Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. Mina Krüsemanaant.

Mina Krüseman (1839-1922), niet meer dan één jaar jonger dan mevrouw Frank, is in bijna alle opzichten haar tegenpool. Naar buiten zeer zelfbewust, luidruchtig, agressief en onwrikbaar, vertegenwoordigt ze het militante feminisme van haar tijd. Ze heeft uitgesproken denkbeelden over liefde en huwelijk, over godsdienst en moraal, over het militarisme, over kinderen krijgen enzovoorts. Ze formuleert haar overtuigingen in absolute termen: geluk of dood, liefde of haat, verpletterend of verheven, wit of zwart. Daartussen bestond voor haar niets: ‘Ik ben zo geheel, zo fataal geheel in alles,’ schreef ze in een brief.

Haar heldinnen zijn van een andere soort dan die van mevrouw Frank en het tegendeel van duldsters. In een gelijke situatie geplaatsteen gedwongen huwelijk met een rijke, maar veel oudere mangedragen ze zich totaal anders. In de verhalen van M.C. Frank ondergaat de heldin het liefdeloze huwelijk en het ongelukkige leven, de belediging en de ontrouw; de heldinnen uit Mina Krüsemans romans leggen zich minder gewillig bij de opgedrongen situatie neer, of ze nu Netje heten, Lize of Louise. Ook zij worden gedwongen een huwelijk aan te gaan met een man die hun afkeer inboezemt (‘Wat is hij lelijk. Zo'n rood gezicht en zulke grasgroene ogen - wie zou zo'n man willen hebben?’) en die ook resident of assistent-resident of notaris is, net zoals bij mevrouw Frank. Het doet er weinig toe. Maar de heldinnen van Mina Krüseman berusten niet in het ongeluk; ze gaan handelen. De dertienjarige Netje geeft met goedkeuring van de schrijfster haar man eerst vergift te drinken (‘Ik zal jou ratjoen [= vergift] geven!’ had ze hem vóór het huwelijk al toegevoegd), laat hem op zijn ziekbed

[p. 221]

een stuk tekenen waarin hij in de scheiding toestemt, waarna ze hem een tegengift toedient. Hij geneest tot verwondering van de doktoren en stuurt haar dan naar huis terug. Na enige tijd eist hij haar weer op. Dan verzint ze iets anders. Ze laat het rijpaard van haar man vergiftigen en daarna de huisjongen de boodschap overbrengen: ‘Toewan moet zeer voorzichtig zijn met eten en drinken [...] waar de dieren sterven, daar volgen dikwijls mensen.’ De assistent-resident wordt bang en als hij weer ziek wordt, laat hij - na de dokter geraadpleegd te hebben - het rijtuig komen dat de doortastende Netje ditmaal voorgoed moet wegbrengen. Door de baboe laat Mina Krüseman zeggen dat mevrouw ‘berani sekali’ is (veel moed heeft) en ‘pienter’ (knap, slim) is.

Mina Kruseman werd in Velp geboren, maar in Indië grootgebracht. Zijzelf vertelt dat toen haar vader in Semarang (hij was officier) onderscheiden werd, zijn toen vijftienjarige dochter een hevige scène maakte en van hem eiste dat hij zijn decoratie zou terugzenden aan de Koning. De ruzies liepen zo hoog dat Mina uit huis wegliep en bij vrienden ging logeren. Kort daarop werd haar vader gepensioneerd en vertrok het gezin naar Nederland. Het voelde zich er niet gelukkig, Mina allerminst. Er waren de gebruikelijke klachten van alle Indischgasten: een vreemd land, te weinig zon, te weinig groen, te weinig ruimte. Het zitten in een gesloten kamer bij een kacheltje maakte haar dol. Na een jaar stierf haar moeder. Terwille van Mina die ‘chanteuse’ wilde worden (‘een vreselijk woord dat nauwelijks uitgesproken mocht worden’) verhuisde het gezin naar Brussel. Daar stierven drie van haar vier zusters aan tuberculose.

In de eerste jaren na zeventig heeft Mina Krüseman in Nederland de nodige beroering gewekt. Op 6 april 1873 schreef ze aan haar vader: ‘Heel Nederland is in rep en roer door mijn couranten-artikelen en mijn speeches. De mensen komen van heinde en verre om mij te bekijken, en mijn brutaliteit in Amsterdam heeft zo'n sensatie gemaakt, dat nu de zalen te klein zijn om de foules te bevatten die voor onze lezingen komen.’ Wat was er gebeurd? Mina Krüseman was in de winter van 1872 uit Amerika teruggekomen waar ze meer als vrouw dan als artiste succes had geoogst. Terug in Europa maakte ze spoedig kennis met Betsy Perk, evenals zij feministe. Ze besloten samen lezingen en voordrachten te houden volgens een plan dat Mina al eerder had uitgedacht: ‘Nu ben ik besloten mijn oude strijd voor vrijheid en onaf-

[p. 222]

hankelijkheid vol te houden, zingende, schrijvende, lezende, n'importe hoe! Alles bevalt mij behalve rust...’ De beide vrouwen hadden spoedig succes, vooral door de reclame die de pers ongewild maakte. Ze wond zich op en maakte ruzie over wat Mina Krüseman verkondigde, over haar voordracht, zelfs over haar toilet, want Mina verscheen ‘gedost in een groen fluwelen sleepkleed à coeur uitgesneden, met nauwe mouwen en met witte kantjes omzoomd.’ Men noemde haar schimpend ‘excentriek’. Mina schreef: ‘Niets ter wereld haat ik meer dan hetgeen men gewoon noemt.’ Wat schreef ze? Wat deed ze? Wat verkondigde Mina Krüseman die zich ook Stella Oristorio di Frama noemde en zich annonceerde als ‘cantatrice’? Allerlei voor die tijd controversiële meningen als deze: ‘Waarom werkt men overal, maar vooral in Nederland, de ontwikkeling van de vrouw zo stelselmatig tegen? Waarom moet zij trouwen of bedelen wil zij geacht worden door de maatschappij die haar bespot als ze denkt en veracht als ze werkt? En wat zijn onze mannen groot geworden!!! Zij moorden, roven en stichten brand onder de valse naam van eer en voeren als barbaren oorlog, waarvoor ze elkander onderling belonen met kruisjes, lintjes, strikjes en ... armoede en ellende.’ Maar het meest schokte ze de mensen met het antwoord op de vraag hoeveel kinderen ze hoopte te krijgen. Ze laat de figuur Norah uit de novelle De zusters zeggen: ‘Ik hoop geen, want ik zou niet weten wat ik ermee aan moest vangen. Als ik zoons had, zou ik er geen militairen van willen maken, als ik dochters had, zou ik haar vrij en onafhankelijk willen zien.’ Deze novelle De zusters - waaruit beide bovenstaande citaten afkomstig zijn - droeg ze overal voor. Het verhaal diende voor Mina Krüseman als een soort actieprogramma in litteraire aankleding.

Intussen verscheen haar in New York geschreven roman Een huwelijk in Indië (1873) waaruit ze ook verschillende stukken ging voordragen; naar onze begrippen een romantische draak zonder meer, die overigens beter dan haar voordrachten in een letterkundige traditie paste. Potgieter stond met gemengde gevoelens tegenover het optreden van Mina Krüseman. Aan de ene kant bewonderde hij haar moed, aan de andere kant had hij toch zijn reserves. De manier echter waarop sommige recensenten haar meenden te mogen aanvallen had hem bijzonder geergerd. Hij had ze de les gelezen en ze ‘kwajongens’ genoemd, maar Mina ging hem toch te ver. In een brief van 24 april 1873 schrijft hij

[p. 223]

aan Busken Huet: ‘Arme Mina Krüseman die het toch te bont maakte door in Oldenzaal ook een revolver mee te brengen. Of zijn wij te burgerlijk, te bekrompen voor excentriciteit? Ik heb soms berouw haar niet te hebben opgezocht en dan weer juich ik mijzelve erom toe, want dergelijke naturen zijn niet te bedwingen.’ Huet ergerde zich veel meer aan haar. Hij zou niet tóén, en niet tegenover Potgieter, maar later, in 1877, aan mevrouw Bosboom-Toussaint schrijven: ‘Zij zegt ons beledigingen waarop alleen een oorvijg zou kunnen dienen, want aan over de knie nemen, daaraan valt bij een vrouw van die omvang niet te denken.’

Alleen Multatuli was haar - althans aanvankelijk - voluit genegen. Hij had haar op 5 april 1873, toen ze middenin de ruzies zat, een lange brief geschreven om haar te troosten en zijn sympathie te betuigen. Ze kenden elkaar toen niet persoonlijk, maar in begin september 1873 maakten Mina Krüseman en Betsy Perk een reisje door Duitsland en zochten Multatuli op. In een brief van 5 september brengt Mina Krüseman aan de familie H. te Valkenburg verslag uit over dit bezoek. ‘Ik heb kennis gemaakt met Multatuli!!!!!’ (vijf uitroeptekens) juicht ze en dan volgt een zeer uitvoerige beschrijving van de ontmoeting. Als men haar geloven moet, werd vooral Betsy Perk geheel door Multatuli ingepalmd en het heeft haar kennelijk geërgerd. Multatuli van zijn kant heeft over deze ontmoeting in enkele regels aan Roorda van Eysinga geschreven. Hij had tevoren Mina Krüsemans moed geprezen (ze had Roorda verdedigd), maar veel bewondering voor haar werk had hij niet: ‘Ik zit ermee haar mijn opinie te zeggen.’

Mina had haar eerste roman intussen omgewerkt tot een toneelstuk in zestien taferelen zonder enig begrip voor de eisen van het toneel. Huet noemde haar bewerking litteraire oplichterij. De opvoeringen werden geen groot succes, maar Mina had de weg naar het toneel gevonden en dat was voorlopig voldoende voor haar om het doel te bereiken dat ze zich voor ogen had gesteld: de hoofdrol vervullen in een opvoering van Multatuli's Vorstenschool. Wat nog niemand gelukt was, lukte haar. Ze wist een toneelgezelschap te bewegen de Vorstenschool op te voeren. Multatuli geeft haar carte blanche en zij regelt alles. Zij stelt de voorwaarden en zij tekent het contract. Tussen Multatuli en Mina Krüseman is een vrij drukke correspondentie gevoerd die in het begin langs Mimi heen gespeeld wordt. Zoals in zijn verlovings-

[p. 224]

brieven aan zijn eerste vrouw Tine, tracht Multatuli haar uit de tent te lokken, maar Mina is op haar qui vive en ze antwoordt: ‘Ik verlang geen liefde van u en ik wil u niet liefhebben. Ik neem uw artistieke kameraadschap aan en hoop dat onze verhouding zo blijven zal.’ In een andere brief gaat ze nog een keer op hun verhouding in: ‘Voor u heb ik van alles doorelkaar gevoeld: bewondering, medelijden, belangstelling, hoogachting, dankbaarheid, alles wat bruikbaar zou zijn om tot vriendschap te voeren - geen liefde - en toen heeft mijn instinct mij gezegd: ga heen en blijf weg, zie hem nooit weer als het mogelijk is. [...] Nu zijt gij de laatste die ik als vriend behandel, ik hoop dat ge de eerste zult zijn qui en sera digne.’ Multatuli is blijkbaar wat onthutst en deemoedig antwoordt hij haar: ‘Wat onze verhouding betreft, ik beloof u en mijzelf waardigheid.’ Toch blijkt uit de correspondentie dat er overal haken en ogen zitten en bij dit alles spelen ondergrondse gevoelens mee. Het is zeer waarschijnlijk dat hier sprake is geweest van een geknotte liefdesverhouding. In ieder geval loopt de relatie met Multatuli op een breuk uit, die zich reeds tijdens de repetities van Vorstenschool manifesteerde. Volgens de toneelspeler Haspels, die de rol van Koning George speelde, gilde Multatuli haar eens toe: ‘Juffrouw, zo wil ik nog geen liefde van mijn keukenmeid!’ een diepe belediging die men alleen ten volle kan peilen tegen de achtergrond van hun correspondentie. Vanaf dat ogenblik slaat Mina Krüsemans liefde om in haat, een diepe haat die tot het laatste toe onverzwakt is gebleven. Als de redacteur van De Groene, Henri Wiessing, haar in 1910 vraagt enkele van haar herinneringen aan Multatuli op te schrijven, antwoordt ze vanuit haar eenzaamheid in Boulogne-sur-Seine: ‘Maar wat wilt ge eigenlijk van me? Een souvenir van Multatuli? Maar de man heeft me nooit iets gegeven. [...] hij was me zó antipathiek als mens dat ik de schrijver nooit heb kunnen verwarren met de man.’ Multatuli heeft door te verhinderen dat ze nog langer de hoofdrol in zijn Vorstenschool speelde - en van zijn kant waarschijnlijk terecht - er in ieder geval toe bijgedragen haar artistieke loopbaan te doen mislukken. Toen deze ten einde liep, besloot Mina Krüseman (haar zuster was gehuwd met de in dit boek meer dan eens genoemde S. van Deventer die toen lid van de Raad van Indië was) naar het land van haar kinderjaren terug te keren. Dat was in 1877, in hetzelfde jaar dat haar driedelige autobiografie in briefvorm Mijn leven verscheen, een verdediging van haar

[p. 225]

optreden, een verklaring van haar verhouding tot Multatuli en een rechtvaardiging van waarom ze was zoals ze was. Ze zette een punt achter een deel van haar leven en begon een nieuw leven. Een ding blijkt duidelijk uit deze brievenpublicatie: dat ze veel beter brieven kon schrijven dan romans of toneelstukken. Maar haar glorietijd was voorbij.

In Indië heeft ze de langste tijd in Surabaja gewoond. Ze gaf lessen aan Indonesische, Indo-Europese en Chinese kinderen, ‘met wie ik dagelijks omging als met jongere zusjes die me begrepen en die met me samenwerkten aan de verheffing der vrouw’ (in de opdracht van haar roman Parias, 1900). Ze deed sociaal werk, bewogen als ze was met het lot van de Indo-paupers. Ze leerde meisjes costuumnaaien en bracht ze op feestdagen allerlei geschenken. Na enige tijd opende ze een toneelschool ten huize van een leraar van de hbs. De later in Surabaja zo bekend geworden toneelspeelster ‘Moeder van den Steen’ was een van haar leerlingen. Ze was ook een tijdlang regisseuse bij een van de twee Surabajase toneelverenigingen, de vereniging Constantia, waar hoofdzakelijk Indo-Europeanen lid van waren. In die tijd schreef ze zelf toneelstukken en voerde ze op: een drama in drie bedrijven Hélène Richard of in weelde geboren (1880) en een fantasie naar het sprookje van Assepoester in één bedrijf. Ze liet het laatste in Pasuruan drukken, aangevuld met een aantal krantenrecensies die voor het grootste deel afbrekend waren, gevolgd door haar commentaar op die recensies. Het geheel noemde ze Cendrillon en de moord op Cendrillon gepleegd, gewroken (1880). Ze had het vechten niet afgeleerd en toch had ze zich iets anders voorgenomen toen ze zich in Surabaja vestigde. ‘Ik wil kalm leven,’ had ze geschreven in een ingezonden stuk in het Soerabaiasch Handelsblad van 18 februari 1878. Eigenlijk liep het in Indië precies zoals het in Nederland gegaan was: ze wekte weerstanden op, al was het alleen maar omdat ze gekleed in een wijde, losse peignoir, in een open rijtuigje door de stad reed, de paarden zelf mennend. De kinderen joelden haar na en de ouderen glimlachten als ze weer langs Simpang reed (een herinnering opgetekend in de Java-Bode van 28 juli 1900). Ze bleef consequent ‘excentriek’, ook toen ze - ze was al over de veertig - in vrije liefde ging samenwonen met een tweeëntwintig jarige Surabajase fotograaf, die ook toneelstukken schreef, de zoon van een bekende hotelhouder. Ze maakte zich daarmee het leven tot een hel.

[p. 226]

Ten slotte vertrok ze met hem naar Singapore. Vanuit Singapore reisden beiden naar Italië. Daar werden hun kinderen, twee meisjes, geboren. Mevrouw W. van Itallie-van Embden vertelt in haar Sprekende portretten dat Mina Krüseman bij de aangifte bij de burgerlijke stand in conflict raakte met de ambtenaren en niet kon nalaten haar denkbeelden te propageren over vrije liefde (‘Ik wil onafhankelijk blijven, ik heb van jelui huwelijk teveel misère gezien en ik gaf voorbeelden’). Zij en haar man gingen later in Frankrijk wonen, eerst in Parijs, toen in Boulogne-sur-Seine, waar zij ook gestorven is. Haar man, en haar beide kinderen die heel jong stierven, heeft ze jaren overleefd. Ze schreef een lijvige, maar helaas weer drakerige Indische roman Parias (z.j.) die ze aan haar Surabajase leerlingetjes opdroeg. Tijdens de oorlog zond ze uit haar vervallen huisje een oproep aan de vrouwen ‘Contre la guerre’. Ze gaf ook een maandblad uit La voix des femmes en schreef een ‘Appel à toutes les femmes du monde entier’. Kort na de oorlog schreef ze nog een anti-militaristische roman waar ze nooit een uitgever voor heeft kunnen vinden. Ze was toen tweeëntachtig. In een brief van 6 februari 1921, een jaar voor haar dood aan een Indische vriendin geschreven, staat: ‘In welk een gekken-maatschappij leven we toch! Zoveel onzin en zoveel harteloosheid! Het is of niemand meer weet wat haten is en wraak niet meer bestaat. Elk diep, krachtig gevoel, goed of kwaad, n'importe, smelt weg voor een kruisje van blik of tin of een snippertje bontgekleurd lint. Vive la gloire! Vive l'honneur! Vive le crime! moeten ze erbij voegen, want het zijn de misdaden alleen die al die grootheid in ere houden. Stelen heet gaspiller en vermoorden se défendre. Je mag je medemensen zoveel kwaad doen als je wilt, als je maar binnen de technische termen blijft voor je verdediging.’ Over haar boek schreef ze aan Jeanne Reyneke van Stuwe: ‘Ik heb het niet geschreven om geapplaudiseerd te worden, maar om lucht te geven aan het stikkend gevoel van oorlogsdwang dat ons nog altijd in elkaar perst en verbijstert.’ Haar geest was nog bijzonder actief en zelfs jong, maar lichamelijk was ze ‘oud en gebrekkig’. ‘Mijn benen zijn ingeslapen,’ schreef ze. Eerst tegen het eind van haar leven was ze ook het vechten moe geworden: ‘[...] nu ben ik bezig zelf in te slapen omdat ik vermoeid ben van nutteloos werken en het strijden à la Don Quichote’ (brief van 29 januari 1921 aan Henri Borel).