukas inderdaad gesproken over ‘tekenen van de hemel’. Maar dit zouden bóvennatuurlijke tekens moeten zijn, ‘tegens de wetten ende ordre der natuere strijdend’, zoals de ster van Bethlehem, of de vuurkolom die Mozes' volk door de woestijn leidde.232 Lukas 21:11 werd volgens Graevius duidelijk verklaard door Mattheüs, Marcus en Jesaja, volgens welke er sprake zou zijn van ‘voor dese noyt gesiene’ tekens aan firmament, om precies te zijn aan zon, maan en sterren.233 Dus, zo stelde Graevius, als God had gewild dat Zijn schepselen kometen zouden beschouwen als tekenen, dan had de Schrift zich hierover wel duidelijker uitgelaten. In de Dedicatie van de later uitgeven oratie werd dit cruciale punt nog eens benadrukt: ‘Ick ben in mijne meeninge ten hoogste versterckt geworden, door dien in de gantsche Heylige Schriftuyre geheel geen gewagh van de Cometen werdt gemaeckt. Dit blijckt soo klaer datmen het niet behoeft te bevestigen.’234

Aldus een omineuze betekenis van kometen verworpen hebbend, gaf

[p. 164]

Graevius de discussie een nieuwe draai. Staartsterren waren geen tekens van Gods toorn, maar van Gods almacht. Kometen gehoorzaamden, evenals alle andere hemellichamen, aan Gods eeuwige wetten, ‘welcke altoos vast ende onverbreeckelijck sullen sijn, so lange tot dat het gebouw deses werelts gesloopt sal worden’.235 Ofschoon Graevius meldde dat er omtrent hun aard verwarring bestond en ook hij (overigens zonder bronvermelding) Seneca's opmerking citeerde dat de toekomst zou leren wat kometen nu precies waren, suggereerde hij onder verwijzing zijn collega De Bruyn dat de staarten van kometen niets anders waren dan zonnestralen die ‘door de weerschijn, volgens de ordre der natuere, aen ons de gedaente van een steert vertoonen’.236 En hoe kon zo'n goddelijke schepping als de zon nu de feitelijke oorzaak zijn van, of als teken fungeren voor de naderende straffen Gods? In de geest van de Stoa stelde Graevius dat kometen te zeldzaam waren om onopgemerkt aan voorbij te gaan:

‘Want wat sietmen schoonder, wat is'er vermaeckelijkcer, wat vindtmen aengenaemer, dan dese Hemelsche, vyerige klooten, met de welcke door den onsterffelijcken Schepper ende Werckmeester van dit Geheel-al, de openen ende onbepaelde velden des Hemels, gelijck een Tuyn met aengenaeme bloemen, door een verwonderenswaerdige verandering ende schoonheyd, beseyt ende onderscheyden zijn.’237

De wetten der natuur waren manifestaties van Gods goedheid. Aan deze wetten gehoorzaamden alle hemellichamen: planeten, sterren, de maantjes van Jupiter, de eclipsen, de novae, en ook kometen. Deze laatste dienden derhalve met ‘verwonderingen ende vermaeck’ aanschouwd te worden, aangezien het blijken waren van de onmetelijke rijkdom van de natuur en de almacht van haar Schepper.238

Graevius' Utrechtse oratie stond niet op zichzelf. Gelijktijdig verkondigden ook Graevius' vrienden en collega's De Bruyn, Wolzogen, Mansfelt en Burman soortgelijke gedachten tijdens preken en colleges. Uit een brief van Graevius aan Heinsius weten we dat het gezelschap in deze jaren wekelijks bijeen kwam om allerhande wijsgerige onderwerpen te bespreken.239 Naast de genoemde geleerden waren ook de Utrechtse regent Van Velthuysen en de Leidse hoogleraar Johannes Gronovius (1611-1671) veelvuldig van de partij. Op een wijze die sterk doet denken aan de Académie van Graevius' vriend Thévenot, werden hier de meest uiteenlopende zaken bediscussieerd, variërend van Grotius' De jure belli acpacis tot de menselijke anatomie en van Juvenalis tot - inderdaad - de betekenis van kometen.240 De groep, het zogeheten ‘Collegie der scavanten’, is vooral bekend door een

[p. 165]

hen uitermate vijandig gezind pamflet van voetiaanse signatuur.241 In het anonieme schotschrift wordt een beeld geschetst van een ware Gideonsbende die, met stilzwijgende instemming van de lokale overheid, tot doel had ‘de ware Godsalige, en vrome liefhebbers van kerk en Prins uyt te roeyen; en de cartesiaensche Philosophie met resterende aenhangende Nieuwigheden voort te setten’.242 De perfide doelstellingen waren - volgens de pamflettist - bij uitstek gebleken toen het collegie als één man opstond om de kometenvrees te bestrijden. Terwijl de ‘schrikkelycke Comeet’ verscheen, het vaderland in last was en de vrome Voetius boetedoening predikte, ‘viel men met alle macht de oude man tegen’.243 Krijtend onrecht was dat Graevius als dank voor zijn redevoering was ‘vereert van de H.H. Staten met een oxhoofd wijn’.244 Verder lezen we dat Wolzogen in twee preken had gesteld dat Jeremia 10:2 geïnterpreteerd moest worden als een veroordeling van kometenvrees, en niet als een legitimatie daarvan.245 Mansfelt verketterde vanaf de kansel predikanten ‘die het contrarie staende hielden’.246 Burman leerde dat alle hemellichten geschapen waren op de vierde dag en dat de bijbelse veroordeling van sterrenwichelaarij dus ook voor ‘cometae’ gold.247 De Bruyn liet in een disputatie verdedigen dat kometenvrees een onvergeeflijke zonde was.248 Korte tijd later zou Van Velthuysen in zijn geruchtmakende Tractaet van de afgodery en superstitie hetzelfde verkondigen.249

Dit offensief tegen, zoals Graevius' leerling Petrus Burman het later zou uitdrukken, ‘oudewyven of kinderklap’, maakte op rechtzinnig Utrecht de indruk van een monsterlijke samenzwering.250 De emoties, toch al zeer verhit door de reeds decennia durende strijd over cartesianisme en copernicanisme, liepen hoog op. Het is geen toeval dat juist vanuit het voetiaanse kamp zoveel drukwerk over de komeet afkomstig was. ‘Laet se woelen, soo sy willen’, zo schijnt Voetius gegromd te hebben, ‘God sal metter daet wel toonen dat die Cometen wat quaets betekent hebben’.251

Natuurwetten en exegese

Op het eerste gezicht lijkt Graevius' rede, evenals Bekkers Ondersoek en Bayles Discours, een overwinning van de ‘Verlichting’ op de traditie. Inderdaad is de strijd tussen het ‘Collegie der Scavanten’ en de voetianen over de komeet van het pestjaar 1664 wel in deze zin geïnterpreteerd.252 Er vallen echter nogal wat kanttekeningen te maken bij deze visie.

Allereerst verduistert de retoriek van zowel Graevius als Voetius het feit dat beiden het op belangrijke punten met elkaar eens waren. Een astrologische interpretatie van kometen in de geest van Ptolemaeüs werd in ronde

[p. 166]

bewoordingen verworpen. Met een beroep op de Bijbel was de rol van judiciële astrologie in het geleerde discours uitgespeeld. Voetianen en ‘scavanten’ waren het er in essentie ook over eens dat God tekens aan de hemel kon geven, alhoewel Graevius in dit opzicht veel minder ver ging dan Voetius cum suis. De authenticiteit van bijbelse wondertekens als de stilstaande zon van Jozua of de bovennatuurlijke zonsverduistering bij Christus' dood was boven alle twijfel verheven. Christus' tweede komst op aarde zou wor-

illustratie

34. Geleerden braken zich het hoofd over de vraag of een komeet aan bepaalde natuurwetten gehoorzaamde. Onder de cartesiaanse Leidse hoogleraar De Raey verdedigde de student Kopeczi in 1666 een theorie die sterk afweek van die van Descartes: de komeet doorliep geen grillige maar een boogvormige baan. (ubl)


[p. 167]

den aangekondigd door de hemeltekens zoals die in de evangeliën waren beschreven. Maar terwijl voor Graevius bijbelse wonderen en natuurlijke orde twee gescheiden werelden waren, liepen deze voor Voetius ineen. Voetius stelde dat de door Lukas genoemde ‘tekenen in de zon, maan en sterren’ zonder twijfel ook betrekking had op kometen. Graevius stelde zich op het standpunt dat dit bóvennatuurlijke, nooit eerder geziene tekens zouden moeten zijn. Vanwege het feit dat cometae aan onveranderlijke natuurwetten gehoorzaamden, konden het onmogelijk omineuze tekens zijn. In plaats daarvan dienden ze gezien te worden als manifestaties van Gods scheppende almacht en oproepen tot admiratio.

Graevius' redevoering krijgt een ogenschijnlijk ‘modern’ karakter door de consequente verwijzing naar de ‘wetten der natuur’. Die term klinkt indrukwekkend. Maar wat betekende zij nu precies? Graevius' gebruik van deze uitdrukking suggereert dat het eeuwenoude raadsel van de aard van kometen was opgelost. Niets was echter minder waar. Graevius lijkt de onder anderen door De Bruyn en Kepler aangehangen hypothese onderschreven te hebben dat kometen een soort kosmische lenzen waren, maar expliciteert nergens zijn standpunt.

Zoals bekend hingen rond 1664 talloze geleerden in binnen- en buitenland evenzoveel verschillende verklaringen aan (afb. 34). Volgens Descartes waren het materiedeeltjes die door de ‘vortices’ werden voortgestuwd (een theorie die Graevius overigens niet overnam). Christiaan Huygens geloofde dat het objecten waren die als een soort vuurpijlen in nagenoeg rechte lijnen door het heelal schoten.253 Mindere goden hielden het er bijvoorbeeld op dat een komeet een ‘vergadert vyer in 't Firmament’ was dat ‘vergaet als door vyer verteert’ of braken zich überhaupt niet het hoofd over dit probleem.254 Elders in Europa klonk dezelfde kometologische kakofonie. Het enige waar de meeste geleerden het over eens waren, was dat kometen natuurlijke en geen bovennatuurlijke oorzaken hadden - maar zelfs dat was niets nieuws. Had Aristoteles feitelijk niet hetzelfde beweerd?

Opnieuw moeten we dus de vraag stellen wat Graevius nu precies met ‘natuurwetten’ bedoelde. Het antwoord moet luiden dat dit begrip voor aanhangers van de Nieuwe Filosofie allereerst een sterk programmatische, retorische waarde had.255 Onder het vaandel van de ‘natuurwetten’ werd de oorlog verklaard aan al degenen die niet de Rede als voornaamste kenbron erkenden. De kracht die van het begrip ‘natuurwet’ uitging kan maar moeilijk overschat worden. Het begrip fungeerde in dit verband als een wig tussen de scholastieke en de cartesiaanse epistemologie.

Dat brengt ons op de onderliggende, tweede lijn van Graevius' aanval: de tekstuele en historische traditie. Het is juist hier dat de fundamentele te-

[p. 168]

genstelling tussen Voetius en Graevius aan het licht treedt. Volgens Voetius waren kometen tekens van God. Ter onderbouwing wees de godgeleerde naar een zeer indrukwekkende lijst autoriteiten uit heden en vooral verleden. Maar nog veel belangrijker was - volgens Voetius - het feit dat de Bijbel stelde dat kometen tekens van God waren. Hier lag natuurlijk een exegetisch probleem van de eerste orde - nergens in de Schrift is expliciet sprake van kometen. Voetius, die keer op keer benadrukte dat louter de Schrift de clavis interpretandi van het Boek der Natuur was en die zeer sterk tendeerde naar een letterlijke bijbeluitleg, moest schoorvoetend erkennen dat hier misschien toch een kleine complicatie lag. In zijn Exercitatio de prognosticis cometarum ging hij hier dieper op in, door middel van twee bedenkingen. Ten eerste was volgens de godgeleerde in Mattheüs 24 en Lukas 21 spake van ‘hemelse tekenen’ (‘portenta in coelo’) en móesten ook wel kometen hiertoe gerekend worden. Dat deze analogische redenering niet geheel overtuigend was, voelde Voetius klaarblijkelijk zelf ook wel aan, want hij gaf een tweede bedenking die, welbeschouwd, geheel in strijd was met zijn eigen exegetische principes: er stond wel meer niet in de Bijbel beschreven dat wél in het Boek der Natuur gelezen kon worden.256 De ervaring en rede bevestigden het woord van Romeinen 1:19-20, namelijk dat God zich via de Schepping ook openbaarde aan hen die de Bijbel niet lazen. Kometen waren evenals andere prodigia tekens (‘signa’) van God. Heel duidelijk zien we hier hoe voor Voetius de Bijbel fungeerde als een arsenaal van teksten, dat diende om de orthodoxe leer te onderbouwen.

Terwijl Voetius bijbelse en klassieke passages onverkort van toepassing achtte op zijn eigen tijd, werd deze houding door Graevius geproblematiseerd. Het ‘gemeene gevoelen’ aangaande kometen was niet ingegeven door Gods Woord, maar het resultaat van antiek bijgeloof. Het geopenbaarde karakter van de Bijbel was ook voor Graevius boven alle twijfel verheven. Hij liet zich nauwelijks verleiden tot het doen van exegetische uitspraken - met uitzondering van de vernietigende constatering dat de Schrift nergens expliciet over kometen spreekt. Maar Graevius stelde wel het bredere, literaire kader ter discussie: de Oudheid was een afgesloten periode waarin men over veel dingen wezenlijk anders had gedacht dan in zijn eigen tijd. De - vaak foutieve - gevolgtrekkingen die eerdere auteurs hadden gemaakt, dienden niet louter op basis van het autoriteitsargument geloofd te worden.

De stelling dat Graevius' oratie in hoge mate schatplichtig was aan de ontwikkelingen op exegetisch, filologisch en historisch vlak, vindt verdere ondersteuning als we kijken naar de intellectuele context waarin deze ontstond. Het ‘Collegie der Scavanten’ telde welgeteld éénnatuurfilosoofonder

[p. 169]

haar leden, en bestond verder uit theologen, filologen en juristen. Lambertus van Velthuysen was al bekend - en berucht - vanwege zijn Bewys dat copernicanisme en bijbeltekst elkaar niet hoefden uit te sluiten, aangezien de Bijbel een theologisch en geen natuurkundig geschrift was.257 Gronovius, geroemd om zijn edities van Seneca, Plinius en Tacitus, stelde zich op het standpunt dat het nut van de auctores veteres eerder lag in het tonen van de complexiteit van het verleden dan in het geven van voorbeelden voor het heden.258 Een andere vriend van Graevius, de befaamde filoloog Gisbertus Cuper (1644-1716), koesterde soortgelijke opvattingen.259 Het is in dit verband veelzeggend dat Graevius in 1673 een brief kreeg van de Deventer regent, waarin deze nog eens terugkwam op Graevius' ‘elegante’ rede.260 Dat de bijbelse ‘hemelse tekens’ als kometen waren geïnterpeteerd, was volgens Cuper een betreurenswaardig misverstand van vroegere exegeten. Het waren helemaal nergens voortekens van!

Minstens zo interessant is het feit dat Graevius zelf direct nadat zijn Oratio gedrukt was een exemplaar stuurde naar een filoloog die hij hogelijk bewonderde: Isaac Vossius. Vossius was zeer geïnteresseerd in kometen. Nadat hij zich met veel rumoer op de bijbelkritiek had gestort, verdiepte hij zich in de jaren 1660 met schijnbaar speels gemak in de natuurfilosofie. Hij frequenteerde de Académie van Thévenot; verder publiceerde hij onbekommerd over de aard van het licht (waarover hij overigens de degens kruiste met De Bruyn).261 Christiaan Huygens wist in 1665 te melden dat Vossius beschikte over een reusachtige ‘verrekijker van 28 of 29 voet’.262 Pierre Petit, een wiskundige uit de côterie rond Thévenot, zond Vossius zijn bekende Dissertation sur la nature des comètes.263 Ook Vossius zocht naar een fysische verklaring voor kometen (die hij meende te vinden in de wetten van de optica), maar repte met geen woord over een mogelijke betekenis.264 In de brief die het presentexemplaar van de Oratio vergezelde, stelde Graevius in de meest onderdanige bewoordingen dat hij het werkje dat hij ter gelegenheid van een ‘irritante occasione’ had geschreven aan het oordeel van de grote Vossius wilde onderwerpen, ondanks het feit dat er waarschijnlijk niets nieuws in stond.265 In het vervolg zou hij zich weer gaan wijden aan serieuzere zaken, zoals zijn edities van Hesiodus en Lucianus. Ofschoon Graevius nergens in zijn Oratio Vossius' werk vermeldde, ligt het voor de hand te veronderstellen dat zijn kritische lezing van oude bronnen mede was geïnspireerd door de auteur van De vera aetate mundi en De septuaginta interpretibus.266

Iets soortgelijks kan worden opgemerkt over Graevius' collega van de theologische faculteit, Lodewijk Wolzogen. De betreffende preken van deze als zeer werelds te boek staande godgeleerde zijn, voor zover bekend,

[p. 170]

niet bewaard gebleven, maar we weten dat hij hierin Jeremia 10:2 als uitgangspunt nam.267 Wolzogen zal betoogd hebben dat dit vers moest worden geïnterpreteerd als een bijbelse veroordeling van sterrenwichelarij in het algemeen en kometenvrees in het bijzonder. Waarschijnlijk heeft Wolzogen ook uitgebreid uit de doeken gedaan dat nergens in de Bijbel sprake is van kometen. Hoe het ook zij, uit andere bronnen weten we dat Wolzogen een aanhanger was van een gematigd-rationalistische bijbelse hermeneutiek.268 Volgens Wolzogen, die overigens La Peyrères verboden Praeadamitae in de kast had staan, was God de auteur van de Heilige Schrift, maar was bijna alles wat daarin staat voor het menselijk verstand te begrijpen. De Schrift bevat enige boven-redelijke waarheden (bijvoorbeeld het mysterie van de heilige Drie-eenheid), maar geen tegen-redelijke zaken. De Rede kan niet in tegenspraak zijn met Gods Woord zoals geopenbaard in de Bijbel en is essentieel om deze te begrijpen.269

Het zal duidelijk zijn dat de Utrechtse ‘scavanten’ door hun verwijzingen naar de grondtekst van de Bijbel een open zenuw raakten. Maar alleen stonden zij niet. De Groningse theoloog Maresius, zeer zeker geen vriend van het cartesio-coccejaanse kamp, verwierp met hen wél een ominieuze betekenis van kometen, aangezien de Schrift nergens spreekt over deze tekens.270 Vanuit Middelburg verkondigde de predikant en natuurfilosoof Johannes de Mey een vergelijkbare boodschap.271 De eclecticus - De Mey was mede beïnvloed door Descartes en Coccejus - stelde dat de bijbelse passages over de ‘portenta in coelo’ profetisch van aard zijn en dientengevolge niet letterlijk moeten worden geïnterpreteerd. Onder verwijzing naar Vossius' De theologia gentili bezwoer De Mey dat kometenvrees heidens bijgeloof was, maar dat christenen deze wonderwerken Gods juist met bewondering moesten aanschouwen.272

Hoe lag nu de verhouding tussen Bijbel en Boek der Natuur in dezen? Tegenover de pertinente opvatting van Voetius dat het liber naturae slechts kon worden begrepen vanuit een letterlijke lezing van sacra scriptura, stond een groeiende tendens om de natuur te beschouwen als een relatief onafhankelijke kennisbron Gods en de Bijbel te lezen vanuit het accomodatieprincipe in de geest van Calvijn en Wittich. De filosofie kreeg meer ruimte. Daarmee konden argumenten uit de natuurlijke theologie nadrukkelijker op de voorgrond treden, maar evengoed deïstische, materialistische of zelfs atheïstische opvattingen. De uitzonderlijke heftigheid van het kometendebat kwam mede voort uit Voetius' vurige verweer tegen alle vormen van bijbelinterpretatie die afweken van de zijne. Als niet-bijbelse middelen, in casu de Rede, werden ingezet zoals sommige leden van het ‘Collegie der Scavanten’ leken te doen, dan was het hek van de dam.

[p. 171]

De gerechtvaardigheid van deze vrees zou al heel snel blijken. In 1666 verscheen het anonieme Philosophia S. Scripturae interpres, geschreven door Lodewijk Meijer (1627-1681).273 Deze vriend en mogelijke inspirator van Spinoza bewandelde in essentie hetzelfde pad als Wolzogen, maar ging veel verder. Hij betoogde dat louter de Rede uitlegster was van de Heilige Schrift. Meijers boek veroorzaakte algehele beroering, en niet alleen onder voetianen. Wolzogen haastte zich het werk te weerleggen, maar vestigde hiermee nadrukkelijk de aandacht op zijn eigen onorthodoxe standpunten.274 In de ogen van de voetianen was hier sprake van een quasi-bestrijding en waren de boeken van Meijer en Wolzogen loten aan dezelfde stam. Vrienden van Wolzogen zagen zich in 1669 genoodzaakt een testimonium op te stellen waarin zij zijn rechtzinnigheid bevestigden. Tot de ondertekenaars behoorden onder anderen Johannes Coccejus, Frans Burman en - significant voor dit hoofdstuk - Balthasar Bekker.275

Ook Graevius leek zichzelf in een moeilijke positie te hebben gemanoevreerd toen eind 1670 Spinoza's Tractatus verscheen. Zoals bekend trok de filosoof uit het door Descartes geformuleerde en door Graevius zo gekoesterde concept ‘natuurwetten’ een even logische als verontrustende conclusie. De orde van de natuur was volgens Spinoza ‘vast en onveranderlijk’.276 Dat betekende dat de natuurwetten die thans golden dezelfde waren als die in oudtestamentische tijden. Met andere woorden: als we de Schift letterlijk namen, dan waren de daarin beschreven wonderen onmogelijk. Dat natuurverschijnselen een bóvennatuurlijke boodschap hadden was dus uitgesloten. Zo schreef Spinoza bijvoorbeeld over een geliefkoosd teken uit het Boek der Natuur: ‘In Genesis 9:13 zegt God tot Noach dat hij een regenboog in de wolken zal stellen; ook deze daad van God was geen andere dan de breking en terugkaatsing van de zonnestralen die zij in de waterdruppetjes ondergaan.’277 Spinoza ging dus veel verder dan de ‘Scavanten’, die zich in het zicht van de bijbeltekst betrekkelijk terughoudend hadden opgesteld. Graevius, die Spinoza persoonlijk kende, schrok klaarblijkelijk dermate van de implicaties van diens bijbelkritiek dat hij zich trachtte te distantiëren van de filosoof.278 In een brief aan Leibniz sprak hij schande van ‘een jood genaamd Spinoza’ die een ‘zeer pestilentieus boek’ had gepubliceerd.279 Op eenzelfde wijze nam ook Van Velthuysen pijlsnel afstand van de auteur die beweerde dat ‘wonderen zijn onderworpen aan de algemene wetten der natuur’.280 Zó hadden de ‘scavanten’ het nu ook weer niet bedoeld.

Vanuit dit perspectief gezien vormde de Utrechtse kometentwist een facet van een veel complexer geheel. Hier was niets minder dan de autoriteit van Gods Woord in het geding. Wat betreft de staartsterren zouden de voe-

[p. 172]

tianen hardnekkig blijven volhouden dat een omineuze betekenis een bijbelse fundering had. Het debat over de interpretatie van de ‘hemelse tekenen’ was nog lang niet ten einde.

4 Opvattingen over kometen rond 1700

‘Il y avoit desia quelque temps que l'on parloit d'une Comete’, schreef Christiaan Huygens op 27 december 1680 vanuit Parijs aan zijn vader toen er opnieuw een staartster was verschenen, ‘Il fait beau aujourdhuy, ce qui attirera ce soir une infinité de monde a l'observatoire, car ils ... pretendent que les astronomes doivent rendre raison de ce phenomene, et mesme de ce qu'il signifie.’281 In Den Haag kampte broer Constantijn met eenzelfde probleem. ‘Vous devriez bien me mander quelque chose de la Comete’, smeekte hij Christiaan, ‘pour me fournir de qouy repondre a touts ces gens qui m'interrogent touts les jours’.282 Alle nieuwsgierigen waren bij Christiaan aan het verkeerde adres. Huygens bleef worstelen met de wiskundig uitermate gecompliceerde baan van de komeet, en de gedachte dat dit hemellichaam enige betekenis had was hem geheel vreemd.283

De houding van Huygens is tekenend voor de verandering in het ‘kometenvertoog’. Waar eerder het denken over de oorzaak en het speculeren over de betekenis hoofdzakelijk in onderlinge samenhang gebeurde en natuurfilosofen, theologen en humanisten in grote lijnen dezelfde mening verkondigden, daar was nu sprake van een uitgesproken differentiatie. Aan de ene kant van het intellectuele spectrum stonden theologen, die zich voornamelijk bezighielden met de inmiddels prangende vraag of er nu wel of geen bijbelse legitimatie bestond voor de kometenvrees. Aan de andere kant bevonden zich wiskundigen van het kaliber Huygens en mindere goden als de Noord-Hollandse rekenmeesters Dirck Rembrandtsz van Nierop (1610-1682) en Dirck Mackreel, die al sinds 1664 louter waren geïnteresseerd in de fysische kant van de zaak.284 Van Nierop geloofde dat ‘Comeet-starren voortkomen van de Sonne vlecken’, maar liet zich verder niet uit over een betekenis.285 Mackreel deed speculaties over dit laatste af als ‘dwase droomen’.286

De komeet die in 1680 verscheen en na zijn perihelion in 1681 opnieuw zichtbaar werd, en de nog veel opvallender komeet die het najaar van 1682 werd gesignaleerd, leidden opnieuw in heel Europa tot hoog oplopende discussies.287 Het was naar aanleiding van deze kometen dat Newton en Halley hun hypothese over de elliptische baan van kometen formuleerden, en dat Bayle en Bekker hun befaamde traktaten tegen de kometenvrees publiceerden. Daarnaast werden eerdere verhandelingen herdrukt, zoals bij-

[p. 173]

voorbeeld Graevius' Oratio, waarvan nu tevens een Nederlandse vertaling verscheen. Ook liet het voetiaanse kamp zich niet onbetuigd.

Voetianen over het ‘Boeck der nature’

‘Heeft ons niet de Heere door groote Teekenen in de Hemel boven, ghedreyght en ghewaerschouwt, ghelyk Christus van de sulke spreekt, Luc. 21 vers 11?’, zo vroeg de predikant Jacobus Koelman zich in 1682 retorisch af.288 Deze gezworen vijand van cartesianen en spinozisten stelde vol afgrijzen vast dat het geloof der vaderen aangaande kometen in toenemende mate kon rekenen op de spotzucht van ‘sommige Leeraers’, waarmee hij mede op de door hem intens gehate Burman en Wolzogen zal hebben gedoeld.289 In voetiaanse kringen stelde men zich op het standpunt dat aan het biblicisme, de hoeksteen van de orthodoxie, niet viel te tornen. Toch bleek men niet ongevoelig voor meer recente ontwikkelingen, zoals de Cometographia uit 1682 van Gisbertus de Cocq getuigt.290 De predikant beriep zich nadrukkelijk op het ‘seer geleerde en doorwrochte Tractaet van den wijtberoemde Gisbertus Voetius’.291 Onder verwijzing naar veel eigentijdse literatuur behandelde De Cocq opnieuw het vraagstuk van kometen. De theorieën van Descartes werden uitgebreid besproken en uiteindelijk betiteld als ‘verdichtsels ende droomen’.292 Kometen waren inderdaad het gevolg van natuurlijke oorzaken, maar die vielen louter te herleiden tot Gods almacht. Voor een staartster gold in principe hetzelfde als voor een regenboog: ‘hoewel sy een natuerlijcke saecke is, nochtans een boven-natuerlijcke beduydenisse heeft’.293 De opvatting van Burman en zijn collega's dat kometen nergens in de Schrift werden genoemd, werd door De Cocq weersproken.294 Ze doorliepen een baan hoog in de hemel, vielen dus te kwalificeren als sterren, en juist het vallen der sterren en andere hemeltekens kondigde volgens bijbelse loci de toorn Gods aan:

‘Wy besluyten dan dat Cometen onder de Prodigia ofte die Wondertekenen daer van Christus spreeckt moeten begrepen worden. Dien volgende dat groot ongelijck hebben die seggen derven dat nergens in de H. Schrifture van Cometen gesproocken wort; en op dien gront alle voorbeduydenisse der Cometen tegenspreken.’295

Geestverwanten van De Cocq hamerden op hetzelfde aambeeld. De Leeuwarder predikant Johannes van der Holst (1640-1691) had een jaar eerder al een tot ver in de achttiende eeuw herdrukt Tractaat van de tekenen des hemels gepubliceerd.296 Ook Van der Holst was niet onkundig van de eigen-

[p. 174]



illustratie

35. Tot ver in de achttiende eeuw bleven gelovigen onder verwijzing naar de Bijbel stellen dat een komeet een ‘hemelsteken, tot waarschouwing’ was. Deze voorstelling is afkomstig uit Jan Luyken, Beschouwing der wereld, bestaan de in hondert konstige figuren met godlyke spreuken en stichtelyke verzen (1708). (kb)


[p. 175]

tijdse hypotheses en signaleerde de grote verwarring die er op dit gebied heerste. Maar, zo stelde de predikant, de nu verschenen komeet was hoe dan ook een teken uit het Boek der Natuur:

‘[Gods] woorden soo geschreven in het boek der Schriftuure als der Natuure, behelsende zijn woord der vermaninge der dreygementen ende verkondigingen van Gods oordelen, want in alle werken ende tekenen is een stemme Gods die tot ons roept, ons vermaant en opweckt, Exod. 4:8.’297

God openbaart zich in de Heilige Schift en in de Natuur, zo herhaalde hij nog eens, ‘in beide is eene stemme des Heeren, voor welke den mensche beven moet’.298 Ook Voetius had zich al beroepen op het leerstuk van het Boek der Natuur om zijn opinie kracht bij te zetten.299 De Cocq huldigde vrijwel dezelfde opvatting. De Heer spreekt niet alleen middels de Schrift tot mensen, maar ook

‘in het Boeck der nature door sijne groote wonderwercken in Hemel en op Aerde. En als wy noch door sijn woort in de H. Schrifture, noch door sijn ordinare groote wercken in de nature bewogen worden, om hem te vreesen, en die dienst, eer, ende gehoorsaemheyt te bewijsen, die wy hem schuldig sijn, soo is hy gewoon nu en dan Cometen, en andere prodigieuse tekenen in den Hemel ende elders voort te brengen, om door de selve, als door een basuyne, de Godtlose Werelt te verschicken.’300

Het is interessant dat we bij De Cocq hetzelfde zien als bij zijn grote voorbeeld Voetius. Enerzijds werd met grote stelligheid verkondigd dat een bovennatuurlijke interpretatie van kometen werd gesanctioneerd door de Schrift, maar anderzijds werd hier wel een kleine reserve ingebouwd. Beiden leken zich er toch wel van bewust te zijn dat de Bijbel slechts in algemene termen sprak over ‘wondertekenen aan den hemel’.301

Nog decennia lang zouden voetianen onder verwijzing naar de bekende passages consequent volhouden dat kometen tekens van Gods toorn waren (afb. 35). Zo stelde de predikant Henricus Brinck (1645-1723) in zijn aanval op de ‘dwalingen’ van de cartesianen en coccejanen dat de Schrift wel degelijk sprak over kometen: ‘Daar word wel gelezen van Wonderen en teekens in den Hemel, waar onder de Cometen zijn begrepen.’302 De hardnekkigheid waarmee dit werd volgehouden kwam mede voort uit de angst dat met de toepassing van het accommodatie-principe en daarmee van de ratio de status van relevatio zou worden ondermijnd.

[p. 176]

Balthasar Bekker

De argumenten die de Utrechtse ‘scavanten’ in 1665 hadden aangevoerd tegen de kometenvrees, waren in belangrijke mate ontleend aan de bijbelse veroordeling van sterrenwichelarij. Graevius had reeds de constatering gedaan dat de Schrift nergens letterlijk over kometen sprak, maar dit gegeven niet uitgebreid kunnen of willen uitwerken. In 1683 voelde een theoloog zich geroepen om dat nu wel systematisch te doen: Balthasar Bekker. Bekker (1634-1698) is vooral bekend dankzij zijn geruchtmakende De betoverde weereld (1691-1693), dat in heel Europa een van de meest omstreden boeken van zijn tijd zou worden.303 Ofschoon er in veel recentere literatuur sprake is van een aanmerkelijk nuancering, is De betoverde weereld vaak gezien als de toepassing van het cartesiaanse dualisme op de problematiek van magie en hekserij en zou het aldus hebben bijgedragen aan de ‘onttovering van het wereldbeeld’.304 We laten deze interpretatie even voor wat zij is en richten ons op het werk dat Bekker in 1683 uitgaf, Ondersoek van de betekeninghe der kometen, by gelegentheid van de genen die in de jaren 1680, 1681, 1682 geschenen hebben.305

Toen Bekker zijn boekje publiceerde, stond hij al in de kwade reuk van onrechtzinnigheid.306 In 1674 stelde de boosaardige auteur vanhet Collegie der scavanten dat de Utrechtse kliek gemene zaak maakte met deze Friese verkondiger van ‘onschriftmatige ende periculeuse stellingen’.307 Inderdaad had Bekker rond 1665 het cartesianisme omhelsd en steunde hij bijvoorbeeld Wolzogen, ‘een groot Theologant’, toen deze bekneld dreigde te raken tussen Philosophia S. Scripturae Interpres enerzijds en de voetianen anderzijds. Bekkers boekje over de kometen vertoont ook overeenkomsten met Graevius' Oratio, al wordt deze nergens geciteerd.308

Bekkers Ondersoek schijnt zijn basis te hebben in een serie preken die hij in zijn gemeente Amsterdam hield.309 De dominee begon zijn uiteenzetting met een veelzeggende les uit het liber naturae: God openbaarde zich ‘eerst in de Natuur, en daar na in de Schrifture’.310 Gods grootheid bleek nadrukkelijk uit de Schepping, en bovendien kon Hij middels de natuur meer specifieke tekens geven, zo stelde Bekker. Die laatste konden van tweeërlei aard zijn. Allereerst waren er de natuurlijke tekens, zoals bijvoorbeeld beschreven in Lukas 21 vers 29:33: de vijgenboom die, wanneer hij uitloopt, de zomer aankondigt. Maar er waren ook verschijnselen waar de betekenis niet direct uit hun fysische constitutie voortvloeide, maar die met behulp van de Bijbel begrepen moesten worden. Bekker kwam hier weer met de regenboog op de proppen. Deze had een natuurlijke oorzaak en gehoorzaamde zelfs aan optische wetmatigheden. Maar nergens uit het fenomeen

[p. 177]

op zich bleek dat dit verwees naar iets anders. Genesis 9:13 maakte echter duidelijk dat dit een teken was ‘door Gods instelling’, en met een zeer specifieke boodschap.311

Uitgaande van deze distinctie behandelde Bekker vervolgens kometen. Waren het natuurlijke tekens? Bekker stelde dat zowel natuurfilosofische geschriften als de Bijbel op het vlak van de fysische verklaringen duister waren. Filosofen hadden sinds mensenheugenis de meest uiteenlopende verklaringen gegeven. Uit de eigen tijd noemde Bekker de theorieën van

illustratie

36. De observaties die Newton in 1680 verrichtte, leidde hem tot de overtuiging dat kometen een ellipsvormige baan doorliepen. In de Principia (1687) werkte hij deze theorie verder uit. Het zou overigens nog tot 1759 duren voordat de hypothese werd bewezen. (kb)


[p. 178]

Descartes, Bernoulli en Hevelius, maar concludeerde uiteindelijk ‘Wat staat isser op te maken, daar d'eene dus en d'andere so, niet alleen verscheidelik, maar ook strijdig redeneren?’312 De slotsom was helder: aangezien de aard van kometen onduidelijk was en hun verschijning niet op causale wijze in verband viel te brengen met de gebeurtenissen op aarde, waren het in ieder geval geen natuurlijke tekens. ‘De voorgaande bewijsen zijn sodanig dat daar tegen geenerhande uitvlugten kunnen baten.’313

Op de vraag of kometen dan misschien door God ingestelde wondertekens waren, gaf Bekker als antwoord dat ze nergens in de Schrift expliciet werden genoemd. ‘D'almachtige en alderverstandigste Schepper en dreigde nooit quaed, sonder het te noemen. Gelijk sijn Heilig Boek betuigt.’314 Vervolgens liep Bekker uitputtend alle passages langs waarin sprake was van hemeltekens in meer algemene zin: ruim de helft van de 100 pagina's van het Ondersoek bestaat uit exegese. Bekker verzette zich sterk tegen de voetiaanse interpretatie van de Schrift en verweet zijn tegenstanders met kromme argumenten de omineuze interpretatie van staartsterren een schriftuurlijke basis te geven.

‘Die den gehelen Bybel menigmaal in hunne eigen of inde oorspronkelike talen aandachtelik doorlesen hebben, sullen dat met my ten overvoed getuigen. Immers die sich op de Schrift geroepen, moeten hier voor 't stuk staan, datse ten minsten eene spreuke bijbraghten, die daertoe dienen konde.’315

Met een beroep op de Hebreeuwse en Griekse grondteksten werden de redeneringen van orthodoxe theologen weerlegd. In de Bijbel was inderdaad dikwijls sprake van hemeltekens (bijvoorbeeld Genesis 15:5; 22:17; 26:4; Exodus 32:13; 1 Corinthiërs 27:23; Jeremia 33:22 etcetera), maar nergens woordelijk van kometen. Sommige verschijnselen, zoals de stilstaande zon (Jozua 10:12), of de vuurkolom in de woestijn (Exodus 13:21), waren eenmalig, door Gods wil ingesteld. Andere schijnbare verwijzingen naar ‘hemelse tekenen’ zoals genoemd in de profetieën (bijvoorbeeld de amandelroede in Jeremia 1:11 en de roede in Micha 6:9) waren geen verwijzingen naar kometen: ‘ik gelove niet datter iemand is, die ontkennen sal, dat alle dese tekenen so figuurlik te verstaan zijn, gelijk se figuurlik en niet na waarheid zijn gesien’.316 Hetzelfde gold voor de ‘hemelse tekens’ waarover de Evangeliën en de Openbaring van Johannes spraken. Volgens Bekker was hier nergens sprake van kometen en dienden ook deze passages ‘figuurlik en in gelijkenis’ geïnterpreteerd te worden.317

Op dit punt aangekomen, legde Bekker zijn kaarten op tafel. Tegenover

[p. 179]

de voetianen (die hij overigens niet expliciet noemde) stelde hij de bijbelse hermeneutiek van ‘twee groote Uitleggers der schriften, Calvinus en Coccejus’.318 Bekker betoont zich hier een expliciete aanhanger van de in rechtzinnige kringen zo verfoeide accommodatie-theorie. Voor de uitlegging van het in voetiaanse kringen zo populaire Lukas 21:11 en Marcus 13:24-25 citeerde Bekker integraal het commentaar Calvijn. Het ‘vallen der sterren’ betekende bijvoorbeeld niet dat ze daadwerkelijk zouden vallen, ‘maar na 't gevoel der menschen’.319 De wereld zou zo heftig schudden, ‘dat de sterren self schijnen te vallen’.320 De Bijbel past zich dus aan het dagelijks taalgebruik aan.

‘So siet men dat op dese plaats van geen wondertekenen, maar van' t einde aller dingen gesproken word ... Siet! daar isset het altemaal Kristen Leeser, wat de H. Schrift van Tekenen des Hemels meldt. Hoe nauw gesocht, hoe effen overwogen; wy en vinden echter't minste woord niet van Kometen.’321

Wie meende dat dit wel het geval was ‘die beroven hem [God] van d'eere sijns oppersten gesaghs, en misleiden hen selve door eigenwilligen Godsdienst’.322

Daarentegen sprak volgens Bekker de Bijbel wel klare taal over de angst voor hemeltekens. Onder verwijzing naar onder meer Jeremia 10:2 stelde Bekker dat het duiden van hemeltekens in strijd was met Gods woord, en een in wezen heidense praktijk was.323 Kometomantiek was niets anders dan de verfoeilijke astrologie. Kometen waren verschijnselen die de ‘Romeynen by ouds ostenta, portenta, prodigia noemden, en aan welken ons het Kristendom verbied te geloven’.324 Alleen God wist wat in het verschiet lag, schreef de predikant onder aanroeping van onder meer Deuteronomium 29:29 en Spreuken 27:1. Bekkers slotsom was dan ook dat kometen geen kwade voortekens waren, aangezien ‘daar af de natuure geen bewijs geeft, de Schrifture swijgt; of daar se spreekt het tegendeel betuigd’.325

Integendeel, van nature kijkt de mens vol bewondering naar dergelijke tekens. ‘Mijne kinderkens’, zo schrijft Bekker, ‘met geen vooroordeel ingenomen zijnde, verheugden sich over 't aanschouwen van de Staertster, en konden nauwelijkx gerust slapen sonder die eerst te sien’.326 Kennelijk stond de menselijke geest allereerst open voor Gods openbaring in de Natuur, en in tweede instantie voor Zijn Woord. Vader Bekker voegde hier namelijk aan toe: ‘Voor my ik beschouwd deselve met vermaak en verwondering, tot heerlikheid des Scheppers, gelijk David Ps.8.’327 De hemel was het werk Zijner vingeren, en kometen waren ‘wonderlike glansen waarmede

[p. 180]

de Opperbouwmeester sijne Hemelsche welffen verft’.328 Maar helaas, stelde Bekker, de meeste mensen lezen de Bijbel slordig en weten al helemaal niets van de natuur. Ze kijken naar de hemel ‘gelijk een koe siet op eene nieuwe schuur’.329 Daardoor zien ze Gods glorie niet op de plaats waar deze het duidelijkst zichtbaar is: in het Boek der Natuur.

‘Dat verklaard ons duidelijker de grootheid en't gebruik sijner maghtige wercken: en die twee Boeken van Natuur en genade wel geleesen, wel betraght, geeven den mensch een volkomen gesichte van den Hemel en van de Sterren.’330

De natuur en de Bijbel zijn ieder afzonderlijke boeken Gods, zo meende Bekker, het ene toont Zijn almacht en het andere Zijn goedheid. Beide zijn complementair, maar niet identiek. Ieder moet op zijn eigen wijze bestudeerd worden omdat, zoals Bekker het in een andere context formuleerde: ‘men de saligheid niet kan leeren uit de Natuur, nochte de natuurlijke dingen uit de Schriftuur’.331

Als we de balans opmaken, dan kunnen we constateren dat Bekkers Ondersoek in grote lijnen dezelfde kenmerken draagt als Graevius' Oratio. Oude geschiften en verhalen worden kritisch bekeken en zonodig in hun historische context geplaatst, en vooral door Bekker wordt de bijbelse legitimatie van kometenvrees ontkracht. Het zijn ook precies deze elementen die een cruciale rol spelen in Bekkers De betoverde weereld. In de ogen van rechtzinnige tijdgenoten kwam Bekkers methode hier gevaarlijk dicht bij die van Meijer en Spinoza, en de synode die de predikant in 1692 afzette, stelde dan ook dat ‘het voornaamste verschil raakt de authoriteyt en de geloofwaardigheyd van het allerheyligste Woord Gods’.332

Tegen deze achtergrond is het wat merkwaardig dat de eerste editie van het Ondersoek bij publicatie betrekkelijk weinig stof deed opwaaien: de methodiek van De betoverde weereld is hier immers in reeds meer dan embryonale vorm zichtbaar. De venijnige Jacobus Koelman veroordeelde in 1682 de aanval op de kometenvrees door ‘sommige leraars’, een omschrijving waardoor ook Bekker zich aangesproken voelde.333 In 1685 ging Henricus Brinck in zijn reeds geciteerde bestrijding van de filosofische nieuwlichters ook stevig tekeer tegen ‘Dr. Bekker’ en andere ‘Novateurs’ die beweerden dat kometen niets kwaads betekenden.334 Brinck schreef expliciet dat Bekkers positie als predikant onhoudbaar was, aangezien diens opvattingen regelrecht in strijd waren met de het orthodoxe leerstuk van het Boek der Natuur, zoals vastgelegd in Artikel 11 van de Geloofsbelijdenis.335

Maar verder bleef het vooralsnog betrekkelijk stil en moest Bekker tien

[p. 181]

jaar na publicatie constateren dat het Ondersoek ‘ongelesen by den boekverkopers’ was blijven liggen.336 Naar aanleiding van alle commotie rond De betoverde weereld werd het in 1692 herdrukt en dientengevolge meegesleept in de discussie over Bekkers onorthodoxe exegese.337

Uitingen van Gods glorie

Terwijl de standpunten over de status van de Heilige Schrift in rebus naturalibus in hoog tempo polariseerden, vielen er ook meer genuanceerde interpretaties van kometen te beluisteren. Een goede illustratie van de opinies die in het juste milieu leefden, biedt Constantijn Huygens die, ondanks zijn fascinatie voor de Nieuwe Wetenschap, zeker geen radicaal was. Zo had hij nog in 1676 een gedicht geschreven waarin hij in één adem Descartes, Coccejus en Voetius eerde.338 In 1681 componeerde de staatsman het gedicht Cometen-werck (dat overigens pas twee eeuwen later zou worden gepubliceerd).339 De inmiddels stokoude Huygens had al veel van dergelijke hemeltekens gezien, en Christiaan informeerde dan ook in 1681: ‘Je n'ay jamais vu de Comete de cette force, et vous pourrez me dire si celle de l'an 1618 luy resembloit.’340 Evenals zijn zoons ergerde ook vader Huygens zich aan al diegenen die hem lastig vielen naar aanleiding van de staartster: ‘Men stooft mij 't hoofd soo warm met vragen en hervragen.’341 Ondanks zijn irritatie was dit een kwestie die ook Huygens zelf bezighield:

 
‘Ick vraegh, waer hoort sij thuijs die vreeslicke Comeet,
 
daer elck soo veel af snapt en elck soo weinigh weet?
 
Sij wandelt om en om: wie dreight sij meer of minder?
 
Een Coningh sterft in 't Oost: daer over treurt men ginder.
 
In 't Zuijden lachtm'er om: dat is des werelds schael,
 
En 't Hemel-teecken goed noch quaed voor altemaal.’342

Huygens stelde zich op hetzelfde standpunt als Witsen en Graevius: kometen zijn over de hele wereld zichtbaar, en hun staart wijst alle kanten uit. Overal sterven vorsten, en dat is ‘even soet voor een als droevigh voor een andren’. Vervolgens ging Huygens in op twee kernpunten in het kometendebat: hun fysische aard en de vraag of er iets in de Bijbel te lezen staat over hun betekenis. Over het eerste probleem sprak hij klare taal: de aard van kometen is volkomen duister en het is derhalve onmogelijk om uit ‘onbegrepen Stof en ongewone Swier’ concrete voorspellingen te doen.343 Ook de Bijbel spreekt zich niet duidelijk uit over staartsterren. Maar wel staat in de Schrift dat slechts God weet wat er in het verschiet ligt en dat het hei-

[p. 182]

dens is te vrezen voor de tekenen des hemels - in margine verwees Huygens naar Romeinen 11:34 en Jeremia 10:2.344 ‘Waerseggers ydel ambt’ werd dan ook veroordeeld.

Een en ander wil echter niet zeggen dat Huygens aan kometen geen betekenis toekende: ‘vrees ick se? neen. Veracht ickse? noch min.’345 Het zijn weliswaar geen voorbodes van concrete gebeurtenissen, maar wél tekenen van Gods majesteit, stelde Huygens. Net als de andere ‘hooghe wonderen’ zijn ook kometen manifestaties van Gods scheppende almacht:

 
‘Mijn' Ziele beefter af, ick schrick voor Son en Maen,
 
Soo still, soo dagelijx, soo zedigh als zij gaen.’346

De mens moet niet trachten Gods werken te doorgronden, maar kometen zien als de ‘bewijsen’ van Gods ‘onbepaelde macht’.

Het benadrukken van Gods almacht in Zijn werken - ongeacht of dit nu natuurlijke of ongewone verschijnselen waren - was een constant gegeven in de christelijke traditie en zou aan het einde van de zeventiende eeuw een nieuwe impuls krijgen.347 De mathematisch zeer gecompliceerde baan van kometen paste wonderwel in het gerevitaliseerde beeld van God de almachtige Bouwmeester (afb. 36). Disputen over de al-dan-niet schriftuurlijke basis voor kometenvrees maakten plaats voor lofzangen in de geest van Seneca. Zo stelde, nota bene, een Utrechtse promovendus in de theologie in 1728, onder verwijzing naar de Stoa, Graevius en Bekker, dat kometen uitingen waren van Gods glorie.348

Een goede illustratie van deze tendens biedt ook Pieter Rabus' Boekzaal van Europe, dat voor het eerst verscheen in 1692. In dit tijdschrift voerde de redacteur onder meer de eigentijdse (natuur)filosofische ontwikkelingen op om achterlijkheid en bijgeloof uit te roeien en redelijkheid en godsvrucht te verbreidden.349 Rabus zelf had veel interesse voor de natuurkunde. In 1680 had de toen 20-jarige Rabus al in een kreupeldicht, Licht en duisternisse der Staartsterren, uiteengezet dat dit tekens van Gods majesteit waren. De Heer gebruikte ze

 
‘... tot zijn bestiering, eer, en macht,
 
Die voor het Menschdom dit Al te voorschijn bracht.’350

De teneur van recensies in de De Boekzaal was vergelijkbaar. Kenmerkend is bijvoorbeeld dat het werk van de in religieus opzicht volstrekt onverschillige Van Leeuwenhoek door Rabus werd omgetoverd in een aanval op godloochenaars!351 Ook besteedde Rabus zeer ruime aandacht aan de werken

[p. 183]

van Balthasar Bekker.352 Meteen al in het eerste nummer van de Boekzaal werd de nieuwe editie van Bekkers Onderzoek besproken.353 De nu veelgeplaagde Bekker was volgens Rabus ‘een Christen leeraar’ die terecht de aanval op een bijgelovige praktijk had ingezet.354 Instemmend noteerde Rabus dat nu bewezen was ‘dat het gevoelen van de voorbeduidinge der Kometen valsch is’, en het ook zonneklaar was ‘dat die gene, die zoo gevoelen, zonde doen’. Kometenvrees kwam voort ‘uit onze eigen onagtzaamheid ontrent Gods allerheerlijkste werken’.355

Met de groeiende populariteit van de fysico-theologie zouden in de loop van de achttiende eeuw dergelijke gedachten steeds nadrukkelijker op de voorgrond treden. Dat gebeurde nog niet in Nieuwentijts bekende Regt gebruik. De auteur verontschuldigde zich voor het feit dat hij kometen onbesproken liet, ‘nadien nogh hare oorsaken, nogh de einden van die deselven geformeerd heeft, aan ons regt bekend syn’.356 Het is een wat wonderlijk aandoend argument. Wellicht heeft Nieuwentijt, die een strikt letterlijke bijbeluitleg aanhing, wel aangevoeld dat hier een exegetisch probleem lag.357 Andere fysico-theologen waren minder terughoudend. Lambert ten Kate (1674-1731) stelde in zijn De Schepper en Zyn bestier te kennen in Zyne Schepselen dat de mathematisch zeer complexe baan van kometen bij uitstek de ‘Wysheid en Magt van de maker’ aantoonde.358 En de befaamde wiskundige en kometenjager Nicolaas Struyck (1686-1769) concludeerde dat de verschijning van staartsterren ‘nuttig en noodzakelijk’ was omdat deze de mens ‘een diepen eerbied en hoogachtinge voor den Schepper en Onderhouder van 't Geheelal moet inboezemen’.359

5 Slotbeschouwing

Gedurende de zeventiende eeuw onderging de wijze waarop aan de verschijning van kometen een betekenis werd toegekend een radicale omkering. Rond 1600 werden ze door Nederlandse geleerden algemeen beschouwd als tekens van Gods gramschap en als mogelijke voorbodes voor de Dag des Oordeels. Rond 1700 was er veel veranderd. Terwijl theologen uit de school van Voetius een traditionele interpretatie bleven benadrukken, stelde een groeiende groep van geleerden dat de verschijning van kometen gezien moest worden als een manifestatie van Gods majesteit. Dat de kometenvrees in de loop van de zeventiende eeuw aan groeiende kritiek onderhevigd was, is reeds eerder opgemerkt. Deze betekenisverandering wordt veelal in causaal verband gebracht met de opkomst van het rationalisme en van de toenemende kennis op natuurwetenschappelijk, in casu astronomisch gebied. Bij nadere bestudering blijken echter

[p. 184]

drie belangrijke feiten deze interpretatie te ondergraven. Ten eerste was de betekenisverschuiving een gradueel proces dat niet te relateren valt aan een wetenschappelijke doorbraak. Enerzijds tastten ook bestrijders van de kometenvrees in het duister omtrent de fysische aard van kometen, anderzijds waren voetianen als De Cocq heel wel bereid om te accepteren dat kometen hemellichamen waren die aan natuurwetten gehoorzaamden. Het sterkte hen alleen maar in hun overtuiging dat bijbelse passages over sterren en andere hemellichamen ook hier van toepassing waren. Dat brengt ons op het tweede punt, namelijk dat de controverse voornamelijk werd uitgevochten aan de hand van filologische en exegetische argumenten. Het is veelzeggend dat de protagonisten van de twee meest extreme posities in het debat, Gisbertus Voetius en Balthasar Bekker, zich beiden beriepen op dezelfde bijbelse loci en, meer in algemene zin, de notie van ‘Boek der Natuur’. En ten derde waren en bleven kometen goddelijke tekens, zij het van een ander karakter.

De traditionele interpretatie van de bovennatuurlijke betekenis van staartsterren was gebaseerd op een synthese van bepaalde bijbelse passages en klassieke teksten. De verschijning van een staartster leverde in eerste instantie vooral stof voor hermeneutische en exegetische exercities. Tot in de eerste decennia van de zeventiende eeuw bestond er in wezen één homogeen kometenvertoog. Theologen, dichters en natuurfilosofen namen bij hun beschouwingen steeds het overgeleverde corpus als uitgangspunt.

Vanaf de jaren 1620 was deze ‘lezing’ van de hemeltekens in toenemende mate onderhevig aan kritiek. Allereerst door aanhangers van het piëtisme en de Nadere Reformatie die slechts de Bijbel erkenden als sleutel tot de duiding van natuurverschijnselen, en aldus de uit Griekse en Romeinse geschriften overgeleverde astrologische interpretatie van kometen kwalificeerden als heidens. Cats speelde hier een voortrekkersrol en zijn positie werd nader uitgewerkt door de invloedrijke Voetius. Een tweede, min of meer parallelle ontwikkeling zien we in de hoek van humanisten als Gerardus Vossius en Claude Saumaise, die het klassieke gedachtegoed niet als één, in essentie heidens geheel verwierpen, maar wezen op interne inconsistenties in het corpus en het feit dat de wereld van de Ouden wezenlijk anders van karakter was dan hun eigen tijd. Waar eerdere classici zich nog hadden geïdentificeerd met de opvattingen van hun grote voorbeelden over prodigia en divinatio, begon nu distantie te ontstaan. Op korte termijn was het netto resultaat van de inspanningen van humanisten en voetiaanse theologen hetzelfde: een astrologische interpretatie in de geest van Ptolemaeüs werd verworpen. Aldus was het eerste stadium in de ontmanteling van de traditionele kometomantiek voltooid.

[p. 185]

In 1665 bleek juist hier de kern het hoogoplopende kometendebat te liggen. De groep theologen en filologen rond de Utrechtse hoogleraar Graevius betoogde nu dat een omineuze betekenis van kometen niet louter gegrondvest was op antieke heidense geschriften, maar evenmin een bijbels fundament had. Natuurfilosofische argumenten speelden nauwelijks een rol in dezen, ondanks de sterk retorisch getinte verwijzingen naar de ‘wetten der natuur’. Een tekstkritische analyse wees uit dat nergens in de grondtekst van de Bijbel expliciet sprake was van kometen, een gegeven dat zelfs voorstanders van een zeer letterlijke tekstinterpretatie met veel tegenzin moesten erkennen. Die exegetische aanpak bereikte zijn hoogtepunt in Bekkers Ondersoek (1683) dat, vanuit dit perspectief beschouwd, niet het startpunt is van een nieuw tijdperk, maar veeleer de logische consequentie was van een veel eerder ingezet proces. In de buitenlandse literatuur over de Verlichting in het algemeen en kometen in het bijzonder is nauwelijks aandacht besteed aan het Nederlandse kometendebat, maar de stelling lijkt gerechtvaardigd dat de Republiek in dit opzicht een voortrekkersrol speelde binnen Europa.

In de Nederlandse context draaide de hele discussie dus feitelijk om de uitleg van de notie ‘Boek der Natuur’. Duidelijk blijkt hier de ontoereikendheid van noties als ‘de onttovering van het wereldbeeld’ of ‘de strijd tegen het bijgeloof’. Want wie was er nu niet tegen het ‘bijgeloof’? Terwijl aan de ene kant van het intellectuele spectrum het voetiaanse kamp beklemtoonde dat God het beste geëerd kon worden door het liber naturae door een bijbelse bril te lezen, benadrukte een groeiende schare natuurfilosofen en theologen dat dit doel het beste bereikt kon worden door het Boek der Natuur als een zelfstandige grootheid te bestuderen. De Schepping was én bleef een bron van admiratio, die echter niet langer werd opgewekt door singuliere verschijnselen, maar door de structuur en doelmatigheid van al het geschapene. Aldus werden kometen getransformeerd van omineuze tot glorieuze hemeltekens. Tegenover de verdwijning van prodigia uit het geleerde vertoog stond een groeiende aandacht voor een nieuwe bron van verwondering: de mathematisch zeer gecompliceerde baan van kometen, de geometrische structuur van sneeuwvlokken en, bovenal, de wereld van de insecten.