Het 'Boeck der Natuere'


auteur: Eric Jorink


bron: Eric Jorink, Het ‘Boeck der Natuere’. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715. Primavera Pers, Leiden 2006  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 266]



illustratie

57. Een van de bekendste rariteitenverzamelingen van de Republiek was die van Levinus Vincent. De Amsterdammer Jan Velten noteerde dat hij deze collectie ‘in 't geselschap van eenige Baronnen, Graaven en een Prins uyt Ytalien besien heeft int ijaer 1701: d'tweede paasdach’, en maakte er deze tekening van. (Artis Bibliotheek)


[p. 267]

5 Rariteitenverzamelingen: ‘Een boek, daar in zich God zelfs heerlik heeft beschreven’

1 Inleiding

‘Dat ik in zo lang niet heb geschreven is uw eigen schuld’, zo liet Constantijn Huygens in 1630 aan Caspar Barlaeus weten. ‘Gij zendt mij zovele dingen van u om te bekijken, dat ik daaraan al mijn vrije tijd besteed.’1 Huygens refereerde hier aan de ‘rariteyten’ die Barlaeus hem ten geschenke gaf. De humanist was de trotse eigenaar van een omvangrijke verzameling naturalia waarin hij, zo benadrukte hij lyrisch in zijn correspondentie met Huygens, de ‘goddelijke almacht, wijsheid en goedheid’ kon aanschouwen.2 Af en toe zond hij Huygens een kleinigheid, zodat ook deze zich kon verwonderen.3 Dat Huygens vervolgens handen en ogen tekort kwam om al deze zeldzaamheden te bekijken is begrijpelijk: ‘Zelf heb ik vele dergelijke dingen verzameld, die in wel 900 doosjes geborgen zijn’, zo vertrouwde hij Barlaeus toe.4

Die fascinatie voor het verzamelen van ‘seldsaemheden’ is een van de meest opvallende kenmerken van de vroegmoderne geleerde cultuur.5 Van Napels tot Uppsala en van Dublin tot Sint-Petersburg werden omvangrijke verzamelingen aangelegd, door vorsten, universiteiten en ook door ‘liefhebbers’. Uiteenlopende bronnen tonen een verbluffende diversiteit aan objecten. Mummies, monsterlijke gedrochten, paradijsvogels, beenderen van reuzen, kajaks, Chinese geschriften, hoorns van eenhoorns, Indiaanse verentooien, wetenschappelijke instrumenten, armadillo's, Romeinse munten, insecten en talloze ander ‘rariteyten’ werden ogenschijnlijk kris-kras door elkaar in één ruimte ondergebracht (afb. 57 en 58).

Ook in de Nederlanden sloeg de verzamelwoede toe. De Enkhuizer stadsarts Bernardus Paludanus was aan het einde van de zestiende eeuw

[p. 268]

de eerste die een substantiële collectie bijeenbracht-en er zouden er nog vele volgen.6 De expansieve economie, de toevloed van onbekende artefacten uit de nieuw ontdekte handelsgebieden in Oost en West en het bloeiende culturele leven waren allemaal factoren die bijdroegen tot het feit dat Nederlandse collecties al snel tot de meest toonaangevende van Europa behoorden.

Hier verdient één vraag bijzondere aandacht: hebben religieuze oogmerken een rol gespeeld bij de aanleg en betekenisgeving van deze collecties? Anders geformuleerd: werden de zeer uiteenlopende artefacten vanuit zeventiende-eeuws perspectief beschouwd als ‘letteren’, en kunnen de verzamelingen in hun geheel in verband gebracht worden met ‘het schone boek Gods’, het Boek der Natuur? In eerdere literatuur is deze vraag zijdelings aangestipt, zonder dat er een eenduidig antwoord op gegeven werd.7 De historicus Van der Veen concludeerde op basis van uitvoerig archiefonderzoek dat vooral statusoverwegingen van belang waren: ‘Het religieuze aspect lijkt bij het verzamelen geen prominente rol te hebben gespeeld.’8 Zijn vakgenoot Van Berkel kwam tot een tegenovergestelde slotsom en suggereerde een verband met de notie van het liber naturae. De ogenschijnlijk willekeurige ordening van artefacten riep bij Van Berkel sterke associaties op met de wijze waarop predikanten met bijbelcitaten omgingen. Dit leidde tot een tweede observatie: ‘Als de natuur een boek is, heeft de tekst - de naturalia - een bepaalde betekenis. De natuur is dan niet het van zijn en betekenis ontblote tegendeel van de cultuur, maar het verlengde ervan.’9

Hier wil ik geen harde uitspraken doen over dé religieuze motieven van dé Nederlandse verzamelaars. Er waren ‘liefhebbers’ die zich beperkten tot het verzamelen van munten, of voor wie de verzameling voornamelijk een statusobject of goede belegging was. Hier wordt een groep geleerden belicht van wie aannemelijk kan worden gemaakt dat hun verzamelactiviteiten gezien moeten worden tegen de achtergrond van het Boek der Natuur. Er bestaan namelijk veel in het oog springende dwarsverbanden tussen de inhoud van vroegmoderne rariteitenverzamelingen en de wijze waarop destijds bijvoorbeeld de emblematiek, de natuurlijke historie, de natuurfilosofie en de exegese werden beoefend. Niet toevallig gaat het hier voornamelijk om theologen, humanistische geleerden en andere ‘liefhebbers’ die zich uit godvruchtige motieven bezighielden met zowel de Bijbel als de natuur. Als voorbeeld kan worden gewezen op de nagenoeg onbekende verzameling van Caspar Barlaeus, die voornamelijk uit schelpen lijkt te hebben bestaan.10 Een andere illustratie biedt Petrus Hondius.11 In de ‘Moufe-schans’ was ook een collectie van ‘veelderhande rariteyt’ bijeen ge-

[p. 269]

bracht. Naast globes en landkaarten werden ook ‘Wtheemsche gewassen’, schelpen, zeedieren, opgezette vogels en allerhande monstruositeiten door de dominee beschouwd als manifestaties van Gods almacht. Tuin, rariteiten en de bibliotheek waarin deze laatste bijeen waren gebracht vormden een onlosmakelijk verband. Na een 16.200 regels tellende beschrijving van hof en rarititeiten in het hofdicht Moufe-schans, besloot de predikant met de waarschuwing:

 
‘Dat niemant desen bouck en laeckt;
 
Want Godt dien selver heeft gemaeckt,
 
Met sulcke vervven, reuck en smaecke,
 
Als gheenen schilder naer en maecke.
 
Van desen bouck gheeft u mijn hof
 
T'ghesicht: en Godt alleen den lof.’12

Hondius' woorden zijn indicatief voor de geestelijke context waarin veel verzamelaars opereerden. Andere exponenten van deze stroming zijn onder meer de befaamde Paludanus, de minder bekende geleerden Brinck, Colvius en De Laet, de medici Swammerdam en Ruysch, en de regent en ‘liefhebber’ Witsen. Dit waren geleerden die allen - niet geheel toevallig - in nauwe relatie stonden met het Leidse academische milieu, bakermat van zowel natuuronderzoek als filologie. Het is deze intellectuele context waarin het verband tussen boeken, talen en dingen, en tussen religieuze en natuurfilosofische bespiegelingen zo'n prominente rol speelde. Ieder van de geleerden legde een verzameling naturalia aan en beschouwde deze vanuit een steeds wisselend gezichtspunt als een eerbetoon aan de Heer. Die doelstelling werd soms geëxpliciteerd, maar vormde ook wanneer deze niet werd uitgesproken een belangrijk a priori.

Musaeum, bibliotheca, microcosmos

Het zou anachronistisch zijn om de vroegmoderne verzamelingen te beschouwen als rechtstreekse voorlopers van de huidige musea. Deze laatste kenmerken zich door de concentratie van gelijksoortige voorwerpen in een afgesloten ruimte. De vroegmoderne collecties waren echter zeer heterogeen, zowel wat betreft locatie als samenstelling. Het concept dat aan deze collecties ten grondslag lag was het idee van het Griekse mouseion, een plaats gewijd aan de Muzen, een plaats voor studie, inspiratie en contemplatie.13 Dat kon, zo stelde Plinius, een idyllisch stukje natuur zijn, een plaats waar de Muzen zich graag ophielden.14 Maar het kon evengoed

[p. 270]

een afgesloten ruimte zijn, zoals bijvoorbeeld de fameuze bibliotheek van Alexandrië, die in de renaissance werd beschouwd als lichtend voorbeeld voor alle vormen van scientia. Musaeum was geen eng-ruimtelijk maar een wijds-filosofisch concept. Tekenend is de hoeveelheid synoniemen die in de vroegmoderne tijd werd gebruikt: arcus, theatrum, microcosmos, bibliotheca, thesaurus, pandechion, studio, oratorio, laboratorio, archivio, orbis in domo, musaeum of Wunderkammer.15

Een van de wortels van de vroegmoderne collecties lag in de studeerkamer, de studiolo of scrittoio. Humanisten omringden zich niet alleen met klassieke geschriften, maar in toenemende mate ook met artefacten, zoals antieke munten.16 Het primaat lag aanvankelijk bij de teksten, bij Aristoteles, Dioscorides, Theophrastus, Galenus, Plinius en natuurlijk ook de Schrift. De objecten dienden in hoofdzaak ter illustratie en overpeinzing. Het door de antiqui beschrevene kon worden opgezocht in de natuur, en er werd veel onderzoek gestoken in de vraag of een bepaald artefact correspondeerde met de tekst.17 De in de studeerkamers bijeengebrachte boeken en objecten waren bedoeld als één alomvattend systeem van kennis. Woorden, beelden en objecten liepen vloeiend in elkaar over (afb. 58).

De zoektocht naar teksten en objecten was in wezen een streven naar alomvattende kennis van Gods Schepping en dus per definitie religieus geïnspireerd. Het is geen toeval dat zestiende-eeuwse geleerden zich in dit verband niet uitsluitend beriepen op het klassieke idee van het musaeum, maar ook op het Paradijs, de Ark van Noach of de Tempel van Salomo.18 De in bibliotheken bijeengebrachte teksten en naturalia waren ook de manifestaties van een zoektocht naar de verloren gegane natuurkennis van Adam. De geleerde fascinatie voor zowel naturalia als etymologie moet mede in dit licht worden bezien: de zoektocht naar beide ging in essentie terug tot de Hof van Eden.19 Het is derhalve onmogelijk in vroegmoderne verzamelingen een scheidslijn aan te wijzen tussen sacrale en profane oogmerken. Daarbij komt nog dat vroegmoderne collecties soms mede voortkwamen uit middeleeuwse kerkelijke verzamelingen, met hun relieken en naturalia, objecten die als media tussen de mens het Hogere fungeerden.20 Op verschillende plaatsen in Europa hingen in kerken bijvoorbeeld krokodillen of hoorns van eenhoorns. Ook na de Beeldenstorm was in de Nieuwe Kerk in Amsterdam nog een krokodil te bewonderen!21

Al deze rariteiten, ongeacht of ze nu tentoongesteld werden in kerken, in vorstenhoven, in studeerkamers of in de anatomische theaters van universiteiten, waren bedoeld om verwondering op te roepen.22 Dat gebeurde door de meest uiteenlopende voorwerpen: kunstige automaten, eigentijdse schilderijen, antiquiteiten, munten en inscripties, en talloze naturalia. In

[p. 271]

principe was alles wonderbaarlijk. Maar aangezien het natuurlijke nauwelijks opviel en het miraculeuze maar zelden voorkwam, legden veel verzamelaars, geheel in de geest van Plinius, de nadruk op het ongewone, de ‘seldsaemheden’, curiosités of mirabilia.23 Juist in grensgevallen als reusachtige radijzen, monsterlijke gedrochten, antropomorfe planten en met mysterieuze tekens beschreven schelpen toonde zich bij uitstek Gods schep-

illustratie

58. Van Nederlandse rariteitenkabinetten zijn, merkwaardig genoeg, nauwelijks afbeeldingen bekend. Het titelblad van deze beschrijving van de collectie van de Deense filoloog en medicus Ole Worm geeft een goede indruk van de inhoud en presentatie van dergelijke verzamelingen halverwege de zeventiende eeuw. (kb)


[p. 272]

pende almacht. Rariteitenkabinetten zijn dan ook treffend omschreven als ‘musea van het praeternatuurlijke’.24

Het idee van het musaeum was dus geen nauw-omschreven concept, maar een begrip met talloze connotaties waarvoor een reeks van synoniemen bestond. De zestiende-eeuwse collecties waren poly-interpretabel, complex als de wereld zelf, en kunnen bijvoorbeeld worden begrepen vanuit het neoplatoonse gedachtegoed, mnemotechnische systemen, opvattingen over artificalia versus naturalia, de leer van de vier elementen, de leer der signaturen of de metaforiek van de wereld als boek, theater of microkosmos. De betekenis van een object is geen immanent gegeven, maar afhankelijk van de steeds wisselende geestelijke en temporele context.25 De door zestiende-eeuwse geleerden bijeengebrachte objecten hadden een eindeloze hoeveelheid connotaties en stonden midden in een web van associaties en verwijzingen. Anders geformuleerd: de zestiende-eeuwse verzamelingen waren inter- en zelfs deels metatekstueel, narratief en symbolisch van karakter, en vroegen om exegese. Uitgaande van de overtuiging dat alle objecten in de zichtbare wereld manifestaties waren van Gods scheppende almacht, had de geleerde verzamelaar het gevoel de hele wereld en de hele geschiedenis te kunnen overzien. De geografische en temporele dimensie van Gods schepping liepen naadloos in elkaar over. Tijd en ruimte vielen weg. Deze vloeiende overgang tussen woorden, beelden en objecten, tussen hier en daar, en tussen heden en verleden zijn misschien wel de belangrijkste karakteristieken van het vroegmoderne musaeum.

Italiaanse voorbeelden

De verzamelwoede in het vroegmoderne Europa trok zich weinig aan van landsgrenzen. Een voor de jonge Republiek uitermate belangrijke impuls ging uit van de verzamelingen die werden aangelegd door de Italiaanse universiteiten en door enkele Italiaanse burgers.26 Een lichtend voorbeeld was de Napolitaanse apotheker Ferrante Imperato (1550-1631), die niet alleen een aardige collectie bijeenbracht, maar deze ook beschreef in zijn veelgelezen Dell'Historia naturale.27 Het werk lijkt, mede door de fraaie illustraties, een voorbeeldfunctie vervuld te hebben (afb. 59). Veel invloed ging ook uit van de Noord-Italiaanse universiteiten, waar sinds halverwege de zestiende eeuw het medisch onderwijs werd ondersteund met behulp van anatomische theaters, botanische tuinen en rariteitenverzamelingen. Nagenoeg de hele eerste generatie Leidse hoogleraren in de medicijnen had gestudeerd in Padua.28 Velen van hen bezochten ook het naburige Bologna, waar de exuberante professor medicinae Aldrovandi vanaf 1568 met grote

[p. 273]

voortvarendheid een botanische tuin en een al snel ongeëvenaarde collectie naturalia aanlegde. Aldrovandi's gepubliceerde werk fungeerde tot halverwege de zeventiende eeuw als hét uitgangspunt voor veel natuurhistorisch onderzoek, en ook zijn verzameling was fameus.29 Tijdgenoten zagen in Aldrovandi een tweede Plinius, die in zijn immer uitdijende collectie de wonderen van de wereld aanschouwelijk en tastbaar maakte. Vanuit alle uithoeken van Europa en de overige continenten kreeg Aldrovandi informatie aangedragen die hij met grote nauwkeurigheid catalogiseerde en die zijn

illustratie

59. Rariteitenverzamelingen vonden hun oorsprong mede in de humanistische studeerkamer. Op deze illustratie uit Ferrante Imperato's Dell'Historia naturale (1599) is te zien hoe boeken en naturalia, woorden en dingen, een onlosmakelijk verband vormden. (kb)


[p. 274]

uitputtende kennis van de klassieke literatuur completeerde. Voor zekere kennis van ieder artefact was het niet alleen noodzakelijk alle uiterlijke kenmerken te beschrijven, maar ook een overzicht te geven van zijn gehele geschiedenis, inclusief alle bijbelse en klassieke referenties, symbolische betekenissen, etcetera. Voor Aldrovandi lag encyclopedische kennis niet besloten in louter teksten of objecten; het was juist de dialectiek tussen res en verba die de essentie vormde van zijn onderneming.30 Tekenend is Aldrovandi's fascinatie voor etymologie en hiërogliefen, een gegeven dat we moeten zien tegen de achtergrond van de humanistische zoektocht naar de verloren taal van het Paradijs, de taal waarin Adam ieder schepsel naar zijn aard benoemde.31

Zowel uit het gepubliceerde werk van Aldrovandi, de monumentale Opera omnia (1599-1668), als uit de overstelpende hoeveelheid keurig geordende manuscripten in zijn archief blijkt een grenzeloos vertrouwen in de mogelijkheid om de hele zichtbare wereld te overzien en in te bedden in een systeem van kruisverwijzingen. Voor een juiste waardering van Aldrovandi moet bovendien nog gewezen worden op de expliciet religieuze dimensie van zijn werk. Deze kwam niet uitsluitend tot uitdrukking in allegorische uiteenzettingen over ieder schepsel of in de godvruchtige aanmoedigingen tot het verrichten van natuuronderzoek. Aldrovandi verzamelde ook alle in Bijbel genoemde naturalia, variërend van sprinkhanen tot delen van ‘Leviathan’, en van myrrhe tot het bloed van Christus.32 Het is waarschijnlijk geen toeval dat we dezelfde preoccupatie korte tijd later ook in de Republiek kunnen constateren, met name bij Paludanus en in het Leidse theatrum anatomicum. Meer in algemene zin sloot de fascinatie van de katholieke Aldrovandi voor de determinatie van bijbelse naturalia goed aan bij een tendens die zich vooral onder protestantse theologen zeer duidelijk manifesteerde.33

Aldrovandi kwam in zijn pogingen om de toenmalig bekende wereld onder handbereik te brengen een heel eind. De grote geleerde kon vanzelfsprekend niet zonder assistenten. Een van hen was de oorspronkelijk uit Roermond afkomstige Aelius Everardus Vorstius (1565-1624), die door Aldrovandi werd omschreven als ‘mijn zeer geleerde student en voortreffelijke assistent’.34 In 1598 zou hij tot hoogleraar medicijnen in Leiden worden benoemd. Vorstius was in 1586 naar Italië vertrokken om in Padua te studeren en dook in 1589 op in Bologna, waar hij Aldrovandi's musaeum in een fraai epigram bejubelde.35 In de hieropvolgende jaren assisteerde Vorstius Aldrovandi met het excerperen van klassieke en eigentijdse literatuur, het bezoeken en beschrijven van collecties van andere verzamelaars, het catalogiseren van alle informatie en het bijhouden van het bezoekers-

[p. 275]

register.36 Aan dit laatste hadden Aldrovandi's assistenten hun handen vol. Aldrovandi's musaeum had een enorme invloed op de wijze waarop in heel Europa de natuurlijke historie werd beoefend. Zijn collectie was een van de grote bezienswaardigheden van Noord-Italië, en naast een onafzienbare stoet vorsten, prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleders kreeg hij uiteraard ook veel bezoek van hoogleraren en studenten. Een niet onaanzienlijk aantal was afkomstig uit de Lage Landen, zoals bijvoorbeeld de jurist Hugo Blotius, de alchemist Theobaldus ab Hoghelande, de plantkundige Mathias Lobelius, en een zekere ‘Doctor Bernardus Paludanus, voortreffelijk doorvorser van natuurlijke zaken’.37

2 Nederlandse rariteitenverzamelingen tot circa 1660

De Europese verzamelaars waren goed op de hoogte van elkaars doen en laten en vereerden elkaar met brieven, geschenken en, indien mogelijk, een bezoek.38 Aanvankelijk was er in de noordelijke Nederlanden voor hen maar weinig te beleven. Illustratief is de houding van de onvermoeibare Aldrovandi, die nauwkeurig een per landstreek geordend archief bijhield van de mirabilia die er te vinden waren. Holland was voor hem aanvankelijk nauwelijks interessant. Er waren vrijwel geen rariteiten; slechts ‘molte d'acqua’ - veel water.39 Het enige aardige was dat er zo af en toe een walvis aanspoelde, waarvan Aldrovandi een kaak en een ‘membrum genitale’ in zijn collectie bewaarde.40 In de jaren 1590 veranderde Aldrovandi's houding radicaal. Met grote belangstelling volgde hij nu hetgeen in Holland gebeurde. Daar was een belangrijke universiteit gesticht, daar kwamen schepen binnen met de meest exotische zaken uit de Oost en de West, uit Afrika en de Poolgebieden. En in de havenstad Enkhuizen woonde zijn vriend Paludanus, die een ‘prachtig kabinet van natuurlijke zaken’ bezat.41 Nauwgezet maakte Aldrovandi aantekeningen van alle rariteiten die in het Itinerario (1596) van Paludanus' vriend Jan Huygen van Linschoten beschreven waren.42 Toen Vorstius na zijn peregrinatio in 1596 definitief terugkeerde naar de Lage Landen, werd hem verzocht om een brief af te leveren bij Aldrovandi's collega Clusius en verslag uit te brengen van alle rariteiten die hij in Leiden en bij Paludanus zou zien.43 Vorstius, die echt wel wat gewend was, berichtte aan Aldrovandi dat de kersverse Leidse hortus ‘buitengewoon fraai’ was, ‘en zeer wel voorzien van zeldzame planten’. Paludanus bleek de eigenaar van een indrukwekkende collectie ‘Mineralen, planten, dieren zowel uit zee als van het land afkomstig, en zeldzaamheiden uit Nieuw-Indië in grote hoeveelheden’.44

[p. 276]

Aldrovandi's ommezwaai is kenmerkend voor het explosief toenemende internationale belang van Nederlandse verzamelingen. Vanaf de tijd van Paludanus (eind zestiende eeuw) tot aan die van Vincent en Seba (begin achttiende eeuw) beschikte de Republiek over enkele collecties die internationaal zeer de aandacht trokken.45 Tekenend is dat er niet langer meer sprake was van eenrichtingsverkeer van de Lage Landen naar Italië, maar dat de Florentijnse prins Cosimo de' Medici in 1667 en 1669 twee reizen naar de Republiek ondernam, waarbij hij onder meer de collecties van Swammerdam en Ruysch bewonderde.46 In 1714 stuurde Cosimo, inmiddels groothertog, zelfs een speciale gezant naar de ‘protestanste ketters’, die daar de laatste vorderingen op verzamelgebied moest bestuderen en die in lyrische bewoordingen verslag deed van zijn bezoek aan de kabinetten van onder anderen Ruysch en Vincent.47 Talloze andere buitenlandse bezoekers getuigden van hun bewondering voor hetgeen ze zagen, en noteerden niet zelden de godvruchtige gedachten die hen invielen.

Bernardus Paludanus

De eerste omvangrijke Hollandse verzameling was er, blijkens Aldrovandi's correspondentie met Vorstius, meteen een van Europese faam: die van Bernardus Paludanus (1550-1633).48 Vanuit alle hoeken van Europa ontving Paludanus bezoekers en talloze bronnen getuigen van de wonderbaarlijkheden die in Enkhuizen te zien waren.49 Voor Paludanus' kabinet geldt hetzelfde als voor die van zijn tijdgenoten: het was geen publiek domein, maar een private ruimte waar louter aanzienlijke personen welkom waren. Wat Paludanus zelf bescheiden zijn ‘conclave’ noemde, werd door Hugo de Groot trefzeker in de klassieke traditie geplaatst.50 Zijn lofdicht op Paludanus' verzameling is een opeenstapeling van klassieke synoniemen voor het musaeum.51

Paludanus was in 1550 als Berent ten Broeke in Steenwijk geboren. In 1577 ondernam hij zijn iter italicum, die hem via Wenen (waar hij Clusius bezocht) naar Padua voerde. Reeds tijdens deze reis begon hij met het verzamelen van allerhande naturalia. In 1578 schreef hij zich in als student medicijnen te Padua en promoveerde aldaar in 1580. Tijdens zijn studietijd zat hij overigens niet stil. Hij ondernam in 1578 een reis van enige maanden naar het Midden-Oosten, waar hij onder andere Bethlehem, Jeruzalem, Alexandrië en Beneden-Egypte aandeed, en relieken, egyptica, gesteenten en zaden verzamelde.52 Vooral de reis naar het mysterieuze Egypte was voor deze tijd opmerkelijk.53 Ook bezocht hij de befaamde verzamelingen van Ferrante Imperato in Napels en Ulysse Aldrovandi in Bologna, welke

[p. 277]

beiden Paludanus' album amicorum tekenden.54 Met name de verzameling van deze laatste moet grote indruk hebben gemaakt. Later in zijn leven noemde Paludanus Aldrovandi ‘mijn leermeester’.55

Terug in de Lage Landen vestigde Paludanus zich in 1581 als geneesheer in Zwolle, waar hij overgegaan schijnt te zijn tot de gereformeerde religie. Vijf jaar later werd hij stadsarts in de dynamische havenstad Enkhuizen. Hier legde Paludanus een eigen botanische tuin aan en bouwde hij zijn collectie rariteiten in hoog tempo uit. Al snel genoot hij grote faam. Bekend is hoe de curatoren van de Leidse universiteit in 1591 Paludanus poogden te engageren om de hortus in te richten, met medeneming van al zijn ‘tsamenvergaerde seltsaemheden, zo van cruyden, vruchten, spruytsels, gedierten, schepselen, mineralen, aerden, veninnen, gesteenten, marmeren, coralen etc’.56 Paludanus bedankte voor de eer, maar zond wel enige schetsen voor de nog aan te leggen tuin, waarin duidelijk de voorbeelden van Padua en Pisa te herkennen zijn.57 Paludanus bleef overigens hartelijke betrekkingen met de Leidse academische wereld onderhouden.58 Hij was bevriend met Clusius.59 Ook onderhield hij goede betrekkingen met Scaliger, de meest stralende ster aan de filologenhemel. Daarnaast stond hij in nauw contact met de medicus, emblematicus en verzamelaar Joachim Camerarius ii, de antiquarius William Camden en de kosmograaf Abraham Ortelius.60 Van groot belang was ook de vriendschap tussen Paludanus en Jan Huygen van Linschoten. Linschoten nam van zijn reizen talloze rariteiten mee voor Paludanus, terwijl deze laatste het in 1596 gepubliceerde Itinerario van Van Linschoten uitgebreid voorzag van aantekeningen.61 Dankzij het Itinerario kon een breed publiek kennis maken met talloze, voorheen onbekende volkeren, dieren, planten en gesteenten. De Schepping bleek volgens de ontdekkingsreiziger een ‘scatkamer’ waarin God in Zijn wijsheid ‘veel ons voorghestelt heeft tot verwonderinghe’.62 Sommige van die zaken werden in het Itinerario afgebeeld en door Paludanus beschreven, dikwijls aangevuld met de significante mededeling dat de betreffende zeldzaamheid bij Paludanus thuis te zien was.

Paludanus' annotaties bij het Itinerario gunnen ons een blik op de inhoud van zijn verzameling. Nog duidelijker blijkt dat laatste uit de verschillende, handgeschreven catalogi die Paludanus vervaardigde.63 De meest uitvoerige beschrijving, de tweetalige Catalogus sive descriptio rerum naturalium et artificalium of Algemeijn register werd in 1617 opgetekend. Naast een zeer gedetailleerde opsomming geeft het manuscript ook achtergrondinformatie over de totstandkoming van de collectie en, haast terloops, aanknopingspunten voor de interpretatie van uiteenlopende ‘rariteyten’. Uit deze inventaris blijkt dat in Enkhuizen in 1617 circa 16.500 objecten bij-

[p. 278]

een waren gebracht. Paludanus was toen de trotse eigenaar van onder andere etnografische objecten uit Oost en West (circa 300 stuks; evenals de volgende aantallen is dit een afronding); schrijfgerei (150); wapens (160); voortbrengselen uit de zee (8700); antiquiteiten (130); delen van vogels en andere dieren (230); de destijds zeer opzienbarende mummies (3); relikwieën en bijbelse naturalia (250); vruchten en zaden (1900); mineralen, gesteenten en ertsen (3400); en een omvangrijke collectie munten (1300).

Paludanus bewaarde vrijwel al zijn schatten in ladenkasten, die zorgvuldig per item geordend waren. De verschillende categorieën liepen tamelijk vloeiend in elkaar over. Zo ging de afdeling kunst- en gebruiksvoorwerpen uit Oost- en West-Indië naadloos over in de ‘sacchen die schreibkammer angehende’, waartoe onder ander Chinese zegellak en ‘ain geschreeben buch in papyro der alten’ gerekend werden.64 Van daaruit was de overgang via de sectie wapens - pijpen ‘von schinkelen, die die menschenvresser in America gevressen haben’ en het zwaard van een zwaardvis - naar de omvangrijke collectie ‘maritima’ weer een logische.65 Uiteraard behoorden de nodige delen van walvissen tot deze categorie, maar ook tanden van een ‘dier dat bij Johannes Behemot genoemd wordt’, een verzameling van circa 4000 exotische schelpen, en talloze koralen en gedroogde poliepen.66 De stap naar de kasten met gedroogde planten, geconserveerde delen van dieren, en gesteenten was van hieruit maar klein. Wie de rondgang door Paludanus' musaeum voltooide, kon tenslotte een grote hoeveelheid ruwe ertsen en bewerkte edelmetalen zien, om te eindigen bij zijn collectie munten.

Op welke wijze moeten we nu Paludanus' verzameling duiden? Om te beginnen moet er op gewezen worden dat één alomvattende interpretatie onmogelijk is. Uiteraard speelden voor Paludanus utilitaire motieven een rol, maar om te stellen dat de collectie van de medicus uit ‘wetenschappelijke’ motieven zou zijn aangelegd, is een te eenvoudige voorstelling van zaken.67 Veeleer gaat het hier om een collectie waaraan verschillende, onderling vaak samenhangende ideeën ten grondslag lagen. Het feit dat talrijke zaken als grondstof voor medicijnen konden dienen, kan bijvoorbeeld niet los worden gezien van metafysische opvattingen, emblematische betekenissen en - bovenal - bijbelse referenties.

Een aantal voorbeelden kan dit verduidelijken. Paludanus bezat een drietal mummies. Vermalen mummie werd traditioneel gezien als een uitermate krachtig medicijn tegen allerhande aandoeningen, en er is dan ook gesuggereerd dat Paludanus' belangstelling in dezen voortkwam uit medische motieven.68 Dit beeld verdient aanvulling. Mummies waren namelijk ook zeer tot de verbeelding sprekende verwijzingen naar de arcane wijsheden van de oude Egyptenaren en werden mede daarom gezien als pa-

[p. 279]

nacee.69 Egypte was het bijbelse land van farao's, tovenaars en mysteriën, het rijk van de pyramides, de raadselachtige obelisken en de zeer tot de verbeelding sprekende hiërogliefen.70 Mede onder invloed van het Corpus Hermeticum werd veelal aangenomen dat het oude Egypte de bakermat was van alle scientia en de leerschool van Mozes en Plato.71 In het Oude Testament stonden uitvoerige beschrijvingen van de door christenen zo ambivalent gewaardeerde riten en gebruiken, zoals bijvoorbeeld in Genesis 50:26: ‘En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde; zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.’ Het is mede tegen deze achtergrond dat we Paludanus' mummies kunnen zien: als verwijzingen naar de prisca theologia. De objecten waren niet stom, maar maakten de goddelijke heilsgeschiedenis onmiddellijk aanschouwelijk en tastbaar. In zijn inventarissen verwees Paludanus dan ook nadrukkelijk naar bijbelse passages waarin balsemtechnieken beschreven werden.72 De destijds uiterst zeldzame mummies - die van Paludanus waren met de grootst mogelijke moeite naar Holland verscheept - trokken nogal wat aandacht. Het is tekenend dat Scaliger direct na zijn aankomst in de Republiek in 1593 Paludanus bezocht.73 Scaliger noteerde zijn verwondering over de grootste van de drie mummies: ‘het lichaam van een Egyptenaar die 3000 jaar geleden was begraven. Het is een echte antiquiteit.’74 Voor de autoriteit die had berekend dat de aarde in 3950 voor Christus geschapen was, moet de aanblik van dergelijk oud relict een ware sensatie zijn geweest.75 Omgerekend naar Scaligers eigen chronologie stamde de mummie uit dezelfde jaren als Abrahams tocht naar Egypte (Genesis 12:10)!76 Geen wonder dat ook Hugo de Groot diep onder de indruk was. Hij heeft de mummies zonder enige twijfel vanuit het bijbelverhaal bezien en zou later aan Paludanus schrijven dat deze ‘wonderheden van Egypte’ hem buitengewoon hadden getroffen.77

Voor de hoorns van eenhoorns geldt in principe hetzelfde als voor mummies. Ook aan deze artefacten werd een medicinale werking toegeschreven, maar dit was niet het enige motief om de jacht op de eenhoorn in te zetten.78 De hoorn die in veel kabinetten was te zien verwees naar de eenhoorn, naar een serie religieuze voorstellingen, naar de Physiologus en, naar werd aangenomen, verschillende passages in het Oude Testament (afb. 60).79 In de Hebreeuwse grondtekst van het Oude Testament was op acht plaatsen sprake van het dier re'em. In de Septuagint was dit vertaald als monokérotos, en in de eerste editie van de Statenvertaling als eenhoorn, zoals bijvoorbeeld in Psalm 93:11: ‘Gy sult mijnen hoorn verhogen gelijck eenes Eenhoorns.’ Dergelijke passages genereerden een enorm corpus aan teksten, beelden en voorstellingen. Tot ver in de vroegmoderne tijd werd er door Europese geleerden druk gespeculeerd over de eenhoorn en werden

[p. 280]

sporen die leken te wijzen op het bestaan van dit dier gekoesterd in kerken en kabinetten. Veelal ging het dan om de vermeende hoorn van de eenhoorn, een object dat, zo bleek in de loop van de zeventiende eeuw, feitelijk de tand van een narwal was.80 Hier moet worden benadrukt dat voor Paludanus en zijn tijdgenoten de eenhoorn een reëel bestaand wezen was, dat de bron vormde voor zinnebeeldige voorstellingen. In de Symbola et emblemata van Paludanus' vriend Camerarius speelde de unicornus bijvoorbeeld een prominente rol.81 Het is significant dat Paludanus zelf weliswaar niet zo'n hoorn had weten te bemachtigen, maar wel de afdrukken van dergelijke hoorns in steen, en ‘Ain weisser bolus ... marck von einhorn’.82 Dat

illustratie

60. In vrijwel ieder rariteitenkabinet van betekenis was de - vermeende - hoorn van een eenhoorn te bezichtigen. Het mythische dier dankte zijn bestaan aan bijbelse en klassieke bronnen, en werd ook veelvuldig beschreven en afgebeeld in natuurlijke historiën zoals Jonstons Naeukeurige beschrijving van de natuur der viervoetige dieren, vissen, water-dieren, vogelen, kronkeldieren, slangen ende draken (1660). (kb)


[p. 281]

was klaarblijkelijk een goed substituut voor de hoorn zelf, net zo goed als de hoorn weer naar het veelgezochte dier verwees en dit dier weer naar de tekstuele traditie leek te verwijzen.

Dat deze interpretatie niet berust op speculatie moge blijken uit het feit dat Paludanus een omvangrijke collectie gesteentes had die naar één tekst in het bijzonder verwees: de Heilige Schrift. De Catalogus noemt uitgebreid stenen van de bergen Sinaï, Calvari, Cedron en Thabor, de rode aarde uit Damascus in de kleur van Adams vlees, de stenen uit de grot ‘dar Sint Johannes penitence gedaen heeft’ en het ‘Peck van Sodoma undt Gomorrha darin das die stette verbrent sijn’.83 Paludanus bezat circa 230 van dergelijke bijbelse naturalia, zoals bijvoorbeeld de tand van Behemot, een niet nader gespecificeerd deel van ‘Leviathan’, Sint Johannesbrood ‘dasz honig gibt das der heilige Joannes in der wustine gegessen hat’, sprinkhanen, Egyptische papyri, cederhout van de berg Libanon, myrrhe, een steen van de tempel van Salomo, aarde uit de Jordaan ‘dar man saget das Christus von der Heilige Johannes getauft ist’ en ‘Ein stucklein van den stein darauff Christus gesessen hatt weenende uber die stadt Jerusalem’.84

Deze categorie liep over in wat Paludanus zelf betitelde als ‘reliquiae’: een reliekschrijn met de beenderen van veertien martelaren ‘dasz alhier im lande ausz ein closter gekomen ist’, graankorrels die door de Paus gezegend waren, rozenkransen van goud, zilver, ebbenhout en olijfhout ‘von den olijffberg’.85 Naast deze relieken bezat Paludanus ook nog talloze devotionalia uit alle uithoeken van de wereld: een Indiase doek met de naam van Christus in goud erop geborduurd, flagellantenroedes uit Spanje en een groot aantal kruisbeelden van verschillende herkomst, afmeting en materialen. Het is in het licht van Paludanus' protestantisme moeilijk om een eenduidige verklaring te geven voor de aanwezigheid van deze laatste serie voorwerpen, die doorgaans werden geassocieerd met de ‘paapsche superstitiën’. Waren het misschien souvenirs van Paludanus' reis naar het Heilige Land? Dit lijkt heel wel mogelijk: de Catalogus begint met de mededeling: ‘Sequuntur reliquiae Roma et Hierosalimis allatae. Volgen heiligdomen so von Room undt Jerusalem gebracht sijn.’86 Het is daarnaast ook mogelijk dat Paludanus, evenals zovele landgenoten in de woelige jaren na de Opstand, de confessionele scheidslijnen nog niet zo scherp trok als in latere tijden zou gebeuren. Hoe het ook zij, feit is dat zowel katholiek getinte ‘relikwieën’ als minder specifiek aan een confessie gebonden naturalia die de bijbelse geschiedenis illustreerden een opvallende plaats in Paludanus' verzameling innamen. Met name deze laatste categorie was qua hoeveelheid aanzienlijk en zal vanuit protestants oogpunt eerder als godvruchtig dan aanstootgevend zijn beschouwd. Een vergelijking met de mozaïsche

[p. 282]

natuurkunde in de geest van Danaeus en Franzius dringt zich ogenblikkelijk op.87

De bezoeker van Paludanus' collectie kon dus op verschillende wijzen kennisnemen van de godvruchtige boodschap: door het universele karakter dat Gods schepping weerspiegelde of door de talrijke stille getuigen van bijbelse gebeurtenissen. Maar ook individuele objecten konden dragers zijn van een religieuze betekenis, zoals de hoorns van eenhoorns. Paludanus had talrijke van dergelijke onder natuuronderzoekers en emblematici zeer populaire naturalia in zijn verzameling, zoals paradijsvogels en remora's, een opmerkelijk soort vis. Al deze dieren speelden een belangrijke rol in de laat-zestiende-eeuwse natuurlijke historie - ze figureerden bijvoorbeeld ook prominent in de Symbola et emblemata van Camerarius.88 Paludanus zelf verzamelde in zijn album amicorum, naast inscripties van vrienden en bezoekers, ook een groot aantal emblemata (afb. 61).89

Paradijsvogels waren in de zestiende eeuw door de Europeanen ontdekt in de Oost. De vogels waren zeer gewild onder verzamelaars, niet alleen vanwege hun ongehoord fraaie verenkleed, maar vooral omdat men geloofde dat ze hun hele leven vlogen ‘sonder op d'aerde te comen: want hebben gheen voeten’.90 Omdat de locale preparateurs de pootjes verwijderden of omdat deze tijdens de reis afbraken, groeide de paradijsvogel uit tot een geliefd object voor zinnebeeldige voorstellingen, zoals Camerarius' Symbola et emblemata getuigt (afb. 62).91 Het zou tot ver in de zeventiende eeuw duren voordat in Europa algemeen geaccepteerd werd dat ook paradijsvogels pootjes hadden. Linschoten had er twee, uiteraard ‘sonder voeten’, meegenomen voor Paludanus.92 Een ander wonderbaarlijk dier was de remora. Over deze vis, die zich door middel van een zuignap aan grotere vissen en schepen vastklemt, werd sinds Plinius geschreven dat het in staat zou zijn boten te remmen of zelfs weg te slepen.93 Linschoten verhaalt hoe in India een dergelijk wezen een reeds twee weken uitgevaren schip ‘teghens alle wint ende weder’ regelrecht terug naar de haven trok, ‘ende is ondersocht met gheloofwaerdighe ende warachtighe ghetuyghen, alsoo gheschiet te wesen, waerom ghenoteert staet voor een wonder’.94 Van dit beest, bij Aldrovandi omschreven als een exemplum van Gods almacht, had hij een exemplaar.95 Naast deze wonderbaarlijke schepselen bezat Paludanus ook andere dieren waaraan rond 1600 vergelijkbare zinnebeeldige betekenissen werden toegekend, zoals bijvoorbeeld een groot aantal krokodillen, de reeds genoemde delen van walvissen en nijlpaarden, en een boomgans, een dier dat in Schotland aan bomen zou groeien.96 Alhoewel opmerkelijk en ongewoon, pasten al deze wezens uiteindelijk wel in het domein van het natuurlijke.

[p. 283]



illustratie

61. In het omvangrijke album amicorum van Paludanus schreven niet alleen de bezoekers een motto of mededeling, maar plakte de Enkhuizer arts zelf een hele serie emblematische voorstellingen in. (kb)


Geheel in de geest van zijn tijd had Paludanus ook een fascinatie voor het afwijkende, bizarre en praeternatuurlijke. Monsterlijke gedrochten kwamen opvallend genoeg niet voor in zijn verzameling, maar wel een groot aantal afwijkende naturalia zoals schelpen die ‘slincks omme gehen gegennatuir’, stenen in de vorm van schelpen en planten (fossielen dus, alhoewel onze invulling van dit begrip aan de zeventiende eeuw vreemd was), en een ‘Stein von den Berg Sinaij darauff das Godt die tzeen geboten gegeben hatt, darin dasz figuren von baumlein stehen’.97 Naar aanleiding van een aantal antropomorfe koralen en poliepen merkte Paludanus op dat hierin ‘ain liefhaber der natyuiren undt von Gottes des almachtigen wonderbare wercken ein treffende speculation hatt’ - een opmerking die zonder enige twijfel ook voor de andere mirabilia gold.98 Een dergelijk wonder was ook de ‘schelpe ofte hoorne daarop gefigureert stonden natuijrlicken chaldae-

[p. 284]



illustratie

62. Tot halverwege de zeventiende eeuw namen geleerden aan dat paradijsvogels geen pootjes hadden en hun hele leven vliegend doorbrachten. Het schepsel groeide aldus uit tot een geliefd object van zinnebeeldige voorstellingen. Dit embleem uit Joachim Camerarius' Symbola et emblemata heeft als motto: ‘Het aardse bedrijf kent hij niet.’ (kb)


[p. 285]

sche letters’.99 Deze drager van arcane tekens werd ‘om de vraemdigheits willens’ door Scaliger afgetekend.100 Het is waarschijnlijk geen toeval dat Paludanus de grootste filoloog van zijn tijd erbij haalde om deze raadselachtige letter uit het Boek der Natuur te bestuderen. Nadere bronnen ontbreken, maar Scaligers fascinatie zal mede zijn voortgekomen uit de hoop via dit vermeende Chaldeeuwse geschrift een glimp van de paradijselijke natuurkennis op te vangen.

Maar des Heren ondoorgrondelijke scheppingskracht werd ook gedemonstreerd aan de hand van de orde in de natuur. Talloze naturalia, zowel van dicht bij huis als uit alle hoeken van de wereld, verwezen naar de Schepper van hemel en aarde: gedroogde planten, gesteenten, mineralen etcetera. Insecta komen in de bronnen niet voor, met de significante uitzondering van de emblematische sprinkhanen, vlinders en een vliegend hert.101 Paludanus bezat wel een omvangrijke collectie schelpen, kleinoden waaraan vergelijkbare symbolische betekenissen werden toegekend.102 Zoals Paludanus' tijdgenoot Philibert van Borsselen (circa 1575-1627) in zijn breedvoerige Strande oft ghedichte van de schelpen (eerste editie 1611) uiteen zette:

 
‘Der Schelpen schoon cieraet stellen hier ten thoon:
 
Om God te maken groot door syne schepsels schoon,
 
End d'werckman wonderbaer te kennen aen syn wercken
 
Ons tot een onderwijs: want waer wy d'ooghe mercken
 
Van s'Hemels hoochsten top tot s'Aerdrijcks diepsten grond,
 
Gheen dingh soo cleyn, dat ons niet een'ghe Leer' oorkond.’103

Het ligt voor de hand dat voor veel van Paludanus' geletterde bezoekers ook diens omvangrijke collectie van ruim 4000 schelpen en 4700 andere ‘maritima’ dergelijke associaties heeft opgeroepen. Een echo treffen we in ieder geval bij Paludanus zelf aan. In zijn Catalogus vinden we de volgende beschrijving van de inhoud van een van de ladenkasten:

‘underscheydene hoornlijn, Muscheln undt snechlijn, mittelbare, kleyne und gar kleyne, alle onderscheyden, in der gestalt undt farben: also dasz hier in tzue sehn ist Gottes, des almachtigen wonderbare mogentheid das wol tzue rechte die poet gesacht hatt: Ludit in humanis divina potentia rebus. Undt disse sind zu samen gebracht von alle die stranden Asiae, Aphricae, Americae undt Europa ausz veelen Inselen, ausz Syrien, Egipten, vom roten Mheer, ausz Grekelandt, Italien, Spangien, Franckrijck, Engelandt etc.’104

[p. 286]

Als we Paludanus' in de loop der jaren steeds verder uitgegroeide collectie als geheel overzien, kunnen we concluderen dat de nadruk zeer sterk lag op de natuurlijke historie. Paludanus behoorde tot de wereld van Aldrovandi en Camerarius, voor wie tekstuele referenties en zinnebeeldige betekenissen zo'n grote rol speelden. De goddelijke boodschap kon op verschillende wijzen begrepen worden: dankzij de nadruk op de orde en regelmaat van de Schepping, de opvatting dat juist het praeternatuurlijke Gods almacht toonde, via de emblematiek en - erg belangrijk - door middel van de Bijbel, die de sleutel bood om artefacten als mummies, delen van bijbelse dieren, en stenen van heilige bergen te begrijpen. De verzameling van Paludanus was nadrukkelijk als een afspiegeling van Gods schepping bedoeld, een intentie die soms expliciet door de geneesheer werd verwoord maar in wezen inherent was aan diens verzamelactiviteit.

Maakte Paludanus' collectie dergelijke gevoelens los bij de toeschouwer? Hugo de Groot vergeleek in een opeenstapeling van termen Paludanus' collectie onder andere met de Ark, en met een schatkamer en tempel van de wereld. Andere bezoekers lieten zich in soortgelijke bewoordingen uit en omschreven de verzameling als een humanistische studiolo, een lusthof, of het musaeum, kortom een plaats waarin de geleerde zich kon overgeven aan godvruchtige bespiegelingen.105 Tallozen herhaalden in Paludanus' album amicorum (dat min of meer de functie van bezoekersregister had) de woorden van de Psalmist: ‘Heer, hoe wonderbaarlijk zijn uw werken.’106 Een origineel commentaar op Paludanus' collectie werd jaren na zijn dood geschreven door de al eerder genoemde predikant Johannes de Mey. Deze had op jonge leeftijd Paludanus' kabinet bezocht en was hiervan dermate onder de indruk dat hij het in zijn utopische werk Euzooia (circa 1660) tot navolgenswaardig voorbeeld uitriep. In de ideale maatschappij moesten volgen De Mey ‘alle kennisse en wetenschappen seer worden bevordert’. De staat diende niet alleen zorg te dragen voor een ‘seer treffelijcke gemeene Boeckerij, maar ook voor

‘groote kameren, in welcke versamelt en bewaert worden alderley Natuerlijcken saken welke in vremde landen alleen gevonden worden. Ten tweede alderley Outheden en dingen welcke tot kennisse en gedachtenisse van de oude Geschiedenissen en saken gedienstig zijn ... Sodanige schat van alderley natuerelijcke vreemdigheden heb ick gesien tot Enckhuysen, ten Huyse van d'Heer Paludanus, in den Jare 1639.’107

Op het moment dat De Mey Enkhuizen bezocht was Paludanus al overleden, al bleef diens collectie nog enige tijd toegankelijk. Tot op zeer hoge

[p. 287]

leeftijd - hij stierf in 1633 - had de verzamelaar geleerden en liefhebbers ontvangen. Daaronder was ook Ole Worm (1588-1654), die een van de beroemdste rariteitenverzamelingen van de zeventiende eeuw bijeen zou brengen en die door Paludanus werd verblijd met enkele naturalia.108 Veel van deze bezoekers deden op hun reis door de lage landen ook Leiden aan, waar men, ondanks Paludanus' beleefde weigering, er toch in was geslaagd rariteitencollecties van Europese faam bijeen te brengen.

Leidse zeldzaamheden

Net als Paludanus had de eerste generatie Leidse hoogleraren medicijnen gestudeerd in Italië en daar kennis gemaakt met de nieuwe wijze waarop scientia aanschouwelijk werd gemaakt. Het Leidse curatorium wenste het medisch onderwijs aan hun jonge universiteit in de zelfde geest gedoceerd te zien.109 In 1593 werd een deel van de Faliede Begijnenkerk verbouwd tot anatomisch theater, en in 1593-1594 werd aan de overzijde van het Rapenburg een hiertoe gereserveerde ‘ledige plaetse’ omgetoverd tot botanische tuin.110 Beide instellingen, theatrum en hortus, werden vanaf ongeveer 1600 aangevuld met een collectie rariteiten, die niet alleen het onderwijs in de materia medica ondersteunde, maar ook professoren, studenten en geïnteresseerde leken morele lessen wilde leren. De bibliotheek, het theater, de tuin en de rariteitencollecties vormden een onlosmakelijk geheel. Hoe vloeiend die grens was moge blijken uit de aanwinstenlijst van de bibliotheek uit 1597, die te midden van vele geleerde boeken ook een Amerikaanse krododil vermeldt!111

Drijvende kracht achter de totstandkoming van beide rariteitenverzamelingen was Petrus Pauw. Deze had in Leiden en Padua gestudeerd en was in 1589 tot buitengewoon hoogleraar medicijnen in Leiden benoemd, in welke functie hij reeds vanaf het begin van zijn aanstelling secties uitvoerde. Pauw maakte zich van meet af aan sterk voor de realisatie van de locus anatomicus (die samen met de bibliotheek onder één dak zou worden ondergebracht) en was ook in naam verantwoordelijk voor de botanische tuin. Aan theater, tuin en de hier bijeengebrachte collecties lag één totaalconcept ten grondslag: het was een theatrum sapientiae. In de loop van de zeventiende eeuw groeiden de beide collecties onder leiding van Pauws opvolgers flink uit en vormden zij naast een driedimensionaal leermiddel ook een belangrijke studieuze en toeristische attractie.

Laten we eerst stilstaan bij de hortus (afb. 63).112 Toen duidelijk werd dat Paludanus in Enkhuizen zou blijven, slaagden de Leidse curatoren er in 1592 in om de wereldberoemde Carolus Clusius te engageren. Paluda-

[p. 288]

nus en Clusius waren bevriend en correspondeerden bovendien met Camerarius, Aldrovandi en tal van andere geleerden.113 Bij zijn aanstelling in Leiden werd bepaald dat Clusius, net als de minstens zo fameuze Scaliger die vrijwel gelijktijdig arriveerde, geen zorg hoefde te dragen voor het onderwijs. Clusius' faam straalde af op de universiteit, terwijl dankzij diens

illustratie

63. De in 1594 gestichte Leidse Hortus botanicus werd in 1600 uitgebreid met een galerij waar allerhande exotica werden tentoongesteld. Op deze gravure van Swanenburg zijn op de voorgrond een aantal van deze ‘rariteyten’ afgebeeld: de kaak van een ijsbeer uit Nova Zembla, een egelvis, een zaagvis, een Indische vleermuis en een aantal krokodillen. (ubl)


[p. 289]

zeer omvangrijke internationale netwerk talrijke exotische planten, bollen, zaden en rariteiten naar Leiden werden gestuurd. De feitelijke inrichting werd verzorgd door de in het vorige hoofdstuk reeds besproken Cluyt. Al in september 1594 kon deze de curatoren een beschrijving sturen van de inrichting van de hortus.114

Met de beplanting van de perken was het hortusproject nog niet voltooid. De goede Cluyt had vruchteloze pogingen ondernomen een schuurtje te laten optrekken waarin niet-wintervaste planten zouden kunnen worden ondergebracht. Na zijn dood in 1598 werd de ambitieuze Pauw benoemd tot opvolger.115 De hoogleraar wist van de curatoren een aanzienlijke som geld los te krijgen voor de bouw van een grootschaliger project, een ambulacrum of galerij. Deze was niet alleen bedoeld als onderdak voor de planten, maar vooral ook als een aanvulling op het levende studiemateriaal. In 1600 werd de galerij aan de zuidzijde voltooid, terwijl tien jaar later werd begonnen met de bouw van een galerij aan de noordzijde.116 In het ambulacrum kon de courante literatuur (waaronder natuurlijk Plinius' Naturalis historia) worden geraadpleegd, wereldkaarten bekeken en ook tal van rariteiten bezichtigd. In Pauws beschrijving van de hortus uit 1601 wordt nadrukkelijk verwezen naar de voorbeelden van Camerarius, Imperato en Aldrovandi.117

De snel uitdijende collectie rariteiten staat in dit verband centraal, almag de context waarin deze tot stand kwam niet uit het oog worden verloren. Waarschijnlijk brachten Clusius en Pauw rariteiten uit hun eigen verzamelingen in. Bovendien vroegen zij de initiatiefnemers van de eerste Nederlandse expedities naar de Oost of de bemanning ‘zaden, vruchten, bollen, wortelen, cruyden, bloemen, gommen, haersch, gedierte, opwerpselen van de see ende diergelijcke, als in die landen zouden moghen ghevonden worden ons alhier ongewoon ende onbekend’ wilde verzamelen ten behoeve van de hortus.118 Aldus geschiedde. Constant werden de in Leiden gearriveerde naturalia getoetst aan de werken van de klassieken. Significant is dat Clusius, zoals elke zestiende-eeuwse geleerde zeer in etymologie geïnteresseerd, nadrukkelijk aan de scheepsbemanningen had verzocht de inheemse namen van de exotica te noteren: ‘dese dingen moet men weten, om wel te konnen beschrijven’.119 Kennis van de res begon met de bestudering van de naam, waarin sporen van hun aard verscholen zouden liggen. Pauw benadrukte tijdens zijn onderricht in de hortus mede het belang van de namen van planten en hun etymologie.120 Tegen deze achtergrond is het ook niet verwonderlijk dat we Scaliger, Clusius en Pauw gedrieën gebogen zien over een plantenboek met Chinese karakters, een schrift waarvan, net als van hiërogliefen, werd vermoed dat het symbolisch van aard was.121

[p. 290]

Dankzij de energieke verzamelactiviteiten werd de ‘Universiteyts Kruythoff’ voortdurend uitgebreid en wist zij al snel een toonaangevende positie binnen Europa te verkrijgen. Zeevarenden, geleerden en reizigers stonden soms uit eigen initiatief zaken af; Clusius en Paludanus wisselden onderling rariteiten uit; Cluyts zoon Augerius Clutius stuurde vanuit Zuid-Europa en Afrika materiaal naar Leiden; Pauw kon in 1601 Aldrovandi verblijden met zaden die zelfs in Bologna nog niet aanwezig waren.122 Veel van de Leidse naturalia werden beschreven en afgebeeld in Clusius' monumentale Exoticorum libri decem (1605), dat welhaast terloops een schat aan informatie biedt over het uitgebreide netwerk van verzamelaars en de wonderlijke zaken die in Leiden waren te zien (afb. 64).

Uit dit werk en andere bronnen, waaronder de kort geleden teruggevonden inventarissen uit 1617 en 1659, kunnen we ons een goed beeld vormen van de inhoud en uiterlijke presentatie van de rariteitencollectie.123 Anders dan bij Paludanus, die zijn schatten min of meer op basis van het principe ‘soort bij soort’ keurig in kasten had gerangschikt, waren deze waarschijnlijk in de galerijen van de hortus op associatieve wijze bijeengebracht, te midden van kaarten en boeken. Grote artefacten, zoals maar liefst drie krokodillen, walviskaken en het schild van een reuzenschildpad, zullen waarschijnlijk aan het plafond gehangen hebben, terwijl de kleinere aan de muur bevestigd waren of in kasten stonden, ongeveer zoals op de bekende afbeeldingen van de kabinetten van Ferrante Imperato (1599) (afb. 59) en Ole Worm (1655) (afb. 58) te zien is. Wat viel er in de Leidse hortus aan het begin van de zeventiende eeuw nog meer te bewonderen? Onder meer twee pinguïns, ‘een beck van een vreemde vogel’, vleermuizen, verschillende koralen, een armadillo, een remora, de tanden van een nijlpaard, een maanvis, en de poot van een casuaris. Voorts lagen in enige kasten mineralen, schelpen, zaden, ‘cruijden, planten, noten, ende veel schonen rariteijten’. Tussen deze naturalia door waren allerhande exotische objecten neergezet of opgehangen, zoals ‘Verscheijden Chinees papier’, ‘Twee Indiaensch almenacken’ en ‘Een snoer van tanden uijt Indien’.124 Natuurlijk ontbrak de zeldzame paradijsvogel niet. Van dit dier bescheef Clusius niet alleen hoe moeilijk het was om een exemplaar te verkrijgen, maar ook hoe

[p. 291]



illustratie

64. In het Exoticorum libri decem (1605) gaf Clusius beschrijvingen van voorheen onbekende naturalia, zoals de pinguïn, de aardappel en de dodo. Ofschoon het eigenlijke werk tamelijk vrij is van symboliek, refereert de titelpagina duidelijk naar een lange traditie. Hier zien we hoe het dierenrijk wordt ingedeeld aan de hand van de vier elementen: de leeuwen representeren de aarde, de vissen het water, de pauw de lucht, en de feniks het vuur. (ubg)


[p. 292]

hij het samen met Scaliger had onderzocht. Clusius beeldde het dier weliswaar af zonder pootjes, maar toonde zich verder nogal sceptisch over deze kwestie.125

Na het heengaan van Clusius (1609) en Pauw (1617) werd de collectie onder andere uitgebreid met allerhande zinnebeeldige naturalia, zoals nog meer paradijsvogels, een boomgans, een ‘Draeck’, ‘Een veer van een Vogel Phenix’ en ‘De Huyt van een Meer-minne’. Verder treffen we aan: een ‘Sweertvis’, een ‘Ribbe van een Rhenoceros’, een ‘Indiaens Af-Godt’, het vel van een luiaard en een ‘West-Indisch dier’.126 De contacten met de West lieten hier duidelijk hun sporen na. Hoewel aanzienlijk minder omvangrijk, droeg de collectie rariteiten in de hortus aan het begin van de zeventiende eeuw dus in wezen hetzelfde karakter als die van de beoogde eerste prefect, Paludanus. Er is echter één belangrijk verschil. De objecten die naar de bijbelse historiën refereerden en die in Enkhuizen zo nadrukkelijk aanwezig waren, ontbraken in de hortus.

Dat wil echter niet zeggen dat deze categorie in Leiden afwezig was: ze stond aan de overzijde van het Rapenburg in het anatomisch theater opgesteld (afb. 65). Hoewel fysiek gescheiden door het water, vormde het theatrum anatomicum en de hier bijeengebrachte rariteiten één conceptueel geheel met de hortus en de galerij. Regelmatig verhuisden ‘rariteiten’ van de ene kant van de gracht naar de andere.127 Dat was niet alleen het gevolg van epistemologische inzichten maar ook van praktische omstandigheden. De vorming van de anatomische collectie was namelijk het initatief van de onvermoeibare Pauw. In november 1593 was deze begonnen met het uitvoeren van secties in het zojuist voltooide anatomische theater.128 De hoogleraar stelde zomers, als er geen ontledingen werden verricht, op de banken van het theatrum menselijke en dierlijke skeletten op. Op de bekende gravure van Swanenburg uit 1610 is duidelijk te zien dat deze vaantjes droegen met motto's als Nosce te ipsum, Homo bulla en Memento mori, humanistische wijsheden die de vergankelijkheid van al het aardse beklemtoonden. Pauw plaatste op de centrale snijtafel twee Adam en Eva symboliserende skeletten, met tussen hen in de Boom der Kennis waarvan Eva zojuist een appel had geplukt: niet alleen een waarschuwing tegen al te grote curiositas, maar ook een herinnering aan de tijd dat de mens elk levend wezen zijn naam gaf. Het onlosmakelijke verband tussen de cultuur van het verzamelen en de linguïstiek blijkt evenwel echter nergens duidelijker dan uit de aanwezigheid van ‘de blaes van de whijt Vermaerden heer Isaaco Casaubono’, de in 1614 overleden filoloog!129

Pauws tamelijk bescheiden collectie werd na zijn dood in 1617 met grote voortvarendheid uitgebreid door zijn opvolger Otto Heurnius (1577-1652).

[p. 293]

Professor Heurnius was in 1601 benoemd als opvolger zijn vader Johannes Heurnius (die ook over kometen gepubliceerd had) en zou gedurende vijftig jaar een van de leerstoelen in de medicijnen bezetten. Hij zou de geschiedenis ingaan als de man die in 1636 het klinisch onderwijs in Leiden introdu-

illustratie

65. Evenals in de Leidse hortus botanicus waren ook in het theatrum anatomicum tal van rariteiten te zien: naturalia, monstruositeiten en allerhande antiquiteiten. Het meest in het oog springend waren de skeletten van mens en dier die, voorzien van vaantjes met moralistische spreuken, 's zomers op de banken van het theater werden geplaatst. (ubl)


[p. 294]

ceerde, een belangrijke innovatie die we mede moeten zien tegen de achtergrond van de groeiende nadruk op de empirie.130 Ook Heurnius' tomeloze inzet voor het theatrum anatomicum moeten we mede in dit licht beschouwen.131 Toch zou het onjuist zijn om Heurnius te betitelen als een voorvechter van moderne wetenschappelijke inzichten. Voor een goed begrip van zijn positie is het noodzakelijk te wijzen op het werk dat hij in 1600 had gepubliceerd, Barbaricae philosophiae antiquitatum libri.132 Zoals zo veel geleerden in deze tijd - in Leiden bijvoorbeeld Scaliger en Willebrord Snellius - geloofde Heurnius in het bestaan van een prisca scientia. Ofschoon de kennis van de Chaldeeën, Babyloniërs en Egyptenaren grotendeel verloren was gegaan, kon door de studie van de ‘barbaarse’ filosofische geschriften hiervan een glimp worden opgevangen. Heurnius' ideeën over het musaeum werden in hoge mate gestuurd door deze overtuiging. Iets daarvan was al te merken in de eerste grote aankoop die Heurnius in 1618 bij de Leidse boekverkoper Basson deed ‘tot nodige instructie, ciraet ende diensten der Anatomieplaatse’.133 Heurnius kocht voor erg veel geld gravures met afbeeldingen van onder meer de Toren van Babel en de Gouden, Zilveren, Koperen en IJzeren eeuw, welke laatste mede de Zondeval en de daaropvolgende menselijke ellende en teloorgang van scientia symboliseerden. De Leidse curatoren waren overigens maar matig te spreken over Heurnius' kostbare acquisitie en eisten niet alleen dat de professor voortaan zou overleggen voor hij iets kocht, maar ook dat hij een inventaris zou opstellen van hetgeen zich reeds in de anatomie bevond.134 Van het eerste zou Heurnius zich gelukkig weinig aantrekken, van het tweede wel. Dankzij de door hem in 1620 opgetekende catalogus krijgen we een nauwkeurig beeld van het tweede Leidse rariteitenkabinet.135 Kort na Heurnius' dood werd eveneens een inventaris opgesteld.136 Uit de inventarissen blijkt dat naast de door Pauw bijeengebrachte skeletten en instrumenten nu ook wereldkaarten en afbeeldingen van eigentijdse mirabilia als een aangespoelde walvis en een haring met merkwaardige lettertekens te zien waren. De zucht naar het monstrueuze en praeternatuurlijke die in contemporain Europa zo opvallend was (maar zich bij Paludanus en in de hortus slechts zijdelings manifesteerde) werd door deze geleerde ten volle gedeeld. Zo waren te zien: een ‘scrikkeliken monstreusen’ niersteen, ‘Drie monsters met root crijt in een bordt afgheteikent’, soortgelijke afbeeldingen van de vergroeiingen aan het hoofd van een Leidse boreling, een reusachtige paddestoel, een ‘fungus lapideus’, en beenderen die ‘wonderbaerlick slim ende monstreus’ waren. Als eerbetoon aan zijn vader bewaarde Heurnius ‘Ses steenen die gevonden zijn inde blaese van zal. r D. Joannes Heurnius’. Het theatrum kreeg dus allengs het karakter van een ware rariteitenverzameling.

[p. 295]

Ook aan deze zijde van het Rapenburg waren nu vliegende vissen, Afrikaanse vruchten, de hand van een zeemeermin, ‘een boeck in t'Chinees geschreven’, een armadillo, ‘rariteiten uyt Indiën’ en andere exotica, deels afkomstig uit de nalatenschap van Clusius, te zien.

Het meest opmerkelijke in Heurnius' collectie waren evenwel de talrijke verwijzingen naar de christelijke en klassieke geschiedenis. Naast ‘aendachtige Spreuken’ uit de Schrift was er een overvloed aan artefacten die de geschiedenis van het bijbelse Egypte navertelden: een houtsnede van de Doortocht door de Rode Zee, een lijkvaas, ‘een Aegyptische Scallebyter ghesneden uyt carneol’, drie stenen met hiërogliefen, afbeeldingen van Isis ‘die vol Hieroglyphica sijn’, een adder, ‘Afghodekens dewelke bi de mummien in de kelders onder de aerden werden gevonden in Aegypte landt’ en andere grafgaven. Natuurlijk ontbrak een ‘opgevolde Crocodijl’ niet. Het meest spectaculair waren echter een tweetal mummies en een sarcofaag. Net als Paludanus had ook Heurnius dergelijke zeer zeldzame relicten uit het bijbelse Egypte weten te bemachtigen. Heurnius vermeldt nadrukkelijk dat al deze egyptica waren geschonken door David le Leu de Wilhem (1588-1658). Deze latere zwager van Constantijn Huygens had in Leiden oosterse talen gestudeerd, zich vervolgens als koopman in Aleppo gevestigd en van daaruit reizen naar Egypte ondernomen. Uit de correspondentie tussen Heurnius en Le Leu blijkt de enorme fascinatie van de Leidse professor voor het oude Egypte. Na zijn zending van de mummies werd de koopman bestookt met verlanglijstjes voor meer artefacten ‘om de zeden der Oudheid te leren kennen’, zoals nog een paar mummies, de kop en het geslachtsdeel van een nijlpaard, een ibis, grafbeeldjes, papyri, een kameleon, ‘een torenvormige hoofdtooi van een inlandse vrouw uit de Oudheid’ en, aardig detail, ‘vier pond rode linzen’.137 Heurnius lichtte Le Leu omstandig in over de motieven van zijn begeerte: Egypte was ‘de opvoedster oudtijds in alle takken van wetenschappen’.

Onder talloze publieke en private dankbetuigingen aan het adres van Le Leu zou Heurnius uiteenlopende egyptica in ontvangst nemen. Deze vormden de trots van het theatrum en zouden in 1821 in het toen opgerichte Rijksmuseum voor Oudheden terechtkomen.138 Heurnius' fascinatie voor de zeer tot de verbeelding sprekende mummies blijkt onder meer uit het feit dat hij een driedelige De mummia sive conditura cadaverum antiquorum et neotericorum schreef, een werk dat ondanks al het geld dat het Leidse curatorium fourneerde nooit zou worden gepubliceerd.139 Wél verscheen in 1621 een bondige Explicatie der mummie, een planodruk die hing boven de grote mummie (afb. 66).140 Deze was Heurnius' pronkstuk, fraai tentoongesteld in de geopende sarcofaag, waarvan het deksel aan het hoofd-

[p. 296]



illustratie

66. Hét grote pronkstuk van het Leidse anatomisch theater was deze Egyptische mummiekist, gemaakt van zwart geverfd hout van een vijgenboom. Hoogleraar Otto Heurnius publiceerde rond 1620 twee handzame beschrijvingen, een in het Latijn en een in het Nederlands, waarin uitvoerig werd ingegaan op de oudtestamentische ouderdom van dit object. Deze ‘Dootkist van de mumie’ is tegenwoordig in het bezit van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. (rmo)


[p. 297]

einde omhoog stond, ‘als een statua, Isidis icone representans’.141 Het publiek werd verzocht het object zeer voorzichtig te benaderen, aangezien dit vanwege de ‘enorme ouderdom zeer kwetsbaar is’.142 In de uitlegging beschreef Heurnius uitvoerig hoe Le Leu de ‘seer seldsame’ mummie uit een grafkelder van de ‘oude Heydense Egyptenaers’ had gehaald

‘... by de Pyramiden, vier Hoochduytsche mijlen van Al-Cahren, ofte Babylonien die driemaal grooter als Parijs in Vranckrijck is, ghelegen aen de Riviere den Nijl, uyt welcke Moses van de dochter des Coninckx Pharao werde opgenomen ... dese plaetse is seer veer boven het Landt Gozen, daer de kinderen van Israel onder Pharao in slavernie woonden.’143

Het zal duidelijk zijn dat Heurnius niet primair oog had voor de vermeende geneeskrachtige werking van de mummie en dat hij als medicus evenmin ‘in de geschiedenis en didactiek van zijn vak was geïnteresseerd’.144 Voor Heurnius gold in beginsel hetzelfde als voor Paludanus: de mummies vertelden het verhaal van Gods uitverkoren volk in het even geleerde als heidense Egypte. Heurnius' doelstelling was mede, zo schreef hij ondubbelzinnig aan Le Leu, om meer inzicht te krijgen in dit door Mozes, Herodotus en Plinius beschreven rijk.145 Bijbelvaste toeschouwers - en wie was dat niet in deze tijd? - zullen bij het aanschouwen van de mummie ogenblikkelijk hebben gedacht aan passages als Genesis 50:26, waarin de mummificering van Jozef beschreven werd.

Het is in dit verband veelzeggend dat Heurnius, net zoals zo veel van zijn tijdgenoten, was gefascineerd door hiërogliefen. Sinds de herontdekking en publicatie van Horapollo's Griekse traktaat over de hiërogliefen (1505) was er met name in neoplatoonse kringen druk gespeculeerd over de aard van deze tekens die, zo dacht men, een inzicht gaven in de essentie der dingen. Hiërogliefen hadden niets gemeen met de gangbare grafische systemen waarmee letters en woorden werden weergeven. En hoewel ze de indruk wekten schematische tekeningen van materiële objecten of levende wezens te zijn, waren het volgens de neoplatonici symbolische entiteiten die hun ware betekenis, dankzij goddelijke verlichting, alleen prijsgaven aan een kleine schare ingewijden.146 Samen met het Corpus Hermeticum zorgde de Hieroglyphica in de zestiende eeuw voor een enorme fascinatie voor de prisca theologia. Via de - vooralsnog onleesbare - hiërogliefen kon een glimp worden opgevangen van de verloren gegane natuurkennis van vóór Zondvloed en Babel. Voor een goed begrip van Heurnius' intellectuele positie moeten we nogmaals zijn boek over de barbaarse filosofie ter hand te nemen, dat in 1619 ongewijzigd werd herdrukt onder de meer preg-

[p. 298]

nante titel Babylonica, Indica, Aegyptia ... philosophiaeprimordia.147 Hierin liet Heurnius geen enkel misverstand bestaan over de ‘philosophiae primordia’, de oorsprong van de filosofie: die lag in Egypte (door hem merkwaardig genoeg geïdentificeerd met Babylonië). Voordat God via de Tien Geboden de mens het (Hebreeuwse) schrift gaf, waren de dingen identiek aan hun naam.148 Volgens Heurnius bestonden hiërogliefen reeds vóór Mozes' gang naar de berg Sinaï, en ook hij zag ze niet als een taal, maar als een systeem van symbolen die de ware aard der dingen bevatte.149 De door Heurnius bewaarde ‘steenen beeldekens uyt Aegyptelandt’ waarvan sommige ‘op de rugge hebben aliquot Hieroglyphica’ waren dus de onleesbaar geworden overblijfselen uit de tijd dat Adam het vee, het gevogelte des hemels en het gedierte des velds hun namen gaf!150 Maar niet alleen hiërogliefen restten uit deze tijd: ook de geschriften van Hermes Trismegistus, het Corpus Hermeticum. Terwijl neoplatonici sinds Ficino de driewerf grote Hermes doorgaans als een tijdgenoot van Mozes beschouwden, plaatste Heurnius hem veel verder terug in de tijd. In een van de weinige Hollandse academische beschouwingen over de hermetische geschriften bekleedde Heurnius het aldus met een nog veel grotere autoriteit dan dit in neoplatoonse kringen al had. Dit gebeurde paradoxaal genoeg precies in de jaren dat de Franse geleerde Casaubon het als een vervalsing uit de eerste eeuw ná Christus zou ontmaskeren.151 De blaas van deze in 1614 overleden geleerde vormde nota bene een van de pronkstukken van het door Heurnius beheerde kabinet!

De inhoud van Casaubons traktaat lijkt echter geheel aan de Leidse hoogleraar voorbij te zijn gegaan. Volgens Heurnius was de goddelijke kennis van Hermes reeds geopenbaard aan Noach en diens zoon Cham, en was Hermes zelf de leraar en ‘scriba’ (klerk of schriftgeleerde) geweest van Chams zoon Cusch.152 Hermes' kennis was aldus verspreid in Egypte, en dat was weer de leerschool geweest voor Mozes en Plato.153 Heurnius stelde hier dus onomwonden wat hij later nog eens aan Le Leu zou schrijven: Egypte was bakermat van alle wetenschappen. De aanzienlijke hoeveelheden in Leiden bijeengebrachte egyptica werden dus beschouwd als tastbare manifestaties van de prisca theologia.154

De Leidse verzamelingen in de hortus en het anatomisch theater tonen duidelijk hoe onlosmakelijk de band tussen de woorden en de dingen, tussen filologie en natuurstudie was. Terug naar het Paradijs was het streven, terug naar de tijd van, zoals Calvijn het uitdrukte, ‘het sprakeloze onderwijs van hemel en aarde’.155 Hier zien we bij uitstek hoe het verzamelen van ‘rariteiten’ begrepen moet worden vanuit de notie van het Boek der Natuur. Bono karakteriseert deze in heel Europa levende tendens als volgt:

[p. 299]

‘If God's Word found expression in his authorship of the Book of Nature, and if that same creative Word - known to Adam immediately through his grasping of the divine meaning implanted in his own language - survived in corrupted or veiled form in language(s) accessible to postlapsarian man, then humans could potentially read the secrets contained in the Book of Nature through exegesis of discourse about nature, particularly written in ancient tongues.’156

De aanleg van de hortus, de bouw van het theatrum en het verzamelen van naturalia dienen mede te worden gezien tegen deze achtergrond. Vanuit het perspectief van de zoektocht naar het verbum Dei is het begrijpelijk dat Clusius scheepsbemanningen opdracht gaf ook de naam van inheemse naturalia te noteren, dat Pauw het belang van etymologie benadrukte, dat Scaliger plantenboeken met Chinese karakters en schelpen met Chaldeeuwse lettertekens bestudeerde, en dat Heurnius zo gefascineerd was door mummies en hiërogliefen. Filologie, natuurlijke historie en rariteitenverzamelingen vormden een welhaast heilige drie-eenheid.

Humanistische verzamelaars: Brinck, Colvius en De Laet

De Leidse professoren droegen hun passie voor het verzamelen over aan hun studenten. We zien de fascinatie voor bijbelstudie, oude talen en naturalia terug in de collecties van een aantal geleerden die rond 1600 de Leidse universiteit bezochten. Caspar Barlaeus kwam al ter sprake, evenals Petrus Hondius. Tuin en verzameling in de Moufe-schans waren nadrukkelijk gemodelleerd naar het Leidse voorbeeld. Het is significant dat de dominee deel vijf van zijn gedicht aan Everardus Vorstius zou opdragen en zichzelf nadrukkelijk zou afficheren als Clusius' ‘Leer jonck’.157 Het Leidse voorbeeld is ook duidelijk te zien bij een aantal andere verzamelaars: de Harderwijkse regent Ernst Brinck, de Dordtse predikant Andreas Colvius en Johannes de Laet, kosmograaf en bewindvoerder van de West-Indische Compagnie. In hun collecties vormden taal, object en godsvrucht een onlosmakelijk geheel.

Ernst Brinck (ca. 1583-1649) bezocht in 1605 en 1606 de Leidse universiteit, en bekeek daar uiteraard de hortus en het theatrum.158 Brincks album amicorum uit deze tijd bevat onder andere inscripties van Scaliger, Clusius en Pauw.159 Brinck had toen reeds enige reizen achter de rug: zo studeerde hij rond 1603 in Parijs, waar hij naar alle waarschijnlijkheid college liep bij de grote Casaubon. Brinck had een brede belangstelling voor naturalia, antiquiteiten en oosterse talen, op welk laatste gebied hij uitblonk. Op grond

[p. 300]



illustratie

67 en 68. Zoals zoveel verzamelaars was Ernst Brinck gefascineerd door oude talen en culturen. Links een afbeelding van een shabti of grafbeeldje uit Brincks collectie, afgetekend ten bate van Kirchers Oedipus Aegyptiacus (1652). Rechts een pagina uit Brincks album amicorum, waarin hij aantekeningen maakte over raadselachtige Chaldeeuwse, Babylonische en Kabbalistische lettertekens. (kb)


[p. 301]



illustratie

[p. 302]

van zijn kennis van het Arabisch en Turks werd Brinck in 1612 benoemd als secretaris van het gezantschap van de Verenigde Nederlanden in Constantinopel. Rond 1614 ondernam hij via Italië de terugreis naar de Republiek. Hij nam de gelegenheid te baat om onder andere in Napels de beroemde rariteitenverzameling van Ferrante Imperato te bekijken en in Padua de universiteit. In zijn onuitgegeven Itinerarium noteerde hij dat men in Bologna bij ‘Ulijse Andro Wandi Medico ... viel und mancherleij seldzame meerfish, fremde tier, auch wonderbarliche muscheln und avis, desgleichen menschen, thier und vögel gleich ganz künstlich zusammen gestelt’ kon vinden, maar onduidelijk is of hij de collectie daadwerkelijk zelf heeft bezichtigd.160 (Aldrovandi zelfwas in 1603 overleden en had zijn collectie aan de stad Bologna vermaakt.)

Teruggekeerd van zijn peregrinatie vervulde Brinck tot aan zijn dood in 1649 allerhande bestuursfuncties in zijn geboortestad Harderwijk; zo was hij een aantal malen burgemeester, en was hij curator van de Gelderse Academie. Naast zijn bestuurlijke werk vond hij genoeg tijd om zich te wijden aan de studie van de natuur, van volkeren en van vreemde talen. Zijn enige bekende publicatie is een vertaling van de Atlas minor van Mercator (1630). De natuurlijke historie was volgens Brinck de moeder aller wetenschappen aangezien zij ‘den gantschen Aertboden, als in een spiegel, ons is voor oogen stellende’.161 Geïnspireerd door Plinius hield Brinck aantekeningen bij van alles wat hem wonderbaarlijk leek. Brinck schreef commentaren op de Bijbel, de klassieken en eigentijdse auteurs en experimenteerde blijkens een brief aan Gerardus Vossius met de echo.162 Daarnaast verzamelde hij rariteiten alsmede aantekeningen over de meest uiteenlopende talen. In een album van Brinck staan afschriften van maar liefst tweehonderd talen opgetekend (afb. 68).163

Brincks rariteitenkabinet was een logisch product van zijn filologische interesses. De collecties van verba en res naturae liepen naadloos in elkaar over. Een (gedrukte of geschreven) catalogus is niet bekend, maar uit zijn aantekeningen kunnen we toch een indruk krijgen van het karakter van zijn ‘cabinet’, ‘constkamer’ of ‘musaeum’ zoals hij deze zelf noemde. Brinck stelde drie deeltjes Historia animalium samen waarin hij van talloze dieren ‘sommige aenmerckenswaerdige eijgenschappen ende wonderbaer natuijren’ beschreef.164 Bij veel lemma's noteerde Brinck dat hij dit dier (of delen hiervan) in zijn kabinet bewaarde. Uit andere bronnen weten we dat deze werden vergezeld van artificialia, boeken, prenten en antiquiteiten.165 De verzameling werd bewaard in Brincks bibliotheek; ook hier zien we dus weer het klassieke concept van het musaeum.

Brinck was overigens geen klakkeloze navolger van de Ouden. Hij ver-

[p. 303]

meldde in de aantekenboekjes over de dieren weliswaar alle relevante literatuur (Aristoteles, Plinius, Gessner en Aldrovandi), maar zijn opmerkingen tonen kritische zin, een sterke nadruk op eigen ervaringen en een voorkeur voor het opmerkelijke en afwijkende. Zo bestaat het lemma over de mus bijvoorbeeld niet uit een samenvatting van Aldrovandi of een beschrijving van de Hollandse huismus, maar uit eigen waarnemingen van witte mussen met rode oogjes.166 De beschrijvingen van veel dieren begonnen met de opmerking dat hij een exemplaar in het rariteitenkabinet van deze of gene gezien had, of dat hij het zelf bezat. De belangrijkste referentiepunten werden gevormd door de verzamelingen van Ferrante Imperato, Bernardus Paludanus en de Leidse academie. Overigens blijkt hier duidelijk de problematische status van de zintuiglijke waarneming ten opzichte van de tekstuele traditie. Zo meldt Brinck bijvoorbeeld over de bijbelse basilisk (zie bijvoorbeeld Jesaja 59:5) dat dit dier bij Paludanus was te bezichtigen, en dat hij met eigen ogen een exemplaar van de vogel phoenix in de ‘Constkamer’ in Dresden had gezien.167 Hier leek de empirie de tekstuele traditie te bevestigen, maar het omgekeerde gebeurde ook. Brinck schrijft bijvoorbeeld over de paradijsvogel dat Paludanus had geloofd dat deze geen pootjes had. Hij zelf bezat er echter twee waaruit bleek ‘datse altegader voeten hebben’.168

Wat bewaarde Brinck nog meer in zijn musaeum? Uit zijn aantekeningen komt het beeld naar voren van een typisch vroeg-zeventiende-eeuwse geleerde rariteitenverzameling. Ook in Harderwijk vinden we dus poten, klauwen en beenderen van exotische dieren, snavels van uitheemse vogels, indiaanse verentooien, drie armadillo's, de tanden van een nijlpaard, een krokodil, delen van walvissen, zwaardvissen, schilden van zeeschildpadden, zeesterren, schelpen (waaronder exemplaren met ‘natuijrlijcken afbeeldingen’) en de hoorn van een eenhoorn.169 Uiteraard ontbraken de verschillende praeternatuurlijke objecten niet: de vergroeide tanden van een wild zwijn, ‘een hoendereij daerop natuerlicken gefigureert staet de sonne’, ‘vremde en monstreuse eieren’, en een siamese eendentweeling. Bovendien bezat Brinck, net als Paludanus en Heurnius, ook een verzameling egyptica. Zo werd een Egyptisch beeldje uit de collectie-Brinck door een medewerker van de beroemde geleerde Athanasius Kircher afgetekend ten bate van diens Oedipus Aegyptiacus (afb. 67).170 Kirchers gezant Nihusius wist overigens te melden dat Brinck dit beeldje van Paludanus had gekregen.171 Nihusius maakte verder nog melding van Chinese boeken en Maleise geschriften op boomschors.

Als we het geheel overzien, dan kunnen we concluderen dat Brincks verzameling in vergelijking tot die van zijn vriend Paludanus betrekkelijk

[p. 304]

klein was, maar niet wezenlijk anders van karakter. Met uitzondering van de relieken zien we hier dezelfde accenten en dezelfde poging om de gehele Schepping te bevatten. Tussen geografie, chronologie, taal en natuuronderzoek bestond in de optiek van Brinck een continuüm. Tussen zijn aantekeningen over vreemde talen merkte Brinck op: ‘omnis lingua laudet Dominum’, en in zijn werkjes over dieren:

‘De hemelen vertolken des Heeren eere ende glorie; geen geboomte op den velde, geen kruijt op aerden is der, of t' en predicht Godt almachticheijt. Uijt de sienliche dingen, als regen, gesteent, bergen, rivieren, dieren, vogelen ende visschen, kennen wij Godt als een wijsen Werckmeister.’172

Echo's van deze gedachte vinden we ook in de lofdichten die bezoekers van Brinck schreven. Onder deze zijn bijdragen van filologen en rechtzinnige theologen als Antonius Thysius, Jacob Revius, en Daniël en Nicolaas Heinsius.173 De natuur was een boek of spiegel van Gods almacht, en de Heer zelf de opperkunstenaar of werkmeester.

Een tweede verzamelende geleerde was Andreas Colvius. Ook hij was een in Leiden theologisch en filologisch geschoolde ‘liefhebber’. Nog veel nadrukkelijker dan de Harderwijkse burgervader opereerde de Dordtse predikant in de geleerde wereld. Zijn hechte contacten met onder andere Beeckman, Descartes, vader en zoon Huygens en vader en zoon Vossius werden al gememoreerd. Interessant is ook dat Colvius in contact stond met Anna Maria van Schurman, aan wie hij in 1637 een blad stuurde met Perzische, Japanse en Siamese lettertekens. Bij Colvius zien we bij uitstek hoe een godgeleerde oriëntatie overging in een grote belangstelling voor eigentijdse natuurfilosofische ontwikkelingen. De Heer, zo stelde de predikant keer op keer, werd bij uitstek gekend door middel van Zijn schepselen (‘deus consideratur in creaturis’).174 Colvius' belangstelling voor de wonderen van de Schepping manifesteerde zich niet alleen in telescopische en microscopische waarnemingen. Hij besprak bijvoorbeeld ook met Gerardus Vossius de werking van magneten, en met diens zoon Isaac de aard van meteoren, de breking van licht in IJslands kristal, en de naam van de door Plinius beschreven boom op de Canarische eilanden waaruit eeuwig regen zou vallen.175 Colvius stond in contact met andere verzamelaars en in zijn aantekingenboekje vinden we regelmatig notities over de rariteiten die hij her en der zag: een bot van een reus, een mummie en een vrouw met drie borsten die ‘hadde ghehad drie kinderen in een dracht, die alle drie af de drie borsten hadde gesogen’.176 Andere wonderbaarlijkheden, zoals een

[p. 305]

man met wat wij een fotografisch geheugen zouden noemen, konden zich eveneens in Colvius' belangstelling verheugen.177

Geen wonder dat ook Colvius zelf een rariteitenkabinet bijeenbracht. De beschrijving hiervan verscheen in 1655 als Catalogus musaei Andrea Colvii. Deze bron lijkt verloren te zijn gegaan, maar eerdere auteurs, die de catalogus nog hebben gezien, vermelden een rijke collectie schelpen, mineralen, insecten, dieren, portretten, medailles, boeken en manuscripten.178 Uit andere bronnen kunnen we ons evenwel een meer gedetailleerde indruk van Colvius' kabinet vormen. De predikant ging soms zelf op insectenjacht, maar ook zijn geleerde vrienden vergaten hem niet. Zo kreeg hij van Constantijn Huygens een stuk amber en een potje balsem, van de Italiaanse medicus Licetus een brokje fosfor, van de Amsterdamse rabbijn Mennasseh ben Israel een cacaoboon, en van wic-bewindhebber Samuel Blommaert de hand van een zeemeermin (‘manus Sirenes’).179 De Deense geleerde Ole Borch, die in 1662 Colvius bezocht, maakt verder melding van de wol van een dier genaamd ‘Borametz’ of Tartaars lam (een schaap dat aan een struik zou groeien), eieren van slangen, krokodillen en papegaaien, pareloesters en, zo kan uit de omstandige beschrijving worden afgeleid, acupunctuurnaalden.180 Colvius' Middelburgse collega De Mey meldt de aanwezigheid van een ‘dondersteen’ (meteoriet) die bij Colvius' buurman was ingeslagen.181 Dat moet een spectaculaire gebeurtenis zijn geweest. ‘De steen werd hier op 6 augustus 1650 samen met de bliksem naar beneden geslingerd’, zo schreef Colvius aan de Amsterdamse filosoof Senguerdius, ‘een ruit versplinterend op de eerste verdieping van het huis van onze stadssecretaris, de edele heer Van Berck. De steen was zo heet dat hij de vloer van de verdieping verbrandde’.182 Verder, zo schreef Colvius aan zijn neef Johan de Witt, bewaarde hij een aantal ‘geleerde luijden manuscripta’, waaronder afschriften van Galilei en ongepubliceerd materiaal van Descartes.183 Colvius' verzameling was naar goed humanistisch gebruik ondergebracht in zijn bibliotheek, te midden van de werken van onder meer Plinius, Gessner, Aldrovandi, Swammerdam, Descartes en Bacon, alsmede van Imperato en Worm, de meest gebruikte naslagwerken op het gebied van het verzamelen van halverwege de zeventiende eeuw. Verder stonden hier ‘een Paer Raer-groote Globen’.184

Naturalia, artificialia en literatuur liepen naadloos in elkaar over. Belangrijk in dit kader is dat Colvius zeer geïnteresseerd was in vreemde volkeren en zich voortdurend de vraag stelde of ook zij via contemplatie over de natuur God konden kennen. Enerzijds had Colvius reserves over het verzamelen van antieke beeldjes (antiqua statua). Paludanus, Brinck en vooral Heurnius hadden zich vol enthousiasme op deze overblijfselen uit

[p. 306]

de heidense cultuur geworpen, maar voor Colvius was deze erudiete bezigheid slechts een kleine stap verwijderd van idolatrie.185 Anderzijds keek hij reikhalzend uit naar de publicatie van Gerardus Vossius' De theologia gentili en stuurde hij zijn leermeester ter voorbereiding van dit werk voortdurend relevant materiaal.186 Zo kwam via Colvius bij Vossius een getuigenis binnen over de bevolking van Siam: ‘sij geloven dat daer is een opperste God die inde Hemelen woont, maer dat hier op der aerde sijn vele quade geesten die sij oock aenbidden ... Hadde Moysis, Christus noch Machomet noijt hooren noemen’.187 De passage in de eerste brief aan de Romeinen, waarin beschreven wordt hoe de volkeren die Gods woord niet kennen Hem toch kunnen herkennen in de natuur, ging Colvius zeer ter harte. Maar een vraag die hij zich voortdurend stelde (en waar hij niet uitkwam) was in hoeverre de contemplatie over de natuur zonder kennis van de Bijbel zou leiden tot godsvrucht, of tot animisme en pantheïsme.188 Anders geformuleerd: wat was de status van het Boek der Natuur zonder het Woord van God? Kon de Schepping op een waarlijk christelijke wijze worden begrepen zonder de Bijbel als clavis interpretandi? Nee, zo schreef Colvius aan Gerardus Vossius.189 Maar evenals de oude humanist had ook de Dordtse predikant veel sympathie voor de natuurlijke theologie.

In een brief aan Descartes stelde Colvius dat de mens uit Boek der Natuur (‘ex libro naturae’) de almacht Gods kon leren kennen.190 Tegen deze achtergrond hoeft het ons niet te verwonderen dat ook Colvius zijn verzameling beschouwde als een spiegel van Gods almacht. In zijn Catalogus schreef hij:

 
‘Al wat de aarde in hare aderen heeft verborgen gehad,
 
en de zee bedekt heeft, bevat dit kabinet.
 
Laat ons vermaak zijn de krachten der natuur na te speuren,
 
en de grootste vrucht daarvan om God te leren kennen.’191

We kunnen het gedichtje van de predikant afdoen als een gemeenplaats zonder betekenis. Maar is het misschien obligate karakter van dit thema - het kabinet als weg tot godskennis - juist niet tekenend voor de context waarin Colvius' verzameling werd beschouwd? Ook in Colvius' correspondentie keert dit motief steeds weer terug. In een brief aan Nicolaas Heinsius beschreef Colvius hoe hij zijn collectie naturalia nauwkeurig bestudeerde en hieruit de macht en wijsheid van God leerde kennen.192 Een fraaie verwoording zien we ook in een brief van Colvius aan Johan de Witt uit 1660. De toen 66-jarige predikant schreef dat hij in het aangezicht van de dood zijn verzameling van de hand wilde doen, aangezien hij binnenkort

[p. 307]

toch het Hemelse Kabinet zou aanschouwen. ‘J'espère de voir bien-tost le cabinet de Dieu, ou je verray l'archetype, je n'estime pas tant ces minces copies’.193 Colvius moest zich echter nog elf jaar tevreden stellen met de flauwe afspiegeling van Gods almacht in zijn studeerkamer. Toen de predikant uiteindelijk in 1671 het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, werd in de veilingcatalogus van zijn boeken gemeld dat de erfgenamen ook ‘een Curieus Cabinet’ te koop aanboden.194

Een derde vooraanstaande geleerde wiens kabinet tot dusverre nauwelijks bekend was, is Johannes de Laet (1581-1649).195 De Laet studeerde van 1597 tot 1602 klassieke talen, filosofie en theologie in Leiden. Hij maakte een goede indruk op Scaliger en Clusius, welke laatste in zijn Exoticorum libri decem rariteiten beschreef die hij van de ‘zeer erudiete en bescheiden jongeling’ ten geschenke had gekregen.196 De Laet kende Colvius persoonlijk en zou later innig bevriend raken met Claude Saumaise, die overigens nauwelijks in staat was om langdurige vriendschappen aan te gaan. Maar de relatie met deze geleerde was zo hecht dat toen De Laet in 1649 overleed, Saumaise opmerkte dat hij zijn rechterhand had verloren.197 Terug naar de jonge jaren van De Laet: na zijn studietijd ondernam hij reizen naar Frankrijk en Engeland, en bij terugkomst in patria ontpopte hij zich als vurig pleitbezorger van de contraremonstrantse zaak. Hij nam deel aan de Synode van Dordrecht en was mede verantwoordelijk voor de uitgave van de acta hiervan.198 De Laet investeerde daarnaast fors in de wic en werd in 1621 benoemd tot bewindhebber van deze compagnie. Ofschoon hij zelf nooit de grote oversteek waagde, wist hij een fabelachtige kennis te verwerven van vreemde landen en volkeren. Vanuit Amerika werd zelfs geklaagd dat De Laet zich meer interesseerde voor ‘rariteiten’ uit en ‘geschrifte’ over de Nieuwe Wereld dan voor de beleidsmatige aspecten van het compagniewerk.199 De Laet was de auteur van het pionierswerk Nieuwe Wereldt ofte beschrijvinghe van West-Indien (eerste editie 1625, vele herdrukkken en vertalingen) en publiceerde vanaf 1644 Het Jaerlijcks Verhael der West-Indische Compagnie. In de loop der jaren schreef De Laet voor de befaamde Respublica-serie van Elsevier landenbeschrijvingen van onder andere Spanje, Frankrijk, het Turkse rijk, Mongolië, India en Perzië. De Leidenaar publiceerde verder onder andere een editie van Plinius' Naturalis historia (1635), een boek over stenen en mineralen (1647) en een uitermate heftige polemiek met Hugo de Groot over de afstamming van de Indianen (1643-1644). Door Scaliger was De Laet bijzonder geïnteresseerd geraakt in de problemen van linguïstiek, etymologie en chronologie. Reeds in 1606 had de jonge geleerde met de grote filoloog gecorrespondeerd over de ligging van de Hof van Eden, en later werd Scaligers Elenchus utriusque orationis Chro-

[p. 308]

nologicae aan De Laet opgedragen.200 Ook De Laet was voortdurend op zoek naar de wortels van de taal. Hij had een niet aflatende fascinatie voor bijvoorbeeld Oud-Fries, runentekens, hiërogliefen, Chinese karakters en de talen uit de Nieuwe Wereld en werkte zijn hele leven aan een (nimmer gepubliceerd) Oud-Engels woordenboek. In zijn discussie met De Groot speelden taalkundige argumenten dan ook een hoofdrol.

Op de diepere achtergronden en implicaties van deze controverse zal later worden ingegaan. Belangrijk is dat De Laet, anders dan De Groot, niet blind voer op de sapientia veterum en de traditionele bijbelse tijdrekening. Het is significant dat zijn rijke bibliotheek (net als die van zijn geestverwant Colvius) een half dozijn werken van Bacon en nagenoeg alle publicaties van Descartes bevatte.201 In zijn hoedanigheid van wic-bewindvoerder, en dankzij zijn uitstekende connecties met Johan Maurits in Brazilië,

illustratie

[p. 309]



illustratie

69 en 70. Twee voorheen onbekende dieren uit de Nieuwe Wereld: de miereneter en de luiaard. De schepselen werden beschreven en afgebeeld in de door Johannnes de Laet geredigeerde Historia naturalis Brasiliae (1648). Het was niet mogelijk om hier te verwijzen naar klassieke en bijbelse bronnen, en de traditionele symbolische en allegorische uitwijdingen over Gods schepselen ontbreken hier dan ook. (kb)


had De Laet direct toegang had tot een reusachtige stroom artefacten: Maya-inscripties, armadillo's, kolibri's, miereneters, lama's, luiaards etcetera etcetera (afb. 69 en 70).202 Het belang van deze zaken kan niet genoeg onderstreept worden. Geleidelijk moet De Laet zich ervan bewust zijn geworden dat deze artefacten niet in Bijbel en klassieken genoemd werden en dat het bestaande kader van waaruit het Boek der Natuur geïnterpreteerd werd dus tekortschoot. De Laet kwam, ondanks of juist dankzij zijn grote

[p. 310]

kennis van antieke geschriften, reeds in 1625 tot de slotsom dat de Nieuwe Wereld ‘den Ouderen onbekent is geweest, voor so vele by haer schriften is blijckende’.203

De informatie en artefacten deelde De Laet genereus met collega-geleerden en verzamelaars.204 Ook het Leidse theatrum anatomicum werd soms door De Laet verblijd met een rariteit, zoals ‘Een Corale Boompje dat gewassen is in de Indise Zee’.205 De Laets collectie diende als uitgangspunt voor zijn publicaties en speculaties. Constant werden objecten, tekeningen, beschrijvingen en inscripties gerelateerd aan de klassieke en eigentijdse literatuur. Deze verzameling werd, zo schreef De Laet aan Ole Worm, zonder ordening bewaard en niet getoond aan vreemden.206 De Laets contact met Worm geeft overigens een goede indicatie van het belang van zijn verzameling. Worm was hoogleraar medicijnen in Kopenhagen, maar had vooral belangstelling voor de aanpalende disciplines natuurlijke historie, geschiedenis en taal: zo ontcijferde hij onder andere als eerste de raadselachtige runentekens.207 Zijn Musaeum Wormianum (1655) was, zoals reeds werd aangestipt, hét uitgangspunt waarnaar veel ‘liefhebbers’ hun verzameling modelleerden. Zo schreef Constantijn Huygens een lofdicht op het werk. Worms biograaf noemt De Laet het belangrijkste buitenlandse contact van de beroemde Deen.208 Dankzij De Laet kwam Worm in het bezit van een groot aantal artefacten uit de Nieuwe Wereld, waaronder Mayainscripties, de hand van een zeemeermin en talloze dieren, planten en mineralen.209 Op verzoek van Worm stelde De Laet een catalogus van zijn eigen verzameling samen. Het manuscript stuurde hij in 1648 naar Kopenhagen.210 Het is sindsdien spoorloos, maar uit De Laets correspondentie en andere bronnen kan worden afgeleid dat zijn collectie in beginsel hetzelfde karakter droeg als die van Worm. De Laet was de eigenaar van een omvangrijke collectie naturalia uit de Oude en Nieuwe Wereld, tekeningen van flora en fauna uit Brazilië, ‘verscheyde printen van vermaerde meesters’, manuscripten, inscripties, kaarten en globes.211

Ook uit De Laets werk blijkt duidelijk hoe problematisch het inpassen van nieuwe ervaringsgegevens in de bestaande kaders was. Empirie leidde niet automatisch tot in onze ogen ‘juiste’ inzichten. Een fraai voorbeeld is ook de kwestie van de eenhoorn. Zowel Paludanus als Brinck hadden nog geloofd dat de zogenaamde hoorn die in kerken en verzamelingen was te zien, afkomstig was van het bijbelse dier. In de editie van Mercators Atlas minor uit 1621 was gewezen op het feit dat dit artefact in groten getale aanspoelde op de noordelijke kusten en waarschijnlijk de slagtand van een narwal was.212 Worm had deze gedachte in een disputatie uit 1638 nader uitgewerkt.213 Worms leerling Thomas Bartholinus (1616-1680) wijdde aan deze

[p. 311]

theorie zijn De unicornu observationes novae (1645), dat te boek staat als de meest uitputttende studie ooit over dit wezen geschreven.214 De hoorn was niet van een hoefdier, maar van een vis afkomstig. Desalniettemin werd het bestaan van een eenhoorn niet uitgesloten. Er bestonden immers zee-eenhoorns, en Bartholinus beschreef ook een groot aantal vogels en insecten met een een hoorntje. Bartholinus' werk werd met meer dan beleefde belangstelling gelezen door De Laet en Saumaise.215 De Leidse geleerden beloofden de auteur zich te zullen inzetten voor een tweede, Amsterdamse editie van De unicornu, en hem aanvullende klassieke verwijzingen en beschrijvingen van eenhoornige vogels en insecten uit de Nieuwe Wereld op te sturen - een toezegging die zij ook nakwamen.216 Lange tijd zouden verzamelaars op basis van analogie-redeneringen op jacht blijven naar de eenhoorn. Op het belang van de in dit verband cruciale exegese, de vraag of het Hebreeuwse re'em vertaald moest worden met ‘eenhoorn’, zal later nog worden ingegaan.

Als we tot slot de collecties van Brinck, Colvius en De Laet overzien, kunnen we een aantal conclusies trekken. Allereerst blijkt opnieuw dat bij sommige Nederlandse humanisten een zeer levendige belangstelling bestond voor het verzamelen van naturalia. Opvallend is in alle gevallen ook de fascinatie voor vreemde volkeren en talen. De collecties van de geleerden doen wat deze aspecten betreft sterk denken aan die van Paludanus en de Leidse universiteit. Toch lijkt er minstens één belangrijk verschil te zijn. Terwijl bij de vroegere Hollandse collecties veel aandacht was voor naturalia die de klassieke en vooral bijbelse historiën illustreerden en deze ook met enige nadruk gepresenteerd werden, zijn er weinig aanknopingspunten voor hun aanwezigheid in de collecties van Colvius en De Laet. Anders geformuleerd: terwijl in Enkhuizen en Leiden aanvankelijk de chronologische en de geografische dimensie één onlosmakelijk geheel vormden, lijkt zich in de collecties van Colvius en De Laet een scheiding te manifesteren tussen heden en verleden. De collecties vertelden niet langer het verhaal van Mozes en de evangelisten, maar van verre landen, vreemde volkeren, onbegrijpelijke talen en voorheen onbekende planten en dieren.

Verre landen, oude talen en de bijbelse chronologie

Zolang de inventarissen van de verzamelingen van Colvius en De Laet niet zijn teruggevonden, is het moeilijk harde uitspraken te doen over de afwezigheid van ‘bijbelse’ naturalia. Feit is wel dat in veel andere, goed gedocumenteerde Hollandse collecties die in de tweede helft van de zeventiende eeuw tot stand kwamen deze schitterden door afwezigheid.217 Binnen de

[p. 312]

collecties lijkt een langzame accentverschuiving te hebben plaatsgevonden. Het referentiële karakter van de verzamelingen werden minder complex. Er valt een groeiende belangstelling voor eigentijdse naturalia uit de Oude en Nieuwe Wereld te constateren ten koste van voorwerpen die vanuit een tekstueel, met name schriftuurlijk kader werden begrepen.

Een voor de hand liggende vraag is wat hiervoor de reden is. In het geval van Colvius en De Laet zijn wel enige hypotheses mogelijk. Beide geleerden waren voorvechter van de gereformeerde religie en zij zagen mogelijkerwijs het verzamelen van Egyptische afgodenbeeldjes, relieken, of stenen van heilige bergen als een naar idolatrie riekende bezigheid. Zeker in het geval van Colvius zijn er aanknopingspunten voor deze mogelijke verklaring. Er lijkt hier echter meer aan de hand te zijn dan afkeer van superstitieuze praktijken. Ook vanuit protestants oogpunt weinig aanstootgevende zaken als tanden van Behemoth, delen van Leviathan, mummies, en nijlriet lijken in de collecties van de Dordtse en de Leidse geleerden ontbroken te hebben evenals, meer in algemene zin, objecten die de oude geschiedenis illustreerden. Om het anders te formuleren: de rol van de Bijbel en klassieken als sleutel tot de ‘lezing’ van de bijeengebrachte rariteiten lijkt geleidelijk te verminderen. De rariteitenkabinetten verloren langzaam iets hun intertekstuele karakter, er kwam distantie tussen de woorden en de dingen. Het is verleidelijk om deze verandering op het conto te schrijven van de vorderingen in de zeventiende-eeuwse natuurwetenschap. Zowel Colvius als De Laet waren immers goed op de hoogte van de werken van Bacon en Descartes.

Bacon propageerde een empirische aanpak van het natuuronderzoek. Het verzamelen van feiten, ervaringsgegeven en ook artefacten vormde volgens hem het beginpunt van het heuristisch proces. Recentelijk is gewezen op het enorme belang van Bacon voor de zeventiende-eeuwse verzamelcultuur.218 Bacon stelde echter nergens de in dit verband cruciale concepties van de prisca theologia en het Boek der Natuur ter discussie. Integendeel: zijn werk kan worden beschouwd als een oproep om deze noties te revitaliseren.219

Diametraal hiertegenover stond Descartes, die zoals bekend de sapientia veterum verwierp, exegese en natuurfilosofie resoluut van elkaar scheidde en de notie van het Boek der Natuur negeerde. In dit kader is van belang dat het de oplettende lezer van het Discours en de Principia duidelijk moet zijn geweest dat Descartes' fysica enerzijds en de zucht naar rariteiten anderzijds op gespannen voet met elkaar stonden, om het voorzichtig uit te drukken. Vanuit het perspectief van het aristotelisme gezien was het verzamelen van afzonderlijke entiteiten in het algemeen en afwijkingen van de

[p. 313]

natuurlijke orde in het bijzonder een zinnige onderneming. Sterker nog: de teleologische wereld van Aristoteles had het karakter van een verzameling, om niet te zeggen een rariteitenkabinet.220 De taak van de natuuronderzoeker was om deze te beschrijven en te ordenen. Maar het cartesianisme was een ambitieuze poging om alle natuurlijke processen te herleiden tot slechts enkele, onderliggende natuurwetten - het teleologische element ontbrak hier geheel. Het individuele karakter van een verschijnsel of voorwerp deed evenmin terzake. Ook was de hiërachie van zijnsvormen niet van belang: er was geen principieel onderscheid tussen mensen, stenen, vogels of mirabilia en monstra. Alle verschijnselen zijn gereduceerd tot epifenomenen van de eigenlijke oorzaken, de natuurwetten. Niet de uitzondering, maar de regel is datgene waar de onderzoeker zich op moest richten. Toegegeven, Descartes had een zekere waardering voor de verwondering die zeldzaamheden en buitengewone natuurverschijnselen konden oproepen, zo stelde hij in de Passions de l'âme (1649).221 Geprikkeld door de verwondering, trachtte de Rede een verklaring te vinden voor hetgeen eerder onbekend was. Maar een teveel aan verwondering was zeker niet goed. De mens bleef dan steken in een euforische staat, zonder tot ware kennis van zaken te komen.

Wellicht hebben deze natuurfilosofische concepten invloed uitgeoefend op De Laet en - met name - Colvius, die immers bevriend was met Descartes. De vraag is echter of hiermee alles verklaard is. Zowel Colvius als De Laet beroepen zich nergens op de twee herauten van de Nieuwe Wetenschap. Wel is van belang dat beide filosofen zich kritisch betoonden ten opzichte van de canon. Dat kan ons een indicatie geven van de richting waarin we het antwoord op onze vraag moeten zoeken. Het is significant dat zowel Colvius als De Laet studeerden in het Leiden van Scaliger en dat beiden gefascineerd raakten door oude talen, exegese en de status van de klassieken. Beide geleerden waren bijzonder nauw betrokken bij een van de meest opmerkelijke gevolgen van de zoektocht naar oude teksten, vreemde talen en onbekende naturalia: de opkomst van de tekstkritiek en, meer in het bijzonder, de radicale bijbelkritiek. Sleutelfiguren in dit verband waren onder andere La Peyrère, Saumaise en diens leerling Isaac Vossius, die alle drie vragen stelden over de autoriteit van de Schrift in relatie tot de chronologie van de wereldgeschiedenis. En het is interessant om te constateren dat juist dit drietal weer in rechtstreeks contact stond met Colvius en De Laet.

Op gezag van Scaliger werd tot halverwege de zeventiende eeuw vrij algemeen aangenomen dat de aarde op zondag 25 oktober 3950 v. Chr. was geschapen.222 Schepping, Zondeval, Zondvloed en Babel boden het tempo-

[p. 314]

rele, nauwkeurig gedateerde kader waartegen de geschiedenis van de joodschristelijke en heidense volkeren begrepen werd. De binnen de verzamelcultuur zo belangrijke kwesties als de namen der dingen, de oudheid van mummies en de verspreiding van volkeren, talen en dieren werden alle geïnterpreteerd vanuit de bijbelse tijdrekening. Maar deze was reeds aan het begin van de zeventiende eeuw enigszins geproblematiseerd door het

illustratie

71. ‘Driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte’, dat waren volgens Genesis 6:15 de afmetingen van Noachs vaartuig. Mede ten gevolge van de ontdekking van vele onbekende diersoorten in Oost en West ontstond in de zeventiende eeuw in heel Europa discussie over het bijbelse verhaal. Traditioneel ingestelde geleerden, zoals bijvoorbeeld Kircher in zijn Arca Noë (1675), hielden vast aan de letter van de Schrift, en ruimden zelfs een plaatsje in voor de eenhoorn. (kb)


[p. 315]

contact met de niet-westerse wereld. Egyptische, Mexicaanse en Chinese bronnen, voor zover ontcijferbaar, riepen in kleine kring vragen op aangezien de geschiedenis van deze volkeren leek terug te gaan tot data van vóór Adam en Eva. Door de toevloed van informatie over vreemde volkeren werd de overtuiging dat de afkomst van alle mensen, talen en dieren viel te herleiden tot de Hof van Eden ter discussie gesteld (afb. 71).223 Had-

[p. 316]

den Mozes en de heidense natuurkundigen armadillo's, lama's, paradijsvogels en kolibri's gekend? Was er voor deze schepselen plaats geweest in de Ark van Noach? Waren de Indianen een van de weggevoerde stammen uit Israël? Gingen alle wereldtalen terug tot het Hebreeuws?

Uitermate belangwekkend in dit verband is dat Colvius' schoonvader, Abraham van der Mijle, reeds in de jaren 1620 een boek schreef waarin al deze prangende vragen aan de orde werden gesteld. Van der Mijles voorzichtig geformuleerde De origine animalium et migratione populorum werd zoals bekend pas in 1667 gepubliceerd.224 Van der Mijle is een exponent van de groep Nederlandse theologen die zich mede uit godvruchtige motieven aan de linguïstiek en de natuurlijke historie wijdde.225 De predikant was onder andere bevriend met Lansbergen en Hondius, en verder met Gerardus Vossius en Hugo de Groot, die beiden vriendelijke woorden schreven over het manuscript van De origine.226 In dit werk signaleerde Van der Mijle de potentieel problematische status van de volkeren, talen en dieren uit de Nieuwe Wereld en hij trachtte deze op te lossen door middel van een gecompliceerd schema van volksverhuizingen. Volgens Van der Mijle wees uiteindelijk alles terug naar Zondvloed en Babel. De door Clusius, De Laet en anderen gesignaleerde hiaten tussen Bijbel en klassieken enerzijds en eigentijdse reisbeschrijvingen anderzijds werden aldus, in de ogen van Van der Mijle, opgevuld. Het probleem was misschien opgelost, maar wel tekenend voor een groeiende onrust over de status van de klassieke natuurlijke historiën en Bijbel als sleutel tot de wereldgeschiedenis. Colvius, die was getrouwd met Van der Mijles dochter Anna, is zonder enige twijfel op de hoogte geweest van de problematiek waar zijn in 1637 overleden schoonvader mee had geworsteld. Maresius meldde in 1656, in de significante context van zijn bestrijding van het pre-adamitisme, dat Van der Mijles manuscript zich in de bibliotheca van de Dordtse predikant bevond.227

Terwijl De origine vooralsnog ongepubliceerd bleef, barstte er in de jaren 1640 over de hierin aangesneden problematiek een zeer verhit debat los, mede ten gevolge van La Peyrère's Preadamitae. Dit boek werd weliswaar pas in 1655 gepubliceerd, maar had reeds anderhalf decennium in manuscript gecirculeerd. Tot aan het jaar van publicatie bleef La Peyrère de centrale stelling van zijn werk verder onderbouwen met materiaal dat hij in belangrijke mate ontleende aan twee trouwe correspondenten: Ole Worm en Claude Saumaise. Van Worm ontving La Peyrère veel informatie over vreemde volkeren, waaronder die uit de Nieuwe Wereld.228 Uit de correspondentie met Saumaise putte de Fransman dermate veel gegevens over niet-bijbelse chronologieën dat hij opmerkte dat de Leidse coryfee de vroedvrouw van de pre-adamieten was geweest.229

[p. 317]

Al eerder werd verwezen naar de controverse tussen Hugo de Groot en Johannes de Laet over de oorsprong van de Indianen. Aan de oorsprong van dit conflict lag de theorie van La Peyrère. De Groot was na zijn gedwongen vertrek uit de Republiek benoemd als ambassadeur van Zweden in Frankrijk. In Parijs kreeg hij in 1642 inzage in het manuscript van La Peyrère, en ogenblikkelijk realiseerde hij zich de enorme consequenties van de pre-adamitische theorie voor de gevestigde religie.230 Ter bestrijding van La Peyrère greep De Groot onder meer terug op het manuscript van De origine animalium et migratione populorum van Van der Mijle. Door de problematische Amerikaanse volkeren in te passen in de in Genesis verhaalde geschiedenis van de algehele verspreiding van talen en volkeren kon in de optiek van De Groot de traditionele bijbelse tijdrekening gered worden en het pre-adamitische gevaar onschadelijk worden gemaakt. De Groots Dissertatio de origine gentium Americanarum (1643) was feitelijk de eerste openlijke aanval op La Peyrère, nog voordat diens werk gepubliceerd was. Op grond van - tamelijk oppervlakkige - taalkundige en culturele overeenkomsten trachtte De Groot zijn theorie te staven. De Groot betoogde in navolging van Colvius' schoonvader dat de Indianen afkomstig waren uit Noordelijk Europa en vandaaruit waren overgestoken. Hij onderbouwde dit door bijvoorbeeld te wijzen op de treffende overeenkomst tussen de Mexicaanse uitgang ‘-lan’ (Cimatlan, Coatlan, Quaxutatlan, etcetera) en het Germaanse ‘land’ (IJsland, Groenland, Estotiland). De Laet reageerde ogenblikkelijk op deze in zijn ogen volstrekt ongefundeerde theorie en er ontspon zich een felle polemiek die met tal van zakelijke en minder zakelijke argumenten werd uitgevochten.231 In zijn Notae ad dissertationem Hugonis Grotii (1643) veegde De Laet de vloer aan met het werk van De Groot.232 De Leidse polyglot trakteerde De Groot op een uitvoerige les in Europese en Amerikaanse taalkunde. De Indiaanse talen vertoonden geen enkele verwantschap met Hebreeuws, Grieks, Latijn of enige contemporaine Europese taal.233 In plaats hiervan beklemtoonde De Laet de enorme verschillen tussen de Europese en de Indiaanse talen en culturen, om nog maar te zwijgen over de zeer uiteenlopende flora en fauna. Over de vraag waar de mensen, dieren en planten in de Nieuwe Wereld dan wél hun oorsprong hadden, bleef De Laet vaag. Dit thema zou in de volgende decennia uitgroeien tot een reusachtig intellectueel probleem, zeker nadat uiteindelijk La Peyrère's Praeadamitae in 1655 in Amsterdam in druk was verschenen (en waarin de auteur fijntjes verwees naar het door De Laet en De Groot gevoerde debat).234 La Peyrère zou openlijk de gedachte aan polygenese verdedigen en het monopolie van de Bijbel als sleutel tot de wereldgeschiedenis verwerpen. De Laet heeft dus, hoogstwaarschijnlijk onbe-

[p. 318]

wust, door zijn zeer nauwe relatie met Worm en Saumaise en zijn polemiek met De Groot indirect bijgedragen tot een klimaat waarin de pre-adamieten konden gedijen. De grootste commotie zou de rechtzinnige Leidse geleerde overigens niet meer meemaken: hij overleed in 1649.

La Peyrère had zijn gedurfde theorie echter meer gebaseerd op gezond verstand dan op filologische expertise, aangezien hij niet in staat was de Hebreeuwse en Griekse grondteksten van de Bijbel te lezen.235 Iemand die dat wel kon was een goede bekende van Colvius, De Laet en Saumaise: de alomtegenwoordige Isaac Vossius. In 1659 publiceerde Vossius zijn geruchtmakende De vera aetate mundi. We moeten dit polemische werk mede zien tegen de achtergrond van De Groots controverse met De Laet, waar Vossius in zijn hoedanigheid van secretaris van de Zweedse ambassadeur met zijn neus bovenop had gezeten.236 Vossius was gefascineerd, om niet te zeggen geobsedeerd, door verre landen. Evenals De Laet en Colvius hield hij nauwlettend de stroom informatie, geschriften en artefacten uit Oost en West in de gaten, met name uit het door hem diep bewonderde China.237 Volgens Vossius waren de Chinezen het geleerdste volk ter wereld en hadden zij ‘in hunne schriften en Jaer-boecken een aen malkanderen volgende Historie van vier-duysendt vijf-hondert jaeren lang. Sy hebben onder hun eenige Schrijvers die ouder zijn dan Moyses selve’.238 In zijn boek zette Vossius op basis van de verschillende versies van het Oude Testament, Manetho's Tomoi en bronnen uit het Oude China en de Nieuwe Wereld uiteen dat de aarde aanzienlijk ouder moest zijn dan Scaliger en anderen beweerd hadden, 1440 jaar om precies te zijn. Vervolgens concludeerde Vossius dat de oorspronkelijke tekst van de Pentateuch verloren was gegaan. Wat we nu hebben, zo stelde de filoloog, is niet de originele door Mozes geschreven tekst maar hooguit een kopie van een kopie van een kopie van een afschrift, dat wil zeggen, een in hoge mate corrupte tekst. En passant schopte Vossius in De vera aetate en de hierop volgende verhandelingen nog tegen wat andere heilige huisjes. Was de Zondvloed universeel van karakter geweest? Dat leek Vossius onmogelijk. Enerzijds bestond er in de kronieken van zowel de christelijke als de niet-christelijke culturen verwijzingen naar deze gebeurtenis. Maar anderzijds waren deze chronologisch moeilijk met elkaar in verband te brengen. Bovendien, zo meende Vossius, was er veel te weinig water in het ondermaanse om de hele aarde in een keer blank te zetten. Een hieraan gerelateerd probleem was hoe alle aan de Ouden onbekende dieren in de Nieuwe Wereld terecht waren gekomen. Ook verwierp Vossius de stellige overtuiging van veel theologen dat ante Diluvium Hebreeuws gesproken was: niet alle wereldtalen vielen te herleiden tot de pre-babylonische tijd.239

[p. 319]

Met andere woorden: mede ten gevolge van de zucht naar rariteiten uit Oost en West en filologische expertise, door externe en interne bijbelkritiek, werd de status van de Schrift in hoge mate geproblematiseerd. Een toenemende kennis van oude teksten leidde paradoxaal genoeg niet tot zekerheid maar tot scepsis. Vossius stelde onomwonden dat de Bijbel geen universele geschiedenis vertelde, maar slechts het historisch en lokaal begrensde relaas over één volk was. Hij zou als een van de pioniers van de bijbelkritiek de geschiedenis ingaan. Zijn opvattingen bleven echter niet onbesproken en de weinig tactvolle filoloog werd ervan beschuldigd de deur naar het atheïsme wijd open te zetten. Naar aanleiding van alle kritiek zette Vossius in 1661 zijn exegetische opvattingen nog eens op een rijtje in zijn De septuaginta interpretibus dat, interessant genoeg, vergezeld ging van een open brief aan onze Dordtse verzamelaar Andreas Colvius, waarin de domheid van Vossius' tegenstanders breed werd uitgemeten.240 Zowel in deze Epistola als in ongepubliceerde correspondentie met Colvius zette Vossius zijn bezwaren tegen de traditionele bijbelse tijdrekening en de hierop gebaseerde opvattingen over de verspreiding van volkeren, talen, flora en fauna uiteen. Dit waren netelige kwesties, die vanaf de jaren 1650 in heel Europa hooglopende discussies opriepen. Colvius was dus van meet af aan betrokken bij dit debat. Niet alleen kende hij Van der Mijle's De origine, ook volgde hij nauwgezet de discussie tussen Grotius en De Laet en verdiepte hij zich later in de geschriften van vriend Vossius.241 Kortom: Colvius was zich bijzonder goed bewust van het ‘wankelende wereldbeeld’ en de geproblematiseerde status van de tekstuele traditie.242

Precies hetzelfde geldt voor Johannes de Laet. Deze zou de commotie rond La Peyrère's Praeadamitae en Vossius' De vera aetate mundi niet meer meemaken, maar had bij leven al uiting gegeven aan zijn opvatting dat de Nieuwe Wereld aan de Ouden onbekend was.243 De geleerde werd zich geleidelijk bewust van de relativiteit van de begrippen tijd en ruimte. De Laet beschouwde klassieke teksten en de eigentijdse flora en fauna van Amerika als twee separate zaken. Zijn editie van Plinius' Naturalis historia kenmerkt zich door een streng-filologische aanpak; het is een historisch document geworden waarin een scheiding wordt gemaakt tussen verleden en heden.244 Nergens wordt gewezen op de onmiddellijke bruikbaarheid van Plinius' tekst. Nog nadrukkelijker is deze tendens zichtbaar in De Laets boek over gesteentes, De gemmis et lapidibus libri duo (1647). In het voorwoord verantwoordde De Laet zijn werk door te wijzen op het vele onzinnige dat ten gevolge van de ‘corrupte’ overlevering van teksten over stenen werd beweerd.245 In het boek wordt doorlopend een scherp onder-

[p. 320]

scheid gemaakt tussen de ‘Antiqui’ en ‘nos hodie’, tussen de kennis van de Ouden en de inzichten die wij thans hebben.246 De traditionele bespiegelingen over de verborgen krachten van stenen hebben plaatsgemaakt voor een zakelijke beschrijving van hetgeen De Laet zelf heeft gezien. Deze aanpak is ook een van de opvallendste kenmerken van het prachtige, door De Laet geredigeerde Historia naturalis Brasiliae (1648).247 Deze eerste uitgebreide natuurlijke historie van Zuid-Amerika was het resultaat van het verblijf van Johan Maurits van Nassau in Brazilië. Willem Piso (1611-1678) en Georg Marcgraf (1610-1644) hadden nauwgezet de natuurlijke historie van Brazilië in kaart gebracht, en op De Laet kwam de taak te rusten de aantekeningen te ordenen, aan te vullen en te publiceren. De Historia is recentelijk betiteld als een van de werken die de omslag markeren van de wijze waarop in de vroegmoderne tijd de natuurlijke historie werd beoefend.248 Hadden bij Gessner, Aldrovandi en hun navolgers tekstuele referenties een integraal onderdeel uitgemaakt van de beschrijving, in de Historia ontbraken deze. Miereneters en luiaards kwamen niet voor in de Bijbel, noch in Aristoteles, Plinius en de Physiologus. Het waren dieren zonder geschiedenis, schepselen zonder verhaal, waarvan de geleerden slechts de anatomie en het gedrag konden optekenen. De gebruikelijke inkadering van alle informatie in een etymologische en emblematische context bleef hier achterwege (zie afb. 69 en 70, p. 308 en 309).

Als we na de lange omweg van Babel, China en de Nieuwe Wereld weer terugkeren naar het uitgangspunt van deze paragraaf - het vermoeden dat in de collecties van Colvius en De Laet de tekstuele traditie een kleine rol speelde - dan kunnen we constateren dat beiden nauw betrokken waren bij de opkomst van een nieuw historisch besef. De aanvankelijk door veel geleerden gekoesterde overtuiging dat de werken van de Ouden universele geldigheid hadden en dat in de Bijbel de geschiedenis van de héle schepping werd verteld, maakte geleidelijk aan plaats voor een historisering van canonieke sacrale en profane teksten en een relativering van hun reikwijdte. Dit was een langdurig proces. Naast de sluimerende ondermijning van autoriteiten als Plinius en Aristoteles, waren vooral Casaubons ontmaskering van het Corpus Hermeticum, La Peyrères Praeadamitae en Vossius' De vera aetate mundi de meest in het oog springende manifestaties van deze ontwikkeling. Ontdekkingsreizen, filologie en natuurlijke historie gingen hand in hand. De Europese zucht naar rariteiten, oorspronkelijk mede bedoeld om de klassiek-christelijke geschiedenis te illustreren, begon paradoxaal genoeg deze juist te ondermijnen. Humanistische verzamelaars hadden welbeschouwd een soort paard van Troje binnengehaald.

Of de veranderende status van oude teksten en de daarmee gepaard

[p. 321]

gaande problematisering van het verleden van directe invloed is geweest op de samenstelling van de rariteitenkabinetten van de Dordtse predikant en de Leidse kosmograaf, is een vraag die bij gebrek aan bronnen niet ondubbelzinnig kan worden beantwoord. Op de achtergrond is dit zonder twijfel een uitermate belangrijke factor geweest. Indien rariteitenkabinetten bedoeld waren als een afspiegeling van de Schepping (en dat waren ze natuurlijk), dan zullen ze een weerslag gegeven hebben van het beeld dat men op een bepaald moment van de wereld en haar geschiedenis had. De rariteiten wezen rond 1600 alle kanten op, zowel in tijd als in ruimte, en waren ingebed in een tekstueel kader. In de loop van de eeuw werd de voorheen vanzelfsprekende uitwisselbaarheid tussen res en verba geproblematiseerd. De aandacht verschoof naar de orde, regelmaat en structuur van de zaken die overal ter wereld in de natuur gevonden werden. De rariteitenverzameling werd een naturaliënkabinet.

3 Van rariteitenverzameling tot naturaliënkabinet

De verandering die zich in de samenstelling van de kabinetten van Colvius en De Laet voltrokken lijkt te hebben, is wellicht symptomatisch voor een algehele verschuiving in de belangstelling van ook minder geleerde verzamelaars in de Republiek. De indruk die we uit de bronnen krijgen is dat rond 1665 in iedere collectie van betekenis steeds weer dezelfde soort naturalia, artificalia en etnografische voorwerpen voorkwamen.249 De aanwezigheid van deze artefacten werd waarschijnlijk enerzijds gedicteerd door intellectuele ontwikkelingen en bepaalde conventies, en anderzijds ingegeven door praktische omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de toestroom van exotica uit de Oost en de West.

Een goede illustratie van de samenstelling van zo'n kabinet biedt dat van de Amsterdamse koopman Jan Volkertsz (1578-1651), dat werd voortgezet door diens zoon Volkert Jansz (ca. 1610-1681).250 Uit het reisverslag van Christiaan Knorr von Rosenroth (1663) blijkt dat ook hier aanwezig waren: kunst- en gebruiksvoorwerpen uit de Indiën; schelpen, mineralen en dieren (afb. 72). Natuurlijk ontbraken welhaast verplichte nummers als enige monsterlijk vergroeide dieren, een armadillo, een remora, de hand van een zeemeermin en de paradijsvogel (‘pedis eius minimi sunt’, voegt Rosenroth er voorzichtig aan toe) niet.251 Ondanks de afwezigheid van expliciet bijbelse verwijzingen, riep deze verzameling bij poëtisch ingestelde bezoekers godvruchtige gevoelens op. De Dordtse dichteres en savante Margreta Godewyck rijmde:

[p. 322]
 
‘'T is vrij wat ongemeens in't ooghe vande menschen
 
wat heeft den vinger Gods al wond'ren uyt gewrocht
 
Wanneer ick dan doorsie de schel van dese dingen,
 
'En yders kracht bespeur: dan wert mijn ziel verheught;
 
Om tot Gods naem en eer een lof-sangh voor te bringen,
 
Want in Gods werck schep ick de meest lust en vreucht.’252



illustratie

72 en 73. In 1663 bezocht Christiaan Knorr von Rosenroth in Amsterdam de verzamelingen van Jan Volkertsz en vader Swammerdam. Bij de eerste zag hij onder meer een gordeldier, een monsterlijke geboorte en een opmerkelijk reptiel, bij de tweede onder meer ‘een vliegende kat of vliegende aap’. (hab)


[p. 323]



illustratie

De Amsterdammer Jan Zoet liet zich in soortgelijke bewoordingen uit. Hij schreef ter ere van Volkertsz, ‘Zonderling Lief-hebber der Goddelikke Wonderwerken’, een gedicht waarin hij diens rariteitenverzameling betitelde als:

 
‘Een boek, daar in zig God zelfs heerlik heeft beschreven.
 
Het vleeschelik vernuft staat, voor die lett'ren stom.’253

De gedachten van deze dichters lijken nagenoeg hetzelfde te zijn: de rariteiten zijn manifestaties van Gods scheppende almacht, zij zijn de ‘letteren’, ‘die ons de onsienlicke dingen Godts geven te aenschouwen’.254 Maar

[p. 324]

anders dan de collecties die een halve eeuw eerder tot stand kwamen, werd admiratio niet zozeer meer opgewekt door het bijbelse of het symbolische, maar door de wonderbaarlijke veelvormigheid van de eigentijdse wereld. Dit proces van transformatie duurde lang en alhoewel er op detailniveau allerlei verschillen zijn te zien, ligt er toch een wereld van verschil tussen de rariteitenverzamelingen van Paludanus en Leiden aan het begin van de zeventiende eeuw en de naturaliënkabinetten van Vincent en Seba aan het begin van de achttiende eeuw. Verzamelingen behielden evenwel hun religieuze connotatie. De ontrafeling van het tekstuele web werd ruimschoots gecompenseerd door toenemende nadruk op Gods masterplan, zoals geopenbaard in de Schepping en getoond in de verzamelingen. Een voortrekkersrol in deze ontwikkeling werd gespeeld door Jan Swammerdam. In apotheek De Star in Amsterdam voltrok zich de transformatie van rariteitenverzameling tot naturaliënkabinet.

Het kabinet van vader Swammerdam

Toen Rosenroth in 1663 Amsterdam bezocht, bekeek hij niet alleen de collectie van Jan Volckertsz, maar ook die van ‘Johannes Swammerdam, Amsterdams apotheker, op de Oude Schans bij de Montelbaanstoren wonende’ (afb. 73).255 Swammerdam senior was rond 1630 begonnen met verzamelen. Mede dankzij de gunstige ligging van huize Swammerdam, nabij de havens van het IJ, wist hij een collectie bijeen te brengen die de grondstoffenvoorraad van een apotheker verre oversteeg. De faam van de collectie van Swammerdam senior was groot, en dankzij de aantekeningen van reizigers als Rosenroth, Borch en De Monconys kunnen we ons een gedetailleerd beeld vormen van de hier bijeengebrachte rariteiten.256 Dat beeld wordt gecompleteerd door de catalogus die zoon Jan in 1679, na het overlijden van zijn vader, opstelde.257 Met circa 6000 voorwerpen, ondergebracht in 27 kasten, was dit een omvangrijke collectie. Als we afgaan op de catalogus van Swammerdam junior, dan lijkt de ordening ingegeven te zijn door het basisprincipe: soort bij soort. Als we het geheel overzien, dan vallen een paar dingen op.

Allereerst natuurlijk de aanwezigheid van de bekende naturalia: vier paradijsvogels (drie met pootjes, een zonder), het vel van een Tartaars lam en wol daarvan gesponnen, de hand van een zeemeermin, en de zogenaamde hoorn van een eenhoorn (afkomstig van een vis in de Noordelijke wateren, voegen de bronnen daaraan toe). Daarnaast ontbraken ook hier de nodige praeternatuurlijke voorwerpen niet zoals bijvoorbeeld kokosnoten waarin zich ‘heel naturel een Aeps-kop vertoonen’, een steen ‘daar naturel

[p. 325]

een kruys in gegroeyt is’, en schelpen waarop Arabische en Hebreeuwse lettertekens leesbaar waren, waaronder een met het woord Elohim.258 Had Scaliger nog geleefd, hij zou er zeker voor naar Amsterdam zijn gekomen. Verder had de apotheker een enorm aantal exotische, maar op zich niet abnormale naturalia: schelpen, koralen, ertsen, mineralen en gedroogde vruchten. Wellicht tekenend voor de interesses van Hollandse verzamelaars is de aanwezigheid van een Chinese tijdtabel, ‘lang ses voet’.259

Kortom, de verzameling van de Amsterdamse apotheker doet bijzonder sterk denken aan die van Paludanus (uit wiens collectie Swammerdam senior ook ‘Sonnenaarde’, dat wil zeggen gouderts bezat).260 Maar ook hier zien we weer hét grote verschil met Paludanus en het Leidse theatrum: de in Enkhuizen en de universiteitsstad zo nadrukkelijk aanwezige antiquiteiten, devotionalia en bijbelse naturalia waren bij Swammerdam nagenoeg afwezig. Bij de verzameling van Swammerdam senior lag de nadruk nog steeds sterk op het afwijkende, exotische en bizarre. Maar tegelijkertijd zien we hoe hier elementen aanwezig zijn die vooruitwijzen naar toekomstige ontwikkelingen. In zijn collectie bewaarde vader Swammerdam namelijk ook een aantal insecten. Hij bezat niet alleen zinnebeeldige insecten als sprinkhanen, vlinders en een vliegend hert, maar ook een alledaagse ‘Boom-tor’, een ‘Hommel-bey’ en een ‘Kakkerlak’, alsmede ‘Een vergroot-glas met sijn koper en toebehoor’.261 De aanwezigheid van deze laatste zaken kwam zonder twijfel op het conto van zijn oudste zoon.

Jan Swammerdam: de orde en structuur van Gods werken

Toen Rosenroth, Borch en anderen rond 1662 de collectie van de oude Swammerdam in Amsterdam kwamen bewonderen, woonde diens zoon Jan op kamers in Leiden om daar medicijnen te studeren. Hij heeft hier ongetwijfeld zijn ogen uitgekeken in de hortus botanicus en het theatrum anatomicum, en waarschijnlijk het zijne gedacht van de hier bijeengebrachte ‘rariteyten’. De collecties van beide instellingen hadden tijdens de eerste decennia van hun bestaan in het teken gestaan van de kennistheoretische verschuiving van tekst naar aanschouwelijkheid, maar waren daarna niet echt meer met de razendsnelle ontwikkelingen van hun tijd meegegaan. Rond 1660 hadden ze in principe nog hetzelfde karakter als een halve eeuw daarvoor en vielen ze eerder te beschouwen als een toeristische attractie dan als demonstratiemateriaal bij de nieuwste natuurwetenschappelijke inzichten. Talrijke bronnen getuigen bijvoorbeeld van het feit dat de ‘principaelste rarieteyten’ in de anatomiekamer sinds het emeritaat van Heurnius in 1650 niet wezenlijk van karakter waren veranderd.262 Grens-

[p. 326]



illustratie

74. ‘Wanneer men nu de Hoorn met een saagken, dat uyt een dunne veer van een Orologie is gemaakt, open saagt’, zo schreef Swammerdam over de wonderbaarlijke structuur van een slakkenhuis, ‘soo siet men seer aardig hoe dat dese draaying inwendig toedraagt’. De afbeelding en beschrijving werden gepubliceerd in de Bybel der natuure (1737). (hi)


verleggend onderzoek vond echter nog steeds plaats in het Leidse theatrum anatomicum: onder leiding van Dele Boë Sylvius en Van Horne excelleerde een groep jonge studenten, onder wie Swammerdam, in het ontleden van mens en dier. De nadruk lag niet meer op de aanschouwing van skeletten, mummies en exotica, maar op de anatomie van mensen, honden en kikkers.263 Deze groep zou als een van de grondleggers van de comparatieve anatomie de geschiedenis ingaan. Swammerdam was niet alleen werkzaam in het theatrum, maar begon ook privé met de aanleg van een collectie anatomische preparaten en insecten. Toen Borch in 1662 Swammerdam in Leiden bezocht, kon hij reeds een aardig lijstje ‘rariora’ optekenen.264 Dankzij zijn verzameldrift en revolutionaire preparatietechnieken (die hij mede baseerde op aanwijzingen van de Amsterdamse dichteres en alchemiste Catrina Questiers en de wiskundige Johannes Hudde) groeide Swammerdams verzameling tijdens zijn studietijd in Leiden en Frankrijk in hoog tempo uit.265 In 1669 omvatte Swammerdams collectie reeds 1200 items; een aantal dat uiteindelijk uitgroeide tot 3000.266

Swammerdams collectie genoot reeds vóór de publicatie van de Historia generalis insectorum (1669) de nodige faam. Cosimo de' Medici bezocht

[p. 327]

in juni 1669 de zeer vereerde Swammerdam, al moet betwijfeld worden of het bij deze gelegenheid was dat de prins een bod van 12.000 gulden deed op diens collectie. Het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat dit aanbod, en de daaraan gekoppelde voorwaarde om naar Florence te komen, gedaan werd in de jaren van Swammerdams religieuze crisis (1674-1675).267 Pas na deze episode stelde Swammerdam pogingen in het werk om zijn collectie van de hand te doen.268 De redenen hiervoor waren weinig verheven. De medicinae doctor leefde vanaf 1666 (met enige onderbrekingen) in het huis zijns vaders, die liever zag dat zoonlief een decent beroep zou gaan uitoefenen in plaats van zich te wijden aan de bestudering van ongedierte.269 Na zijn terugkeer uit de kring van Bourignon in 1676 heeft Swammerdam jarenlang via Thévenot getracht de collectie van de hand te doen, om zo verzekerd te zijn van een inkomen en aldus verlost te zijn van de druk van zijn vader. Hiertoe stelde hij een uitgebreide verkoopcatalogus op die, zo stelde hij zich voor, ook geïllustreerd zou moeten worden.270 Toen Thévenot na lang dralen in 1681 eindelijk een summiere samenvatting publiceerde, was Swammerdam al overleden.271

Toch leverde het samenwonen van vader en zoon in apotheek De Star niet alleen spanning op. Op vele plaatsen in zijn werk beschrijft Swammerdam hoe naturalia uit zijn vaders collectie dienden als uitgangspunt voor zijn eigen onderzoek. Zeventiende-eeuwse rariteitenverzamelingen konden vanuit verschillende perspectieven worden bekeken. De betekenis van een object was geen inherent, objectief gegeven, maar sterk afhankelijk van de interpretatie van het kennend subject. De meeste bezoekers van collecties als die van vader Swammerdam zullen zich hebben laten overweldigen door de enorme uitgebreidheid en de vele wonderbaarlijkheden, en dwalend langs de ladenkasten de hierin tentoongestelde artefacten oppervlakkig hebben bekeken of in verband hebben gebracht met hun kennis van de Bijbel en de klassieken.

Jan Swammerdam deed iets fundamenteel anders. Hij lichtte incidentele voorwerpen als koralen, schelpen en insecten eruit en legde ze onder de microscoop om hun wonderbaarlijke anatomie te bestuderen (afb. 74). Bij het onderzoek van zijn vaders schelpen speculeerde hij niet over de hierop leesbare sporen van het verbum Dei, maar beperkte hij zich tot een zakelijke beschrijving van hun opmerkelijke structuur:

‘En op dese wyse syn meest alle de soorten der hoornkens tesamen gestelt, hoe wonderlyk sy mogen gedrayt en gemaakt wesen: gelyk ik dat in veele en verscheyde soorten, die in het Cabinet van mijn vader syn, heb ondersocht.’272

[p. 328]

Uit deze en talloze andere passages blijkt hoe Swammerdam steeds weer zocht naar de eenheid in de verscheidenheid, naar de onderliggende ‘orde ende regelen’ die de anatomie van alle schepselen dicteerde. ‘Alle Gods werken sijn op de selve regelen gegrontvest’, herhaalde Swammerdam keer op keer.273 Dit axioma zou een enorme invloed hebben op de beoefening van de natuurwetenschap en de cultuur van het verzamelen. Voor Swammerdam waren klassieke referenties en zinnebeeldige betekenissen nauwelijks meer relevant. Kennis kwam niet tot stand via boeken, maar door onderzoek van de ‘Bybel der nature’ zélf. Teksten over de natuur waren gecorrumpeerd en onbetrouwbaar. Zoals Vossius bij de bestudering van de Bijbel zich niet langer tevreden stelde met onbetrouwbare afschriften, zo wilde ook Swammerdam terugkeren tot de ‘grondtekst’, dat wil in dit geval zeggen: de zintuigelijk waarneembare natuur.

De grootheid van ‘den Alder Oppersten Maaker’ bleek voor Swammerdam uit de oneindig verfijnde stuctuur van al het geschapene.274 Die regelmaat was zichtbaar in de inwendige en uitwendige anatomie van élk levend wezen, ongeacht status, aard of herkomst. Deze opvatting had enorme consequenties voor de cultuur van het verzamelen van rariteiten. Bij Swammerdam kregen alle schepselen dezelfde ontologische status toebedeeld en deed het onderscheid tussen normaal of abnormaal, groot of klein, lelijk of mooi, zeldzaam of alledaags er niet meer toe. In de visie van Swammerdam was het zoeken naar afwijkingen in de hoop op deze wijze de essentie van de schepping te begrijpen een vruchteloze onderneming. Niet het verzamelen en beschijven van individuele entiteiten, maar het analyseren van algemene processen - in casu de anatomie en generatie van insecten - leidde tot bewondering voor Gods scheppende almacht en aldus tot ware kennis en godsvrucht. Voor natuurfilosofen die de loop van de natuur trachtten te herleiden tot een beperkt aantal grondregels - naast Swammerdam ook bijvoorbeeld Galilei, Descartes, Hooke en Grew - was het hele concept van rariteitenverzamelingen een epistemologisch monstrum.275

In zijn werk trachtte Swammerdam uitsluitend te beschrijven en af te tekenen wat hij zélf had onderzocht. Ook dit had belangrijke gevolgen. Hoewel eerdere verzamelaars al enige kritische zin tentoon hadden gespreid en het belang van de empirie hadden benadrukt, ging niemand daarin zo ver als Swammerdam. Paludanus en Brinck hadden bijvoorbeeld de aanwezigheid van een zogenaamde veer van een basilisk of de hoorn van een eenhoorn, alsmede de getuigenissen van geloofwaardige personen gezien als bewijzen voor het bestaan van deze dieren. Swammerdam geloofde en beschreef slechts wat hij met eigen ogen gezien had en het liefst eigenhandig ontleed. Het beste voorbeeld van deze aanpak is natuurlijk Swammerdams

[p. 329]

weerlegging van de theorie van de spontane generatie. Maar ook elders in zijn werk vinden we venijnige uithalen naar andere ‘fabulen’ op natuurhistorisch gebied. De naturalia uit Swammerdams eigen collectie of die van zijn vader dienden niet alleen als uitgangspunt voor het onderzoek, maar ook als sluitstuk: de verzameling stond zowel aan het begin- als aan het eindpunt van het heuristisch proces. Zo merkt Swammerdam na zijn revolutionaire uiteenzetting over de voortplantingsstadia van sommige insecten bijvoorbeeld op ‘... ende van welke Popkens, Vliegkens, ende gewaskens, wy eenige die seer seldsaam sijn, tot roem van de wondere werken der onuytputtelijke natuur, bewaren; ende vertoonen kunnen.’276 Wie hem niet geloofde, die moest zelf maar komen kijken. Dat was natuurlijk een retorische opmerking: vrijwel niemand was in staat Swammerdams pionierswerk te controleren of bij de doorlopend door ziekte en labiliteit geplaagde onderzoeker op bezoek te gaan. Zijn publiek moest in principe maar geloven wat ze lazen of op de veelal zonder verklarende tekst onbegrijpelijke gravures zagen. Maar in essentie zien we in Swammerdams theorie en praktijk op microniveau de hele zeventiende-eeuwse wetenschappelijke ontwikkeling samengevat: de verschuiving van het abnormale naar de verwondering over het alledaagse. ‘Soo bewaaren wy nog een soorte van Zee-pissebedden, welke wy inde soute wateren gevonden hebben’ is een karakteristieke aanhef van een van Swammerdams anatomische exercities.277 Verwondering over de voor elke Nederlander zichtbare natuur, daar ging het om.

Swammerdams verzameling kunnen we uit verschillende bronnen reconstrueren. De collectie was, zoals hij aan Thévenot schreef, met ‘veel arbeyt, waken, reysen, en moeyte’ tot stand gekomen.278 De conserveringsproblemen die eerdere anatomen en verzamelaars tot wanhoop hadden gebracht, had hij grotendeels overwonnen. De insecten in zijn verzameling, ‘die ik veel meer als al het andere estimeer’, werden door Swammerdam zelf en zijn geleerde vrienden bijeengebracht.279 Swammerdam beschrijft talloze malen hoe hij zelf insecten probeerde te vangen en maakt doorlopend melding van de ‘bloedeloose dierkens’ die hij van vrienden kreeg. Zo schonk Colvius hem een exemplaar van het haft, Piso Braziliaanse spinnen, en zijn studievriend Padtbrugge talloze exotische insecten uit de Oost.280 Omgekeerd deelde hij zijn vondsten graag met anderen. Zo was de Royal Society ‘well-pleased’ met de doos anatomische preparaten die zij in 1672 door Swammerdam ten behoeve van haar ‘Repository’ kreeg toegestuurd.281

In zijn kabinet bewaarde Swammerdam een groot aantal dozen met insecten, die in grote lijnen geordend waren per soort: de nachtvlinders bij

[p. 330]

de nachtvlinders, de torren bij de torren, en de haften bij de haften. ‘Er hatte alle Classes derselben in seinen Schachteln auf Nadeln stehen’, noteerde een Duitse bezoeker in 1671, ‘und dieselbe mit Balsam angestrichen, damit sie unverweslich seyn. Die generale descriptionem derselber hat er in Hollandischer Sprache herausgegeben, vvelches in England sehr aestimirt vvird. Er könte aber noch vvohl 100 Bücher davon schreiben, vven er alle species durchgehen vvolte.’282 Per klasse bewaarde Swammerdam de ‘bloedeloose dierkens’ niet alleen soort bij soort, maar ook in de verschillende stadia van hun ontwikkeling. Bovendien bewaarde hij een wespennest ‘a quatre etages’ en 88 tekeningen van exotische insecten. Daarnaast bezat hij een groot aantal anatomische preparaten, variërend van een foetus op sterk water tot de testikels van een rat, en van de long van een mens tot ‘Les commencements des dents dans un Embryon d'agneau’.283

Ook dit waren allemaal ‘rariteiten’, maar de context waarin deze begrepen moeten worden was toch een essentieel andere dan die van eerdere kabinetten. Een korte opmerking is hier echter op zijn plaats. Swammerdams kabinet is in het recente verleden nogal anachronistisch betiteld als een louter wetenschappelijk instrument.284 Zijn verzameling zou slechts als doel hebben gehad een wetenschappelijke theorie te bewijzen. Swammerdam zelf laat echter geen enkel misverstand bestaan over het onlosmakelijke verband tussen wetenschap en godsvrucht (afb.75). In een in 1674 gepubliceerde brief aan Boccone schreef hij bijvoorbeeld:

‘Alle de zeldzaemheden die ik tot nog toe onderzocht hebbe, bewaere ik in hun geheel op stucken Glas, om zomtyds enige Vrienden te onderhouden, die de Studiën beminnen, en deze aengename en voortreffelyke naspeuringen begeeren voort te zette, welke de Goddelyke en aenbiddelyke bouwmeester van 't geheel al ons ieder ogenblik vertoont, dog die zig nogtans zo diep in deze Werken verbergt, dat wy steeds genootzaekt zyn te zeggen, dat wy slegs maer alleen de schaduwe zyner ontelbare wonderen beschouwen.’285

Het verzamelen, observeren, analyseren, classificeren, beschrijven en aftekenen van de creaturen was voor Swammerdam een vorm van eredienst. Onnauwkeurig werkende verzamelaars als Goedaert, of lieden die in vreemde landen rariteiten verzamelden uit winstbejag en niet uit godsvrucht, waren nagenoeg gelijk aan ketters.286

Tot de bezoekers van Swammerdam behoorde onder anderen Christiaan Huygens. Ondanks het feit dat Swammerdam ziek was, mocht Huygens niet vertrekken alvorens diens ‘zeldzaemheden’ gezien te hebben. Huygens

[p. 331]



illustratie

75. Swammerdam correspondeerde uitvoerig met de Italiaan Paolo Boccone over de opmerkelijke bouw van koralen en sponzen, waaruit volgens hem de almacht van de ‘goddelijke en aenbiddelyke bouwmeester’ bleek. Hun ondervindingen werden, met onder meer deze afbeelding, in 1674 gepubliceerd. (kb)


was ‘seer verwondert over mijn grote collectie’, berichtte Swammerdam aan Thévenot.287 Via Huygens kwamen enthousiaste berichten terecht bij de Royal Society.288 Het genootschap ondernam rond 1676 pogingen om de verzameling in haar geheel over te nemen.289 De transactie ging om onduidelijke redenen niet door, maar de belangstelling is tekenend. De Society worstelde met het probleem waarmee vroeg af laat iedere zeventiende-eeuwse verzamelaar te maken kreeg: een enorm uitdijende collectie van de meest uiteenlopende zaken. Wat moest men verzamelen om een goed beeld te krijgen van de natuur: afzonderlijke entiteiten of van iedere soort het meest kenmerkende? Afwijkingen op de regel of juist het normale en gangbare? Exotica of ook naturalia van dicht bij huis?290 We zien hier dezelfde omslag in het denken over de aard en doel van verzamelingen als bij Swammerdam. Ook Nehemiah Grew legde in de gedrukte inventaris Museum Regalis Societatis (1681) het accent op het verwonderlijke in het alledaagse: ‘It were also very proper, That not only Things strange and rare, but the most known and common to us, were thus describ'd.’291 En bij die beschrijving diende de geleerde zich te houden aan de zichtbare feiten en zich niet te verstrikken in ‘Mystick, Mythologick, or Hieroglyphick matters ... as some have done’. De toon was gezet, alhoewel de praktijk wat weerspanniger was dan de theorie.

Ondanks de internationale bekendheid van Swammerdams collectie zou deze nooit verkocht worden. Na Swammerdams dood in 1680 viel ze uiteen. De historische waarde van de verzameling is moeilijk in te schatten. Enerzijds droeg ze een dusdanig sterk stempel van de persoonlijkheid

[p. 332]

van de eigenaar en was deze dermate afwijkend van karakter vergeleken met andere zeventiende-eeuwse verzamelingen, dat zij als uitzonderlijk betiteld kan worden. Anderzijds zien we bij Swammerdam een lange-termijn trend in nuce: ‘The turn of science in the seventeenth century from texts to things, from language to laboratory, from nature emblematized to nature laid bare.’292

Frederik Ruysch: monsters in de marge

‘Ruijs heeft een anatomiekamer opgericht,’ schreef Swammerdam in 1671 aan Thévenot, ‘en laat die om gelt sien’.293 Het kabinet van Frederick Ruysch (1638-1731) zou in de daaropvolgende decennia uitgroeien tot een van de beroemdste van Europa, in 1717 en bloc worden opgekocht door Peter de Grote, waarna de inmiddels 79-jarige anatoom onverstoorbaar begon met het aanleggen van een nieuwe verzameling. De Amsterdamse geneesheer en hoogleraar was een gevierd wetenschapper, die later onder andere benoemd zou worden tot Fellow van de Royal Society, en die er talrijke internationale contacten op nahield.294 Zo bezocht Cosimo de' Medici tijdens zijn Hollandse reizen niet alleen Swammerdam, maar aanschouwde hij ook in huize Ruysch verschillende ontledingen en andere curiositeiten.295 Evenals Swammerdam had Ruysch in Leiden bij Dele Boë Sylvius en Van Horne gestudeerd en zou ook hij later excelleren in het anatomiseren van mens en dier. De parallellie met Swammerdam ging nog verder: ook Ruysch beschikte over - zorgvuldig geheimgehouden - technieken om natte en droge preparaten te vervaardigen, die hij overigens ontleende aan zijn vroegere studiegenoot. Hun karakters liepen sterk uiteen. Tegenover de labiele en gedreven Swammerdam, die een ambivalente houding had ten opzichte van de wereld van kennis en macht, stond de nuchtere Ruysch, die zich hierin juist als een vis in het water voelde. Swammerdam was een volbloed onderzoeker die werkte aan de grenzen van het weten, terwijl Ruysch veel meer was gericht op demonstratie en conservering. Terwijl Swammerdam, ondanks al zijn twijfel en gewetensnood, uiteindelijk de wetenschap louter beschouwde als een eredienst aan God, hebben voor Ruysch ook status en financieel gewin zeker een rol gespeeld. Maar hoe groot de verschillen in persoonlijkheid ook waren, feit is wel dat de opzet van Ruysch' kabinet meer in de geest van Swammerdam was dan die van andere tijdgenoten.

Ruysch ruimde vijf kamers van zijn Amsterdamse woning in voor het tentoonstellen van naturalia. Hij leidde hier soms zijn pupillen rond, maar stelde zijn verzameling ook open voor een breder publiek.296 Bovendien be-

[p. 333]

schreef hij vanaf 1701 zijn collectie in een tiental rijk geïllustreerde catalogi. Dat laatste was een noviteit. Nederlandse verzamelaars hadden tot dan toe hun bezittingen getoond aan een select publiek, en slechts beknopte (handgeschreven of gedrukte) inventarissen vervaardigd. Swammerdam speelde, met het oog op de verkoop van zijn kabinet, met de gedachte om een geïllustreerde catalogus uit te geven, een poging die verzandde in de laksheid van Thévenot. Ruysch' project was echter nadrukkelijk bedoeld om de bezoekers en potentieel geïnteresseerden een concreet beeld van de verzameling als zodanig te geven. Ruysch' collectie was onderverdeeld in een aantal afzonderlijke kasten (kabinetten of thesauri) die ieder een eigen karakter hadden, en ieder in een eigen catalogus beschreven werden. De catalogi (of Thesauri) werden veelvuldig herdrukt, vertaald en afzonderlijk of samengebonden uitgegeven. Dankzij dit rijke materiaal en ander gepubliceerd en ongepubliceerd werk kunnen we ons een bijzonder gedetailleerde indruk van Ruysch' naturaliënkabinet vormen.

Hierbij valt een aantal dingen op.297 Allereerst de afwezigheid van historisch materiaal. Ruysch' kabinet was het logische vervolg op zijn bezigheden als hoogleraar anatomie, praktiserend geneesheer en curator van de Amsterdamse hortus botanicus. Wat we hier zien is een enorme collectie preparaten van mens en dier, insecten, schelpen, koralen en andere naturalia. Evenals bij Swammerdam werd veel van het door Ruysch ontlede materiaal bewaard ter illustratie en als bewijsmateriaal. De kabinetten waren samengesteld, zo merkte Ruysch op, om ‘de wonder werken van God Almagtig te beschouwen’.298 Een welgemeende opmerking of obligate frase: Ruysch' opmerking is wel kenmerkend voor de sociale conventies van zijn tijd. Ruysch anatomiseerde en prepareerde allerhande onderdelen van het menselijk lichaam en van dieren, stelde deze tentoon, beschreef ze en liet ze aftekenen. De nadruk lag ook hier op structuur, orde en regelmaat.

Ruysch' levendige belangstelling voor bijvoorbeeld monsterlijke geboorten kwam niet voort uit de klassieke preoccupatie met praeternatuurlijke zaken, en ging evenmin gepaard met opmerkingen over aanstaand onheil. Hij was ervan overtuigd dat voor misgeboorten een natuurlijke verklaring bestond en zag hierin de hand des Heren.299 Ruysch' houding in deze is kenmerkend voor de verschuiving in het Europese denken over monstra. Misgeboorten en andere afwijkingen van de normale loop der dingen werden in geleerde kring nu nadrukkelijk binnen het domein van de natuurlijke verklaringen getrokken. In de loop van de zeventiende eeuw werd de categorie van het praeternatuurlijke langzaam maar zeker uitgehold. Ook in teratologische verhandelingen maakte hermeneutische, interpretatieve beschouwingen plaats voor een meer descriptieve, feitelijke benadering,

[p. 334]



illustratie

76. Met name vanwege het opmerkelijke voortplantingsgedrag werd de pipa rond 1700 object van grote verwondering, ‘waar van het wyfken haare jongen op de rugge draagt, daar in se haar zaade ontfangt ende aanqueeckt’. Deze beschrijving en afbeelding zijn afkomstig uit Maria Sibylla Merians Metamorphosis insectorum Surinamensis (1705). (kb)


[p. 335]

die overigens evenzeer leidde tot admiratio.300 Verwondering werd in het geval van Ruysch opgeroepen door de opzienbarende, maar in wezen geheel natuurlijke constitutie van de monsters. Hetzelfde gold voor de oneindig verfijnde bouw van het menselijk lichaam. Microscopisch onderzoek van bijvoorbeeld haarvaten deed Ruysch in zijn wetenschappelijke publicaties en privécorrespondentie herhaaldelijk uitbarstten: ‘O Almachtige Heer, hoe wonderbaarlijk zijn Uw werken!’301

Een gelijksoortige verwondering blijkt uit Ruysch' fascinatie voor een wel zeer merkwaardige pad, de uit Suriname afkomstige pipa. Het gaat hier om een uitermate lelijk amfibie waarbij de jongen, na een zeer vernuftig paringsritueel, geboren worden uit blaasjes op de rug van de moeder. Nicolaes Witsen was de eerste in Europa die in de jaren 1680 een exemplaar ontving.302 Ook Ruysch kreeg al snel dergelijke padden in zijn bezit. Het wezen was dermate wonderbaarlijk dat Hollandse verzamelaars door hun Engelse collega's bestookt werden met bedelbrieven om informatie, tekeningen en exemplaren van het dier zelf. Ruysch schreef in antwoord op een dergelijke brief van Petiver dat hij zelf twee soorten bezat, ‘noirs & grisatres’, maar dat hij er geen een van kon missen. Hij verwees derhalve naar ‘Madame Merian [qui] a donner en public un figyre de sette crapeau, avec les petits sur le dos, il sera plus rare & plus desidera’ (afb. 76).303 Binnen korte tijd was een pipa een verplicht nummer in ieder naturaliënkabinet, aldus de plaats innemend van paradijsvogels, handen van zeemeerminnen of hoorns van eenhoorns. Maar anders dan deze laatste dieren, werd aan de pipa geen zinnebeeldige betekenis toegekend; het was hun opmerkelijke voortplantingsgedrag dat een bron van verwondering vormde. De veranderende sensibiliteit ten opzicht van ‘rariteiten’ blijkt ook heel duidelijk uit het feit dat Ruysch' pipa's niet van afstand bewonderd werden of figureerden in emblemataboeken, maar op de snijtafel belandden. Ruysch' anatomische observaties werden uiteindelijk opgenomen in de Description du pipa van zijn collega-verzamelaar Levinus Vincent, die benadrukte dat de ‘incomprehensible Puissance’ van de Heer nergens duidelijker zichtbaar was dan in dit dier.304

Al deze aandacht voor de zichtbare structuur mag ons echter niet uit het oog doen verliezen dat Ruysch' verzameling wel terdege een expliciet moraliserende betekenis had. Ruysch' kabinet droeg een sterk stempel van zijn opleiding in Leiden (afb. 77). Meer specifiek: bij Ruysch zien we een eigentijdse versie van het theatrum anatomicum zoals dat door Pauw was ingericht. (De obsessie van Pauws opvolger Heurnius voor oude talen en culturen werd door de weinig belezen Ruysch niet gedeeld). Zijn collectie naturalia werd samengebracht in verschillende kasten, die elk een eigen

[p. 336]



illustratie

77. Afbeelding uit Het eerste anatomische kabinet van Frederik Ruysch (1701). Het kinderskeletje links draagt een zeisje in de hand; het rechter skeletje brengt een ‘zakdoekje’ van een zeer dun vlies naar de ogen, ‘als wilde het de miseriën der menschen al schreijende uijtdrukken’. Het geheel staat sterk in de vanitas-tradities die Ruysch tijdens zijn studietijd in Leiden had leren kennen. (kb)


[p. 337]

thema hadden. Dit waren zonder uitzondering bekende motto's als Homo bulla of Ab utero ad tumulum.305 Ruysch stelde kunstige ensembles samen, waarin kinderskeletjes viool speelden, bellen bliezen, en motto's droegen als: ‘'t Zelfde uur, dat my het leven gaf, heeft 't my ook ontnomen.’ Een van de babyskeletjes hield zelfs een haft vast.306 Afgezette kinderbeentjes of -hoofdjes werden voorzien van batisten kraagjes, en stopflessen met vogels of reptielen op sterk water werden voorzien van deksels waarop insecten, schelpen of koralen bevestigd waren.

Als we Ruysch' rijke verzamelingen overzien, kunnen we concluderen dat deze de vloeiende overgang van rariteitenverzameling naar naturaliënkabinet illustreert. Net als bij de meer radicale Swammerdam waren historische verwijzingen nagenoeg verdwenen. Hoewel Ruysch' verzameling sterk het stempel droeg van de traditionele vanitas-motieven, was het accent verschoven in de richting van de uiterlijke structuur. Ook Ruysch benadrukte de godvruchtige motieven van zijn onderneming, al lijken zijn vermaningen minder nadrukkelijk dan die van Swammerdam.

4 Nederlandse collecties rond 1700

In de loop van de zeventiende eeuw veranderden Nederlandse verzamelingen in hoge mate van karakter. De nadruk verschoof van praeternatuurlijke en ‘bijbelse’ naturalia naar verzamelingen waarin veel meer de nadruk lag op de onderliggende natuurlijke orde. De wijze waarop collecties gepresenteerd werden, doorliep een parallel proces: van humanistische studiolo naar semi-openbare verzameling, ‘from solitude to sound’ zoals dit proces in de Italiaanse context treffend is betiteld.307 Dit veranderingsproces ging uiteraard niet van de ene dag op de ander; het gaat hier om een algemene tendens. Persoonlijke ideeën speelden een grote rol, en daarnaast moet natuurlijk bedacht worden dat de inhoud van een kabinet moeilijker te dateren is en moeilijker ‘grijpbaar’ is dan de tekst van een boek.

In deze sectie zal, aan de hand van drie destijds beroemde verzamelingen, worden uiteengezet hoe de hierboven geschetste ontwikkeling in de Republiek verliep. Het betreft hier de collecties van Nicolaes Witsen, Albertus Seba en Levinus Vincent. Deze drie ‘liefhebbers’ maakten, samen met onder andere Ruysch, Merian, d'Acquet en Schijnvoet, deel uit van een omvangrijk internationaal netwerk dat onderling informatie, artefacten en publicaties uitwisselde.308 Het drietal was onder andere lid van de Royal Society en hun collecties behoorden tot de beroemdste van Europa - zo werd niet alleen de verzameling van Ruysch maar ook die van Seba opgekocht door Peter de Grote.309 Uit de catalogi, publicaties en corresponden-

[p. 338]

tie van dit drietal kunnen we ons een beeld vormen van de omvang, inhoud en religieuze dimensie van hun collecties.

Nicolaes Witsen: tussen Zondvloed en Babel

Dat verandering van vorm en inhoud van de Hollandse kabinetten een langzaam en zeker niet lineair proces was, kan het best worden geïllustreerd aan de hand van de collectie van Nicolaes Witsen. De Amsterdamse regent en voc-bewindvoerder was eigenaar van een even omvangrijk als beroemd kabinet dat, in tegenstelling tot dat van zijn tijdgenoten Ruysch, Vincent en Seba, in hoge mate gesloten van karakter was, en conform de humanistische traditie was gelokaliseerd in de bibliotheca.310 Witsen kende Vossius, Swammerdam en Ruysch bijzonder goed, maar hun sceptische opvattingen aangaande de tekstuele traditie lijken niet door hem gedeeld te zijn.

Al eerder werd stilgestaan bij Witsens disputatie over kometen en zijn insectenverzameling. Dit waren manifestaties van zijn veel bredere fascinatie voor de veelzijdigheid van Gods schepping, waarvan zijn reusachtige verzameling het meest tastbare resultaat was. Uit diverse bronnen kunnen we ons niet alleen een beeld vormen van de inhoud van Witsens collectie, maar ook van de ideeën die hieraan ten grondslag lagen.311 Tijdens zijn reizen binnen de Republiek en daarbuiten verzamelde Witsen zelf veelvuldig, terwijl hij in zijn hoedanigheid van voc-bewindvoerder beschikte over een netwerk dat vrijwel de hele toenmalig bekende wereld omspande. In Oost en West werden familie, vrienden, cliënten en ondergeschikten geinstrueerd om materiaal te verzamelen, en daarnaast kreeg de invloedrijke regent ook allerhande artefacten ten geschenke.312 Omgekeerd deelde Witsen zijn informatie en bezittingen ruimhartig met andere burgers van de Republiek der Letteren als Cuper en Leibniz. Ook stond hij in nauw contact met de Royal Society, en publiceerde hij incidenteel in de Philosophical Transactions over het oude Persepolis en de uitbarsting van een vulkaan op de Molukken. Witsens collectie werd kort na zijn dood, in 1728, geveild. Behalve munten bezat Witsen ook westerse en niet-westerse antiquiteiten, etnografische objecten en geschriften, schilderijen, portretten, kaarten van en handschiften uit alle uithoeken van de aarde, en een zeer omvangrijke hoeveelheid naturalia. Alvorens dieper op de aard van Witsens verzameling in te gaan, moeten we eerst kort stilstaan bij zijn geestelijke oriëntatie.

Uit Witsens geschriften blijkt ondubbelzinnig hoe zijn tomeloze verzamelactiviteiten in dienst stonden van een streven om heel Gods schepping in al zijn veelzijdigheid in kaart te brengen.313 Voor een goed begrip van Witsens intellectuele positie moet allereerst worden gewezen op het feit

[p. 339]

dat hij in Leiden bij de befaamde arabist Golius had gestudeerd en sindsdien mateloos was gefascineerd door de linguïstiek. Van over de hele wereld liet Witsen materiaal aanrukken, onder andere het Onze Vader opgetekend in de meest exotische talen (afb. 78 ).314 Witsen verdiepte zich in het Grieks, Koptisch, Arabisch, Turks, Aramees en het spijkerschrift, en daarnaast in meer eigentijdse talen als het Hottentots, Kalmuks en Samojeeds. Met Leibniz en Cuper speculeerde hij over de gemeenschappelijke wortels van de talen die in de vijf continenten werden gesproken.315 Zoals zo veel geleerden was Witsen mateloos gefascineerd door de vermeende symbolische aard van zowel hiërogliefen als Chinese karakters, en samen met Cuper volgde hij met grote belangstelling de pogingen van Maturin Veyssière de la Croze (1661-1739) om beide vanuit het Koptisch te ontcijferen.316 Uiteraard verzamelde Witsen egyptica.317 Ook initieerde hij onderzoek op Madagascar waar, zo gingen geruchten, een van de Tien Verloren Stammen Israëls zouden zijn teruggevonden.318 Tevens instrueerde Witsen de predikant Willem Konijn bij diens moeizame zoektocht op Ceylon naar overeenkomsten tussen het Singalees, Hebreeuws en Grieks.319 Konijn moest zijn ‘Maecenas en Patroon’ gedeeltelijk teleurstellen. Hij zond weliswaar transcripties van ‘hier en daer in steen wel uitgehouwen verscheyde characters’, maar had geen overeenkomst kunnen ontdekken tussen Griekse, Hebreeuwse en ‘Singalese wortelswoorden’.320 Het zal duidelijk zijn: geheel in lijn met de aloude geleerde fascinatie voor chronologie en etymologie was Witsen op zoek naar sporen uit de tijd dat de aarde één van taal was.321 Witsens correspondent Engelbert Kaempfer (1651-1716) stelde in zijn baanbrekende studie over Japan dat de inwoners van het keizerrijk ‘afgestamt zyn van de eerste Inwoonders van Babel’ en dat hun schrift het resultaat was van de ‘vreesselyke verwarring der taalen’ aldaar.322 Diezelfde oriëntatie is kenmerkend voor Witsen.

Bij Witsen zien we geen poging om Boek der Natuur en Bijbel als twee relatief autonome kenbronnen te beschouwen. Integendeel: terwijl door het werk van onder anderen Swammerdam en Vossius de band tussen de letter van de Bijbel en de interpretatie van naturalia langzaam losser werd, hield Witsen juist vast aan de traditionele exegese, het denkkader dat De Groot verdedigd had tegenover La Peyrère en De Laet. Interessant is dat Witsen Vossius' fascinatie voor het oude China deelde, diens publicaties kende en regelmatig gebruik maakte van diens omvangrijke bibliotheek.323 Witsen bezat talloze voorwerpen uit China, variërend van tekeningen van flora en fauna tot afgodsbeeldjes en van een kompas tot ‘Een Chineese Almanach’.324 Evenals Vossius was ook Witsen welhaast geobsedeerd door de sporen die de Zondvloed in de natuur en in de geschiedschrijving had ach-

[p. 340]



illustratie

78. Nicolaes Witsen was buitengewoon gefascineerd door exotische talen en heeft zijn leven lang getracht aan te tonen dat alle wereldtalen waren te herleiden tot Babel. Daartoe liet hij overal op de wereld lokale schriften optekenen, zoals dit ‘Schrift der Tartaren van Niuche’, dat van boven naar beneden wordt gelezen. In dit fragment wordt een astronomische voorspelling gedaan. (kb)


[p. 341]

tergelaten. In tegenstelling tot Vossius trachtte Witsen echter de enorme hoeveelheid - potentieel problematische - informatie en rariteiten exclusief in het traditionele bijbelse kalendarium onder te brengen. Sterker nog, voor Witsen vormde al het empirische materiaal zelfs een krachtige ondersteuning voor een letterlijke lezing van de vijf boeken van Mozes.

Instructief voor Witsens fixatie op het verhaal van Zondeval, Zondvloed en Babel is het onderzoek dat hij reeds in zijn jeugd deed naar de bodem rond Amsterdam en waarvan hij een verslag opstelde.325 Al gravende ontdekte Witsen niet alleen een uitgeholde boomstam die sprekend leek op de schuitjes van de ‘Nieuw Nederlandse indiaenen’, maar ook een compleet ondergronds bos. Deze vondst werd door Witsen gerelateerd aan de Zondvloed, net zoals hij dat later met de vondst in de Russische steppe van de resten van ‘olifanten’ (mammoeten) zou doen (afb. 79). ‘UwelEd; weet’, zo schreef Witsen in 1713 aan Cuper,

‘hoe ik mede olifantstanden alsmede een cranium van een olifant besitte die in Siberien diep onder aerde syn gevonden, op 65 a 70 graden in so een koud land, daer immers geen olifanten konnen leven, hoe konnen die daer anders sijn gekomen, als bij aendrijving ter tijt der Suntvloet.’326

Aan de ketterse speculaties van La Peyrère en Vossius dat de in de Bijbel beschreven vloed slechts een lokaal incident was geweest, wenste Witsen geen woorden vuil te maken. De ‘Suntvloet’ speelde een cruciale rol in Witsens conceptie van tijd en ruimte, zozeer dat we het een Leitmotiv kunnen noemen.327 Verspreid door zijn boeken en brieven komen talrijke opmerkingen voor over merkwaardige bodemvondsten en de verspreiding van mens en dier over de aarde, zaken die door Witsen steeds met elkaar in verband werden gebracht. We zien dit bijvoorbeeld in het befaamde Aeloude en hedendaegsche scheeps-bouw (1671) waarin niet alleen Noachs ark als eerste boot in de wereldgeschiedenis werd gepresenteerd, maar de auteur bovendien speculeerde over de constructie hiervan. Witsen ging evenwel niet in op de prangende vraag of ook voor de dieren van de Nieuwe Wereld op dit schip een plaatsje was geweest - een probleem dat aan het einde van de zeventiende eeuw steeds vaker aan de orde werd gesteld.328 Wel waren volgens Witsen ‘de volksplantinge in verre gewesten en landen’ zonder schepen ‘ondoenlick geweest’.329 Maar hoe dit precies in zijn werk was gegaan? Op tal van plaatsen in zijn gepubliceerde en ongepubliceerde geschriften speculeerde Witsen over de vraag hoe de afstammelingen van Sem, Cham en Jafeth in Amerika en het pas ontdekte Zuidland terecht

[p. 342]



illustratie

79. Witsen beschikte over goede connecties met Rusland. In zijn collectie naturalia bewaarde hij niet alleen de schedel van een ‘olifant’ (mammoet), maar ook dit ‘Beckeneeel van Seker in Siberie onbekent Dier’. De eigenaardige vindplaats van deze vondsten kostte Witsen weinig hoofdbrekens: ‘Hoe konnen die daer anders sijn gekomen, als bij aendrijving ter tijt der Suntvloed.’ (kb)


[p. 343]

waren gekomen, om uiteindelijk te concluderen dat het in Genesis verhaalde boven alle twijfel verheven was. Zo ging de afstamming van de Indianen via de Tartaren terug tot Abrahams verstoten bastaardzoon Ismaël (Genesis 21:8) en aldus tot Sem, Noach en Adam.330 Witsen koos dan ook expliciet de zijde van De Groot in diens controverse met De Laet over de oorsprong van de bewoners van de Nieuwe Wereld: de details verschilden, maar het denkkader was identiek.331

Toch zou het onjuist zijn om Witsen te beschouwen als een conservatief dogmaticus die geen voeling had met de natuurfilosofische ontwikkelingen van zijn tijd. Witsen had een open oog voor het belang van zintuiglijke waarnemingen, en zijn verzamelactiveiten kunnen worden gekwalificeerd als een alomvattend project om de empirie te toetsen aan de tekstuele traditie. De constante wisselwerking tussen artefact en tekst is een van de sleutels tot begrip van zijn collectie. De uitkomsten van Witsens onderzoek wezen twee kanten op. Omdat voor de rechtzinnige verzamelaar de autoriteit van het Boek der Boeken boven elke discussie verheven was, werden talrijke vondsten in een schriftuurlijk kader geplaatst. Anderzijds betoonde Witsen zich zeer kritisch over niet-bijbelse teksten en aarzelde hij niet bestaande inzichten ter discussie te stellen. Hoe gecompliceerd dit proces was moge blijken uit de volgende voorbeelden. Uit aan Witsen opgestuurde reisverslagen concludeerde hij bijvoorbeeld dat het zogenaamde Tartaarse lam (waarvan onder anderen Colvius en vader Swammerdam de ‘vacht’ hadden bezeten) niet aan bomen groeide.332 Witsen was zich er ook bijzonder goed van bewust dat de zogenaamde hoorn van een eenhoorn afkomstig was van de narwal. ‘Ik besit er een’, schreef hij aan Cuper, ‘daer het cranium van de vis nog aensit, so als ik die selve heb laeten vissen, in groenlant’.333 Kosten noch moeite werden gepaard om een exemplaar van deze zee-eenhoorn in huis te krijgen en te laten aftekenen, aangezien in de ogen van Witsen de afbeeldingen bij Worm en Bartholinus niet betrouwbaar waren (afb. 80).334 Toen er echter berichten uit Siam kwamen dat daar eenhoorns gesignaleerd zouden zijn en een correspondent daadwerkelijk een horentje stuurde, kwam Witsen op basis van dit artefact tot de slotsom dat de eenhoorn tóch bestond, ‘dat de groote van een bok heeft, is een lant dier’.335 Vol trots kon hij de hoorn aan zijn vriend Cuper tonen, die

[p. 344]



illustratie

80. Witsen was tamelijk sceptisch over het bestaan van de eenhoorn. Hij geloofde in ieder geval niet dat de hoorn die in veel kabinetten te zien was van dit mythische dier afkomstig was. Worm en Bartholinus hadden al verkondigd dat het hier ging om de slagtand van een narwal, en Witsen liet dit dier speciaal opvissen bij Groenland om het gelijk van deze theorie aan te tonen. (kb)


[p. 345]

aantekende dat dit zeker van het befaamde woeste dier afkomstig was.336 Evenals zijn illustere voorganger Paludanus oordeelde Witsen dat de bijbelse Behemoth niets anders was dan een nijlpaard; ‘wordende een Veulen van dit Dier, my van de Kaep de Goede Hoop toegezonden, noch ongeschonden onder ons bewaert.’337 Witsen bewaarde ook ‘Een stuk van een Harsepan van een Reus’ - een spoor van de oudtestamentische reuzen (Genesis 6:4).338 In het kabinet van Witsen treffen we meer bijbelse referenties aan. Zo bezat hij onder andere een versteende meloen van de berg Carmel, een doos ‘met Heilige Aarde’ en een kruis van cederhout, zaken die in Paludanus' collectie zo'n belangrijke plaats hadden ingenomen. Ook Witsen bezat een aantal artefacten die als sacramentalia gekarakteriseerd kunnen worden, zoals een ‘Geweide Waschkaars’ en ‘Veelderley zoort van Pater Nosters, zo van Christal, als ander stoffen’.339 Wat de aanwezigheid van deze laatste objecten ons vertelt over Witsens religieuze overtuiging is overigens onduidelijk. De regent stond bekend als fervent papenhater die zich doorlopend ernstig zorgen maakte over superstitie en afgoderij, en uit angst voor de verspreiding hiervan Cuper zelfs opdroeg meegezonden afbeeldingen van heidense praktijken aan niemand te tonen.340 In de Catalogus staat na de beschrijving van deze relieken ook, welhaast verontschuldigend, genoteerd ‘Zynde deze dingen door diverse Reizigers mede gebracht’.341

De door Witsen verzamelde artefacten fungeerden als uitgangspunt en bewijsmateriaal voor zijn bespiegelingen. Die stonden dus enerzijds in het teken van een exegese in de traditie van Voetius en droegen anderzijds onmiskenbare sporen van de groeiende nadruk op de veelvormigheid en structuur van de natuur. Witsenbezat bijvoorbeeld een aparte kast met een omvangrijke collectie Surinaamse insecten.342 Toen Witsen een opmerkelijk beest ontving, noteerde hij: ‘desen vis ken ik niet, het schijnt na een crocodil te hellen, ik heb er enige die gedroogt sijn ... So dat de wonderwerken Gods hier weder sijn te sien.’343 Een ander onbegrijpelijk schepsel was de al genoemde pipa, waarvan Witsen als eerste in Europa een exemplaar in zijn bezit kreeg. Nadat in 1677 de eerste berichten uit Suriname over dit schepsel tot hem waren doorgedrongen, stelde hij alles in het werk om een exemplaar te bemachtigen. Toen hij er uiteindelijk een ontving, was

[p. 346]

hij dermate verwonderd dat hij in 1690 een schets met beschrijving aan de Royal Society stuurde, ‘and if the Society be desireous to see it in its Colours, I will have it drawn after the Animal itself: Which for my farther Satisfaction was sent over from Suriname.’344 Sloane getuigde jaren later: ‘This was then new to Every body & it was thought a matter of such curiosity by some that the letter & draught were both imbezzled some way or other & never heard of.’345 De Philosophical Transactions zouden dus nimmer Witsens beschrijving bevatten, wat overigens een spectaculaire opmars van deze padden in de Europese verzamelingen niet in de weg stond (zie afb.76, p.334).

Als we tot slot de balans opmaken, kunnen we een aantal conclusies trekken. Witsens denkkader was sterk gekleurd door het humanistische kennisideaal en zijn verzamelactiviteiten doen in bepaalde opzichten sterk denken aan die van Paludanus, Heurnius en van die andere regent, Ernst Brinck. Witsens gedurende veertig jaar opgebouwde collectie toont duidelijk hoe weinig vloeiend de overgang van rariteitenverzameling naar naturaliënkabinet soms was. Bewandelde Witsen een doodlopende weg? De gedachte heel Gods schepping te kunnen overzien aan de hand van individuele entiteiten was aan het begin van de zeventiende eeuw nog een reële optie geweest; aan het eind van de zeventiende eeuw had er een ware informatie-explosie plaatsgevonden en was Witsens aanpak in feite een hopeloze onderneming geworden.346 Witsens activiteiten als verzamelaar verwezen echter niet louter naar het verleden, maar ook naar toekomstige ontwikkelingen. Achter zijn onverzadigbare aandrang de meest uiteenlopende zaken bijeen te brengen, school wel degelijk een poging een onderliggende systematiek aan te tonen. Net als zijn tijdgenoten Swammerdam en Ruysch had Witsen een open oog voor het belang van de empirie en voor de oneindige verscheidenheid van Gods schepping. Waar Swammerdam, Ruysch en ook Seba en Vincent een sterke neiging hadden hun naturaliënverzamelingen niet in direct verband te brengen met de tekst van de Bijbel, fungeerde voor Witsen de eerste juist als illustratie bij en onderbouwing van de tweede. Dat was een visie die in de loop van de zeventiende eeuw weliswaar aan invloed verloor, maar tot ver in de achttiende eeuw een belangrijke rol zou blijven spelen. Witsens fixatie op de oudtestamentische

[p. 347]



illustratie

81. Enige ‘lapides figuratis’ uit het beroemde Herbarium Diluvianum dat Johann Jakob Scheuchzer in 1709 publiceerde. Volgens Scheuchzer waren deze fossiele plantafdrukken stille getuigen van de Zondvloed, een theorie die onder meer werd gedeeld door Witsen, Cuper en de Haagse regent en verzamelaar Pieter Valckenier, aan wie deze afbeelding is opgedragen. (kb)


[p. 348]

natuurkennis was geen atavisme, maar zou nog tijdens zijn leven een prominente rol gaan spelen in de invloedrijke fysico-theologische werken van Nieuwentijt en Scheuchzer, die keer op keer zouden benadrukken dat eigentijdse natuurwetenschappelijke inzichten reeds in het Oude Testament begrepen waren.347 De door Witsen zo vurig aangehangen Zondvloedtheorie zou zich aan het einde van de zeventiende eeuw, mede ten gevolge van de door Steno geproblematiseerde status van de fossielen, in een hernieuwde populariteit mogen verheugen.348 Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733), die in 1709 een indrukwekkend boek over de pre-diluviale flora zou publiceren, onderhield een zeer levendige correspondentie met Cuper en was ook goed op de hoogte van Witsens bevindingen (afb. 81).349 Tegen deze achtergrond is het dan ook niet verrassend dat we in de veilingcatalogus van Witsens boeken twee edities van Nieuwentijts Regt gebruik (1715 en 1725) en een exemplaar van Scheuchzers Herbarium Diluvianum aantreffen.350

Albertus Seba: koopman of dominee?

Terwijl Ruysch reeds in 1671 zijn kabinet had opengesteld voor een (betalend) publiek, droeg Witsens verzameling welbeschouwd meer het karakter van de besloten studiolo. De transformatie die zich eind zeventiende eeuw voltrok van rariteitenverzameling naar naturaliënkabinet en van privé naar publiek domein is veel duidelijker zichtbaar bij Seba. Albertus Seba, in 1665 geboren in het Oost-Friese Etzel, vestigde zich in 1697 als apotheker in Amsterdam.351 Dankzij slim opereren in de wereld van reizigers, verzamelaars, apothekers en medici wist Seba binnen korte tijd een indrukwekkende collectie te vergaren. In 1715 verkocht hij deze voor een zeer aanzienlijk bedrag aan Peter de Grote, waarna hij opnieuw begon met verzamelen.352 De tweede verzameling verschilde wat betreft aanpak niet fundamenteel van de eerste.353 Seba beschikte over goede connecties met onder anderen Merian, Schijnvoet, Rumphius en Boerhaave, nam een gedeelte van de verzameling van Ruysch over en onderhield bijzonder hartelijke banden met Sloane, de secretaris van de Royal Society.354

Seba's collectie bestond voor het overgrote deel uit naturalia. Uit de bronnen blijkt dat de apotheker de verschillende soorten op basis van externe kenmerken bij elkaar plaatste; grassen bij grassen, slangen bij slangen, insecten bij insecten enzovoort (afb. 82). Al te modern moeten we ons Seba's taxonomie overigens niet voorstellen. Er is hier niet direct sprake van een streng, pre-linnaeïsch systeem maar eerder van een tamelijk associatieve benadering, waarbinnen ook de esthetiek een belangrijke rol speelde

[p. 349]

- iets wat in deze tijd vaker gebeurde.355 Evenals Ruysch lijkt ook Seba een liberaal toegangsbeleid gehanteerd te hebben, al is van entreegeld niets bekend. Dat was in de geest van de tijd. De Duitse geleerde Neickel, auteur van een invloedrijk traktaat over het verzamelen (1727), had bijvoorbeeld het belang benadrukt van de toegankelijkheid van de kabinetten voor wetenschap én godsvrucht.356 Als lichtend voorbeeld beschreef Neickel het

illustratie

82. In achttiende-eeuwse verzamelingen worden nadrukkelijk nieuwe taxonomische ideeën zichtbaar. Albertus Seba stelde onder meer dit fraaie ensemble met verschillende soorten inktvissen tentoon. Deze ordening is overigens niet alleen gebaseerd op het principe soort-bij-soort, maar evenzeer het resultaat van een drang naar esthetiek. (kb)


[p. 350]

kabinet van Seba waarin, keurig soort bij soort, talloze naturalia werden vertoond.357 Seba stelde zich niet alleen tot doel zijn omvangrijke collectie open te stellen voor een brede groep geleerden en ‘liefhebbers’, maar deze ook in druk te openbaren. Hij liet daartoe al zijn naturalia aftekenen en zette zich aan een uitputtende beschrijving.358 Het eerste van de beoogde vier delen van de Locupletissimi rerum naturalium thesauri, gewoonlijk afgekort tot Thesaurus, verscheen in 1734. Deel twee verscheen in 1736, terwijl de resterende banden postuum werden gepubliceerd.359

Het voorwoord van deel 1 ademt de montere sfeer van de achttiendeeeuwse fysico-theologie. ‘Waarin onze eeuw alle de voorgaande overtreft is dat men uit zyne oogen ziet, en de zaken die men beschryft zelf behandelt.’360 De zeventiende eeuw had dermate veel ontdekkingen opgeleverd dat het ‘eenen mensche gansch onmogelyk [is] de gansche natuur te beschrijven’.361 De implicaties van deze woorden zijn belangrijk: Seba geloofde niet in het ideaal dat verzamelaars als Aldrovandi, Paludanus en waarschijnlijk ook Witsen gedreven had, namelijk dat Gods gehele schepping in principe door één mens of althans binnen één ruimte te overzien zou zijn. Seba zelf beperkte zich tot de natuurlijke historie. Dat was, zo schreef hij onder verwijzing naar de werken van Ray en Derham (Nieuwentijt werd merkwaardig genoeg niet genoemd), bij uitstek het gebied dat diende ‘tot grootmakinge van Gods name’.362 Ook in zijn correspondentie benadrukte Seba zijn vrome doelstellingen. ‘Ik waer all lange eens naar London gerijst’, zo schreef hij bijvoorbeeld in 1723 in een briefje aan Sloane, ‘om de seltzame wunderen Gods te sien, het is maer te beklaagen dat daer geen meer liefhebbers sijn, die de Groote Wunderen Gods door de Natuur geschapen naagaen.’363 En toen Seba na de verschijning van het eerste deel van zijn monumentale Thesaurus Sloane een handgekleurd exemplaar stuurde, benadrukte hij in het begeleidende schrijven:

‘As my View in this Undertaking has been to render my best Hommage to the Great Author of Nature, by displaying his curious and wonderfull Works, in the best manner I could, to my Fellow Creatures, so I have not consulted Proffit, nor spared Cost & Pains, to furnish them with abundant Matter for their Wonder and Adoration.’364

Seba's woorden zullen door Sloane, de hoeder van het intellectuele erfgoed van geleerden als Boyle, Ray en Derham, ongetwijfeld met instemming zijn gelezen, al rijst wel ogenblikkelijk de vraag hoe oprecht ze gemeend waren. Een vergelijking met Van Leeuwenhoek dringt zich op. Het is moeilijk voorstelbaar dat Seba's onderneming niet mede voortkwam uit de

[p. 351]

behoefte aan bekendheid en andere vormen van profijt. Weinig is moeilijker dan het interpreteren van religieuze uitingen in historische geschriften.365 We kunnen zonder twijfel de expliciet-religieuze uitspraken van bijvoorbeeld Swammerdam en Witsen serieus nemen. Dit waren vrome geleerden wier verzamelingen geen publiek karakter hadden, maar in eerste instantie bedoeld waren als uitgangspunt voor hun eigen bespiegelingen. Gecompliceerder ligt dat bij Ruysch en Seba, voor wie commerciële motieven en sociale conventies een rol speelden. Het is echter precies om deze laatste reden dat we ze niet terzijde moeten schuiven als zijnde irrelevant. Oprecht gemeend of niet, Seba's woorden illustreren de enorme invloed van het achttiende-eeuwse fysico-theologische discours. In Neickels Museographia en Lessers boeken over de insectentheologie werd Seba's verzameling als lichtend voorbeeld genoemd.366 Bezoekers van Seba's collectie zullen deze ongetwijfeld mede vanuit dit perspectief hebben bekeken. Een voorbeeld biedt Boerhaave, die verheugd reageerde op de ontvangst van een presentexemplaar van de Thesaurus en de auteur bedankte voor de ‘volmaaking der kennisse van Gods schepselen, waar med sijne aanbiddelijkheid onse aardbol gestoffeerd heeft’.367

Levinus Vincent: de verzameling als ‘Wondertooneel’

Het meest toegankelijke en tegelijkertijd rijkste Nederlandse kabinet aan het begin van de achttiende eeuw was evenwel niet dat van Seba, maar dat van Levinus Vincent.368 Het was aanvankelijk in Amsterdam en later in Haarlem en Den Haag te bezichtigen. Anders dan zijn mede-verzamelaars had Vincent geen academische of para-medische opleiding genoten; hij was van huis uit damasthandelaar. Ook zijn confessionele overtuiging was afwijkend. Hij staat te boek als doopsgezind, een denominatie die zeer gevoelig was voor een religieuze interpretatie van de natuur.369 Als uitgangspunt van Vincents verzameling, die hij rond 1690 begonnen schijnt te zijn, diende de veelbejubelde collectie van zijn zwager Antonie van Breda (?-1693).370 Dankzij een wereldwijd netwerk en ruime middelen kon Vincent deze collectie aanzienlijk uitbreiden. Evenals Witsen stond hij onder anderen in contact met Maria Sybilla Merian en Georg Rumphius en beschikte hij bovendien over een zeer belangrijke ‘chemin secret’ in Brazilië.371 Uiteraard wisselde hij veel informatie en rariteiten uit met zijn Hollandse collega-verzamelaars en blijkens zijn omvangrijke correspondentie ook met de Engelsen Sloane en Petiver. Uit deze bronnen krijgen we de indruk dat Vincent een zeer zelfbewuste, wat stekelige persoonlijkheid was. Zelf vertrouwde hij Petiver toe dat ‘l'envie reigne ici parmi plusieurs

[p. 352]

curieux’, en Ruysch meldde in een brief aan de Engelsman dat Vincent een ‘homme brisant & misantrope’ was.372 Ondanks dit soort opmerkingen, die in de vormelijke wereld van de curieux de nodige repercussies konden hebben, wist de handelaar zijn kabinet tot een enorme omvang uit te breiden. Bezoekers loofden in elk geval Vincents ‘galanterie’ en bezongen in alle toonaarden de rijkdom, pracht en veelzijdigheid van ‘il Gabinetto famoso’.373 Om de bekendheid van zijn collectie verder te vergroten liet Vincent zelfs visitekaartjes drukken.374 Gelijk hedendaagse musea hanteerde hij vaste openingstijden en hief hij entreegeld.375 Het aanvankelijk slechts met behulp van aanbevelingsbrieven en op afspraak toegankelijke musaeum was bij Vincent veranderd in een populaire, open instelling. Vincents bezoekersregister toont ons niet alleen de aanwezigheid van vorsten en geleerden, maar ook van ambachtslieden, vrouwen en kinderen. Vincent ontving duizenden bezoekers, variërend van Boerhaave tot ‘Johanna Barbra de Haart out 9 iaar’ en van de graaf van Saksen tot Jan Mulder, ‘opperkuijper op het schip De Vis’.376 Von Uffenbach, die Vincent in 1705 bezocht, merkte op dat een jaar nog niet lang genoeg zou zijn om het hele kabinet te bezichtigen en een foliant te klein zou zijn om het te beschrijven.377

Desalniettemin ondernam Vincent een bescheiden poging in deze richting. Vanaf 1706 publiceerde hij een aantal werken waarin zijn rijkdommen in woord en beeld beschreven stonden. De belangrijkste hiervan zijn het Wondertooneel der nature (1706) en het aanzienlijk uitgebreide Tweede deel of vervolg hierop (1715) (afb. 83).378 De bijzonder fraaie gravures in deze catalogi waren, tegen ongetwijfeld hoge kosten, vervaardigd door Romein de Hooghe. De handzame werken verschilden evenwel van karakter met de reusachtige banden waarin Ruysch en Seba hun collecties beschreven. Vincents rol zouden we, misschien wat anachronistisch, kunnen omschrijven als die van popularisator van de wetenschap.

Uit de verschillende bronnen kunnen we ons een goed beeld vormen van Vincents ‘Wondertooneel’. In een classisistisch vormgegeven ruimte stonden langs de wanden twaalf houten kabinetten opgesteld, alle voorzien van schuifladen. Net als bij Seba was elke afzonderlijke kast gewijd aan een bepaald thema of diersoort. Zo had Vincent keurig gerangschikte kasten met vogels, viervoetige dieren, insecten, schelpen, koralen, mineralen en metalen. De naturalia waren, soort bij soort, gerangschikt tot uitgekiende esthetische ensembles, waarvoor Vincents opeenvolgende echtgenotes verantwoordelijk waren. Als we Vincents collectie nader beschouwen, valt op hoe marginaal de aanwezigheid was van praeternatuurlijke, mythische of symbolische artefacten. In plaats daarvan speelde een ander thema de hoofdrol:

[p. 353]

‘Want beschouwende de veelvuldige en bijzondere gestaltens, schoonheden, en oneindige veranderingen der soorten en geslagten, zo van Dieren, als Plant- Zee- en Steengewassen, doet zich een groote zee van rijke volheid op, waar over wij, uit overtuiginge van Gods Almagt en onnaspeurelijke wijsheid, in diepe vernederinge met den Psalmist uitroepen; ô Heere! hoe groot zijn uwe werken!379

Tekenend voor de nieuwe oriëntatie op de ‘wonderen der natuur’ is dat Vincent in 1726 een Description du pipa publiceerde, waarin niet alleen zijn eigen exemplaren van dit opmerkelijke beest werden beschreven maar ook een afbeelding van de door Ruysch geanatomiseerde pipa was opgenomen. Gods almacht was nergens duidelijker zichtbaar dan in deze levendbarende pad, zo riep Vincent lyrisch uit.380 Maar ook de doorgaans onopgemerkte maar in wezen even wonderbaarlijke veelvormigheid van de eigen Nederlandse natuur werd door Vincent benadrukt. Naast naturalia uit de Oost en de West bewaarde hij een mus, een eend, een zwaluw, een raaf, een ekster en andere voorheen in Hollandse kabinetten afwezige zaken. Dit was een opmerkelijke verandering, die kenmerkend is voor de groeiende fascinatie voor de verwondering voor het alledaagse. Het wonderlijke in het gewone, het grote in het kleine, het onbekende in het bekende, dát waren de sleutelwoorden van de achttiende-eeuwse fysico-theologie.

In zijn catalogi beklemtoonde Vincent dan ook in de meest wijdlopige bewoordingen hoe zijn hele verzameling bedoeld was als afspiegeling van Gods schepping. Onder verwijzing van alle relevante bronnen, van Psalm 104 tot Swammerdam en van Seneca tot Ray, zette hij uiteen dat dankzij de bestudering van de natuur de mens kon opklimmen tot ware godskennis en dat deze door de aanschouwing van de wonderbaarlijke werken in de natuur de goddelijke Architect (omnium Architectus) kon eren.381 Waar Vincent verwees naar de aloude notie van het theatrum mundi interpreteerden anderen zijn verzameling vanuit het Boek der Natuur. Een zekere Sylvius dichtte:

 
‘'t Gezicht verdwaalt in all' die wonderen bijeen,
 
De zigtbre tekenen, en letters, woorden, reên,
 
En dubbele handen, die met vijf paar vingers wijzen
 
Op God den Schepper, hoog t'aanbidden, danken prijzen.’382

Voor Vincent gold nog veel nadrukkelijker dan voor Seba dat zijn collectie beantwoordde aan het contemporaine ideaal. Een collectie moest openbaar zijn, had een didactische functie en diende de godsvrucht te stimule-

[p. 354]

ren.383 Bij Vincent zien we dit programmatische uitgangspunt in de praktijk gebracht. Het stichten en openstellen van een kabinet werd door Vincent nadrukkelijk beschouwd als een godvruchtige daad:

 
‘Kom, Godverzaker, die deez' wonderen beschout,
 
U, als een nachtuil, in de duisternis onthoudt,
 
Kom voor het licht, en leer, met elk, uit al deez' werken
 
Den Opperkunstenaar in zyn gedrag bemerken.’384



illustratie

83. Titelpagina van Levinus Vincents Het tweede deel of vervolg van het Wondertooneel der natuur (1715). Duidelijk is hier te zien hoe ook hier ordening en esthetiek samengaan. In kasten, stopflessen en schuiflades werden de monsters bij de monsters tentoongesteld, de reptielen bij de reptielen, de schelpen bij de schelpen, en zo voorts. (ubg)


[p. 355]

De toenemende toegankelijkheid van de verzamelingen was onderdeel van een veel bredere strategie om ongelovigen te wijzen op Gods voorzienigheid in zelfs het meest onbeduidende schepsel: wie niet wilde geloven die moest zelf maar kijken, in een kabinet of in de levende natuur. Het is dan ook geen wonder dat in veel achttiende-eeuwse fysico-theologische literatuur Vincents kabinet als lichtend voorbeeld werd gepresenteerd.385 Het verstilde humanistische musaeum met zijn klassieke geschriften en mirabilia was getransformeerd tot een voor iedereen toegankelijk Wondertoneel der natuure.

5 Slotbeschouwing

Vooraanstaande Hollandse verzamelaars als Witsen, Seba en Vincent dankten de aanwezigheid van naturalia uit de Oost in niet onbelangrijke mate aan Georg Everard Rumphius (1628-1702), de befaamde blinde ‘Plinius van Ambon’. In zijn postuum verschenen Amboinsche rariteitkamer (1705) gaf de vo voc-dienaar niet alleen een schat aan informatie over naturalia in OostIndië, maar ook, haast in het voorbijgaan, een schets van de Hollandse verzamelcultuur. In woord en beeld presenteerde Rumphius bijvoorbeeld talloze voorheen onbekende schelpensoorten, en bovendien meldde hij bij welke verzamelaars in patria deze te zien waren (afb. 84 en 85). Op pagina 160 beschreef Rumphius een opmerkelijke schelp, de ‘Poolse Hamer, ook wel om zijn gedaante, een Indiaanse Kris’ genoemd. Rumphius meldde dat de schelp voorheen ‘Kruis-Doublet’ werd genaamd, ‘dewyl dezelve een recht kruis verbeelde, en waar aan eenige schyn van een lichaam zich vertoonde’. Deze schelp werd eertijds voor ‘een wonder’ gehouden en door verzamelaars werd er grif ‘hondert dukatons’ voor betaald; ‘doch haar zeldzaamheit is nu verdwenen, door dien men nu weet, dat het een geslacht is’.386

Rumphius' opmerking is illustratiefvoor de transformatie van rariteitenverzameling tot naturaliënkabinet. Admiratio werd niet langer opgewekt door de praeternatuurlijke status, schriftuurlijke connotaties en zinnebeeldige betekenis van de verzamelde objecten, maar door orde, structuur en achterliggende regelmaat van al het geschapene. De tussen 1583 en 1630 bijeengebrachte collectie van Paludanus was een zeer complex, poly-interpretabel geheel, waarin de bijeengebrachte rariteiten als tekens beschouwd kunnen worden die alle kanten op wezen. Paludanus' musaeum was het product van humanistisch gedachtegoed, de intellectuele wereld van Aldrovandi, Camerarius en Scaliger, waarin het streven naar universele kennis een sleutelrol speelde. Linguïstiek, natuurlijke historie en verzamelactivi-

[p. 356]



illustratie

[p. 357]



illustratie

84 en 85. Twee afbeeldingen uit Rumphius' postume Amboinsche rariteitkamer (1705). Links de titelpagina, met een allegorische voorstelling van een Nederlands naturaliënkabinet. Rechts de in Rumphius' boek beschreven ‘Poolse hamer’, eertijds gezien als een praeternatuurlijk verschijnsel, maar nu beschouwd als een opmerkelijke maar niet uitzonderlijke soort. (kb)


teiten vormden een onlosmakelijk verband. Zowel bij Paludanus als in de Leidse academische collecties zien we duidelijke sporen van verschillende, onderling samenhangende ideeën. Antiquiteiten uit het oude Egypte en miraculeuze, praeternatuurlijke, natuurlijke en zinnebeeldige objecten verwezen alle naar God, evenals de talrijke ‘stille getuigen’ van bijbels-historische gebeurtenissen. Chronologie, geografie, teksten en objecten vormden een continuüm. Res en verba liepen naadloos in elkaar over: de verzameling droeg een narratief karakter en vroeg om exegese.

In de verzamelingen van Seba en Vincent, die een eeuw later bijeen waren gebracht, is de complexiteit aanzienlijk verminderd. Verwondering, de conditio sine qua non voor het verzamelen, werd nu vooral opgeroepen door de veelzijdigheid, de bewonderenswaardige anatomie en structuur, en de oneindige doelmatigheid en schoonheid van de in principe voor iedereen zichtbare natuur. Het thema van God de almachtige Architect, dat al sinds de Oudheid een rol speelde en ook bij Paludanus in de context van zijn schelpenverzameling al was gebruikt, kreeg hier veruit de meeste nadruk. Er werd een scherp onderscheid gemaakt tussen vroeger en thans. Exegese maakte plaats voor descriptie, de zoektocht naar symbolische betekenissen ging over in een empirische houding. Tekenend is het advies dat Neickelius in 1727 aan de museumbezoeker gaf: ‘Ein guttes microscopium findet hier auch seine Employe.’387 De verzamelde naturalia wezen nu slechts twee kanten op: enerzijds naar de in de natuur voorkomende soorten en geslachten, anderzijds naar de almachtige Architect die deze geschapen had.

Aan deze opmerkelijke inhoudelijke verschuiving lagen twee, min of meer parallelle ontwikkelingen ten grondslag. Ten eerste de opkomst van de tekstkritiek. Het is van groot belang om te benadrukken dat het verzamelen aanvankelijk in belangrijke mate een humanistische activiteit was,

[p. 358]

mede bedoeld om aan de hand van afzonderlijke entiteiten de sapientia veterum te illustreren. Door de toevloed van inscripties en objecten die aan de Ouden onbekend waren geweest en de gegevens over de geschiedenis van niet-christelijke volkeren, werd echter de traditionele interpretatie van de canon in het algemeen en het bijbelse verhaal over Zondvloed en Babel in het bijzonder, in toenemende mate ter discussie gesteld. Het mede door verzamelaars als De Laet en Worm aangedragen materiaal uit Oost en West leverde aan La Peyrère en Isaac Vossius ammunitie om traditionele concepties over de genese en verspreiding van volkeren, talen, flora en fauna onder vuur te nemen. Door tekstkritische ontwikkelingen werd de distantie tussen tekst en object, tussen verleden en heden groter. Verzamelingen vertelden niet langer ondubbelzinnig het verhaal van Mozes, Herodotus, Aristoteles, Plinius en de Physiologus. Door de toevloed van empirisch materiaal (miereneters, luiaards, pipa's, de hoorns van narwallen, paradijsvogels mét pootjes) werd het intertekstuele, emblematische wereldbeeld in hoge mate geproblematiseerd. Hetzelfde geldt voor de toevloed van gegevens over niet-christelijke talen en tijdrekeningen. Het verzamelen van ‘rariteiten’, oorspronkelijk mede bedoeld om het klassiek-christelijke corpus aanschouwelijk te maken, had paradoxaal genoeg scepsis en twijfel tot gevolg.

Leidden filologische ontwikkelingen reeds in de eerste helft van de zeventiende eeuw tot een voorzichtige ontrafeling van het gecompliceerde tekstuele web, de stap naar het zoeken naar orde en structuur kwam grotendeels voor rekening van een tweede factor, de natuurfilosofie. Jan Swammerdam introduceerde een kentheoretisch programma, volgens welk de tekstuele traditie betrekkelijk irrelevant was en slechts uiterlijke verschijningsvormen en onderliggende wetmatigheden telden. Het verschil tussen mooi en lelijk, ‘seldsaem’en alledaags, praeternatuurlijk of natuurlijk deed er niet meer toe, evenmin als de kennis die in boeken, marginalia en commentaren was gecodificeerd. Louter de zintuiglijk waarneembare structuur van al het geschapene bewees Gods voorzienigheid. Ofschoon de precieze invloed van Swammerdam moeilijk is te bepalen, droegen Hollandse kabinetten vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw steeds nadrukkelijker een soortgelijk karakter.

Het is geen toeval dat deze inhoudelijke verschuiving gepaard ging met een veranderende presentatie van de verzamelingen. Collecties als die van Paludanus en andere Hollandse geleerden als Brinck en Colvius droegen in hoge mate een gesloten karakter: het waren welhaast sacrale schatkamers van geleerdheid, die doorgaans slechts toegankelijk waren voor andere geleerden. Ook voor Swammerdam was godsvrucht tegelijk uitgangspunt en

[p. 359]

doel van zijn verzameling, maar bij hem werden deze gedachten nadrukkelijk geëxpliciteerd in zijn aanvallen op atheïsten: wie niet geloofde in Gods scheppende almacht, die moest zich maar met eigen ogen komen overtuigen in het kabinet of, liever nog, in de ‘Bybel der nature’ zèlf. Mede dankzij Swammerdam ontstond eind zeventiende eeuw een discours waarin aanschouwelijkheid en toegankelijkheid de sleutelwoorden waren. De verzamelaar diende zijn verzameling niet te hoeden als een schat, maar tot meerdere eer en glorie van God te tonen aan zijn medemens. Neickel verwoordde deze aanbeveling in zijn Museographia als volgt:

 
‘... O! ja, der edle Mensch, die schöne Creatur,
 
Erkennet seinen Gott im Buche der Natur.
 
So preisst ein Heide selbst den unbekendten Gott,
 
der ihm verborgen war nach seinem Wort und Wesen:
 
Er hatt auch kein Gezetz, ihm mangelt das Gebot,
 
Doch weiss er, das ein Gott, aus der Natur zu lesen.’388

De veelvormigheid van schelpen, stenen, planten en dieren leverde nu het bewijs voor het bestaan van een voorzienige God, die al Zijn werken met wijsheid had geschapen. De natuur werd nog steeds gezien als een Boek Gods, maar bij de bestudering hiervan verschoof het accent van de diepere betekenis van dit boek naar de structuur, naar de syntaxis en grammatica. De verzamelaar was niet langer een letterkundige, maar eerder vergelijkbaar met een taalkundige.