Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2. M.C. Frankaant.

Mevrouw M.C. Vanger-Frank (1838-1891) was een gescheiden vrouw en we moeten ons indenken wat het betekende in die tijd gescheiden te zijn: maatschappelijk geïsoleerd te worden en afhankelijk te zijn van de welwillendheid en vriendelijkheid van anderen. In 1888 - ze is dan vijftig - woont ze in Breda bij een Indische familie die met verlof in Nederland is. In haar brieven aan de kinderdichter J.J.A. Gouverneur, schrijft ze in het huishouden behulpzaam te zijn. Toch leeft ze niet in dienstbaarheid (‘neen, oude vriend, ik word niet als werkvrouw gebruikt en ik ben bij de C.'s niet pro deo’), misschien wel in afhankelijkheid, want zelfstandig kan ze niet wonen. Van haar man krijgt ze ƒ50,- per maand, maar ze kan lang niet altijd op dit bedrag rekenen. Ze moet werken en geld verdienen, schrijft ze, en ze beklaagt zich erover dat ze niet tot schrijven komt, omdat ze zoveel in het huishouden moet doen en een baby verzorgt (‘mijn pen roest en de inkt droogt op in de inktkoker’). Ze is bezig met vertaalwerk en verzamelt intussen de stof voor een nieuwe roman, die ‘heel tragisch en heel dramatisch’ moet worden. ‘Er is hier stof in overvloed, want Breda is een

[p. 218]

tragisch stadje. Het moeilijke is, alles van alle kanten bijeen te garen om het tot een geheel te verwerken.’ Het is voor haar zelfs héél moeilijk, want ze gaat nauwelijks de deur uit. Ze zou wel willen reizen, maar ze heeft het geld er niet voor en ze voelt zich ook oud en ziekelijk worden. Haar kinderen - ze heeft een zoon op de Academie - zijn wel lief voor haar, maar ze is eenzaam: ‘Het enig kind dat ik op schoot neem, is mijn oud, lelijk hondje Castor.’ Haar leven is draaglijk, maar duf. Haar kamer is haar hemel en de pen haar wapen, zegt ze. In haar boeken leeft ze in een andere wereld: wat heviger, wat dramatischer en wat tragischer. En ook wat onwaarschijnlijker dan haar leven van alledag. In 1891 sterft ze en twee jaar later komt haar roman Blank en bruin uit. Het verhaal speelt inderdaad in een klein stadje (als Breda) en de situatie is inderdaad ‘heel dramatisch’ door de tegenstelling die mevrouw Frank tussen blank en bruin schept. Ze voert een Indisch meisje op, maakt haar tot slachtoffer van liefdeloosheid en bedrog en stelt dit tegenover, of liever boven twee blanke Haagse nichtjes. Het warmere Indische bloed wint het van het trager vloeiende Hollandse. Het is het thema dat mevrouw Frank veelvuldig varieert. Een recensent uit die tijd (in De Tijdspiegel van 1894, deel i, blz. 222) schreef dat ze daarmee geen keuze had gedaan tussen blank en bruin, maar tussen een lief meisje en een paar katjes. Voor de dramatiek moet een onwaarschijnlijke situatie dienst doen die in ieder geval door de voordracht onaannemelijk wordt. Het verhaal berust waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk op de werkelijkheid (men leze wat ze in haar brieven hierover schrijft) maar haar werkwijze verhindert haar de werkelijkheid aannemelijk te maken. Het is welbeschouwd de tragiek van elk (te) klein talent. Maar niet voor haarzelf waarschijnlijk, want ze moet aanmoediging hebben gevonden bij een brede schare van jongere en oudere lezeressen. Blank en bruin sluit een hele reeks van grote-mensenboeken en kinderboeken af die alle tussen 1870 en 1890 geschreven zijn. Haar boeken moeten veel op elkaar geleken hebben, niet door de onderwerpen (waar ze de nodige variatie in aanbrengt), maar wel door de keuze van telkens dezelfde ‘problemen’ en vooral door een wijze van schrijven die zelfs tijdgenoten ongeduldig maakte (‘Aanstonds lezer! Geduld lezer!’). Of we een verhaal lezen als ‘Per procuratie getrouwd’ in één van haar vroegere bundels Oostindische dingen en menschen geschetst (1875) of Bijna verloren, van enige jaren later (1880), of Een lief blondinetje (van

[p. 219]

1886), of Blank en bruin, haar laatste in 1893 verschenen roman - het zijn altijd dezelfde thema's: de tegenstelling tussen blank en bruin, tussen warm en koud bloed, het gedwongen huwelijk (en de ongelukkige gevolgen van dien), de smart van de verlaten njai, miskende ziele-adel (van de kant van de vrouw) en verraad en ontrouw (van de kant van de man). Van Indië heeft mevrouw Vanger of mevrouw Frank nooit gehouden. Ze behoorde tot het type dat er niet heeft kunnen aarden, omdat ze Indië en Indische mensen altijd met Hollandse ogen bleef zien. Als ze in Oostindische dingen en menschen geschetst een typisch Indische straatvertoning met verkleedpartijen bijwoont, het ‘dansoe-dansoe’, probeert ze wel te glimlachen, maar eigenlijk staat het tafereel haar tegen. Als ze een Indo-Europese bruiloft beschrijft, is ze milder gestemd, maar hoe superieur Hollands observeert ze! De beschrijving van bruid en bruidegom (door Brom waarachtig nog geprezen) is caricaturaal en goed beschouwd krenkend en laatdunkend, juist door de langdradige ‘grappigheid’ van de beschrijving. In een andere bundel schetsen (geschreven onder de schuilnaam ‘Kâtja Mâta’, letterlijk brilleglazen) getiteld Een natuurlijk kind en andere Nederlandsch-Indische verhalen (1875) komt de beschrijving voor van een sterfhuis bij Indo-Europeanen. Ze is vol walging en afschuw om wat ze ziet en hoort (‘afschuwelijk’, ‘weerzinwekkend’) en veroordeelt letterlijk alles wat niet overeenkomt met een nette Hollandse burgerbegrafenis. ‘'s Lands wijs 's lands eer,’ verzucht mevrouw Frank, ‘maar hoewel ik meelijden had met de treurenden, kwam alles mij eer belachelijk en overdreven dan indrukwekkend of treurig voor. De eerbiedige kalmte, de rust die bij ons heerst in een sterfhuis, vind ik meer gepast in zulke plechtige uren dan al dat misbaar.’ In Hoe zij oude vrijster werd (1876) is de afkeer van de Indische maatschappij sterker geworden. Zij past er onherroepelijk niet in. Kort voor 1880 moet ze naar Nederland zijn teruggekeerd. Herinneringen aan de bootreis zijn vermoedelijk verwerkt in Bijna verloren (1880), gekruid door een schipbreuk, door een poging tot zelfmoord, door de onthulling van het duistere verleden van verschillende passagiers en door de beschrijving van een door de maatschappij uitgestoten, maar in wezen zeer hoogstaande en gepassioneerde vrouw.

Als we het verschijnsel van de damesroman in de tweede helft van de negentiende eeuw als een emancipatie-verschijnsel willen zien: hoe

[p. 220]

past dan de schrijfster mevrouw M.C. Frank daarin? Alleen door de positie van de vrouw tot een telkens terugkerend thema van haar boeken te maken. Ze protesteert nooit rechtstreeks, haar protest ligt in de uitwerking van de intrige die altijd tot een droevige situatie voert. Ook haar heldinnen protesteren nooit; ze lijden alleen maar. Het maakte Huet kregel: ‘De heldin zelf is voor een heldin onuitstaanbaar lijdelijk; een niet te dulden duldster,’ schreef hij in een bespreking van Hoe zij oude vrijster werd.