Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XXXIII. Hoofddeel.
Van de weinige Ongeregelde Hoogduitsche Verba.

EVen gelijk bij Ons en de andere Gelijkslagtige Talen, zo schieten 'er bij 't Hoogduitsch ook eenige Werkwoorden over, die eenigsints buiten het gebied van de Voornoemde Regels loopen; als,

No: 1.Bedarfen / Bedürfen / indigere: Praes: Indic: ich Bedarfe / du Bedarfest / er Bedarf; wir Bedürfen / &c. Imperf: Subj: ich Bedürfte / &c. Imperat: Bedarf. Praet: Part: Bedurft.
No: 2.Darfen / Dörfen / Dürfen / audere; even als Bedarfen; alleenlijk in Praet: Partic: Gedurft / en tevens ook wel Durfen / volgens 't gevoelen van Schottel & Bödiker: waer omtrent ik mijne Aenmerking ten einde van dit Hoofddeel {?}ae in te brengen. Zie ook 't volgende Tahren / Tühren No: 20. (audere).
[p. 671]origineel
No: 3.Bitten / petere, supplicare; in Praes: Indic: ich Bitte / du Bittest / er Bittet; wir Bitten / &c. Imperf: Indic: ich & er Bat / du Batest; wir Baten, &c. Imperf Subj: ich & er Bäte / du Bätest, &c. Imperat: Bitt. Praet: Part: Gebeten / ook Gebäten / volgens Schott:.
Zijnde dit omtrent als die van de IV. CL: 4.
Dog Bäten / preces fundere, & Beten / orare Deum, zijn van de I. CL:.
No: 4.Gären / Gar / Gegoren / faecem emittere, (te vinden bij Bödiker p: 115.) zweemt na die van de III. CL: 2. Von dem Spaten zet ook Gären (Gieren) / Gor & Bur (in Subj: Göre) / Gegoren.
No: 5.Gehen / ire; ; Praes: Indic: ich Gehe / du Gehest / er Gehet; wir Gehen &c. Imperf: Indic: ich Gieng / du Giengest / er Gieng, &c. Imperf: Subj: ich Gienge / du Giengest, &c. Imperat: Geh. Praet: Part: Gegangen.
De Oude Infinit: was Gangen, waer van bij insmelting Gehen of Gehn; en toen behoorde dit bij die Verba, welke wij hier onder de IV. CL: 2. geschikt hebben.
No: 6.Haben / habere, tenere; Hatte / gehabt; zie ten einde van de I. CL: onder de Hulpwoorden, in ons XXVII. Hoofddeel.
No: 7.Heben / attollere; Praes: Indic: ich Hebe / du Hebest / er Hebe; wir Heben / &c. Imperf: Indic: ich Hub / du Hubest / er Hub / &c. Imperf: Subj: ich Hübe / &c. Imperat: Heb. Praet: Part: ge-Hoben / ge-Haben / & ge-Hebet.
Dit zweemt iets na die van de III. CL:.
No: 8.Kommen / venire; Praes: Indic: ich Komme / du Kommest / er Kommet / &c. Praet: Imperf: Ind: ich Kam / du Kamst / er Kam / &c. Imperf: Subj: ich Käme / &c. Imperat: Komm. Praet: Part: ge-Kommen.
Aen dit zou een plaets in de IV. CL. kunnen ingeschikt worden.
No: 9.Können / posse; Praes: Indic: ich Kan / du Kanst / er Kan; wir Können / &c. en in Praes: Indic: ich Könne / &c. Imperf: Indic: ich Konte of Kunte / du Kontest of Kuntest / &c. Imperf: Subj: ich Könte of Künte / &c. Praet: Part: ge-Kunt of ge-Kont (ook wel Künnen volgens Schottel & Bödiker).
No: 10.Leschen / extinguere; in Praet: Part: er-Loschen / bij Schottel; dog Löschen / ver-Löschen / extingui, evanescere, bij Bödiker. In Imperf: ver-Losch / in Praet: Part: ver-Loschen. Dog Löschen / restinguere, extinguere, I. CL:.
[p. 672]origineel
No: 11.Ligen (volgens Schottel), & Liegen (volgens Bödiker), jacere. in Praes: Indic: ich Lige (of Liege) / du Ligest of Liegest) &c. Imperf: Indic: ich & er Lag / du Lagest; wir Lagen / &c. Imperf: Subj: ich Läge / &c. Imperat: Lig. Praet: Partic: ge-Legen.
Dit gelijkt naa aen die van de IV. CL: 4.
Dog Legen / ponere, is van de I. CL: even als ook bij Ons.
No: 12.Mögen / Mügen / posse; Praef: Indic: ich & er Mag / du Magst; wir Mogen / &c. Praes: Subj: ich Möge / &c. Praet: Imperf: Indic: ich & er Mochte of Muchte / & en Imperf: Subj: ich & er Möchte of Müchte / &c. Praet: Partic: ge-Mocht of ge-Mucht (ook wel Mögen of Mügen volgens Schottel & Bödiker).
Dit Mögen heeft gemeenschap met Können.
No: 13.Müssen / cogi, debere; Praes: Indic: ich & er Musz / du Must; wir Mussen; dog in Subj: ü voor u. Praet: Imperf: Ind: ich Muste / &c. en Subj: ich Müste / &c. Praet: Part: ge-Must (ook wel Müssen volgens Schottel & Bödiker).
No: 14.Pflegen / mulcere, fovere, Pflegte / gefleget / als I. CL. dog ook gepflogen / volgens Bödiker: en Pflegen / solere; mede I. CL: dog in Praet: Part: Pflegen & gepfleget: maer volgens Von dem Spaten ook Pflegen / Pflag & Pflog (in Subj: Pflöge) / gepflogen als III. CL: solere, in more habere, & turare, fovere, observare.
No: 15.Seyn / esse; War / gewesen & gewest: zie in ons XXVII. Hoofddeel, onder de Hulpwoorden ten einde van de I. CL:.
No: 16.Sitzen / sedere; Praes: Indic:. ich Sitze / du Sitzest / er Sittet / &c. Imperfect: Indic: ich & er Sasz / du Sassest / &c Imperf: Subj: ich Sasse / &c. Imperat: Sitz. Praet: Partic: ge-sessen.
Dog 't Activum Setzen / ponere; is van de I. CL:.
No: 17.Sollen / oportere; Praes: Indic: ich & er Soll / du Sollest / &c. Imperf: Indicat: ich & er Solte / du Soltest / &c. Imperf: Subj: ich & er Sölte / &c. Praet: Part: gesolt / (ook wel Sollen volgens Schottel & Bödiker).
No: 18.Stehen / stare: Praef: Indic: ich Stehe / du Stehest / &c. Imperf: Indicat: ich & er Stand of Stund / &c. Imperat: Steh. Praet: Part: gestanden.
De Oude Infinit: was Standen / waer van Stehen een insmelting is; en toen behoorde dit onder die van den IV. Rang.
[p. 673]origineel
No: 19.Tuhn / facere; Praes: Indic: ich Tuhe / du Tuhest / er Tuht; wir Thuen (of Thun) / &c. dus ook in Subj:. Imperf: Indic: ich & er Taht / du Tahtest; wir Tahten / &c. Imperf: Subj: ich & er Tähte &c. Imperat: Tuh. Praet: Part: Getahn.
NB. Dit Tuhn (of zo anderen schrijven Thun) word in 't Hoogduitsch niet voor een Hulpwoord gebruikt.
No: 20.Tahren of Tühren / audere: Praes: Ind: ich Tahre / du Tahrest / er Tahrt; wir Tühren / &c. Imperf: Indic: ich & er Tuhrste / & Tührte / &c. Imperf: Subj: ich & er Tührste / & Tührte / &c. Imperat: Tahr. Praet: Part: Getuhrst & Getuhrt.
Zie ook Darfen / Dõrfen / &c. No: 2. (audere).
No: 21.Waden / vadare; Wadete / gewadet / als van de I. CL: dog ook in Imperf: Wud; zie Bödiker, p: 127.
No: 22.Wissen / scire; Praes: Indic. ich & er Weisz / du Weist; wir Wissen / &c. Imperf: Indic: ich & er Wuste / du Wustest / &c. Imperf: Subj: ich & er Wüste / &c. Imperat: Wisz. Praet: Part: Gewust (ook wel Wissen volgens Schottel & Bödiker).
No: 23:Wollen / velle; Praes: Indic: ich & er Will / du Willst of Wilt; wir Wollen / &c. Praet: Imperf: ich Wollte / du Woltest / &c. Praet: Part: ge-Wolt (ook wel Wollen volgens Schottel & Bödiker).

Aenmerking,

 

Wegens het Gebruik der Hulpwoorden in Infinitivo of in Praet: Partic:

 

Ten besluite van de Hoogduitsche Werkwoorden heb ik nog de volgende Aenmerking te doen, rakende de bovengenoemde Praet: Partic: bij No: 2, 9, 12, 13, 22, & 23.

 

Schottel & Bödiker zetten hier voor

zo wel Dürfen als Gedurft / in Inf: Dürfen.
zo wel Können als Gekunt / in Inf: Können.
zo wel Mögen als Gemocht / in Inf: Mögen.
zo wel Müssen als Gemust / in Inf: Müssen.
zo wel Wissen als Gewust / in Inf: Wissen.
en zo wel Wollen als Gewolt / in Inf: Wollen.

't Heeft mij eenigsints verwondert dat zulke brave Grammatici dit Dürfen / Kön-

[p. 674]origineel

nen / Müssen / &c. voor Praet: Partic: hebben aengezien, en dat, zo 't schijnt, slegts op een ongegronde schijnrede, naemlijk, om dat men zeit Ich habe mussen hören / &c. audiendum mihi fuit, gelijk Hr: Bödiker alleenlijk zulke Voorbeelden tot bevestiging van zijne stelling bijbrengt, meenende dat dit Haben hier een Praeter: Part: agter zig vereischt, even gelijk als dan, wanneer het slegts een enkel Verbum agter zig krijgt, als Ich habe gemust / oportuit me.

Dog zo dit Müssen & Gemust beide Praeter: Part: waren, om wat rede zou dan dit eerste soort, in die gedaente zijnde, nimmer GE vooraen gedogen, aengezien dit volkomentlijk eigen is, zo bij de Hoog-als Neder-duitsche Praet: Part:? Waerom zeit men dan ook niet enkelijk Ich habe müssen zo wel als Ich habe gemust / oportuit me? en waerom ook niet tevens Ich habe gemust horen zo wel als Ich habe müssen horen Hier uit blijkt dat dit Müssen / &c., wanneer het hier in steê van een Tusschen-Hulpwoord komt, geen Praeter: Part: is, gemerkt het ontwijffelbare Praet Part: Gemust die plaets niet mag bekleeden.

Wijders, indien Müssen hier een Praet: Part: moet heeten, waerom zijn dan Lassen & Helfen / &c. niet ook Praet: Participia? want men zeit Ich habe Lassen Lauffen / Ich hatte helsen Kauffen / &c. dog niet Ich habe gelassen Lauffen / nogte Ich hatte geholfen Kauffen.

 

Ik zou bij deze Ongerijmtheden meerder konnen voegen, dog 't is genoeg om aen te toonen en te besluiten, dat dit Müssen / Können / &c. hier geene Praet: Part: zijn, maer zuivere Infinitivi, gelijk ze ook nergens in daer van verschillen: En tot netter bescheid en opheldering hier van, zal ik twee Opmerkingen hier op laten volgen, die zo wel in 't Hoogduitsch als bij Ons gelden, en welker kennis van geen gering gewigt in 't Grammaticael is.

I.Wanneer de Werking een Praesens of Imperfectum verbeeld, dan blijft het Zakelijke Verbum in Infinit:, en 't Hulpwoord moet in Praes: of Imperf: na vereisch van zijne Vervoeging gestelt worden, 't zij het een Infinit: Rectus, 't zij het een Inf: Obliq: agter zig begeert; als
Ich musz Lesen / legendum est mihi (Ik moet Lezen).
Ich muste Lesen / legendum erat mihi (Ik moest Lezen). en Wederom
Ich hoffe zu Lesen / bij Ons, Ik hope te Lezen.
II.Dog wanneer de Werking in Praet: Perf: & Plusq: Perf: geschied, en als dan de Hulpwoorden Haben / Werden / & Seyn gebruikt worden, zo moeten die hare Verbuiging naer eisch hunner Tijdvoegingen hebben, terwijl de Tusschen-Hulpwoorden Dürfen / Können / Mögen / Müssen / die een Infinit: Rectus agter zig begeeren, dan in Infinitivo pal blijven staen, zo wel als de Zakelijke Verba, waer van ze Voorloopers zijn; als
[p. 675]origineel
Ich habe Mussen Lesen (legendum fuit mihi), Ik heb moeten Lezen.
en Ich hatte Mussen Lesen (legendum fuerat mihi), Ik had moeten Lezen.

Maer, wanneer andere Tusschen-Hulpwoorden, welke een Infinit: Obliquus agter zig vereischen, die plaets bekleeden, zo vervoegen de zulken zig in de gewoone gedaente van het Praet: Perfect: & Plusquamperf:, als

Ich habe of hatte gehoffet zu lezen; bij Ons, Ik heb of had gehoopt te Lezen.

 

't Is ook wijders hierom, ingevolge van de tweede Opmerking, dat men zeit

Ich habe of hatte {Fühlen}
{Helfen}
{Hören}
{kommen}
{Lassen}
{Lehren & Lehrnen}
{Sehen}
Lauffen; dog niet Ich habe gefuhlet Lauffen / &c. Dus is 't ook bij Ons gelegen.

Dog dat men in 't Hoogduitsch, even als onder Ons, vier van deze Tusschen-Hulp-woorden, naemlijk Fühlen / Hören / Lehren (of Lehrnen) / & Sehen / ook tevens in hunne Praet: Part: gebruikt, mits dat dan het Zakelijke Verbum in een Substantivum Indefinitivum verwandele, en ook de plaets inneme van zulk een Substantiv: die gewoonlijk tusschen 't Hulpwoord en 't Praet: Part: in is, als Ich hätte Lauffen gefuhlet / gelehrnt (of gelehrt) / gehöret / en gesehen / zulks heeft een andere rede. Zie verder ons Gebruik hier in bij §. XI. & XIII. in onze 14. Redewisseling.

 

EINDE Van de Regelmaet en Rangschikking der HOOGDUITSCHE WERKWOORDEN.

 

1714 3/m.